
Het gebeurt bij de hoek van de Bilderdijkstraat. Een plotseling openzwaaiend cafédeur, een vrouw die achteruit naar buiten stapt zonder te kijken, en dan—een harde klap. Roberts fiets stopt abrupt, zijn stuur draait in zijn handen, en hij voelt hoe zijn evenwicht hem verlaat. Hij grijpt naar de muur, mist, en landt half op zijn knieën terwijl zijn fiets tegen zijn been valt. Maar zij—zij valt volledig.
Haar tas vliegt open, inhoud spreidt zich over het natte trottoir: een laptop in een felgekleurde hoes, sleutels die rinkelen, een halfvolle fles water die rollend onder een geparkeerde auto verdwijnt. Ze ligt op haar zij, haar donkere pixiekapsel in de war, haar jas opengeslagen om een wit T-shirt dat nu vlekken van straatvuil vertoont. Robert ziet dit al in een fractie van een seconde, nog voordat de pijn in zijn knie zich echt heeft geregistreerd.
"Shit," zegt ze, en haar stem is zachter dan hij verwacht, bijna verbaasd over haar eigen onhandigheid.
Robert laat zijn fiets liggen. Hij staat op, voelt de schaafwond op zijn palm waar hij zich heeft afgezet tegen het trottoir, en maakt twee snelle stappen naar haar toe. Ze probeert al op te staan, maar haar linkerarm—hij ziet het meteen—heeft over de betonnen rand van een plantenbak gestreken. Drie parallelle schrammen, rood en rauw, bloeden lichtjes.
"Wacht," zegt hij, en zijn stem klinkt scherper dan hij bedoelt, de adrenaline nog in zijn keel. "Blijf even liggen, check eerst of niets gebroken is."
Ze kijkt op, haar donkerbruine ogen ontmoeten de zijne, en er flitst iets—herkenning van een medemens in een ongemakkelijke situatie, misschien, of simpelweg de schrik die nu pas doordringt. Haar wimpers zijn lang, donker, en ze knippert twee keer, snel, alsof ze iets wegveegt.
"Jij bent ook gevallen," zegt ze, en ze wijst naar zijn hand. "Je bloedt."
Hij kijkt naar zijn palm. Een oppervlakkige schaafwond, niets ernstig. "Dat is niks. Maar jouw arm—" Hij buigt door zijn knieën, steekt zijn hand uit, trekt deze terug, besluit dan toch haar elleboog te pakken, voorzichtig, alsof ze van porselein zou kunnen zijn. "Dat ziet er pijnlijk uit."
Ze laat zich helpen. Hij voelt haar gewicht verschuiven naar hem toe, voelt de spanning in haar arm toenemen en dan weer afnemen wanneer ze overeind komt. Ze is kleiner dan hij, maar niet veel—misschien vijf centimeter verschil. Haar lichaam is slank maar niet mager, de rondingen die haar jas suggereerde blijken inderdaad aanwezig wanneer ze rechtop staat en haar kleding weer recht trekt.
"Olivia," zegt ze, en het duurt even voordat hij beseft dat dit haar naam is, niet een verwensing naar haar eigen onhandigheid.
"Robert." Hij laat haar arm los, merkt dat hij dit met enige tegenzin doet, en bukt naar haar spullen. De laptop heeft geluk gehad—een hoek is beschadigd, maar het scherm lijkt intact. Hij raapt haar sleutels op, een sleutelhanger in de vorm van een minuscule fiets, en houdt deze omhoog als een vreemd soort bewijsstuk van goede bedoelingen.
"Sorry," zegt hij, terwijl hij haar tas rechtop zet en de losse voorwerpen erin propt. "Ik had harder moeten remmen. Of je moet hebben gezien—"
"Achteruit lopen zonder kijken," voltooit ze, en er verschijnt iets wat op een glimlach lijkt, hoewel de hoeken van haar mond niet helemaal meewerken. "Mijn schuld. Mijn moeder waarschuwt me al jaren."
Ze staat nu volledig stabiel, maar hij ziet hoe ze haar gewicht verplaatst van haar linkervoet naar haar rechter, alsof ze pijn camoufleert. Haar arm—de schrammen zijn duidelijker nu, kleine korstjes vormen zich al waar het bloed is opgedroogd. De huid eromheen is roze, geïrriteerd.
"Die wonden," zegt hij, en hij wijst, trekt zijn vinger terug. "Je moet die schoonmaken. Straks krijg je een infectie."
