
Feline staat voor haar schildersezel, een verfrommeld doek in haar hand. Het is bijna middernacht. Beneden heeft Sieger net het laatste glas omgekeerd, de laatste stoel op de tafel gezet. Ze heeft zijn stappen gehoord, het rinkelen van zijn sleutels, het zachte dof van de voordeur die hij altijd te hard dichttrekt. Nu is ze alleen. Nu is ze veilig om te doen wat ze 's nachts doet: schilderen wat ze niet durft te zeggen.
Het enige licht komt van de lamp boven haar ezel, een warme, gouden cirkel die naar beneden schijnt en haar handen verlicht terwijl ze de kwast in de emmer terpentijn dopt. De muren rondom haar zijn bedekt met verfklieren in alle kleuren — lagen van jaren, een geologische geschiedenis van emoties die hier zijn neergeslagen. Stapels doeken liggen met de achterkant naar boven gekeerd, alsof de schilderijen hun gezichten bewaken, hun geheimen beschermen tegen wie binnen zou kunnen komen.
Maar niemand komt hier 's nachts. Dat is de afspraak. Dat is de regel die ze zichzelf heeft gesteld, de grens die Sieger respecteert zonder dat ze het ooit heeft uitgesproken.
Het raam achter haar is beslagen, de zee daarachter volledig verdwenen in de mist en het donker. Soms, als de wind draait, kraakt het dak boven haar hoofd — een zwaar, hartslagachtig geluid dat haar doet denken aan de oude havenmeester die hier ooit zat, die schepen op zee bijhield door datzelfde raam. Zijn aantekeningen liggen nog steeds onder de vloerdelen, samen met zijn kijker en een tekening van een vrouw die niet zijn vrouw was. Feline weet dit, want zij heeft ze gevonden toen ze deze ruimte betrok. Sindsdien voelt ze een verbondenheid met hem, met zijn stilzwijgen, met zijn verlangen naar iets dat hij niet kon benoemen.
Ze tilt het doek naar het licht. Het is nog leeg, nog wit, nog vol mogelijkheid. Morgen zal het iets anders zijn. Morgen zal het een gezicht dragen, een lichaam, een hand die ze herkent — de hand die gisteren een brief tussen Siegers spullen vond, de hand die de inkt rook en wist: sepia, dezelfde die Roos Hartman gebruikt in haar workshops.
Maar vanavond is het nog leeg. Vanavond is er alleen dit moment, deze stilte, deze zware, zoetige lucht die haar longen vult.
Dan kraakt de trap.
Het is een ander geluid dan het dak. Het is dichterbij, scherper — hout dat zijn gewicht draagt, treden die worden genomen met doelbewuste zekerheid. Feline verstijft. Haar hand met de kwast blijft hangen boven de emmer, druppels terpentijn vallen terug in het vloeibare zilver, elk met een zacht plop dat opeens veel te luid klinkt.
Niemand komt hier 's nachts. Dat is de afspraak.
De deur van de zolder gaat open — niet langzaam, niet voorzichtig, maar met een duw die de oude scharnieren laat zuchten. En daar staat hij.
Aartjan.
Hij is breder dan ze zich herinnert, of misschien is het het zwarte T-shirt dat strak over zijn borstkas trekt, de manier waarop zijn schouders het deurtje vullen. Zijn leren jack hangt open, de zilveren ring aan zijn vinger vangt het licht van haar ezel — een kort, scherp flitsen voordat zijn hand weer in de schaduw verdwijnt. Zijn donkerbruine snor is hetzelfde, die kleine boog die zijn bovenlip altijd iets uitdagender maakte, maar er zijn nu stoppels in zijn nek, grijzend aan de randen, die ze niet kent. Vijftien jaar heeft ze hem niet gezien. Vijftien jaar heeft ze zijn naam niet hardop uitgesproken.
"Hallo, Feline."
Zijn stem is dieper dan in haar herinnering, ruwer, alsof de jaren van reizen er schuurpapier over heen hebben gehaald. Hij zegt haar naam op een manier die geen vraag is, geen groet — het is een vaststelling, een claim, alsof hij haar hier altijd had verwacht te vinden.
