
Ik had bewust gewacht. Elf cijfers.
Elf beloningen die ik die dag had uitgedeeld aan Luc, Mo en Jayden. Niet allemaal op dezelfde manier en ook niet allemaal los van elkaar, maar uiteindelijk stond de teller op elf. Of ja, eigenlijk op 12 naar de bj die ik Jayden gaf in plaats van mijn borsten. Maar dat wist Van Weelden toch niet. Dus volgens de afspraak betekende dat dat Van Weelden recht had op precies hetzelfde als wat ik zelf had uitgedeeld, of had moeten uitdelen. En dat was precies waarom ik die cijfers niet eerder had gemeld.
Elf. Ik moest bijna lachen bij het idee. Wat dacht hij daar precies mee te gaan doen?
Het was één ding om die afspraak te maken wanneer het om een paar cijfers ging. Een ander verhaal wanneer ik er bewust elf had opgespaard. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat hij verwachtte die hele rekening op één avond af te handelen. Sterker nog, ik ging er eigenlijk vanuit dat hij ergens zou moeten toegeven. Dat hij genoegen zou moeten nemen met minder. Misschien zelfs even niet zou weten wat hij ermee aan moest.
En ik wist dat ik hem nog iets kon vertellen wat het alleen maar interessanter maakte.
Ik had die elf beloningen zelf ook daadwerkelijk uitgevoerd. Alle elf. Dat moest hij dan geloven.
Alleen die gedachte gaf me al een vreemd gevoel van macht. Alsof ik deze keer degene was die met iets zijn kantoor binnenkwam waar híj maar een antwoord op moest zien te vinden. Misschien zou hij onder de indruk zijn. Misschien zou hij even stilvallen. Misschien kon ik hem voor het eerst een beetje uit zijn evenwicht brengen.
Dat idee beviel me meer dan ik wilde toegeven.
Dus toen ik naar zijn kantoor liep, voelde ik me voor het eerst in lange tijd niet alsof ik ergens naartoe werd gestuurd zonder te weten wat me te wachten stond. Ik had een plan. Ik had elf cijfers. En ik dacht dat ik hem daarmee voor een praktisch probleem zou zetten waar hij niet zomaar onderuit kon.
Ik legde de elf cijfers bewust voor hem neer en bleef staan. Ik zou niks moeten zeggen, maar moeten beginnen. Hij staat voor me, leunend tegen zijn bureua. Zijn ogen gaan over m'n lichaam als normaal, maar toch voelt er iets anders aan zijn blik, en met name die glimlach. ''Het is laat.'' zegt hij.
“Waren er ook elf.” zeg ik dan wel.
Meer hoefde ik in eerste instantie niet te zeggen. Ik wilde hem de kans geven het getal even te laten bezinken. Misschien zou hij fronsen. Misschien zou hij me aankijken en zich afvragen wat ik precies had gedaan. Of misschien zou hij meteen beginnen rekenen en uiteindelijk tot dezelfde conclusie komen als ik.
Elf was veel. Veel meer dan waar onze afspraak oorspronkelijk voor bedoeld leek.
Ik wachtte op iets. Verbazing. Irritatie. Twijfel. Desnoods alleen maar een korte stilte waarin hij zichtbaar moest nadenken over wat die elf cijfers voor hem betekenden.
Maar Van Weelden keek er alleen naar. Toen naar mij. Zijn gezicht veranderde nauwelijks. Ik voelde mijn mondhoeken nog iets omhooggaan terwijl ik besloot hem een klein beetje te helpen.
“Hebben we daar nog tijd voor?” vroeg ik licht amusant.
Zijn blik bleef op mij gericht.
“Dat was de afspraak. Ik heb ze vandaag ook echt allemaal uitgegeven.”
Nu wachtte ik opnieuw.
Elf keer. Elf afzonderlijke beloningen. Ik hoefde niet eens verder uit te leggen wat dat betekende. Hij wist hoe de afspraak werkte. Hij wist ook dat hij volgens diezelfde afspraak recht had op wat ik had uitgedeeld.
Dit was het moment waarop hij iets zou moeten doen.
Alleen deed hij dat niet.