Ze volgt zijn blik naar haar arm, trekt een gezicht dat half afstand doet van de pijn, half erkenning toont. "Ik heb thuis jodium."
"Jodium brandt. Ik heb thuis..." Hij aarzelt, beseft plotseling wat hij aan het voorstellen is, een vreemde vrouw meenemen naar zijn huis, en voelt de warmte in zijn wangen opstijgen. Maar de schrammen zijn duidelijk pijnlijk, en hij ziet hoe ze haar arm lichtjes laat hangen om druk te vermijden. "Ik heb een verzachtende zalf. Professionele kwaliteit, mijn zus is verpleegkundige, die smeert me altijd vol wanneer ik iets overkomt."
Olivia kijkt hem aan. Haar ogen zijn niet langer alleen verbaasd—er zit iets anders in, een afweging die hij niet kan lezen. De straat om hen heen wordt plotseling weer hoorbaar: een tram die rinkelt in de verte, een fietser die toetert, het gerinkel van bestek uit het café waar zij net uit kwam.
"Je stelt voor om iets te drinken," zegt ze, en het is half vraag, half constatering.
Robert knikt, merkt dat zijn hart iets sneller klopt dan zou moeten voor een simpele ongevallensituatie. "Koffie. Of thee. Op mijn kosten. En dan die zalf." Hij haalt zijn schouders op, een gebaar dat bedoeld is om de spanning te breken. "Als compensatie voor mijn slechte remtechniek."
Ze lacht nu echt, een kort geluid dat ergens tussen haar keel en haar neus vandaan komt. "Je bent niet degene die achteruit liep."
"Dan als compensatie voor mijn reddingspoging die eigenlijk niet nodig was."
Olivia kijkt naar haar arm, trekt haar mouw iets naar beneden alsof ze de schrammen kan verbergen, en laat deze dan weer zakken. "Er is een plek hier om de hoek," zegt ze. "Café De Hoek. Ik ken de eigenaar, hij laat me altijd mijn laptop opladen."
Robert knikt, voelt iets wat op teleurstelling lijkt maar besluit dit te negeren. Een publieke plek is logischer, veiliger, meer passend voor twee vreemden die elkaar vijf minuten geleden voor het eerst zagen. Hij pakt zijn fiets op, controleert of het wiel nog recht is, en loopt met haar mee de hoek om.
Café De Hoek is klein, donker van binnen, met houten tafels die krassen vertonen van jarenlang gebruik. Een man achter de bar—oud, grijzend, met een schort waar koffievlekken op zijn gedroogd—kijkt op wanneer Olivia binnenkomt en knikt, een bijna onmerkbare groet. Ze kiest een tafel bij het raam, waar het grijze daglicht binnenvalt en haar huid in een zachte gloed hult. Robert ziet nu pas hoe jong ze is—achtien, had ze gezegd, studente. Hij is drie jaar ouder, voelt plotseling die drie jaar als een afstand die groter lijkt dan hij is.
"Wat drink je?" vraagt hij, terwijl hij zijn jas uittrekt en over de stoelleuning hangt.
"Cappuccino. Met havermelk." Ze pakt haar telefoon, controleert iets, en legt deze dan met het scherm naar beneden op tafel. "Jij?"
"Gewoon zwart. Sterk."
Hij bestelt bij de bar, voelt de ogen van de grijzende man op zijn rug, en keert terug met twee koppen die dampen in de koele lucht van het café. Olivia heeft haar jas uitgetrokken—een dunne, beige trenchcoat die nu over de rug van haar stoel hangt. Haar witte T-shirt is eenvoudig, katoen, lichtelijk verfrommeld van de val. Er zit een klein vlekje op haar schouder, waarschijnlijk van het trottoir, en Robert merkt dat hij hiernaar kijkt, merkt dat hij wil weten of ze het voelt, dit vreemde intieme detail van een vreemde vrouw.
"Studente?" vraagt hij, en hij zet zijn koffie neer, trekt zijn stoel iets dichterbij zodat ze niet hoeft te schreeuwen in het rumoer van de koffiemachine.
"Psychologie. Eerste jaars." Ze blaast op haar cappuccino, laat haar lippen het schuim aanraken zonder te drinken. "Jij?"
"Technische informatica. Derde jaar." Hij neemt een slok, voelt de bitterheid op zijn tong. "Dus jij analyseert mensen, en ik schrijf code die mensen analyseert."