Ze zet de kwast neer. Haar vingers zijn nat van terpentijn, koud ondanks de warmte van de lamp. "Je kunt hier niet zijn."
"Dat zei je vroeger ook." Hij stapt naar binnen, de deur valt achter hem dicht met een klik die veel te definitief klinkt. "En toen kwam ik toch."
Hij is dichterbij dan ze dacht. Ze ruikt hem — niet de zeelucht die door het dak sijpelt, maar iets anders, iets dat haar terugvoert naar kamers in verre steden, naar handen die haar polsen vasthielden, naar stemmen die haar wakker maakten in het donker. Tabak. Oude leren jassen. De geur van de man die niet is weggewassen.
"Hoe wist je—"
"Dat je hier zou zijn?" Hij glimlacht, datzelfde scheve trekken van zijn mond dat haar vroeger gek maakte. "Ik ken je nog steeds, Feline. Ik ken je rituelen. Je schildert 's nachts. Je schildert wat je niet kunt zeggen."
Hij kijkt naar de stapels doeken, de achterkanten die naar boven liggen. Zijn blik blijft er even hangen, alsof hij kan zien wat erop staat, alsof de verf door het linnen heen drukt. "Wat verberg je deze keer?"
"Ga weg." Haar stem klinkt vreemd in haar eigen oren — niet bang, niet boos, maar iets er tussenin, iets dat trilt op een frequentie die ze niet herkent. "Sieger is beneden. Hij komt zo terug."
"Nee." Aartjan schudt zijn hoofd, langzaam, bijna teder. "Hij is weg. Ik heb hem zien vertrekken. De voordeur, die klinkt heel anders dan de achterdeur, weet je nog? Je hebt me dat ooit geleerd."
Hij is nog dichterbij gekomen. Ze voelt de warmte van zijn lichaam, de straling ervan, terwijl ze zelf nog steeds in de koude pool van licht van haar ezel staat. Haar hart bonkt ergens in haar keel, een wild, onregelmatig ritme dat ze niet kan beheersen.
"Je had me moeten waarschuwen," zegt ze, en haar woorden klinken zwak, een protest dat geen overtuiging draagt.
"Waarvoor?" Hij tilt zijn hoofd, die stoppels in zijn nek vangen nu het licht. "Dat ik terugkwam? Dat ik je nog steeds wil?"
"Dat je bestaat."
Hij lacht, een kort, donker geluid dat ergens in zijn borstkas lijkt te ontstaan. "Ik besta niet voor je, Feline. Dat heb je zelf bedacht. Vijftien jaar geleden heb je me gewist, alsof ik nooit iets voor je betekend heb."
"Jij bent weggegaan."
"En jij bent gebleven." Hij is nu zo dichtbij dat ze de groeven in zijn gezicht kan zien, de lijnen die de jaren hebben getekend. "Maar kijk eens waar je gebleven bent. In een zolder. In het donker. Schilderend wat je niet durft te zeggen tegen de man die beneden op je wacht."
Hij kijkt naar het doek in haar hand, het lege witte vel dat ze nog steeds vasthoudt als een schild. "Wat schilder je vanavond?"
"Niets."
"Ik ken die blik, Feline. Die leegte in je ogen. Je schildert een gezicht. Een lichaam. Iemand die je niet kunt vergeten."
Hij steekt zijn hand uit, en voor ze kan terugdeinzen, voelt ze zijn vingers om haar pols. Zijn huid is ruw, eeltig, de huid van een man die dingen heeft gedaan met zijn handen — gereedschap heeft gehanteerd, touwen heeft vastgehouden, lichamen heeft aangeraakt in verre landen. De zilveren ring is koud tegen haar bot.
"Laat me los."
"Nee." Zijn grip verscherpt, niet pijnlijk, maar onmogelijk te breken. "Ik heb vijftien jaar gewacht om dit te doen."
Hij trekt haar naar zich toe, een beweging die zo vertrouwd is dat haar lichaam reageert voordat haar geest kan protesteren. Haar borst raakt zijn borst, haar heupen komen tegen zijn heupen aan. Ze voelt de hardheid daar, de onmiskenbare druk van zijn opwelling, en een golf van warmte spoelt door haar buik — verradelijk, ongewenst, onvermijdelijk.
