
Ik zie hem al van een afstand. Een scooter op de vluchtstrook, alarmlichten die zwak knipperen in het donker. De jongen staat ernaast met zijn helm onder zijn arm en schopt gefrustreerd tegen de achterband. Lek.
Ik twijfel even. De weg is rustig en ik heb eigenlijk geen zin om nog later thuis te komen dan gepland. Ik had al moeten overwerken. Druk op kantoor. Toch zet ik mijn richtingaanwijzer aan en stuur mijn auto de berm in.
Hij kijkt op als ik uitstap. Jong. Een jaar of twintig, schat ik. Donkerblond haar dat door de helm alle kanten op staat, een versleten spijkerbroek en een vaal T-shirt. Hij glimlacht verontschuldigend, alsof hij zich schaamt dat hij iemand ophoudt.
,,Pech?" vraag ik, hoewel het antwoord nogal voor de hand ligt. Hij lacht kort. ,,Dat mag je wel zeggen. Ik dacht eerst dat de motor ermee ophield, maar het is gewoon een lekke band."
Ik hurk naast de scooter. Een schroefkop steekt duidelijk uit het rubber. ,,Daar kom je niet ver meer mee.” Hij antwoordt: ,,Nee... en de pechdienst zegt dat het minstens drie kwartier duurt.”
Ik kan hem niet helpen, maar besluit bij de jongen te wachten totdat er hulp komt. De jongen heeft een vriendelijk gezicht. Af en toe glijden zijn vingers door zijn haar om zijn kapsel weer een beetje in fatsoen te krijgen. Dan gaat mijn telefoon. ,,Hoi lieverd, ja, het loopt wat uit. Ik kom zo snel mogelijk.”
,,Vrouw?”, vraagt hij. ,,Nee, mijn vriendin. Geen kinderen, alleen een hond.”
Dan is het even stil.
,,Je had echt niet hoeven stoppen," zegt hij ineens.
,,Dat weet ik."
Hij grijnst. ,,Toch gedaan dus.”
,,Yup”
Als de bus van de pechdienst eindelijk de afrit op draait pakt de jongen zijn rugzak.
,,Mag ik je iets vragen?"
,,Natuurlijk."
,,Hoe kan ik je bedanken?"
Ik haal mijn schouders op. ,,Niet. Ik hoop gewoon dat iemand hetzelfde voor mij zou doen."
,,Dat is me te makkelijk."
Hij kijkt me met een mengeling van vastberadenheid en verlegenheid aan. ,,Dan trakteer ik je op een etentje. Of koffie. Jij kiest. Mag ik je nummer?”
Ik twijfel. ,,Ik geef mijn nummer eigenlijk nooit aan onbekenden."
,,Dan geef ik je het mijne. Uit zijn rugtas haalt hij een stukje papier en schrijft zijn naam en nummer op. Dan drukt hij me het blaadje in mijn hand.
,,Voor als je besluit dat je toch bedankt wil worden…”
De pechhulp heeft ondertussen zijn scooter weer gemaakt. Ik blijf nog even vertwijfeld in de berm staan als hij zelfverzekerd wegrijdt.
Mijn vriendin vraagt waarom ik zo stil ben vanavond.
,,Drukke dag," zeg ik. Dat is niet eens een leugen. Alleen heeft de drukte eigenlijk niets met mijn werk te maken. Ik zie steeds weer die jongen langs de vluchtstrook staan. Zijn lach toen ik stopte. De manier waarop hij zonder schaamte mijn hulp aannam. En uiteindelijk dat briefje met zijn nummer. Belachelijk.
Ik heb een vriendin. Een goed leven. En bovendien... hij is een jongen, misschien ben ik wel bijna twee keer zo oud. Knap is hij wel, misschien wel de knapste jongen die ik ooit van dichtbij had gezien. Maar het was helemaal niet relevant. Want ik val helemaal niet op mannen. Maar waarom blijf ik dan aan hem denken?
Ik ben rusteloos. Eerst stop ik het briefje in mijn portemonnee, haal het er weer uit, wil het weggooien, maar doe het niet. Hij zeg tegen mezelf: hij wil me gewoon bedanken, meer is het niet. Maar tegelijkertijd besef ik ook: ik ken zijn nummer inmiddels uit mijn hoofd. Ik heb mijn ogen nu al zo vaak over het briefje laten gaan. Milan heet hij. Zijn naam staat op het papiertje gekrabbeld.
Na een paar dagen bezwijk ik toch. Ik krijg Milan gewoon niet uit mijn hoofd.
‘Hoi’, app ik naar hem. ‘Ik ben de man die je langs de snelweg heeft geholpen. Je aanbod voor een etentje staat nog?’
Vrijwel meteen krijg ik antwoord. ‘Ik begon al te denken dat je mijn briefje had weggegooid’. Ik merk dat ik glimlach als ik zijn antwoord lees. Waarom moet ik lachen?