Olivia glimlacht, en ditmaal bereiken de hoeken van haar mond haar ogen. "Ironisch," zegt ze, en ze spreekt het woord duidelijk uit. "Of hoe je dat in het Nederlands zegt."
"Ironisch."
"Ironisch," herhaalt ze, alsof ze het woord proeft. "Waar woon je?"
"Oud-West. Een flatje boven een ijswinkel." Hij beschrijft de locatie, de straat waar de tramlijnen elkaar kruisen, de bakker die elke ochtend om zes uur zijn deuren opent met de geur van versgebakken croissants. Olivia luistert, knikt op momenten die aangeven dat ze de buurt kent, en hij vraagt haar niet waar zij woont—een bewuste keuze, een grens die hij niet wil overschrijden in deze vroege fase van hun ontmoeting.
Ze praten. Over van alles en niets, zoals gesprekken gaan wanneer twee mensen elkaar niet kennen en toch iets zoeken. Olivia vertelt over haar studie, over de massale colleges waar ze verdwijnt in een zee van gezichten, over haar kamergenoot die elke nacht tot vier uur 's nachts video belt met haar vriend in Groningen. Robert vertelt over zijn stage, over het bedrijf waar hij volgend semester gaat werken, over zijn zus die hem inderdaad altijd volsmeert met medische voorraden.
"Die zalf," zegt Olivia, en ze raakt haar arm aan, een vluchtig gebaar dat hij niet had verwacht. "Werkt die echt?"
"Betadine zalf. Geen branden, alleen genezen." Hij zet zijn kop neer, leeg nu, en wrijft over zijn stoppelbaard—een gewoonte die hij heeft ontwikkeld sinds hij hem laat groeien. "Ik kan je meenemen. Als je wilt. Het is niet ver."
Ze kijkt naar buiten, naar de straat waar de regen nu harder lijkt te vallen, waar mensen voorbijlopen met gebogen hoofden en opgezette kragen. Haar vinger trekt een lijn over de rand van haar kopje, volgt het porselein, en hij ziet hoe ze nadenkt—echt nadenkt, met een frons die haar voorhoofd lichtelijk rimpelt.
"Goed," zegt ze uiteindelijk. "Maar alleen voor die zalf."
Robert knikt, zegt niets, maar voelt iets in zijn borstkas—een versnelling, een lichtelijk snellere polsslag. Hij betaalt, weigert haar protesten dat ze haar eigen koffie wil betalen, en ze stappen samen de regen in. Zijn fiets laat hij achter—"Ik haal hem later wel"—en ze lopen, dicht bij elkaar onder zijn paraplu die hij uit zijn tas heeft getrokken, de straat door die naar zijn flat leidt.
De ijswinkel onder zijn flat is gesloten, de rolluiken naar beneden, de geur van vanille en chocolade hangt nog in de gang. Robert zoekt zijn sleutels, vindt deze tussen een bonnetje van de supermarkt en een losse euro, en opent de deur die naar de trap leidt. Olivia volgt hem, haar passen licht op het beton, en hij hoort hoe ze ademhaalt—diep, alsof ze zich voorbereidt op iets.
Zijn flat is klein, opgeruimd in de manier waarop mannen van eenentwintig opruimen: geen zichtbare rommel, maar ook geen persoonlijke aanraking. Een bank, donkergrijs, met een deken die zijn moeder heeft gebreid. Een tafel met twee stoelen. Een keuken die direct zichtbaar is vanaf de deur, compact, functioneel. De slaapkamer ligt achter een deur die half open staat, en Robert ziet hoe Olivia ernaar kijkt, hoe ze deze informatie registreert en dan weer wegstopt.
"Ga zitten," zegt hij, en hij wijst naar de bank. "Ik pak de zalf."
Hij verdwijnt in de badkamer, zoekt in het kastje boven de wastafel, vindt de tube die zijn zus hem heeft gegeven. De spiegel toont zijn gezicht—vermoeid, meer dan hij dacht, de stoppelbaard donker tegen zijn bleke huid. Hij laat water lopen over zijn schaafwond, droogt deze af, en keert terug naar de woonkamer.
Olivia zit op de bank, haar jas uit, haar mouwen opgerold tot boven haar elleboog. De schrammen zijn duidelijker in het licht van zijn woonkamer—drie parallelle lijnen, rood en rauw, met kleine korstjes waar de opperhuid is beschadigd. Ze heeft haar arm op de leuning gelegd, de huid gespannen, en hij ziet hoe haar vingers lichtjes trillen.
