Belinda van der Meulen was een vrouw van drieënvijftig jaren, wier verschijning in de betere kringen van de stad nog altijd een lichte huivering van ontzag wekte.
Zij droeg haar leeftijd als een vorstelijk gewaad, met dat strakke, grijsblonde haar in een klassieke wrong, de parelketting die subtiel glansde tegen de crèmekleurige blouse van zijde, en de rok van fijne wol die haar heupen omvatte met een waardigheid die geen tegenspraak duldde.
Men zag haar op de theevisites, waar zij over literatuur sprak met een ironische distantie, of in de concertzaal, waar zij met half geloken ogen naar de vioolklanken luisterde alsof zij de enige was die werkelijk begreep wat er onder de noten school. Deftig, ja, dat was het woord dat men haar toedichtte.
Een dame van standing.
Doch wie haar werkelijk kende – en wie kende haar werkelijk? – wist dat er onder dat laagje van beschaafde zelfbeheersing een vuur brandde dat niet door etiquette te blussen viel.
Belinda kickte op groenten. Niet op de metaforische, poëtische groenten van de romantische dichters, neen, op de werkelijke, aardse, vochtige exemplaren die in de schappen van de groenteboer lagen te wachten.
Het was een drift die zijzelf nauwelijks kon verklaren, een obsessie die in haar jeugd begonnen was met een onschuldige aanraking van een gladde courgette in de keuken van haar
moeder, en die zich in de loop der jaren had verdiept tot een rite, een sacrament bijna, dat zij in stilte voltrok.
Die middag was de lucht zwaar van de naderende regen. Belinda had haar tasje met krokodillenleer aan de arm, haar pumps tikten gedempt op het trottoir terwijl zij de kleine, ouderwetse groentewinkel binnenging die nog steeds door de oude heer Jansen werd gedreven.
De winkel rook naar aarde en versheid, naar het vochtige groen van prei en het zoete bederf van overrijpe tomaten. Jansen, een man met een rossig gezicht en een schort vol vlekken, begroette haar met de eerbied die hij voor zijn betere klanten reserveerde.
“Mevrouw van der Meulen, wat een genoegen. Zoekt u iets bijzonders vandaag?”
Zij glimlachte koel, haar
lippen nauwelijks bewegend. “Een paar appels, Jansen. En misschien een komkommer. Voor de salade, begrijpt u.” Haar stem was laag, beschaafd, met dat lichte accent van de betere stand.
Terwijl hij knikte en zich omdraaide naar de kassa om een bestelling op te nemen van een andere klant, dwaalden haar ogen door de winkel. De komkommers lagen daar, lang, groen, met die lichte ribbels die haar altijd deden denken aan aderen onder dunne huid. Haar hartslag versnelde licht, een vertrouwd gevoel van schaamte vermengd met opwinding dat haar wangen deed gloeien onder de poeder.
Zij wachtte. De minuten rekten zich uit als de schaduwen in de winkel. Een andere klant vertrok, de bel boven de deur klingelde. Jansen mompelde iets over “even naar achteren voor een krat”, en verdween door het gordijn achter in de zaak.
De winkel was leeg. Belinda stond alleen tussen de schappen, haar ademhaling nu dieper, haar handen licht trillend toen zij een van de komkommers uitkoos – niet te dun, niet te dik, precies de juiste curve, koel en stevig in haar palm.
Zij keek nog eenmaal om zich heen. Het gordijn bewoog niet. Met een behendigheid die zij in de loop der jaren had verfijnd, schoof zij zich iets dieper de hoek in, achter het rek met appels.
Haar rok gleed omhoog, de panty werd naar beneden getrokken met een zacht ruisen van nylon. Daaronder was zij al vochtig, haar oude, volle, behaarde grot – die donkere, ongeschoren delta die zij nooit aan een man had laten zien na haar scheiding – pulseerde reeds van verwachting.
De haren waren grijs doorschoten, krullend, vochtig van de anticipatie die zij al de hele ochtend had voelen opbouwen.
De komkommer gleed naar binnen.
Eerst langzaam, bijna eerbiedig, als een indringer in een kathedraal. Belinda beet op haar onderlip, haar ogen half gesloten, terwijl zij hem dieper duwde, voelend hoe het gladde groen haar wanden spreidde, hoe het vocht zich vermengde met het sap van de groente.
