Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: EstherD
Datum: 16-06-2026 | Cijfer: 9.6 | Gelezen: 335
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 38 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Klooster, Verboden,
De weg terug naar het klooster was langer dan ik me herinnerde, of misschien kwam het door de manden die aan mijn armen hingen, zwaar van de aardappelen en het brood dat we op de markt hadden gekocht. De zon zakte al achter de bomen en wierp lange schaduwen over het pad, schaduwen die me deden denken aan vingers die naar ons grepen. Zuster Agnes liep voorop, zoals altijd, haar rug kaarsrecht ondanks de last die ze droeg. Achter me hoorde ik Zuster Marie mopperen over de prijs van de kaas, haar stem een constant gebrom dat de stilte vulde. Ik probeerde te luisteren, echt waar, maar mijn gedachten dwaalden af, zoals ze dat de laatste tijd steeds vaker deden. Was dit nu mijn leven? Dag in, dag uit dezelfde routine, dezelfde gebeden, dezelfde muren die ons beschermden tegen een wereld die ik me nauwelijks meer kon voorstellen?

Ik was nog maar net gewend aan het habijt, aan het gewicht ervan dat me constant herinnerde aan mijn geloften. Twintig jaar oud en toch voelde ik me soms alsof ik al een eeuwigheid hier was. De wereld buiten het klooster was hard, dat wist ik uit de verhalen die de oudere zusters fluisterden als de kaarsen laag brandden. Roof, ziekte, mannen die namen wat ze wilden. Maar hier, op dit pad dat ik zo goed kende, voelde het veilig. Totdat het dat niet meer was.

Mijn blik gleed naar de zijkant van de weg, waar de struiken dicht en donker groeiden. Iets lag daar. Niet zomaar iets. Een vorm, te groot voor een dier, te stil. Mijn hart sloeg een slag over, en ik bleef staan. “Zuster Clara,” riep Zuster Agnes zonder om te kijken, haar stem scherp als een mes. “Doorlopen. Het wordt donker.”

Maar ik kon niet. Er zat iets in die vorm, iets wat me aantrok als een magneet. In mijn hoofd tolden de gedachten. Stel dat het een kind was? Of iemand die hulp nodig had? God zou toch niet willen dat we voorbijliepen aan het lijden, niet als we het konden zien? De mand gleed bijna uit mijn handen toen ik een stap dichterbij zette. De takken kraakten onder mijn schoenen.

“Zuster, nee!” Zuster Marie greep mijn mouw vast, haar vingers koud van de avondlucht. “Het is vast een dronkaard of erger. We moeten verder. Het klooster is niet ver meer.”

Ik trok mijn arm los, zacht maar vastberaden. Mijn adem kwam nu sneller, en in mijn borst bonsde een mengeling van angst en iets anders, iets wat leek op plichtsbesef. Of was het nieuwsgierigheid? De wereld buiten de muren had me altijd gefascineerd, ook al had ik gezworen hem achter me te laten. “Ik moet kijken,” fluisterde ik, meer tegen mezelf dan tegen hen. “Als het een ziel in nood is…”

De bladeren weken uiteen onder mijn handen. En daar lag hij. Een man, naakt tot aan zijn middel, zijn borst en armen bedekt met snijwonden die er rauw en vers uitzagen. Bloed kleefde aan zijn huid, donker en plakkerig, en zijn gezicht was vertrokken in een pijnlijke grimas, zelfs in zijn bewusteloosheid. Zijn kleren waren gescheurd, zijn zakken binnenstebuiten gekeerd. Beroofd, dat was duidelijk. Door wie? Door wat? De gedachte aan wat er gebeurd moest zijn, maakte mijn maag ineenkrimpen. Wie doet zoiets, zo dicht bij het klooster? Was dit een waarschuwing? Een test?

“Zusters!” Mijn stem brak de stilte als een steen door glas. “Kom kijken! Hij leeft nog, denk ik. We moeten helpen.”

Zuster Agnes kwam dichterbij, haar gezicht bleek in het schemerlicht. Ze sloeg een kruis en mompelde een gebed, maar ik zag de aarzeling in haar ogen. “We halen hulp uit het klooster. Blijf jij hier niet alleen, Clara.”

Maar ik knielde al neer. Mijn handen, gewend aan rozenkransen en wasgoed, raakten voorzichtig zijn voorhoofd aan. Het was warm, koortsig bijna. In mijn hoofd raasden de vragen. Wie ben je? Wat is je verhaal? En waarom voel ik me nu al verantwoordelijk voor je, terwijl ik je niet eens ken? Ik scheurde een reep stof van mijn schort, doopte hem in het water uit de veldfles die we altijd meedroegen, en begon voorzichtig het ergste bloed weg te vegen. Achter me hoorde ik de voetstappen van de anderen zich verwijderen, hun stemmen vervagend in de richting van het klooster. Ik was alleen met hem, met het ruisen van de wind door de bladeren en het bonzen van mijn eigen hart.

