Hendrik stond zoals elke ochtend om zes uur vijfenveertig op, zonder wekker. Het was een gewoonte die hij in de loop der jaren had ontwikkeld, niet uit discipline maar uit een soort innerlijke onrust die hem nooit helemaal losliet. Carla lag nog in bed, haar haren uitgespreid over het kussen als een waarschuwing voor wat komen ging. Ze was zevenendertig, hij eenenveertig, en hun huwelijk was al jaren een machine die op een heel eigen brandstof draaide. Geen liefde in de klassieke zin, geen haat, maar iets daartussenin: een routine die zowel troost als kwelling bood.
Hij liep naar de badkamer, trok zijn boxershort naar beneden en zag het alweer. Die overproductie, zoals de huisarts het ooit neutraal had omschreven. “Hypersecretie,” had de man gezegd, terwijl hij over zijn bril keek alsof hij het over een te hoge bloeddruk had. Hendrik produceerde zaad alsof zijn lichaam een fabriek was die nooit stilstond. Niet alleen ’s nachts, maar de hele dag door. Het was geen keuze, het was biologie, en biologie, zo had Hendrik geleerd, was het enige dat werkelijk regeerde.
Carla wachtte. Ze lag op haar rug, ogen halfopen, mond al licht geopend. “Goedemorgen,” mompelde ze, maar het klonk meer als een bevel dan een begroeting. Hendrik ging naast haar zitten, zijn hand gleed automatisch naar haar wang. Ze draaide haar hoofd, opende haar lippen verder, en hij liet het gaan. Het eerste shot van de dag was altijd het dikste, het meest geconcentreerde, alsof zijn lichaam ’s nachts alles had opgespaard voor dit moment. Carla slikte zonder te kokhalzen, met de routine van iemand die al jaren dezelfde krant leest. Ze veegde een druppel van haar kin, likte haar vinger af en glimlachte vaag. “Smikkelpap,” zei ze zacht, een woord dat ze zelf had bedacht en dat nu tussen hen in hing als een privégrap die niemand anders zou begrijpen.
In de keuken zette Hendrik koffie. Carla kwam achter hem staan, nog in haar ochtendjas, en liet haar hand in zijn broek glijden. “Je bent alweer vol,” constateerde ze nuchter. Terwijl de koffie doorliep, zakte ze door haar knieën. De tegels waren koud onder haar blote voeten. Hendrik leunde tegen het aanrecht, keek uit het raam naar de tuin waar de buurman net zijn auto startte, en liet het gebeuren. Carla slikte, stond op, spoelde haar mond niet eens, en pakte haar kopje. “Lekker sterk vandaag,” zei ze, en ze bedoelde zowel de koffie als het andere.
Ze waren een modern stel, zeiden ze wel eens tegen vrienden. Carla werkte drie dagen per week als projectmanager bij een reclamebureau, Hendrik was accountant, gespecialiseerd in fusies die niemand begreep. Op papier waren ze succesvol, kinderloos uit vrije keuze, met een huis in een rustige villawijk waar de buren dachten dat ze een harmonieus bestaan leidden. Niemand wist van de smikkelpap.
In de auto op weg naar hun respectievelijke kantoren stopten ze bij een parkeerplaats langs de snelweg. Carla boog zich over de versnellingspook. Het was riskant, maar juist dat risico gaf haar een kick die ze verder nergens meer vond. Hendrik keek in de achteruitkijkspiegel terwijl vrachtwagens voorbij raasden.
“Niet morsen,” zei hij zacht, en ze lachte met volle mond. Ze slikte alles door, veegde haar lippen af met de rug van haar hand en checkte haar make-up in de spiegel. “Tot lunch,” zei ze, en ze stapte uit bij het station.
Op kantoor zat Hendrik achter zijn scherm en probeerde zich te concentreren op balansen. Maar zijn lichaam werkte door. Om halftien voelde hij het weer opkomen. Hij liep naar het toilet, belde Carla via de app. Ze nam op in een vergadering, zette zichzelf op mute en fluisterde: “Stuur een foto.” Hij deed het.
Twee minuten later belde ze terug, nu alleen. “Doe het,” zei ze. Hij kwam klaar in een tissue, maakte een foto van het resultaat en stuurde die. Carla’s reactie kwam meteen: een duimpje omhoog en een emoji van een druppel. Ze zou het later die dag nog wel krijgen, in het echt.