"Je ruikt nog steeds hetzelfde," fluistert hij in haar oor, zijn snor prikt in haar wang. "Lijnzaadolie en iets zoeters. Ik heb in Bombay gezeten, in Buenos Aires, in steden waarvan je de naam niet kent, en ik heb naar vrouwen gezocht die naar jou rookten."
Hij laat haar pols los, maar alleen om zijn handen op haar middel te leggen. Zijn duimen drukken in de zachte plek boven haar heupen, die plek die ze hem ooit heeft laten ontdekken, die plek die nog steeds reageert alsof de tijd geen betekenis heeft.
"Je draagt een jurk." Zijn stem is lager nu, bijna ademloos. "Dat deed je vroeger nooit. Je was altijd in spijkerbroeken, in overalls, in kleding waar je jezelf mee kon beschermen."
"Ik ben veranderd."
"Nee." Zijn handen glijden naar beneden, over de stof van haar jurk, en ze voelt elke vezel onder zijn vingertoppen alsof ze naakt is. "Je bent hetzelfde. Je verstopt je alleen beter."
Hij duwt haar achteruit, een stap, twee, tot haar rug tegen het schildersezel komt te staan. Het hout kraakt, de lamp wiebelt, en plotseling is ze gevangen tussen zijn lichaam en het hout — het koude, vertrouwde hout dat haar werk draagt, dat haar geheimen draagt.
"Aartjan—"
"Zeg mijn naam nog eens." Zijn mond is nu tegen haar hals, zijn snor kriebelt in de holte onder haar oor. "Zeg het zoals je dat vroeger deed. Alsof je er niet om kunt ademen."
Ze wil protesteren, wil hem wegduwen, maar haar handen liggen op zijn schouders en ze trekt hem dichterbij in plaats van verder weg. Het is haar lichaam dat liegt, dat verraadt, dat na vijftien jaar nog steeds zijn naam kent in een taal die geen woorden nodig heeft.
Hij voelt het. Hij voelt altijd alles.
"Je wilt dit," fluistert hij, en het is geen vraag. "Je hebt dit gewild sinds ik binnenkwam. Sinds je me hoorde op de trap."
"Je kunt niet—"
"Ik kan alles." Zijn handen zijn onder haar jurk, zijn ruwe vingers glijden over haar dijen, omhoog, omhoog, tot ze de rand van haar slipje vinden. "Ik heb vijftien jaar geoefend in wat ik met je wilde doen. Vijftien jaar van nachten waarin ik dit scenario heb gespeeld, waarin ik je heb vastgehouden, waarin ik je heb laten schreeuwen."
Hij trekt haar slipje opzij, niet voorzichtig, niet vragend, en dan voelt ze zijn vingers tegen haar natte, open huid. Het geluid dat uit haar keel komt is geen woord, het is een kreet — een half onderdrukte, schandalige uitbarsting van genot die ze niet kan sturen.
"O, god," fluistert hij, en zijn stem trilt van opwelling. "Je bent nat. Je bent zo verdomd nat, Feline. Is dat voor mij? Is dat voor de man die beneden op je wacht, of is dat voor degene die je echt wilt?"
Hij duwt een vinger naar binnen, niet langzaam, niet teder, en ze voelt haar knieën knikken. Het is te veel, te snel, te precies — hij kent haar lichaam nog steeds, weet waar hij moet drukken, hoe hij moet draaien, hoe hij dat plekje vindt dat haar zicht doet flikkeren.
"Antwoord me," commandeert hij, en zijn andere hand grijpt haar kin, dwingt haar hem aan te kijken. "Wie laat je zo nat worden? Wie laat je trillen?"
"Jij," hijgt ze, en het woord smaakt naar verlies, naar bevrijding, naar de diepste schaamte. "Jij, jij, godverdomme, jij."
Hij glimlacht, dat pretachtige, triomfantelijke trekken van zijn mond dat haar vroeger gek maakte en haar nu gek maakt op een andere manier — niet meer het meisje van toen, maar de vrouw die weet wat dit kost.