"Koud?" vraagt hij, terwijl hij naast haar gaat zitten—niet te dicht, maar ook niet aan de andere kant van de bank.
"Een beetje." Haar stem is zachter dan in het café, alsof de intimiteit van de ruimte iets heeft veranderd.
Hij knijpt in de tube, laat een stip zalf op zijn vingertop vallen. De geur is medicinaal, kruidig, niet onaangenaam. "Dit kan koud aanvoelen," waarschuwt hij, en dan raakt hij haar aan.
Huid tegen huid. De binnenkant van haar onderarm, waar de huid het dunst is, waar aderen lichtelijk zichtbaar zijn onder het oppervlak. Hij brengt de zalf aan in een cirkelbeweging, niet te hard, niet te zacht, en hij voelt hoe ze reageert—een lichte spanning in de spieren, een bijna onhoorbare inademing.
"Sorry," zegt hij, en hij trekt zijn hand terug.
"Nee, doorgaan." Haar ogen zijn op haar arm gericht, niet op hem. "Het voelt... goed. Koel."
Hij herhaalt het gebaar, brengt meer zalf aan, verspreid deze over de volle lengte van de schrammen. Zijn vingertoppen volgen de lijnen van haar huid, de overgang van beschadigd naar gezond, en hij merkt dat hij ademhaalt door zijn mond, dat zijn concentratie is versmald tot dit ene punt van contact.
"De andere arm," zegt ze, en ze draait zich iets naar hem toe, haar lichaam nu half naar hem gekeerd.
Hij kijkt, ziet dat ook hier schaafwondjes zijn—kleiner, minder diep, maar eveneens rood en rauw. "Je hebt jezelf goed geschaafd."
"Ik val altijd zo onhandig." Ze lacht, een kort geluid, en hij voelt haar adem op zijn wang wanneer hij dichterbuigt om ook deze wonden te behandelen.
De afstand tussen hen is nu kleiner dan sociaal geaccepteerd. Zijn knie raakt haar dij, een vleugje druk die hij niet terugtrekt. Haar hoofd is naar hem toegekeerd, hij voelt dit zonder te kijken, voelt de warmte van haar blik op zijn profiel terwijl hij haar arm insmeert.
"Robert," zegt ze, en zijn naam klinkt anders in haar mond—zachter, met een accent dat hij niet kan plaatsen, iets Zuid-Nederlands misschien, of gewoon de intonatie van iemand die nog niet lang in Amsterdam woont.
Hij kijkt op. Haar ogen zijn dichtbij, donkerbruin met gouden vlekjes die hij eerder niet had gezien. Haar lippen zijn lichtelijk geopend, vochtig van waar ze deze heeft aangeraakt met haar tong. De geur van haar—koffie, havermelk, iets bloemigs dat haar shampoo zou kunnen zijn—vult zijn neusgaten.
De vonk, zoals ze dat noemen, is geen plotseling ding. Het is een geleidelijke oplading, een accumulatie van kleine momenten: haar vinger op de rand van haar kopje, haar blik die te lang op zijn mond blijft hange, het trillen van haar hand die hij nu niet meer toeschrijft aan de kou. Hij ziet het gebeuren, ziet de vraag in haar ogen die geen woorden nodig hebben, en dan beweegt hij.
Of zij beweegt. Het maakt niet meer uit wie begint. Hun lippen ontmoeten elkaar, een eerste, voorzichtige druk die niet voorzichtig voelt. Haar mond is zacht, warmer dan hij verwachtte, en ze smaakt naar de resten van cappuccino en iets wat alleen zij is. Hij brengt zijn hand naar haar gezicht, zijn vingers in haar korte haar, voelt de zachtheid van haar schedel onder zijn palm. Ze reageert door dichter te komen, haar lichaam draaiend op de bank zodat ze frontaal tegenover hem zit, haar knieën aan weerszijden van zijn dijen.
De zalf ligt vergeten op de tafel. Hun handen zijn elders—op schouders, in haar, over de contour van zijn kaaklijn. De kus wordt dieper, hun monden openen, tongen vinden elkaar in een verkenning die zowel vraag als antwoord is. Hij hoort zichzelf kreunen, een laag geluid dat ergens in zijn borstkas ontstaat, en zij antwoordt met een zucht die hij voelt tegen zijn lippen.