Twaalf uur. Lunchafspraak in het parkje achter haar kantoor. Carla had een broodje meegenomen, maar at er nauwelijks van. Ze zaten op een bankje, half verscholen achter een struik. Hendrik ritste zijn broek open, Carla boog zich voorover alsof ze iets van de grond raapte. Mensen liepen voorbij, honden werden uitgelaten, een moeder duwde een kinderwagen. Niemand keek echt. Carla slikte methodisch, haar ogen gericht op een eekhoorn in de boom. “Je smaakt anders vandaag,” zei ze toen ze klaar was. “Minder bitter. Heb je minder koffie gedronken?”
’s Middags werkte Hendrik door, maar om drie uur kon hij niet meer. Hij reed naar Carla’s kantoor. In de parkeergarage, op de vierde verdieping waar bijna niemand kwam, leunde ze tegen de auto. Ze droeg een rok die dag, makkelijk toegang. Hendrik tilde hem op, maar ze wilde niet neuken. Ze wilde alleen slikken. “Geef me alles,” zei ze, en ze zakte door haar knieën op het beton. Haar knieën werden rood. Het kon haar niet schelen. Ze slikte, stond op, kuste hem op de mond zodat hij zichzelf proefde, en liep terug naar haar vergadering met een lichte blos die haar collega’s toeschreven aan de warmte.
Hendrik reed naar huis en dacht na. Soms vroeg hij zich af hoe het zover had kunnen komen. Was het verslaving? Macht? Liefde op een primitief niveau? Carla had ooit gezegd dat het haar een gevoel van compleetheid gaf, alsof ze hem letterlijk in zich opnam, de hele dag door. “Jij bent mijn proteïne-shake,” had ze gelachen, maar er zat een ernst achter die hem ongemakkelijk maakte. Hij produceerde, zij consumeerde. Een gesloten systeem.
Thuis in de avond begon het ritueel opnieuw. Carla kwam binnen, schopte haar schoenen uit en knielde meteen in de hal. “Ik heb honger,” zei ze. Hendrik gaf haar wat hij had. Daarna kookten ze samen, of deden alsof. Pasta met pesto. Terwijl hij roerde, stond zij achter hem, hand in zijn broek. Tijdens het eten zat ze tegenover hem, af en toe bukkend onder tafel. De buren zouden geschokt zijn als ze wisten dat de keurige Carla, met haar nette kapsel en haar beleefde lach, onder het eten zaad slikte alsof het saus was.
Na het eten keken ze tv. Carla lag met haar hoofd in zijn schoot. Elke twintig minuten tilde ze haar hoofd op, nam hem in haar mond, slikte, en ging weer liggen. Tijdens het nieuws, tijdens een serie over seriemoordenaars – ironisch, vond Hendrik – en tijdens de weerberichten. “Morgen weer warm,” zei de presentator, en Carla slikte tegelijkertijd.
Voor het slapengaan douchten ze. Onder de straal zakte ze opnieuw door haar knieën. Water spoelde over haar gezicht, maar ze slikte door. In bed draaide ze zich naar hem toe. “Nog één keer,” fluisterde ze. Hij was moe, zijn lichaam uitgeput van de constante aanmaak, maar hij deed het. Carla viel in slaap met een tevreden zucht, haar buik vol, haar lippen nog licht gezwollen.
Hendrik lag wakker. Hij keek naar het plafond en vroeg zich af of dit leven was. Niet het grote geluk, niet het diepe ongeluk, maar een voortdurende, bijna mechanische uitwisseling. Overproductie en consumptie. Carla ademde rustig naast hem. Morgen zou het precies hetzelfde zijn. De wekker zou niet afgaan, hij zou opstaan, naar de badkamer lopen, en het zou beginnen. Smikkelpap voor Carla.
En ergens, in de stilte van de nacht, besefte hij dat hij het niet anders wilde. Niet omdat het goed was, maar omdat het hun waarheid was. Een waarheid die ze met niemand deelden, en die daarom des te sterker was. De buitenwereld zag een gewoon stel. Binnen deze muren was alles vloeibaar, constant, en onontkoombaar.