Zijn borstkas rees en daalde onregelmatig onder mijn vingers. Leef, dacht ik. Alsjeblieft, leef. Want als hij stierf hier, in mijn armen, dan zou niets ooit meer hetzelfde zijn. De muren van het klooster leken plotseling ver weg, en de wereld daarbuiten veel te dichtbij.

De voetstappen van de zusters waren nog niet helemaal weggestorven tussen de bomen toen ik alweer alleen was met het geluid van zijn moeizame ademhaling. Mijn vingers bleven bewegen, voorzichtig, alsof ze bang waren om nog meer schade aan te richten. Het bloed was kleverig en warm, en elke keer dat ik het wegveegde, leek er nieuw bloed op te wellen uit de sneden in zijn borst. Wie had dit gedaan? Waarom hier, zo dicht bij ons pad, waar de wereld van het klooster en de buitenwereld elkaar raakten als twee oude vijanden die elkaar niet helemaal los kunnen laten? In mijn hoofd draaide alles in kringetjes. Misschien was hij een reiziger, een boer die te laat was teruggekeerd van de markt. Of iets ergers. Iemand die de duisternis zelf had meegebracht.

Het duurde niet lang voordat ik stemmen hoorde naderen, stemmen die ik kende maar die nu vreemd gespannen klonken. Vader Jozef kwam als eerste uit de schemering tevoorschijn, zijn zwarte soutane zwiepend om zijn benen, gevolgd door Zuster Agnes en nog twee anderen. Ze hadden de oude kar bij zich, het houten gevaarte dat normaal alleen voor zware voorraden werd gebruikt. De wielen kraakten over de oneffen grond.

“Clara, ga opzij,” zei de priester zacht maar dringend. Zijn gezicht stond strak, de lijnen rond zijn ogen dieper dan normaal in het flakkerende licht van de lantaarn die hij droeg. Ik deed wat hij vroeg, maar niet zonder een laatste blik op de man. Zijn oogleden trilden even, alsof hij voelde dat er hulp kwam, of misschien was het alleen de koorts die hem plaagde.

Ze tilden hem op, met zachte maar vastberaden handen. Zijn lichaam was zwaarder dan het leek, slap en bebloed, en de kar kreunde onder zijn gewicht toen ze hem erop legden. Ik liep naast de kar mee, mijn hand rustend op de ruwe rand, terwijl de wielen door de modder ploegden. In mijn borst klopte een vreemde mengeling van opluchting en onrust. We brachten hem naar binnen, naar de veiligheid van de muren, maar iets in me fluisterde dat die muren niet genoeg zouden zijn. Niet tegen wat hem had aangevallen.

Het klooster doemde op in de nacht, de stenen muren grauw en massief onder de sterren. Buiten stond dokter Laurent al te wachten, zijn tas in de hand, zijn gezicht een masker van professionele afstandelijkheid. Hij was een man van weinig woorden, iemand die al jaren de zieken en stervenden in deze streek behandelde, en zijn aanwezigheid gaf me een klein beetje houvast. Ze droegen de man naar een van de kleine gastenkamers achter in de gang, een ruimte die zelden werd gebruikt en die nu gevuld werd met de geur van carbol en oude lakens.

Ik bleef in de deuropening staan terwijl ze hem op het smalle bed legden. De dokter rolde zijn mouwen op en begon meteen te werken, zijn handen snel en zeker. Hij knipte de rest van de gescheurde kleding weg, reinigde de wonden met iets scherps dat naar alcohol rook, en naaide de diepste sneden dicht met draad dat glom in het lamplicht. Elke steek leek me door de ziel te gaan. Hoeveel pijn moest deze man hebben geleden voordat hij hier was beland? Had hij gevochten? Gesmeekt? Of was hij gewoon op het verkeerde moment op het verkeerde pad geweest?

De andere zusters en ik werden naar de gang gestuurd. Vader Jozef sloot de deur zachtjes achter de dokter, en daar stonden we dan, in een halve cirkel, onze rozenkransen in de handen. Het bidden begon bijna vanzelf, de woorden van het Onze Vader en het Wees Gegroet gleden over mijn lippen terwijl mijn gedachten ergens anders bleven hangen. Ik zag zijn gezicht weer voor me, de diepe groeven van pijn, het donkere haar dat aan zijn voorhoofd plakte. Wat als hij niet wakker werd? Wat als hij wel wakker werd en ons vertelde wat er gebeurd was? Zou de buitenwereld dan naar binnen kruipen, met al zijn geweld en duisternis, en ons klooster besmetten?