Geen zichtbare verbazing. Geen snelle reactie. Hij leek niet eens onder de indruk van het aantal. En wat me misschien nog het meest begon te irriteren, was dat hij ook niet reageerde alsof hij nu ineens een praktisch probleem had. Alsof elf keer klaarkomen nooit het probleem was. Maar dat kon toch niet?
Alsof elf helemaal geen bijzonder getal was. Mijn glimlach werd langzaam minder vanzelfsprekend. Misschien begreep hij het niet helemaal.
Die gedachte gaf me nog een paar seconden houvast. Misschien dacht hij alleen aan het aantal cijfers en niet aan wat ik ermee had gedaan. Misschien moest ik het gewoon beter uitleggen.
Maar terwijl ik naar hem keek, begon een andere gedachte zich veel ongemakkelijker naar voren te dringen.
Van Weelden zei nog steeds niets. Hij liet de stilte gewoon tussen ons hangen.
En zonder dat ik precies kon aanwijzen wanneer het was gebeurd, merkte ik dat ik niet langer stond te wachten op zijn reactie omdat ik ervan genoot dat ik hem voor een probleem had gezet. Ik wachtte omdat ik wilde weten wat híj al dacht. Dat verschil voelde ineens een stuk minder prettig.
“Zeg Anna. Hoe heb je die elf eigenlijk uitgevoerd?” Zijn vraag kwam zo rustig dat ik even niet begreep waarom ik er meteen iets ongemakkelijks bij voelde.
“Wat bedoel je, uhm u?” Ik val meteen terug in mijn oude rol.
“Wat heb je precies gedaan?” Hij keek kort naar de cijfers op zijn bureau en daarna weer naar mij. “En bij wie?”
Ik trok mijn wenkbrauwen op. “Dat uhm, weet u toch?”
“Ja.” Dat ene woordje zet alles op z'n kop. Hij weet het?
Er zat niets bijzonders in zijn stem. Geen zichtbare nieuwsgierigheid, geen spanning. Dus aarzel ik. Toch begon ik uit te leggen. Eerst nog zonder moeite. Want ik kende de regels, de beloningen en hun cijfers. Luc. Mo. Jayden.
"Ik had ze nu wel op binnenkomst verwerkt.'' zeg ik nerveus, maar ik denk dat dit detail het overtuigender maakt. ''Anders moesten ze op elkaar wachten, soms.'' En de leugen begint. Ik vertel hoe Luc recht had op mijn borsten. Op een trekbeurt en een pijpbeurt. En tot slot mocht hij zich nog op me aftrekken. Ik vertel dat Jayden recht had op eerst een trekbeurt, daarna pijpen en mijn borsten, om weer af te sluiten met een trekbeurt. En dat Mo genoegen moest nemen eerst pijpen en zich daarna nog twee keer op me af mocht trekken. Want daar stonden de elf cijfers voor.
''Hm, geen wonder dat het zo laat is.'' zegt hij rustig. Ik knik, mijn handen nerveus voor m'n lichaam. Hier klopt niks van. Waarom zit ik niet al het eerste cijfer uit te delen bij hem? Waarom sta ik hier? Waarom kijkt hij zo? ''En dan kon je ook makkelijker alle drie tegelijk doen?'' haalt hij die andere regel erbij. ''Ja.'' zeg ik kort. Dat was ooit de afspraak geweest. Tegelijk belonen. ''Daarom op binnenkomst.'' hou ik mijn leugen vol. ''Slim van je.'' zegt hij. Maar ik voel me dan nog dommer. Ik mis iets.
Maar terwijl hij doorvroeg, veranderde er iets. Zijn vragen waren te precies.
''Je ziet er schoon uit. Gedoucht?'' vraagt hij. Ik knik. ''Had de sleutels van de sportzaal van Rayenne gekregen.'' zeg ik snel. Dat was in ieder geval waar. ''Slim.'' zegt hij dan weer. ''Kon zo niet door school lopen.'' lacht ik nog nerveus. ''Nee, dat is zo.'' zegt hij nog steeds zo rustig. ''Was vast veel.'' Ook daar kan ik eerlijk op antwoorden. ''Ja.'' zeg ik kort, mijn vingers friemelen zichtbaarder. ''Die jonge gasten willen wel.'' zegt hij er dan nog over. En ik knik weer. Ik slik weer.