"Goed meisje." Hij duwt een tweede vinger naar binnen, spreidt haar, vult haar, en ze voelt de stretch, de lichte brand die overgaat in iets groters, iets dat haar adem doet stokken. "Nu ga je voor me komen. Hier. Tegen je eigen schildersezel. En je gaat hard zijn, Feline. Je gaat zo hard zijn dat je buren je horen. Dat de hele verdomde haven je hoort."
Hij begint te bewegen, een ritme dat hij dicteert met zijn pols, zijn vingers die diep in haar drukken en dan weer terugtrekken, nat en glibberig van haar eigen vocht. Het geluid is obsceen — het natte, slurpende geluid van vingers die haar kut bewerken, gemengd met haar eigen hijgende ademhaling en het kraken van het hout achter haar rug.
"Kijk naar me," beveelt hij, en ze realiseert zich dat haar ogen waren gesloten, dat ze was weggezweefd naar een plek waar dit minder echt was. "Kijk naar me terwijl ik je vinger. Kijk naar de man die je dit geeft."
Ze opent haar ogen en ziet zijn gezicht, verlicht door de lamp die nog steeds naar beneden schijnt — een gouden, demonisch licht dat de schaduwen in zijn wangen accentueert, de intensiteit in zijn ogen verlicht. Hij kijkt naar haar alsof hij haar wil opeten, alsof vijftien jaar van honger in dit ene moment worden ingelost.
"Je voelt zo goed," hijgt hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar. "Zo strak. Zo nat. Ik wil mijn hele hand in je stoppen, Feline. Ik wil je openrekken tot je denkt dat je breekt."
Hij duwt harder, dieper, en ze voelt een druk die grenst aan pijn, die eroverheen glijdt naar iets dat groter is, iets dat haar buik vult met warme, pulserende golven. Haar handen grijpen het hout van de ezel, haar nagels krassen in de oude verf die daar is opgedroogd.
"Je gaat komen," zegt hij, en het is geen vraag, het is een belofte, een dreigement. "Je gaat komen op mijn vingers, en dan ga je me smeken om meer. Om mijn mond. Om mijn lul. Om alles wat ik je vijftien jaar heb onthouden."
Hij buigt zijn hoofd, zijn mond vindt haar hals, en dan voelt ze zijn tanden — niet bijtend, maar dreigend, een herinnering aan hoe hij haar vroeger markeerde, hoe hij plekken achterliet die dagen zichtbaar waren. Zijn snor schuurt tegen haar huid, een ruwe, prikkelende sensatie die contrasteert met de zachtheid van zijn lippen.
"Zeg het," mompelt hij tegen haar hals. "Zeg wat je wilt."
"Ik wil—" Haar stem breekt, verstikt door haar eigen hijgende adem. "Ik wil dat je me neukt. God, Aartjan, ik wil dat je me neukt zoals je vroeger deed. Hard. Zonder genade."
Hij kreunt, een diep, dierlijk geluid dat uit zijn borstkas komt rollen, en dan voelt ze zijn vingers sneller bewegen, een onverbiddelijk tempo dat haar meevoert, dat haar geen keuze laat. Het hout kraakt onder haar, de lamp wiebelt, en ergens in de verte hoort ze de regen die harder is gaan slaan tegen het raam — of misschien is dat haar eigen bloed, dat in haar oren bonst.
"Je bent zo close," fluistert hij, en hij voelt het, voelt de samentrekkingen die door haar buik trekken, de manier waarop haar kut zich samentrekt om zijn vingers. "Ik voel je, Feline. Ik voel je klaarkomen. Laat maar horen. Laat me horen hoe je schreeuwt."
En dan komt ze — niet geleidelijk, niet opbouwend, maar als een golf die haar overspoelt, die haar onderdompelt in een zee van sensatie waar geen lucht is, geen gedachte, alleen dit, alleen nu, alleen zijn vingers die diep in haar pulseren terwijl haar lichaam schokt en trilt.
