Het was een zondagavond in een stille Nederlandse stad, ergens in het midden van het land. De zon was al ondergegaan, maar de straatlantaarns wierpen een zacht, gouden schijnsel over de gevels. In een bescheiden, netjes onderhouden huis met een kleine voortuin stond de voordeur open. Binnen brandden warme lampen. Op de vensterbank lag een open exemplaar van de Bijbel naast een exemplaar van het Boek van Mormon. Beide boeken waren door vele handen gelezen; de bladzijden vertoonden lichte kreukels en een enkele aantekening in potlood.
Elise van den Berg, achtentwintig jaar, zat in de woonkamer op de bank. Ze droeg een eenvoudige, lange rok van zachte stof die tot net boven haar enkels reikte, en een blouse met een hoge kraag die haar hals bedekte. Haar lange, donkerblonde haar was los over haar schouders gestreeld. Ze had zojuist de zondagsdienst bijgewoond in de plaatselijke gemeente van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. De woorden van de bisschop over “Kom tot Christus” en over het vinden van vrede door Hem nog te volgen, galmden nog na in haar hoofd. Ze had gebeden. Ze had gezongen. Ze had geluisterd. En toch voelde ze iets in haar borst dat ze niet meteen een naam durfde te geven.
Er klonk een zachte klop op de deur. Twee jonge mannen stonden op de stoep. Beide in donkere pakken, witte overhemden, stropdassen. Op hun borst droegen ze de vertrouwde naambordjes: Ouderling Thomas Meijer en Ouderling Lucas de Vries. Ze waren zendelingen. Hun fietsen stonden netjes tegen de heg geleund. Hun gezichten waren vriendelijk, open, en droegen de vermoeidheid van een lange dag van gesprekken, gebeden en wandelen van deur tot deur.
“Goedenavond, zuster Van den Berg,” zei Thomas. Zijn stem was warm, laag, en droeg een lichte noordelijke tongval. “We hoopten dat we even konden langskomen. We hebben iets meegenomen over het plan van geluk. Misschien hebt u er zin in om samen te lezen?”
Elise stond op. Haar hart klopte sneller dan ze wilde toegeven. Ze kende hen al enkele weken. Ze hadden samen gebeden, samen over de leringen van de Heiland gesproken, samen gelachen over kleine dingen. Maar vanavond was er iets anders. Iets dat ze in de stilte van haar eigen kamer al weken voelde opkomen: een verlangen dat niet alleen geestelijk was.
“Kom binnen,” zei ze. Haar stem klonk rustig, maar haar hand trilde licht toen ze de deur dichter achter hen sloot.
Ze gingen zitten. Thomas naast haar op de bank, Lucas in de fauteuil tegenover. Ze openden de Schriften. Thomas las hardop voor uit het Boek van Mormon, over geloof, over het veranderen van het hart, over het komen tot Christus. Zijn stem was diep en gelijkmatig. Elise volgde de woorden, maar haar blik bleef hangen op zijn handen. Sterke, verzorgde handen die de bladzijden omsloegen. Op de manier waarop zijn stropdas lichtjes tegen zijn keel lag. Op de geur van frisse lucht en een vleugje aftershave die van hem af kwam.
Lucas keek af en toe op. Zijn ogen waren helderblauw en aandachtig. Hij glimlachte wanneer Elise iets zei. Die glimlach bleef iets te lang hangen.
Na een half uur legde Thomas het boek neer. “Misschien kunnen we samen bidden,” stelde hij voor.
Ze knielden. Elise voelde de zachte stof van haar rok tegen haar knieën. Thomas’ schouder raakte de hare. Zijn adem was warm. In het gebed vroeg hij om leiding, om kracht om zuiver te blijven, om de Geest te voelen. Maar terwijl hij de woorden uitsprak, bewoog zijn pink bijna onmerkbaar tegen de zijkant van haar hand. Een lichte, trillende aanraking. Elise hield haar adem in. Haar lichaam reageerde onmiddellijk: een warme golf die vanuit haar onderbuik omhoogkroop, haar borsten zwaar maakte onder de bescheiden blouse, haar dijen onwillekeurig dichter bij elkaar bracht.
Toen het amen klonk, bleven ze nog even knielen. Niemand bewoog. De stilte in de kamer was dik, bijna tastbaar. Lucas keek hen beiden aan. Er lag iets in zijn blik dat niet alleen vroom was.
Thomas was de eerste die opstond. Hij reikte Elise zijn hand. Toen hun vingers elkaar raakten, bleef hij een seconde langer vasthouden dan nodig was. Zijn duim streek over de binnenkant van haar pols. Een simpele, stille aanraking die als vuur voelde.