"Wacht," fluistert ze, en hij trekt terug, denkt dat hij te ver is gegaan, dat dit de grens was—
Maar ze glimlacht. Haar ogen zijn half dicht, haar wangen roze, en ze staat op van de bank, trekt hem mee door zijn hand die nog steeds in de hare ligt. Ze kent de weg niet, maar hij wel, en hij leidt haar naar de slaapkamer die hij eerder half open had laten staan.
Het bed is onopgemaakt—een detail dat hem normaal zou irriteren, maar nu irrelevant is. Het raam staat op een kier, en de geluiden van de straat dringen binnen: een fietser die belt, een kind dat roept, het verre gehuil van een sirene. Olivia laat zich op de rand van het bed zakken, trekt hem mee zodat hij tussen haar knieën staat, en haar handen vinden de zoom van zijn T-shirt.
"Mag dit?" vraagt ze, en haar stem is hees, veranderd door de kus die nog nagalmt.
Hij knikt, niet in staat tot woorden, en hij tilt zijn armen zodat ze het shirt over zijn hoofd kan trekken. Zijn stoppelbaard vangt in de stof, een moment van komische wrijving, en dan is het weg. Haar handen op zijn borst—koud eerst, dan warm, haar vingertoppen volgen de lijn van zijn sleutelbeen, de spieren van zijn schouders die hij heeft opgebouwd in de sportschool die hij de laatste tijd nooit meer bezoekt.
"Jij ook," zegt hij, en zijn stem klinkt ruw, onherkenbaar.
Olivia staat op, en hij helpt haar, zijn handen vinden de knopen van haar eigen shirt, de kleine, parelmoerige knopen die hij losmaakt met vingertoppen die plotseling onhandig lijken. Het shirt valt open, onthult een witte beha die eenvoudig is, functioneel, en toch het mooiste wat hij heeft gezien. Ze laat het shirt van haar schouders glijden, en hij doet hetzelfde met de beha, zijn vingers vinden de haakjes achter haar rug, zijn vingers die trillen nu echt, niet langer te verbergen.
Haar borsten zijn klein, stevig, met donkere tepels die zich hebben opgericht in de koele lucht van de slaapkamer. Hij buigt, zonder te denken, en neemt er een in zijn mond, voelt hoe ze kreunt, haar handen in zijn haar, haar rug die kromt naar hem toe. Hij zuigt, lichtjes, en ze reageert met een beweging van haar heupen die hem duidelijk maakt wat ze wil, wat ze nodig heeft.
Ze duwt hem naar het bed, en hij laat zich vallen, trekt haar mee zodat ze bovenop hem ligt, haar benen aan weerszijden van zijn heupen. Ze kust hem weer, harder nu, minder voorzichtig, en haar handen dalen af naar zijn broek, de knoop die ze losmaakt met een behendigheid die hem verrast.
"Olivia," zegt hij, en het is half waarschuwing, half smeekbede.
"Ssst," fluistert ze, en haar mond is bij zijn oor, haar adem warm en vochtig. "Ik wil dit. Jij ook?"
Hij antwoordt door haar te kussen, door zijn handen over haar rug te laten dalen, over de ronding van haar billen die hij nu voor het eerst echt voelt. Ze draagt een spijkerbroek, strak, en hij vindt de knoop, trekt deze los, en ze helpt hem door haar heupen te verheffen zodat hij de broek over haar benen kan trekken.
Haar ondergoed is zwart, kant, een contrast met de eenvoud van haar andere kleding dat hem even verrast. Hij laat zijn vingers erover glijden, voelt de textuur, en dan duwt hij deze opzij, vindt de warmte van haar, de vochtigheid die daar al wacht.
"Ah," zegt ze, en het is een klein geluid, een inhalatie die pijn en genot mengt. "Daar. Ja."
Hij vingert haar, voorzichtig eerst, dan steeds duidelijker wanneer haar reacties hem vertellen wat ze lekker vindt. Ze beweegt tegen zijn hand, haar heupen cirkelend, en hij voelt hoe ze opent, hoe haar lichaam hem uitnodigt. Hij wil meer, wil alles, en hij trekt zijn eigen broek uit, laat zijn boxershort volgen, en dan liggen ze naakt op zijn bed, huid tegen huid, de kou van de kamer vergeten in de warmte die ze samen produceren.
"condoom," zegt hij, en het woord klinkt vreemd, te praktisch voor dit moment.