Het geluid dat ze maakt is geen schreeuw, niet in het begin — het is een lange, uitgeholde kreet die uit haar diepst komt, die zich uitstrekt tot ze geen adem meer heeft, en dan, als de tweede golf komt, wordt het een schreeuw, een wild, ongecontroleerd gegil dat ze niet herkent als haar eigen stem.
"Ja," hijgt hij, zijn vingers nog steeds bewegend, haar nog steeds overredend. "Ja, zo. Kom voor me, Feline. Kom zo hard als je kunt. Geef me alles."
Ze voelt het vocht dat langs zijn pols loopt, langs haar dijen, dat de stof van haar jurk vochtig maakt waar die nog tussen haar billen zit. Het is een overstroming, een ontlading van vijftien jaar van stilzwijgen, van schilderijen die naar boven liggen, van brieven die nooit zijn verstuurd onder de vloerdelen.
Hij laat haar niet los. Zelfs als de golven minder worden, als haar ademhaling iets minder schokkerig wordt, blijft hij bewegen — langzamer nu, tederder, maar nog steeds aanwezig, nog steeds in haar.
"Je bent nog steeds zo mooi als je komt," zegt hij, en zijn stem is zacht, bijna verbaasd. "Je gezicht. Je ogen. Alsof je ergens heen gaat waar niemand je kan volgen."
Ze wil antwoorden, wil iets zeggen dat dit moment kan vangen, dat kan uitleggen wat dit betekent, maar haar lichaam is nog steeds aan het trillen, nog steeds open, nog steeds van hem, van zijn vingers.
Hij trekt zijn vingers terug, langzaam, en ze voelt de leegte die ze achterlaten als een pijnlijke, hunkerende afwezigheid. Hij brengt ze naar zijn mond, kijkt haar aan terwijl hij ze in zijn mond steekt, en ze ziet zijn ogen half dichtknijpen van genot terwijl hij haar proeft, terwijl hij zichzelf verzadigt met wat ze hem heeft gegeven.
"Zoet," zegt hij, als hij ze weer uit zijn mond haalt. "Zoeter dan ik me herinnerde."
Hij stapt terug, een enkele stap, en in de plotselinge ruimte tussen hen voelt ze de koude lucht die haar natte huid raakt. Haar jurk is omhooggeschoven, haar slipje opzij getrokken — ze is bloot, blootgesteld, meer naakt dan ze zich in jaren heeft gevoeld.
"Je moet gaan," zegt ze, en haar stem klinkt vreemd, ruw, alsof ze heeft geschreeuwd in een droom.
Hij schudt zijn hoofd, datzelfde langzame, trotse schudden. "Nee. Dit is pas het begin."
Hij kijkt naar het raam, naar de regen die er nu echt harder tegenaan slaat, dat het glas laat trillen in de oude sponningen. "Ik blijf in de stad. Ik heb een kamer gehuurd. Boven de oude visrokerij."
Hij kijkt terug naar haar, en in zijn ogen ziet ze iets wat ze niet durft te benoemen — vastberadenheid, ja, maar ook iets anders, iets dat op angst lijkt, op dezelfde honger die zij voelt.
"Dit is niet afgelopen, Feline. Dit is nooit afgelopen geweest. Jij en ik—" Hij maakt een gebaar tussen hen, een lijn in de lucht die ze voelt als een fysieke aanraking. "—we zijn onafgemaakt. En ik ben hier om het af te maken."
Hij draait zich om, zijn leren jack zwiept met hem mee, en dan is hij bij de deur, zijn hand op de klink.
"Aartjan."
Hij draait zich niet om, maar hij stopt.
"Die brief. Die Sieger heeft gevonden. Die van zijn vader."
Nu draait hij zich om, zijn wenkbrauwen samengetrokken in een vraag die hij niet hardop stelt.
"Jij weet iets," zegt ze, en haar stem is sterker nu, de vrouw die terugkomt na de storm. "Jij bent teruggekomen om meer dan alleen dit. Je bent teruggekomen omdat je weet wie die brief heeft geschreven."
Een flits van iets in zijn ogen — erkenning, of schrik, of bewondering dat ze het heeft gezien.