“We zouden graag nog een keer terugkomen,” zei hij. Zijn stem was iets heeser dan eerder. “Misschien morgenavond? We kunnen verder praten over hoe we dichter bij Hem kunnen komen… en bij elkaar.”
Elise keek hem aan. Haar wangen waren warm. “Ja,” fluisterde ze. “Morgenavond.”
Lucas stond ook op. Hij legde een hand op haar schouder toen hij voorbijliep. Zijn vingers drukten zacht, bijna alsof hij haar steunde. Maar de druk bleef iets te lang, en zijn duim gleed even over de naad van haar blouse, precies waar de stof over haar collarbone lag.
Toen de deur dichtging en de twee ouderlingen in de avond verdwenen, bleef Elise staan in de hal. Haar hart bonsde. Ze liep terug naar de woonkamer, nam de Bijbel op en hield hem tegen haar borst. Maar haar gedachten waren niet alleen bij de woorden van de Heiland. Ze dacht aan Thomas’ hand. Aan Lucas’ blik. Aan de manier waarop hun aanwezigheid de kamer had gevuld met iets dat zowel heilig als gevaarlijk voelde.
Die nacht lag ze wakker. Haar handen rustten op haar eigen lichaam onder de deken. Ze streek langzaam over haar borsten, voelde de tepels hard worden onder haar nachthemd. Haar vingers gleden lager, over haar buik, tot tussen haar dijen. Ze stelde zich voor dat het Thomas’ handen waren. Dat hij naast haar lag, nog in zijn overhemd, stropdas los, en dat hij haar zachtjes fluisterde over geloof terwijl hij haar aanraakte. Dat Lucas aan de andere kant zat en toekeek, zijn adem onregelmatig, zijn eigen verlangen duidelijk zichtbaar.
Ze kwam zacht, met een zucht die half een gebed was, half iets heel anders. Haar lichaam trilde. Tranen stonden in haar ogen — niet van schuld alleen, maar van een honger die ze niet langer kon ontkennen.
De volgende avond stonden ze weer voor de deur. Dit keer bleven ze langer. Ze lazen opnieuw. Ze baden opnieuw. Maar tussen de woorden door raakten hun handen elkaar vaker. Thomas’ knie drukte tegen de hare. Lucas leunde naar voren en raakte met zijn vingertoppen de rand van haar rok, alsof hij per ongeluk de stof gladstreek.
Toen de avond bijna voorbij was, stond Thomas op om water te halen uit de keuken. Elise volgde hem. In de smalle keuken, tussen het aanrecht en de kast, draaide hij zich om. Hun gezichten waren dichtbij. Zijn adem rook naar munt. Hij keek naar haar mond.
“Ik probeer zuiver te blijven,” fluisterde hij. “Maar sinds ik u voor het eerst zag… voel ik iets dat ik niet meer kan wegduwen. Iets dat ook bij Hem hoort, denk ik. Liefde. Verlangen. Het verlangen om dichtbij te zijn.”
Elise tilde haar hand op en legde die tegen zijn borst, over zijn hart. Door het overhemd voelde ze het snelle kloppen. “Ik ook,” zei ze.
Hij boog zich voorover. Hun lippen raakten elkaar. Zacht eerst. Verkennend. Toen dieper. Zijn handen gingen naar haar taille, trokken haar dichterbij. Haar lichaam drukte tegen het zijne. Ze voelde de hardheid van hem door de stof van zijn broek. Een zachte, hongerige klacht ontsnapte haar keel.
Lucas verscheen in de deuropening. Hij bleef staan. Keek. En in plaats van weg te gaan, stapte hij dichterbij. Zijn hand legde zich op Elise’s rug, net boven de zoom van haar rok. “We zijn hier samen,” zei hij stil. “Misschien is dit ook een manier om dichter bij elkaar… en bij Hem te komen.”
Die avond bleven de boeken gesloten. De gebeden werden later uitgesproken, zachter, tussen kussen en ademhalingen door. Handen gleden onder blouses, over zachte huid die nog nooit zo was aangeraakt. Riemen werden losgemaakt. Rokken omhooggeschoven. Monden vonden tepels, vonden de warme, natte plek tussen dijen. Ze namen de tijd. Elke aanraking was traag, opbouwend, vol eerbied en tegelijk vol een brandend verlangen dat niet meer te stoppen was.
Toen Thomas eindelijk in haar gleed, terwijl Lucas haar borsten kuste en haar handen vasthield, fluisterde Elise iets dat zowel een zucht als een gebed was. Haar lichaam opende zich volledig. Haar climax kwam in golven, lang en diep, terwijl zij beiden haar vasthielden.
Daarna lagen ze stil. Ademend. De Schriften lagen nog op tafel. De woorden over komen tot Christus hingen in de lucht, vermengd met de geur van hun lichamen.