"In mijn tas," zegt ze, en ze glimlacht, een flauw geweten dat hij later zal herinneren. "Voorbereid."
Hij haalt het, snel, zijn handen trillend minder nu door de urgentie, en hij rolt het om zich heen, voelt de latex strak trekken. Dan is hij boven haar, haar benen wijd, haar knieën gebogen, en hij ziet haar—ziet haar echt, helemaal, dit vreemde meisje dat hij vijf minuten geleden nog niet kende, nu naakt en wachtend in zijn bed.
"Kijk naar me," zegt ze, en haar stem is zacht maar dwingend.
Hij kijkt. Hun ogen ontmoeten elkaar wanneer hij in haar glijdt, een langzame beweging die hem omhult in warmte en druk. Ze kreunt, haar ogen half sluitend, maar ze houdt zijn blik vast, en dit—dit oogcontact terwijl hij dieper komt, terwijl haar lichaam zich aanpast om hem te ontvangen—is intiemer dan hij ooit heeft gekend.
"Je bent zo..." begint ze, en ze ademt uit, een zucht die eindigt in een stilte. "Stevig. Ah."
Hij beweegt, langzaam eerst, dan sneller wanneer haar heupen omhoog komen om hem te ontmoeten. Het bed kraakt, een ritmisch geluid dat meedoet met hun ademhaling, hun huid die tegen elkaar slaat in een staccato van verlangen. Hij voelt haar handen op zijn rug, haar nagels die lichtjes krassen, en hij buigt om haar te kussen, haar mond te vullen met zijn tong terwijl hij haar vult met zijn lichaam.
"Harder," fluistert ze tegen zijn lippen, en hij gehoorzaamt, zijn stoten dieper wordend, sneller. "Ja. Daar. Ah, ja."
Ze komt eerst, hij voelt het—aanspannen van haar spieren, een plotseling stil worden van haar ademhaling, en dan een reeks kreunen die hoog en licht zijn, bijna kinderlijk in hun ongeremdheid. Haar rug kromt, haar hoofd valt achterover, en hij ziet de halslijn die dit blootstelt, de aderen die kloppen onder haar huid. Hij volgt, niet lang daarna, een golf die vanuit zijn onderbuik komt en zich verspreidt door zijn hele lichaam, zijn stoten die heftiger worden, die stoppen, die weer rhitmisch worden wanneer de laatste druppels zijn verdwenen.
Ze liggen stil. De regen is harder geworden, hij hoort het nu, een constant geruis tegen het raam. Olivia's hand ligt op zijn borst, haar vingers volgen het patroon van zijn huid, en hij voelt haar ademhaling die langzaam weer normaal wordt.
"Wow," zegt ze uiteindelijk, en het is zo eenvoudig, zo onverwacht, dat hij lacht.
"Wow," beaamt hij.
Ze draait zich naar hem toe, haar been over het zijne leggend, haar gezicht in de holte van zijn schouder. "Ik heb honger," zegt ze, en het is zo gewoon, zo onverbloemd, dat hij weer lacht.
"Ik bestel iets. Pizza? Chinees?"
"Chinees." Ze kust zijn schouder, een vluchtig gebaar dat meer betekent dan de duur ervoor doet vermoeden. "En dan... blijf ik? Vanavond?"
Hij kijkt naar haar, naar de vraag in haar ogen die hij niet begrijpt. "Natuurlijk. Zoveel nachten als je wilt."
Ze glimlacht, maar het is een glimlach die niet helemaal bereikt waar glimlachen horen te bereiken. Ze opent haar mond, sluit deze weer, en dan—dan zegt ze het.
"Maar mijn vriend," zegt ze, en de woorden vallen tussen hen in als iets hards, iets scherps. "Ik heb een vriend."
Robert voelt het alsof hij is getrapt, lucht die plotseling zijn longen niet meer wil verlaten. Hij denkt terug—aan de condoom in haar tas, aan haar "voorbereid", aan dit alles wat nu een andere kleur krijgt. Een vriend. Hoezo neuk je dan zo met me, denkt hij, en hij weet dat hij dit niet hardop zegt, dat hij dit nooit hardop zal zeggen, maar de gedachte is er, giftig en helder.
"Ik moet hem bellen," zegt Olivia, en ze zit op, haar naaktheid nu plotseling iets waar ze zich bewust van lijkt, haar armen voor haar borsten vouwend. "Zeggen dat ik bij een vriendin blijf slapen."