Mijn knieën deden pijn op de koude stenen vloer, maar ik bad door. Achter de deur hoorde ik af en toe een kreun, een zacht gemompel van de dokter. De nacht leek langer te duren dan normaal, en in mijn hoofd groeide een onheilspellend gevoel dat dit niet zomaar een gewonde vreemdeling was. Dat hij iets meebracht. Iets wat wij niet konden zien, maar wat wel naar ons keek vanuit de schaduwen.

De deur van de gastenkamer ging zachtjes open en dokter Laurent stapte naar buiten. Zijn handen waren nog rood van het bloed, ook al had hij ze gewassen. Hij veegde ze af aan een doek en keek ons aan, een voor een, met die vermoeide ogen van iemand die te vaak dit soort nachten had meegemaakt. “Hij leeft,” zei hij eenvoudig. “De wonden zijn diep, maar niet dodelijk als de koorts niet te hoog oploopt. Nu kunnen we alleen nog wachten. En bidden.”

Vader Jozef knikte en legde een hand op mijn schouder. “Omdat jij hem gevonden hebt, Clara, mag jij de eerste wacht houden. De anderen kunnen rusten. We lossen elkaar af.”

Ik voelde een vreemde tinteling in mijn borst toen ik dat hoorde. Niet trots, eerder een soort gewicht dat op me neerdaalde. Alsof God zelf me deze taak had toebedeeld. Ik pakte mijn kleine bijbeltje uit de zak van mijn habijt, het versleten exemplaar dat ik al had sinds mijn intrede, en ging naar binnen. De kamer was schemerig, verlicht door één olielamp die een flakkerende cirkel van licht wierp over het bed. De man lag daar nog precies zoals ze hem hadden neergelegd, zijn borstkas rees en daalde in een onregelmatig ritme. De dokter had schone doeken over de ergste wonden gelegd, maar hier en daar sijpelde er nog een donker vlekje door.

Ik trok de houten stoel dichterbij en ging zitten. Mijn rokken ritselden in de stilte. Even bleef ik gewoon luisteren naar zijn ademhaling, dat zwakke, raspende geluid dat de kamer vulde. Toen sloeg ik de bijbel open bij de Psalmen. Mijn stem was eerst nog vast toen ik begon te lezen, zacht maar duidelijk, zoals we dat deden tijdens de vespers.

“De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets…”

De woorden vulden de ruimte, maar de man bewoog niet. Geen trilling van zijn oogleden, geen zucht, niets. Hij lag daar als een standbeeld dat iemand uit de modder had opgegraven. Ik las door, hoofdstuk na hoofdstuk, terwijl mijn gedachten afdwaalden. Hoe lang zou hij hier al gelegen hebben voordat ik hem vond? Had hij om hulp geroepen in het donker, wetend dat niemand hem zou horen? Of was hij al bewusteloos geweest, overgeleverd aan de genade van de bosjes en de kou?

Mijn keel werd droog. De woorden begonnen te haperen. Ik sloot de bijbel en legde hem op mijn schoot, mijn vingers rustend op het versleten leer. In de stilte die volgde keek ik naar hem. Niet zoals een zuster naar een gewonde kijkt, maar… anders. Mannen zag ik bijna nooit. Alleen die ene keer in de zes maanden dat ik mee mocht naar de markt, en dan nog van een afstand, met neergeslagen ogen en het habijt als een schild om me heen. Hier, zo dichtbij, was het anders. Zijn borst was breed, de spieren zichtbaar onder de bleke huid ondanks de wonden. Donkere haren krulden op zijn borst en armen, en zijn gezicht… hard, met stoppels die een schaduw over zijn kaak wierpen. Er zat een litteken bij zijn slaap, oud, alsof dit niet de eerste keer was dat het leven hem had toegetakeld.

Mijn wangen werden warm. Dit was niet zoals het hoorde. Ik was een bruid van Christus, geen meisje dat naar een vreemde man staarde. Wat bezielde me? Was dit de duivel die fluisterde in het donker, die me liet zien wat ik had afgezworen? Ik draaide mijn hoofd abrupt weg, staarde naar de stenen muur tot het gevoel wegtrok. Met trillende vingers pakte ik de bijbel weer op en sloeg hem open, verder waar ik gebleven was.

“Al ging ik ook door een dal van diepe schaduw, ik zou geen kwaad vrezen…”

Mijn stem klonk nu zachter, bijna als een smeekbede. Buiten in de gang hoorde ik de andere zusters zachtjes bidden, hun stemmen een verre echo. Maar hier, alleen met hem, voelde de kamer kleiner. Intiemer. En ergens diep vanbinnen vroeg ik me af of deze man, deze gewonde ziel, niet meer was dan een gewonde ziel. Of dat hij iets meebracht wat ons klooster nooit meer zou verlaten.