Niet zozeer omdat hij door wilde vragen, maar omdat het soms voelde alsof hij alleen wilde horen of ik hetzelfde zou zeggen als wat hij al wist. Hij liet me uitpraten en stelde daarna een volgende vraag die nét iets te gericht was.
Ik voelde mijn eerdere zelfvertrouwen langzaam weglekken.
“En toen?” vroeg hij. Ik aarzelde heel even.
“Toen keek ik op de klok en wist ik dat ik op moest schieten.”
Van Weelden keek me aan.
“O ja?”
Mijn mond ging alweer open, maar hij onderbrak me voordat ik iets kon zeggen.
“Daar geloof ik niks van. Niks van dit geloof ik.”
Ik verstijfde. Hij bleef me rustig aankijken, alsof hij me net had verteld dat er buiten regen werd verwacht.
“Het was slim,” vervolgde hij. Ik zei niets. “Creatief ook.” Mijn maag trok zich iets samen. Toen verscheen er eindelijk iets van amusement in zijn blik. “En eerlijk gezegd behoorlijk geil.” Ik vatte hem nog niet. Daar stond ik dan. Met mijn mond vol tanden. ''Natuurlijk zeiden ze daar geen nee tegen.'' wist hij ook al.
Nog geen minuut geleden had ik gedacht dat ik hier binnenkwam met iets waarmee ik hém kon verrassen. Elf cijfers. Een rekening waarvan ik zeker wist dat hij er op zijn minst even over na zou moeten denken. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik eindelijk degene was die een zet deed waarop hij niet voorbereid was.
Maar hij wist het. Niet alleen dat er elf cijfers waren. Hij wist blijkbaar ook wat ik ermee had gedaan. Hoe ik ze had samengevoegd. Hoe ik mijn eigen regels had gebruikt om minder, maar zwaardere beloningen te maken.
Hoe wist hij dat in godsnaam?
De vraag brandde bijna op mijn tong, maar voordat ik hem kon stellen, was hij alweer verder. Of beter gezegd: hij liet me voelen dat hij verder was. Alsof hij precies wist welke vraag ik wilde stellen en gewoon had besloten dat ik daar voorlopig geen antwoord op zou krijgen.
Vanaf dat moment veranderde het gesprek. Ik was niet meer degene die iets kwam uitleggen. Hij bepaalde wat hij wilde weten. Hij bepaalde welke details belangrijk waren. En vooral: hij bepaalde hoeveel hij zelf bereid was terug te geven. ''Ik kwam uit op 12 punten. Niet elf. Klopt, he?'' gaf hij de genadeslag. En daarom stond ik daar nog en was ik niet al bezig met uitdelen. Hij wist het gewoon. Hoe dan?!
Mijn zelfvertrouwen kreeg een klap. Ik voelde het letterlijk wegzakken terwijl ik tegenover hem stond.
Na alles wat er die middag was gebeurd, had ik me nog zo zeker gevoeld. Alsof ik eindelijk had bewezen dat ik zelf ook kon spelen. Dat ik niet alleen hoefde te reageren op wat anderen van mij verwachtten. En nu begon ik me ineens af te vragen of ik überhaupt wel wist aan welk spel ik was begonnen.
“Maar hoe... hoe... hoe...” begin ik dan, maar kan de vraag niet afmaken. Ik voel hem al op mijn tong liggen, maar krijg hem er niet uit. Ik durf hem niet te stellen, bang voor het antwoord. “Ik weet alles, duifje,” spot hij er nog mee, alsof hij precies begrijpt waarom ik vastloop.
“Helemaal jouw idee,” zegt hij dan, een belangrijke constatering. Hij zegt het rustig, maar ik hoor meteen waar hij heen wil. “Niet de jongens die zeiden dat het te veel was. En ik geloof ook niet dat het te veel voor jou zou zijn. Jij toch ook niet?” gaat hij met mijn verhaal aan de haal. “Nee. Je had een briljant idee. Optellen... en aftrekken.” Hij vindt het nogal amusant. “Al kwam daar juist bijzonder weinig van.” Hij kijkt me recht aan en ik kan zijn blik niet goed ontwijken. Hij weet het echt. Alles. Ik slik. Ik voel me steeds kleiner worden terwijl hij daar zo rustig tegenover me blijft zitten.