Robert zit ook op, zijn rug naar haar toe, zijn voeten op de koude vloer. "Oke," zegt hij, en zijn stem klinkt neutraal, te neutraal. "En zeg je dan niks over vanmiddag? Dat we hebben gevreeën, geneukt?"
Hij hoort haar bewegen, voelt haar hand op zijn rug, en dan—dan is ze naast hem, haar gezicht zoekt het zijne. Ze kust hem, een zachte druk die tegenstrijdig aanvoelt na wat hij net heeft gehoord.
"Ik wil toch bij je blijven," fluistert ze, haar lippen nog tegen de zijne. "Maar ik heb nu geen zin om mijn vriend uitleg te geven."
Hij kijkt naar haar, naar de smeekbede in haar ogen, en hij begrijpt—begrijpt echt—wat dit is. Dit is geen keuze tussen hem en een ander. Dit is een uitstel, een verdoezeling, een nacht die ze wil stelen uit een leven waarvan hij niets weet. En hij—hij wil deze nacht ook. Meer dan hij wil toegeven, meer dan hij zou moeten willen.
"Het is okay," zegt hij, en hij meent het, op dit moment meent hij het echt. "We hebben de hele nacht samen."
Ze glimlacht, ditmaal echt, en ze pakt haar telefoon, verdwijnt naar de badkamer om te bellen. Hij hoort haar stem, gedempt door de deur, woorden die hij niet kan onderscheiden maar waarvan hij de toon herkent—luchtig, onschuldig, een leugen die soepel wordt verteld. Hij bestelt het eten, zijn eigen telefoon in handen die nog steeds lichtelijk trillen van wat ze samen hebben gedaan.
Wanneer ze terugkomt, is het alsof de woorden niet zijn gevallen. Ze kleedt zich aan, haar shirt, haar broek, en hij doet hetzelfde, en ze eten samen op de bank, Chinese noodles die hij met stokjes eet en zij met een vork. Ze praten, oppervlakkig nu, over films en muziek en de stad die hen allebei heeft opgeslokt. Maar onder dit alles loopt een stroom die sterker is—de herinnering aan haar huid, aan de manier waarop ze kreunde, aan het feit dat ze hier is terwijl een ander denkt dat ze ergens anders is.
Na het eten, wanneer de bakjes leeg zijn en de geur van sojasaus nog in de lucht hangt, kijkt ze naar hem. Haar ogen zijn zwaarder nu, verzadigd, en ze staat op van de bank, loopt naar hem toe, en gaat op zijn schoot zitten. Hij voelt haar gewicht, de warmte van haar door de dunne stof van hun kleding heen, en hij weet wat er gaat komen voordat ze het vraagt.
"Knuffelen?" vraagt ze toch, en haar stem is die van een kind dat iets wil wat het niet mag hebben.
Hij trekt haar dichter, zijn armen om haar heen, en ze nestelt zich tegen hem, haar hoofd onder zijn kin. Ze bewegen, langzaam, een schommelen dat meer wordt dan alleen troost. Haar heupen cirkelen, lichtjes, bijna onmerkbaar, en hij reageert—hij kan niet anders, zijn lichaam heeft zijn eigen geheugen. Ze voelt het, hij weet dat ze het voelt, en ze draait zich, komt te zitten met haar gezicht naar hem toe, haar benen aan weerszijden van zijn middel.
"Opnieuw?" vraagt ze, en het is geen vraag, het is een uitnodiging die ze al heeft geaccepteerd voordat hij antwoordt.
Deze keer is het anders. Niet de nieuwsgierigheid van vreemden, maar het weten van wat ze samen kunnen. Ze kleden elkaar uit, langzaam, elke knoop een moment dat ze vasthouden. Hij trekt haar shirt over haar hoofd, en zij zijn, en ze wisselen, een dans die geen leider heeft. Wanneer ze naakt zijn, trekt hij haar mee naar de vloer, het tapijt dat zacht is onder haar rug, en hij ligt boven haar, zijn ellebogen aan weerszijden van haar hoofd.
"Kijk naar me," zegt ze weer, en hij doet het, hun ogen verbonden terwijl hij in haar glijdt. Deze keer is ze nog vochtiger, nog opener, en hij beweegt langzaam, bewust, elke stoot een volzin die hij niet uitspreekt. Ze kreunt, harder dan eerder, niet langer bang om gehoord te worden in dit huis dat alleen van hen is.