De deur ging zachtjes open en de hoofdzuster, Zuster Theresia, kwam binnen met een emmer warm water waar de stoom vanaf sloeg en twee grove sponzen in haar andere hand. Haar gezicht was kalm, zoals altijd, maar haar ogen gleden kort over mij heen en ik begreep meteen wat er ging gebeuren. We gingen hem wassen. Mijn keel werd droog. Ik slikte, een klein, hoorbaar geluid in de stille kamer, en voelde een vreemde, warme spanning in mijn buik opkomen.

Zuster Theresia gaf me zonder een woord een van de sponzen aan. Ik nam hem aan met gebogen hoofd, mijn vingers trilden licht toen ze de spons aanraakten. We begonnen in stilte. Ik knielde bij het voeteneind van het bed en begon bij zijn benen, terwijl zij bij zijn bovenlichaam startte. Het water was warm tegen mijn handen en ik waste met zorg, zoals we dat leerden met de zieken. Langzaam werkte ik omhoog, over zijn kuiten, zijn knieën, zijn dijen. De spieren onder zijn huid voelden hard en vreemd levend, zelfs in zijn bewusteloosheid. Mijn gedachten raasden. Dit was werk, zei ik tegen mezelf. Gods werk. Maar mijn hart bonsde harder dan het hoorde.

Bij de lendendoek aarzelde ik. Ik keek op naar Zuster Theresia. Ze waste verder zonder op te kijken en zei alleen, met die rustige, onbuigbare stem van haar: “Alles moet schoon, Clara.”

Ik slikte opnieuw. Keek haar nog eens aan. Ze herhaalde, bijna zacht: “Hij kan niks doen. Geen zorgen.”

Maar dat was niet waar ik bang voor was. Ik was bang voor mezelf. Ik had nog nooit een man zo intiem gezien. Nooit. Alleen in de verte op de markt, nooit dit. Nooit zo dichtbij. Ik draaide mijn hoofd weg en probeerde niet te kijken terwijl ik de doek weghaalde. Mijn wangen brandden al. Zuster Theresia merkte het en zei zonder oordeel: “Zo kun je niets zien, kind. Doe het goed.”

Ik keek. Het schaamrood stond op mijn wangen. Ik probeerde hem schoon te maken, maar zijn mannelijkheid lag zwaar in de weg. Ik aarzelde, keek weer naar haar. Ze knikte alleen. “Doe wat je moet doen, Clara.”

Mijn hand trilde toen ik hem beetpakte. De warmte schoot door mijn vingers, levend, echt, en mijn hart klopte zo hard dat ik het in mijn keel voelde bonzen. Dit voelde heel vreemd. Verkeerd. En tegelijk zo intens dat het bijna pijn deed. Ik gebruikte de spons, voorzichtig, probeerde alleen aan reinheid te denken, aan plicht. Maar onder mijn aanraking leek het te groeien, zwaarder te worden, te reageren. Van schrik liet ik het los, alsof ik me had gebrand.

Schoon genoeg, dacht ik haastig. Meer dan genoeg. Ik keek op naar Zuster Theresia, mijn adem onregelmatig. Ze spoelde haar eigen spons uit en zei kalm: “Je hebt genoeg gedaan. Ga maar. Ik maak het af.”

Ik stond op, mijn benen voelden zwak. De kamer leek kleiner dan daarnet, de lucht dikker. Terwijl ik naar de deur liep, hoorde ik achter me het zachte soppen van de spons in het water. Mijn gedachten wilden niet ophouden. Wat had ik gedaan? Wat had ik gevoeld? En waarom bonsde mijn hart nog steeds alsof ik iets heiligs had geschonden, iets wat ik nooit meer zou kunnen vergeten? Buiten in de gang leunde ik even tegen de koude muur, sloot mijn ogen en bad in stilte om vergeving. Maar de warmte in mijn handen bleef hangen, als een zonde die niet meer weg te wassen was.

De koude gang leek eindeloos terwijl ik me haastte naar de slaapzaal. Mijn schoenen maakten nauwelijks geluid op de stenen vloer, maar in mijn oren bonsde elke stap als een beschuldiging. Iedereen sliep al toen ik binnenkwam. De regelmatige ademhaling van de andere zusters vulde de duisternis, een kalm koor dat mij buitensloot. Ik trok mijn habijt uit, liet het in een hoopje op de grond vallen en dook onder de ruwe deken van mijn smalle bed. Het stro kraakte onder me.