“En hoe voelde dat? Twee tegelijk in je?” vraagt hij dan ook gewoon direct, en ik schrik. Mijn adem stokt heel even wanneer hij het zo zonder aarzeling zegt. Als hij het zo zegt, klinkt het veel erger dan het was. Ik stamel, en zeg uiteindelijk niks. Hij weet het al. Zelfs hoe ik het vond, ga ik nu vanuit. “Anna, ik verwacht veel van je. Echt. Maar dat had ik niet zien aankomen...” merkt hij nog op. “Al stond het je goed. Zoals je zelf de regie overnam. Heerlijk,” zegt hij alsof hij erbij was. Ik weet niet waar te kijken en mijn ogen blijven even op zijn bureau hangen. Ik voel het nog, hoe ze in me zaten. Dus slik ik maar.
“Ik... Maar ik...” wil ik mezelf verdedigen. Mijn stem komt er zwakker uit dan ik wil. En niet eens dat ik weer seks heb gehad met die jongens. Dat station waren we allang voorbij... “Ik dacht gewoon... Anders duurt het zo lang. En u wacht op mij,” geef ik als reden. De grootste leugen van deze inmiddels avond. Hij lacht er dan ook om, kort en zonder moeite. “Tuurlijk,” zegt hij.
“Je wilde gewoon meer. Elke keer weer meer. Ik zie het ook in je ogen als je me afzuigt,” zegt hij dan, weer hard en raak. Ik voel mijn gezicht opnieuw warmer worden en kijk hem even aan voordat ik meteen weer twijfel. “Nee, ik...”
“Jawel, Anna. Nu kan je het echt niet meer ontkennen. Je bent een slet. En je bent er verdomd goed in. Daar hoef je je niet voor te schamen,” noemt hij me dan weer zo. Alsof hij zelfs trots op me is. Dat maakt het alleen maar verwarrender, omdat hij het zegt zonder enige twijfel in zijn stem.
“En nu sta je hier? Gaan wij hetzelfde doen? Optellen. Ik telde twaalf, niet elf. Jij ook, toch? Dus twee keer...” Mijn ogen worden groter... Ik slik. Ik zit in de problemen en voel hoe het kleine beetje zekerheid dat ik nog had verder wegzakt. “Maar...” probeer ik nog.
“Tut, tut, tut,” zegt hij alleen, zo kleinerend. “Jij past de regels aan. Niet ik.” Het kleine beetje moed wat ik nog had, is nu helemaal weg. Hij is me weer te slim af. Maar hoe weet hij dit?!
Mo, Luc en Jayden had ik een keuze gegeven. Los, of inderdaad optellen. Dat was natuurlijk geen keuze voor ze... Van Weelden neemt die keuze niet. Hij heeft al lang gekozen. Hij wil me twee keer anaal? Fuck... Waarom word ik daar zo nat van? Omdat ik precies ben wat hij zegt... Alleen al dat besef maakt me nog onrustiger. Ik zou bang moeten zijn voor wat hij zegt, maar mijn lichaam reageert anders dan mijn hoofd.
“Of eigenlijk...” begint hij dan. “Jij zou doen bij mij wat je bij hen gedaan had? Toch?” maakt hij het dan toch erger. “Je zuigt me drie keer af, we hebben twee keer seks, en dan nog één keer...” Hij zegt het bewust niet. Ik kijk hem aan. Ik tril. Of het er nou zes zijn of twee... Ik moet hoe dan ook aan de bak. Dat wil hij me maar al te graag duidelijk maken. Ik voel hoe mijn ademhaling sneller wordt terwijl hij het zo rustig opnoemt, alsof hij alleen maar een simpele berekening hardop maakt.
En hij zegt het alsof het ook gewoon kan. Wat hij ook kiest. En ik heb het maar te ondergaan. Alsof er voor hem geen enkel verschil zit tussen die mogelijkheden en ik alleen nog maar hoef te wachten op welke hij uiteindelijk aanwijst.