Enigszins trillend typ ik dat het me beter lijkt om in een andere stad af te spreken. Ik weet niet precies waarom, maar als ik door bekenden zou worden gezien in een restaurantje tegenover een jonge jongen, had ik wat uit te leggen gehad. Ik had er dan een draai aan moeten geven, dat hij stagiair was op ons kantoor of zo. Er zou vast en zeker worden doorgevraagd. Waarom wij er alleen met z’n tweeën zaten zonder collega’s erbij. En mijn vriendin zou vragen waarom ik nooit iets over hem had verteld. Het lijkt me zinvoller om op een anonieme plek af te spreken.
Ik noem in mijn whatsappje een dag, een tijd en de naam van het restaurant. De afspraak staat voor aanstaande vrijdag.
Ik zeg maar niets tegen mijn vriendin, maar zij merkt iets aan mij, waar ik het benauwd van krijg. ,,Is er iets? Je bent de laatste dagen zo stil.” Ik antwoord dat er niets is, maar tegelijkertijd is er van alles bij mij. Iets, waar ik mijn vinger niet achter krijg, iets dat ik niet kan benoemen. Iets onbestemds, als dat al een woord is.
De seks de avond ervoor was best goed geweest. We namen de tijd voor elkaar en we waren allebei meerdere keren klaargekomen. We kennen elkaar al lang en de seks tussen ons heeft eigenlijk nooit op een laag pitje gestaan. Tuurlijk zijn er wel eens vluggertjes, maar daarvoor zijn altijd goede redenen, vinden we beiden. Het hoeft immers niet altijd een vijfgangenmaaltijd te zijn.
Ik had een klein Italiaans restaurant gekozen. Toen ik binnenkwam, zwaaide hij meteen.
,,Hoi, ik ben David.”
,,Hoi David. En ik ben Milan, die bang was dat je niet zou komen”, zegt hij.
,,Ik ook.”
Hij kijkt me verbaasd aan en begint dan te lachen. Het ijs ijs gebroken. We praten uren. Over werk, reizen, zijn studie filmwetenschappen en onze dromen voor de toekomst. Af en toe betrap ik me er zelf op dat ik niet eens meer naar hem luister. Niet omdat ik hem niet interessant vind, maar alleen omdat ik naar hem wil kijken. Zijn ogen, zijn mond, zijn handen, zijn lach. Het is absurd.
Als de rekening komt, grist Milan die meteen van tafel. ,,Dat hadden we afgesproken”, zegt hij.
,,Geen sprake van. Jij bent student en ik heb een goede baan. Ik betaal gewoon.”
,,Maar ik nodigde jou uit!”
,,Dat weet ik ook wel. Maar ik laat jou echt niet betalen.”
,,Beloof me dan dat ik de volgende keer wel gewoon mag betalen.”
Ik slik. De volgende keer? Die zin blijft in mijn hoofd hangen en galmt nog na als we even later buiten lopen.
,,David, mag ik je iets vragen?”, doorbreekt Milan de stilte en onze pas.
,,Tuurlijk.” Ik ga stilstaan.
,,Waarom duurde het vier dagen voor ik antwoord van je kreeg?” De vraag klonk dwingend uit zijn mond. Alsof ik daadwerkelijk iets had uit te leggen.
,,Omdat ik geen antwoord had dat eenvoudig was. Ik twijfelde.”
,,Waarover?”
Ik kijk Milan aan, maar het kost moeite.
,,Over alles”, antwoord ik.
Hij doet een stap dichterbij. Niet opdringerig, maar ook niet op een manier waardoor ik weg zou kunnen lopen.
,,Twijfel je nog steeds?”, vraagt hij op bijna vaderlijke toon. Ik wil ja zeggen. Me omdraaien. Over één seconde loop ik weg, overtuig ik mezelf. Maar ik doe het niet. In plaats daarvan leg ik mijn lippen op die van Milan. Voorzichtig, twijfelend. En ergens, diep van binnen, weet ik direct dat ik zojuist een grens heb overschreden, waaruit geen weg meer terug is.
Dan weet ik: ik ga vannacht niet naar mijn vriendin Merel. Deze nacht zijn Milan en ik samen. Ik huiver bij die gedachte. Van spanning, maar ook van seksuele opwinding. Van een geilheid die ik nooit eerder op deze manier heb gevoeld. Een nieuw, voor mij onbekend gevoel.
Milan leidt mij. In alle opzichten. Alsof hij de touwtjes in handen heeft. Voor ik het goed en wel doorheb, sta ik half achter Milan als hij behendig een kamer boekt voor vannacht, met een souplesse alsof hij dat al veel vaker had gedaan. Kamer 323.
,,Ik wil je, David. Al sinds je voor me stopte langs de weg”, zegt hij schor als de liftdeuren dichtgaan. Ik kan nog even niets zeggen, geloof ik.