Maar slapen? Dat lukte niet. Mijn lichaam lag stil, maar mijn geest niet. Telkens weer voelde ik het in mijn handen, die zware, warme mannelijkheid die had gereageerd op mijn aanraking. Het was alsof de herinnering zich in mijn huid had gebrand. In mijn onderbuik ontstond een vreemde, warme spanning, iets wat langzaam pulseerde en zich verspreidde. Mijn borsten voelden zwaar, de tepels strak tegen de dunne stof van mijn nachthemd. Zonder dat ik het wilde, gleed mijn hand omhoog. Ik kneep zacht in een borst en voelde een onverwachte gevoeligheid. Een kleine zucht ontsnapte me, te luid in de stille zaal.

Meteen trok ik mijn hand terug, geschrokken van mezelf. Wat deed ik? Dit was verdorven. Dit was de duivel die zijn klauwen in me sloeg, hier, in het huis van God. Ik sloeg een kruis en begon te bidden, de woorden van het Wees Gegroet snel en wanhopig in mijn hoofd. Vergeef me, Heer. Vergeef me deze zwakheid. Maar de warmte in mijn buik trok niet weg. Hij lag daar nog, die gewonde man, en ik kon hem niet uit mijn gedachten verbannen. Uren lag ik zo, starend naar het donkere plafond, terwijl de nacht zich traag voortsleepte.

De volgende ochtend begon zoals elke ochtend. De bel luidde ons wakker en we verzamelden ons in de kapel voor de vroegmis. Mijn knieën deden pijn op de harde bank, maar ik bad met meer vuur dan gewoonlijk. Vader Jozef’s stem dreunde de liturgie, en ik probeerde me te verliezen in de vertrouwde woorden. Daarna volgden de dagelijkse bezigheden. Ik schrobde de vloeren in de gang, waste de lakens in de tobbe met koud water dat mijn handen rood en ruw maakte, en hielp in de keuken met het schillen van groenten voor de soep. Alles was zoals het hoorde te zijn. Het klooster ademde zijn oude ritme, veilig en voorspelbaar.

Toch merkte ik dat mijn gedachten telkens terugdwaalden naar die kamer achter in de gang. Was hij wakker geworden? Lag hij nog steeds roerloos? Zuster Theresia had me niet meer geroepen voor de wacht, en ik durfde niet te vragen. Tijdens het werk voelde ik af en toe diezelfde vreemde warmte weer opkomen, laag in mijn buik, en dan bad ik harder, schrobde ik feller, alsof ik de herinnering letterlijk uit mijn lichaam kon boenen. Maar ze bleef hangen, als een schaduw die zich niet liet verdrijven door kaarslicht of gebed. De buitenwereld was binnen gekomen, en hij had een gezicht. Een lichaam. En ik, zuster Clara, was bang dat ik nooit meer helemaal de oude zou zijn.

Eenmaal bij het avondeten kwam Zuster Theresia naast me kwam staan. Haar schaduw viel over de lange houten tafel en ik voelde haar aanwezigheid voordat ze iets zei. Ze boog zich een beetje voorover, haar stem laag zodat de anderen het niet zouden horen. “Na het eten ga jij hem weer wassen, Clara.”

Ik verslikte me in een hap brood. Het bleef even steken in mijn keel, maar ik herstelde me snel, hoestte zacht achter mijn hand en knikte. “Ja, hoofdzuster,” antwoordde ik, mijn stem nauwelijks meer dan een fluistering. Ze keek me nog een seconde aan, alsof ze iets in mijn ogen zocht, en liep toen verder. Mijn hart bonkte tegen mijn ribben.

Ik at langzamer dan ooit. Elke lepel soep nam ik met overdreven zorg, kauwde langer dan nodig was op het droge brood, staarde naar de groenten die in de kom dreven. De andere zusters stonden een voor een op, ruimden hun spullen op en verdwenen naar hun taken. Ik bleef zitten. Misschien zou de tijd langzamer gaan als ik maar genoeg uitstelde. Maar uiteindelijk was de kom leeg en de eetzaal stil. Er was geen ontkomen aan.

In de keuken vulde ik de emmer met koud water en zette een ketel op het vuur. Terwijl het water kookte, staarde ik in de vlammen en probeerde mijn gedachten in bedwang te houden. Dit is plicht, zei ik tegen mezelf. Reinheid. Verzorging van de zieken. Niets meer. Toch voelde ik diezelfde warme onrust weer opkomen, laag in mijn buik, alleen al bij de gedachte aan zijn huid onder mijn handen. Toen het water de juiste temperatuur had tilde ik de emmer op en liep met langzame stappen door de gang. Elke voetstap echode in mijn hoofd. De deur van de gastenkamer kwam te snel dichterbij.

Ik duwde hem open. Daar lag hij. Zijn borst glom van het zweet, de koorts had zijn huid vochtig gemaakt en de lakens plakten aan zijn lichaam. Hij zag er kwetsbaarder uit dan de vorige keer, maar ook levendiger. Ik zette de emmer neer en boog me over hem heen. Voorzichtig legde ik mijn hand op zijn voorhoofd. Het voelde koeler. De koorts leek afgezakt. Een klein opluchtingssignaal ging door me heen, al wist ik niet of het voor hem was of voor mezelf.