Een zacht, bijna onhoorbaar gekreun ontsnapte haar, een geluid dat zij meteen smoorde in haar keel. Zij bewoog hem nu ritmischer, haar heupen kantelend in een stille dans, haar vrije hand steunend tegen het schap. De geur van aarde en haar eigen opwinding vulde haar neusgaten. Het was pervers, ja, maar het was ook heilig in haar ogen – een offer aan de goden van het verborgene.
Dieper. Harder. Haar benen trilden licht, de pumps stonden wijd uiteen. Zij dacht aan de jonge mensen die hier dagelijks kwamen, aan de frisse lichamen die appels aten, en die gedachte joeg haar hoger.
Haar vingers vonden haar clitoris, gezwollen onder het grijze haar, en wreven in cirkels terwijl de komkommer stootte.
Het orgasme bouwde zich op als een storm die lang had gewacht: eerst een trilling in haar onderbuik, dan een golf die haar hele lichaam deed schokken.
Zij kwam met een kracht die haar verraste, een krachtige squirt die over de appels spoot – heldere, geurige stralen die de rode schillen besprenkelden, in de gleuven druppelden, zich vermengden met het waslaagje van de winkel.
Hijgend trok zij de komkommer terug, veegde hem af aan een zakdoekje uit haar tas, schikte haar kleding. Haar wangen gloeiden, maar haar gezicht hernam de deftige uitdrukking. Jansen kwam terug, nietsvermoedend. “Hebt u gevonden wat u zocht, mevrouw?”
“Jazeker,” antwoordde zij kalm, en wees naar een paar appels. “Deze hier, alstublieft. En doe er maar een paar extra bij.”
Zij betaalde, knikte gracieus, en verliet de winkel met haar tasje. Buiten regende het zachtjes. Zij glimlachte in zichzelf, een glimlach van diepe, duistere voldoening.
Niet veel later, toen de middag al overging in de schemering, kwam het jonge stelletje binnen. Hij was een knappe vent van begin dertig, met een sportief postuur en een nonchalante stoppelbaard, zij een frisse vrouw van halverwege de twintig, met lang donker haar en een lach die de winkel leek op te lichten.
Ze waren duidelijk verliefd, nog in dat prille stadium waarin elke aanraking een belofte inhield. Hij legde een arm om haar middel terwijl zij de appels bekeek.
“Kijk deze eens, lieverd,” zei zij, en pakte twee van de appels die nog glinsterden van Belinda’s offer. “Ze zien er zo sappig uit. Perfect voor vanavond.”
Hij grinnikte en kuste haar licht in de nek. “Jij bent sappig. Maar goed, neem ze maar. We maken een salade, of misschien bak ik ze met kaneel.
Voor na afloop.” Zijn hand gleed even over haar bil, een onschuldig gebaar dat in de kleine winkel toch
intiem aanvoelde.
De appels werden afgerekend. Thuis, in hun lichte appartement met uitzicht op de gracht, waste zij ze vluchtig onder de kraan – het water spoelde slechts een deel van het residu weg.
Hij sneed ze in partjes terwijl zij de tafel dekte, haar blouse al half open. Een partje verdween in zijn mond, het sap mengde zich met het residu van Belinda’s extase op zijn tong. Zij nam een hap, haar lippen glanzend, en lachte toen hij haar naar zich toe trok.
“Je smaakt anders vandaag,” mompelde hij, terwijl hij haar kuste, het zoete, verborgen aroma van Belinda’s perversie vermengd met het vruchtvlees. Zij kreunde zacht, onbewust, en duwde hem richting de slaapkamer, de rest van de appels vergeten op het aanrecht.
En ergens in de stad zat
Belinda in haar fauteuil, een glas sherry in de hand, en stelde zich voor hoe haar duistere geschenk nu door die jonge, vitale lichamen gleed – hoe het zich vermengde met hun
lust, met hun speeksel, met hun zweet.
Zij sloot haar ogen, en voelde de opwinding alweer opwellen. Morgen zou zij weer gaan. Er lagen nog meer komkommers te wachten. En meer appels. Altijd meer appels