“Maar aan de andere kant...” begint hij dan weer. Ik kan er niet meer tegen. Ik ben z'n speeltje geworden. “Ik hou me wel aan de afspraken die gemaakt zijn.” benadrukt hij dan extra duidelijk, aangezien ik weer zelfs iets verzonnen had. “Die elf cijfers staan.” besluit hij dan... Dan weet ik dat het een lange avond wordt... Hij kan toch nooit elf keer...? Toch probeer ik nog steeds te begrijpen of hij dit werkelijk serieus zegt.
Niet zes samengevoegde, zwaardere beloningen. Maar elf afzonderlijke beloningen. “Hoelang ga je daar over doen, denk je?” vraagt hij me, speelt hij verder. Hij wil niet dat ik al begin. Dat valt me meteen op. Ik slik. Ik weet het niet. Het kan gewoon niet... Mijn blik blijft op hem rusten, wachtend op een teken dat hij zelf ook inziet hoe onmogelijk dit klinkt.
“Te lang.” zegt hij dan. Hard en veroordelend. Alsof ik het niet kan. Dat laat hij me even denken. “Maar kan ik dat wel?” vraagt hij zich dan hardop af. Ook dat weet hij al, natuurlijk. Dat kan gewoon niet! Hij kijkt naar me. Grijnst. “Ik niet...” lispelt hij alleen duivels... Mijn ogen worden groter bij die woorden, kippenvel over mijn hele lichaam. Mijn maag trekt samen terwijl ik hem aan blijf kijken. Wat bedoelt hij daar nou weer mee?
“Wat denk jij? Kan ik dat? Alleen?” vraagt hij me dan. Alleen die laatste telt. Daarbij glinsteren z'n ogen op een manier die me meteen duidelijk maakt dat hij precies weet waar mijn gedachten naartoe gaan. Niet alleen. Ik slik alleen in besef. Waar gaat dit eindigen? De vraag blijft in mijn hoofd hangen terwijl ik hem aan blijf kijken.
“Je kan niet verwachten dat ik elke keer achter elkaar klaarkom. Geloof me, op jou zou ik een eind komen. Maar zelfs ik ken m'n grenzen. Ik wel...” sneert hij rustig verder terwijl hij uitlegt. Het was inderdaad belachelijk dat te verwachten. Dus verwachtte ik dat hij ervan zou afzien. Was ik te naïef? Ik wilde het maar niet leren... Ik had steeds gedacht dat die onmogelijkheid vanzelf mijn voordeel zou worden, zonder me af te vragen wat hij zou doen als dat inderdaad zo bleek te zijn.
Maar zijn toon is zo onheilspellend geworden. Alsof hij iets in gedachten heeft, waarvan zelfs hij in een zekere zin schrikt. Ik wil er niet aan denken. Ik weet niet wat te denken. Ik weet niet wie deze man eigenlijk is, als ik eerlijk ben. Hij is me steeds voor. Het zou dom zijn te denken dat ik hem begrijp. Ik sta daar maar. Dom en afhankelijk. Zo voel ik me nu ook echt. Niet waarmee ik naar zijn kantoor was gekomen. Mijn eerdere zekerheid lijkt met iedere rustige opmerking van hem verder weg te zakken.
“Gelukkig is er een oplossing,” zegt hij dan, als hij me lang genoeg in spanning heeft zien wachten. “Je zou kunnen zeggen dat ik wel wat hulp daarbij kan gebruiken, niet?” Mijn ogen worden weer groter. Dan toch. Niet alleen. Mijn maag trekt zich samen terwijl ik probeer niet meteen te laten merken hoeveel dat ene woord met me doet. “Ik ken er wel een paar die maar al te graag willen helpen hiermee...” Hij kijkt me scherp aan. Elke reactie die ik geef, en zonder woorden zijn dat er nog steeds veel, neemt hij zich in me op. “Dan hou ik me aan de afspraak. Elf voldoendes. Elf beloningen,” zegt hij het zo simpel. Alsof hij zojuist een probleem heeft opgelost waar hij zelf nauwelijks moeite voor hoefde te doen.