Ik doopte de spons in het water en begon. Eerst zijn armen, de spieren die slap onder mijn aanraking lagen. Het water liep in dunne straaltjes over zijn huid en waste het zweet weg. Mijn bewegingen waren zorgvuldig, bijna te zorgvuldig. In mijn hoofd maalden de herinneringen aan gisteravond. Die warmte. Die zwaarte in mijn hand. Hoe hij had gereageerd. Ik waste zijn borst, de plekken waar de hechtingen zaten, en probeerde alleen aan Gods werk te denken. Maar mijn ogen gleden toch af en toe naar beneden, naar de lendendoek die nu nat en doorschijnend werd.

De spanning in mijn onderbuik kwam terug, sterker deze keer. Mijn ademhaling werd onregelmatig. Ik waste zijn benen, werkte langzaam omhoog, en voelde hoe mijn wangen weer begonnen te gloeien. Dit was niet normaal. Dit was niet wat een non hoorde te voelen. Toch kon ik niet stoppen.

Mijn angst was weggezakt, ergens onderin, en had plaatsgemaakt voor iets wat veel gevaarlijkers: nieuwsgierigheid. Een brandende, levende nieuwsgierigheid die mijn vingers deed trillen terwijl ik de natte lendendoek voorzichtig opzij schoof. Daar lag het weer. Zwaar, rustend tegen zijn dij. Ik doopte de spons in het water en begon hem te wassen, langzamer dan nodig was, veel langzamer. Cirkelende bewegingen, het warme water dat over de huid gleed, en ik zag hoe het reageerde. Het groeide. Langzaam, onmiskenbaar, vulde het zich en richtte zich op onder mijn blik. Het fascineerde me hoe zoiets eenvoudigs, iets wat ik nooit had mogen zien, zo kon veranderen. Hoe het dikker werd, harder, alsof mijn aanraking het tot leven wekte.

Mijn borsten voelden strak onder het habijt, de tepels gevoelig tegen de ruwe stof. Ik staarde ernaar, kon mijn ogen er niet van losmaken. Mijn ademhaling werd oppervlakkig. Heel voorzichtig strekte mijn arm zich uit. Mijn vingers raakten hem aan, pakten hem beet. De volheid voelde warm, en kloppend in mijn handpalm. Ik hield hem vast, keek ernaar alsof het een wonder was dat God me nooit had mogen laten zien. Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat het door de muren van het klooster te horen was. Ik tilde hem een beetje op, voelde het gewicht, zag en voelde tegelijk hoe hij verder groeide in mijn greep. Een vreemde macht stroomde door me heen, vermengd met schaamte die mijn wangen liet gloeien.

Ik wilde hem loslaten, Maar net toen mijn vingers zich begonnen te ontspannen, schoot zijn hand omhoog en greep mijn pols vast.

Ik gilde kort, een schril geluid dat meteen stierf in mijn keel. Ik rukte me los, struikelde bijna achteruit, de spons viel kletterend in de emmer. Water spatte op de vloer. Hij keek me aan. Zijn ogen waren open, donker en beneveld door de koorts, maar ze zagen me. Zijn lippen bewogen, droog en gebarsten, en hij mompelde iets, schor en nauwelijks verstaanbaar: “Niet stoppen…”

Ik stond daar, geschrokken, mijn hand nog tintelend van zijn aanraking. Mijn borst ging snel op en neer. Wat had ik gedaan? Wat had hij gevoeld? De kamer leek plotseling te klein. Ik probeerde rustig te worden, dwong mezelf diep in te ademen, maar mijn lichaam luisterde niet. Die warmte in mijn onderbuik was terug, sterker dan ooit, en de herinnering aan hoe hij had aangevoeld in mijn hand brandde nog na. Hij keek naar me, die vreemde man uit de bosjes, en ergens in zijn ogen zag ik geen woede, geen oordeel, alleen een rauwe, halfbewuste hunkering die me nog meer in verwarring bracht.

Ik deed een stap achteruit, pakte de emmer op alsof die me kon beschermen, en probeerde mijn stem terug te vinden.

Ik wilde me omdraaien en de kamer uit vluchten, de gang in, om Zuster Theresia te waarschuwen dat hij wakker was. Mijn hart klopte nog steeds in mijn keel, mijn handen waren klam van het water en van iets veel ergers. Maar toen hoorde ik zijn stem, zacht en schor, nauwelijks meer dan een ademtocht in de schemerige kamer.