"Je bent zo..." zegt ze, en ze ademt uit, een zucht die eindigt in een kreun. "Diep. Ah, ja, daar."
Hij versnelt, zijn heupen een machine die hij bestuurt maar niet volledig beheerst. Ze komt weer, ditmaal harder, haar nagels in zijn rug die nu echt krassen, en hij volgt, zijn gezicht in haar nek, zijn ademhaling hees en onregelmatig.
Ze liggen op het tapijt, de kou nu wel voelbaar, en hij trekt de deken van de bank die ze niet hebben gebruikt. Onder deze deken, huid tegen huid, praten ze niet over wat dit is, wat dit betekent. Ze praten over niets, over alles, totdat de slaap komt en hen meeneemt.
Maar niet voor lang. In de vroege ochtend, wanneer het nog donker is maar de vogels al beginnen, wordt hij wakker van haar hand op zijn borst, die naar beneden glijdt, die hem vindt, die hem wakker maakt op de enige manier die telt. Ze draait zich naar hem toe, haar rug naar hem, en ze leidt hem, haar hand achter haar rug die zijn heupen naar zich toe trekt.
"Langzaam," fluistert ze, en hij gehoorzaamt, in haar glijdend van achteren, een hoek die nieuw is en toch vertrouwd voelt. Hij beweegt traag, heel traag, elke stoot een eeuwigheid die hij wil laten duren. Haar kont tegen zijn heupen, de ronding die hij vasthoudt, zijn vingers die in haar huid drukken.
"Ah," kreunt ze, en het is lang, uitgerekt, een geluid dat begint hoog en eindigt laag. "Je bent zo... vast. Ah, ja, net daar."
Hij versnelt lichtjes, zijn ritme gevonden in haar reacties, in de manier waarop haar rug kromt en weer ontspant. Ze komt niet—ditmaal niet, de opbouw is te langzaam, te verspreid—maar hij voelt haar genieten, voelt hoe ze hem naar zich toe trekt, dieper, altijd maar dieper.
"Kom in me," fluistert ze, en het is de eerste keer dat ze dit vraagt, dat ze dit expliciet maakt. "Ik wil je voelen. Ah, ja, kom in me."
Hij doet het, een laatste serie stoten die sneller worden, dieper, en dan—dan stopt hij, bevroren in het moment van release, zijn zaad dat pulseert in het condoom die hem van haar scheidt. Ze draait zich, kust hem, en ze liggen samen, ademend, zwetend, tot de slaap hen weer vindt.
Wanneer hij wakker wordt, is het licht. Ze ligt naast hem, haar gezicht naar hem toegekeerd, haar ademhaling diep en regelmatig. Hij kijkt naar haar, naar deze vreemde die zijn bed heeft gedeeld, zijn lichaam, en hij weet—hij weet wat dit is, wat dit was. Een nacht. Een stiekeme nacht, gestolen uit een leven waarvan hij niets weet, dat hij niet mag willen maar toch wil.
Hij staat op, zachtjes, en maakt koffie. Wanneer ze wakker wordt, ruikt ze het, komt naar de keuken, en ze drinken samen in stilte die niet ongemakkelijk is maar ook niet volledig comfortabel. Ze kleedt zich aan, haar kleding van gisteren, en hij kijkt toe, vraagt niet wanneer hij haar weer ziet, weet dat dit de vraag is die hij niet mag stellen.
"Bij de deur," zegt ze, en ze kust hem, een kus die lang duurt, die meer zegt dan woorden kunnen. "Dank je. Voor alles."
Hij knikt, opent de deur, en ze verdwijnt in de ochtend, een figuur die kleiner wordt op de straat die nat is van dauw. Hij sluit de deur, leunt er tegenaan, en denkt aan wat ze heeft gezegd—"Mijn vriend"—en aan wat ze niet heeft gezegd. De hele nacht hebben ze er niet over gepraat, alsof het woord een betovering zou breken die ze beiden wilden bewaren.
Hij denkt aan haar, aan de manier waarop ze kreunde, aan het geheim dat ze nu samen dragen. En hij weet—hij weet dat dit niet voorbij is, dat dit alleen maar is begonnen, dat de nacht die ze hebben gehad slechts de eerste is van wat komen gaat.
Maar dat is voor later. Nu staat hij in zijn flat, de geur van haar nog op zijn kussens, en hij maakt zijn bed op, een gewoonte die plotseling belangrijk lijkt, een poging om orde te scheppen in wat chaotisch is geworden.