"De sepia," gaat ze verder, en ze trekt haar jurk naar beneden, bedekt zichzelf ook al voelt ze nog steeds zijn vingers in haar, nog steeds de echo van wat hij heeft gedaan. "Roos Hartman gebruikt die inkt. Maar jij weet wie ze echt is. Of wie ze was."
Hij staat stil, zo lang dat ze denkt dat hij niet gaat antwoorden. Dan, zacht, bijna tegen zichzelf:
"Sommige geheimen moeten geschilderd worden, Feline. Niet gezegd. Niet geschreven." Hij opent de deur, de koude lucht van de trap stroomt naar binnen. "Maar ja. Ik weet dingen. En als je wilt dat ik ze zeg, moet je me komen halen."
Hij verdwijnt in de duisternis van de trap, zijn voetstappen worden zachter, zachter, tot ze alleen is — alleen met de geur van terpentijn en iets anders, iets nieuws, iets dat haar zal achtervolgen in de dagen die komen.
Ze laat zich zakken op de kruk, haar handen trillend op haar knieën. Het doek in haar ezel staat er nog, leeg, wachtend. Maar ze weet nu wat ze gaat schilderen. Ze weet welk gezicht, welke hand, welk verhaal van een onuitgesproken waarheid.
Beneden kraakt de voordeur — Sieger, die terugkomt, die iets is vergeten, die altijd iets vergeet. Ze hoort zijn stem, gedempt, vragend, en dan zijn voetstappen op de trap.
Ze staat op. Trekt haar jurk recht. Wrijft de laatste vochtigheid van haar dijen.
En als de deur opengaat, staat ze voor haar ezel, kwast in de hand, alsof er niets is gebeurd.
Alsof vijftien jaar geen seconde heeft geduurd.
Alsof ze niet net heeft geschreeuwd van genot tegen dit hout, in dit halfduister, voor een man die terug is gekomen om haar te verwoesten.
"Feline?" Siegers stem is zacht, bezorgd. "Alles goed?"
Ze draait zich om. Glimlacht. Het masker dat ze zo goed kent, dat ze heeft geperfectioneerd in al die jaren van schilderen wat ze niet durft te zeggen.
"Prima. Gewoon aan het werk."
Hij kijkt naar haar, zijn ogen zoekend, en voor een moment denkt ze dat hij het ziet — de gloed op haar huid, de zwelling van haar lippen, de manier waarop haar handen nog steeds lichtjes trillen.
Maar dan glimlacht hij terug, dat open, vertrouwende glimlachen van iemand die nooit zou vermoeden dat geheimen onder zijn voeten liggen, dat brieven nooit verstuurd zijn, dat zijn vader een andere vrouw heeft liefgehad.
"Kom je naar beneden? Ik heb warme chocolademelk gemaakt."
"Straks." Ze draait zich terug naar haar ezel, naar het lege doek dat nu wacht op een vorm, op een kwast. "Ik moet nog iets afmaken."
Hij knikt, trekt de deur achter zich dicht. En dan is ze alleen, in het halfduister, met de geur van terpentijn en man en het gewicht van wat er is gebeurd.
Haar hand beweegt. De kwast daalt in de emmer, komt omhoog geladen met verf — sepia, de kleur van oude liefde, van geheimen, van de inkt die Roos Hartman gebruikt en die ergens anders vandaan komt.
De eerste streken vallen op het doek. Een vorm begint te ontstaan — schouders, de lijn van een nek, stoppels die grijzen in het licht.
Ze schildert wat ze niet durft te zeggen.
Ze schildert hem.
En ergens, boven de oude visrokerij, weet ze dat hij wacht. Dat hij haar zal laten komen. Dat dit pas het begin is van een verhaal dat vijftien jaar heeft gesluimerd onder vloerdelen, in verfklieren, in het hart van een vrouw die dacht dat ze veilig was op haar zolder, in haar donker, in haar stilzwijgen.
De regen slaat tegen het raam. Het dak kraakt als een hartslag.
En Feline schildert door, tot de ochtend komt, tot de zee zichtbaar wordt, tot ze niet meer weet waar haar verf ophoudt en waar haar huid begint.