“Wacht…”

Ik draaide me om. Hij lag daar nog precies zoals ik hem had achtergelaten, onbedekt, zijn mannelijkheid nog steeds half opgericht, glanzend van het water en de aandacht die ik hem had gegeven. De aanblik trof me opnieuw, als een klap in mijn gezicht. Snel liep ik terug naar het bed, mijn habijt ritselend om mijn benen. Met trillende vingers pakte ik de lendendoek en trok hem haastig over hem heen, alsof ik daarmee ook mijn eigen zonde kon bedekken. Maar zijn ogen volgden elke beweging. Donkere, koortsige ogen die me smeekten om iets wat ik niet mocht geven.

Hij keek me aan met een blik die me doorboorde. Geen woede, geen beschuldiging, alleen een hulpeloze hunkering. Medelijden welde in me op, vermengd met iets veel donkerders. Ik boog me een beetje voorover, mijn stem een fluistering. “Wat kan ik voor u doen? Heeft u pijn? Zal ik de dokter halen?”

“Ga verder…” was het enige wat hij uitbracht. Zijn lippen bewogen amper, zijn adem warm en onregelmatig tegen mijn wang. Twee woorden, meer niet. Maar ze bleven hangen in de lucht tussen ons, zwaar als een biecht die nooit gedaan had mogen worden.

Kon ik dit doen? Dit was een zonde. Een gruwelijke, onvergeeflijke zonde. Ik was een bruid van Christus, geen hoer uit de verhalen die de oude zusters soms fluisterden over de wereld buiten de muren. Mijn handen hoorden rozenkransen vast te houden, geen…. En toch. Hij was wakker geworden. Voor het eerst sinds we hem hadden gevonden, was er leven in zijn ogen. Misschien, heel misschien, zou dit hem sneller doen genezen. Misschien was dit Gods wil, een vreemde, verdraaide manier om een ziel te redden. Of was dat alleen maar de duivel die in mijn oor fluisterde, die mijn eigen nieuwsgierigheid gebruikte als wapen?

Ik stond daar, gevangen tussen de deur en het bed, mijn lichaam gespannen als een snaar. Mijn onderbuik gloeide nog na van die vreemde warmte, mijn borsten voelden zwaar en strak onder het habijt. Zijn hand lag slap op het bed, maar ik herinnerde me de greep om mijn pols, sterk ondanks de koorts. Wat als ik wegliep? Zou hij weer wegzakken? Zou hij sterven omdat ik te laf was geweest om… te helpen?

Mijn vingers jeukten om de doek weer weg te schuiven. Ik haatte mezelf om die gedachte. En toch bleef ik staan, kijkend naar zijn gezicht, naar de diepe lijnen van pijn en verlangen.

Ik stond daar nog steeds, terwijl zijn woorden in mijn hoofd naklonken. Ga verder. Twee simpele woorden die alles kapotmaakten wat ik dacht te geloven. Mijn vingers trilden toen ik de lendendoek weer vastpakte en langzaam, heel langzaam, opzij trok. Daar lag hij weer, nu volledig zichtbaar, nog steeds half hard van wat ik eerder had gedaan. Ik slikte, mijn keel droog als as, en stak mijn hand uit. Voorzichtig, alsof hij zou breken, pakte ik hem beet. De warmte was schokkend, levend, kloppend tegen mijn palm.

Hij kreunde zacht, een laag geluid diep uit zijn keel. Ik schrok zo hevig dat ik hem meteen losliet, mijn hand vloog terug alsof ik me had gebrand. Mijn hart bonkte wild, en ik deed een halve stap achteruit. Dit was waanzin. Dit was de weg naar de hel, hier in deze kamer, onder het oog van God.

“Nee…” mompelde hij, zijn stem schor en smekend. “Ga door…”

Ik keek hem aan. Zijn ogen waren halfopen, donker en koortsig, maar ze hielden de mijne vast met een intensiteit die me de adem benam. Medelijden, nieuwsgierigheid en iets veel donkerders streden in mijn borst. Misschien zou dit hem echt helpen. Misschien was dit de enige manier. Ik haatte mezelf om die gedachte, maar mijn hand bewoog toch weer naar voren. Voorzichtig pakte ik hem opnieuw beet. De volheid vulde mijn hand, en ik voelde het kloppen, alsof zijn hart daar beneden zat in plaats van in zijn borst.

Hij bewoog licht, een klein, instinctief duwtje met zijn heupen. Het schoof langzaam door mijn vingers heen, de huid glad en heet over de harde kern. Ik hield hem stevig genoeg vast om het te voelen, maar zacht genoeg om niet bang te zijn dat ik hem pijn deed. Het gleed weer terug, en opnieuw vooruit, een traag ritme dat hij zelf leek te sturen. Ik keek nieuwsgierig toe, mijn ogen gefixeerd op hoe hij bewoog in mijn hand, hoe hij dikker werd, harder, hoe de aderen zichtbaar werden onder de strakke huid. Het was zo vreemd, zo levend. Zo verboden.

In mijn onderbuik brandde diezelfde warme spanning, sterker nu, pulserend op hetzelfde ritme als zijn bewegingen. Mijn borsten voelden strak en zwaar, mijn tepels prikten pijnlijk tegen de stof van mijn habijt. Wat deed ik hier? Dit was geen verzorging meer. Dit was zonde, pure, zwarte zonde. En toch kon ik mijn hand niet terugtrekken. Niet terwijl zijn ademhaling dieper werd en zijn vingers het bed vastgrepen. Ik was verloren, besefte ik, terwijl ik hem bleef vasthouden, bleef kijken naar dat vreemde, fascinerende wonder in mijn hand.

Ik bewoog zacht mee in het ritme dat hij aangaf, mijn hand volgde zijn lichte bewegingen van zijn heupen. Het leek hem te kalmeren. Zijn ademhaling werd dieper, minder gejaagd, en zijn gezicht ontspande iets. Ik ging door, gevangen in een vreemde trance. Sneller, kreunde hij zacht, en ik luisterde. Mijn hand bewoog sneller, de huid gleed warm en glad door mijn vingers. Nog sneller. Het ritme werd bijna wanhopig, mijn arm begon pijn te doen maar ik stopte niet. Hij kreunde harder en een diep, rauw geluid vulde de stille kamer en het leek recht in mijn buik te raken.

Niet veel later voelde ik hoe zijn hele lichaam zich strak trok, zijn spieren spanden zich onder mijn andere hand die op zijn dij rustte. Toen voelde ik het pulseren. Warm zaad spatte over mijn vingers en over zijn buik. Van schrik liet ik hem los, mijn hand vloog terug. Ik staarde ernaar, naar hem, naar de witte sporen die langzaam over zijn huid liepen. Afschuw welde in me op, maar daaronder zat iets anders. Nieuwsgierigheid. Een donkere, verboden fascinatie die me deed staren naar wat ik had veroorzaakt.

Hij kreunde nog een laatste keer, langgerekt, en de laatste schokjes trokken door zijn lichaam heen. Toen zakte hij terug in de kussens, een zwakke glimlach om zijn lippen. Hij viel in slaap, zomaar, alsof er niets gebeurd was. Alsof ik hem niet net… Ik keek toe, mijn hart nog steeds wild tekeergaan. Zijn zaad lag daar, glanzend in het lamplicht, bewijs van iets wat nooit had mogen gebeuren.

Snel pakte ik de spons, doopte hem in het nu lauwe water en maakte hem schoon. Mijn bewegingen waren gehaast, bijna ruw, alsof ik de sporen van mijn zonde kon wegboenen voordat iemand het zag. Ik legde de lendendoek weer goed, trok het laken over hem heen en liep naar de deur. Mijn benen voelden als lood, mijn habijt plakte aan mijn bezwete huid.

Net toen ik de deur opentrok, stond Zuster Theresia daar. Ik slaakte een kort gilletje van schrik, mijn hand vloog naar mijn mond. Ze keek me geërgerd aan, haar wenkbrauwen gefronst.

“Hij is wakker,” stamelde ik. “Ik wilde u net halen, maar volgens mij is hij weer in slaap gevallen.”

Ze keek over me heen naar het bed. Hij lag daar, glimlachend in zijn slaap, zijn gezicht vrediger dan ik het ooit had gezien. Haar frons werd dieper. Ze keek me weer aan, haar ogen priemend, alsof ze recht in mijn ziel kon kijken. “Ik houd zelf de wacht,” zei ze kortaf. “Ga jij maar.”

Ik knikte haastig, te snel, en wrong me langs haar heen. De gang voelde koud en eindeloos terwijl ik terugliep naar de slaapzaal. In mijn hoofd raasde alles. Wat had ik gedaan? Die warmte in mijn hand, dat pulseren, die glimlach op zijn gezicht, het bleef maar terugkomen. Mijn onderbuik gloeide nog steeds en het deed me walgen van mezelf. Ik was een zuster, een bruid van Christus. En toch had ik een man bevredigd met mijn eigen handen. In het huis van God.

In bed trok ik de deken over mijn hoofd en bad. Ik bad tot mijn lippen pijn deden. Maar de slaap kwam niet. Alleen de herinnering aan zijn kreunen, aan de warmte die uit hem was gespoten, en het afschuwelijke besef dat een deel van mij het niet eens betreurde.
Olcie
Olcie (30)
Ben jij iemand die houdt van flirten, spanning en late gesprekken?
🟢 Nu Online
Bekijk profiel →
Trefwoord(en): Klooster, Verboden, Suggestie?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?