Wie dan? Die conciërge toch niet? Die keek niet eens op toen ik hier zat met de lul van Van Weelden in m'n mond... Weet hij het? En wie nog meer dan? Ik durf er niet aan te denken. Hij noemt geen namen. “De rest verdient eigenlijk ook wel wat. Dus komt perfect uit,” noemt hij het, opgelucht dat er zo meerdere problemen opgelost gaan worden. “De... De rest?” stamel ik, toch echt met angst boven opwinding. Hij humt en knikt. Meer niet. “Vele handen maken licht werk,” noemt hij het. Dat geldt voor zijn aandeel misschien, maar niet voor het mijne. En zo zegt hij het ook. Ik weet niet meer wat te zeggen. Heel de tijd al niet meer. Ik krijg alleen maar steeds beter door dat hij die stilte helemaal niet vervelend vindt.
“Dus luister nu goed,” zegt hij niet voor niks. “Niet ik. Maar mijn... Compagnons...” noemt hij ze maar, “gaan dit afhandelen.” Niet alleen hij en die conciërge dus. Ze waren met meer. Van Weelden handelde niet alleen. De shock is groot. Al probeer ik dat niet te laten zien. En moet ik dan maar blij zijn met die elf, in plaats van die zes? Ik weet het allemaal niet meer. Wie zijn dat dan? En met hoeveel zijn ze? En hijzelf dus niks? Dat klinkt nog het meest belachelijk. Hij is dus niet de enige die weet wat ik allemaal gedaan heb. Dat is duidelijk. Maar wie weet het? Ik krijg nergens antwoord op en juist dat maakt de gedachte aan die onbekende mannen alleen maar groter.
En dan realiseer ik me iets anders. Over hoe weinig ik nog voorstel. Hij geeft me gewoon weg. Geeft hij me echt zomaar weg aan een stel vreemden? Al zou het die conciërge zijn. Die Jorrel. Dan nog... Hoe kan ik me dan op school vertonen? Niet dat hij zich daar druk overmaakt. Dat is dan mijn probleem. Ik hoef de vragen niet eens meer te stellen. Ik zie het al aan hem. Hij heeft die mogelijkheid blijkbaar al lang voor zichzelf besloten.
Ik zie dat hij geen moment hierover heeft getwijfeld. Ook nu niet. Omdat hij me misschien wel beter kent dan ik wil toegeven. Die kriebels in m'n onderbuik. Die zijn echt als ik dit hoor. Hoe erg en eng ik zijn voorstel ook vind, ik kan maar met moeite dat andere gevoel wegduwen wat er überhaupt voor gezorgd heeft dat ik in deze situatie beland ben. Maar het is gewoon geen optie. Zelfs ik heb grenzen. Het feit dat mijn lichaam daar anders op reageert, maakt het alleen maar erger.
“Dit... Dit kan ik niet doen. Ik ga niet akkoord,” zeg ik plots stellig, alsof het ook echt een voorstel was. Ik weet natuurlijk beter. Ik moet met een alternatief komen. Maar die heb ik niet. Maar ik wil niet zomaar aan onbekende mannen gegeven worden. Mijn stem klinkt steviger dan ik me voel, maar ik houd mijn blik toch op hem gericht.
Hij kijkt niet op van mijn protest. Ook dit verwachtte hij natuurlijk al. Dat merk ik meteen aan de manier waarop hij niet eens lijkt te hoeven nadenken.
“Ook goed,” zegt hij wel alsof hij het overweegt. “Dan blijft de rekening in zijn geheel bij mij liggen,” zegt hij rustig, alsof de rest ook meteen van tafel is. Ik moet hoe dan ook die cijfers gaan belonen. Dat is nu wel duidelijk. En dan maar zo. Hoelang het ook duurt. Eens zien wie het het langst volhoudt. Ik word meteen weer strijdbaar. Alsof ik het maar niet wil leren... Dat ik natuurlijk niks te zeggen heb in dit alles. Toch grijp ik dat kleine beetje verzet meteen vast omdat het beter voelt dan volledig toegeven.
“Maar niet nu. Niet hier. Laten we reëel blijven,” zegt hij rustig. “Zaterdagochtend. Bij mij. Dan beginnen we. En je gaat pas naar huis als je klaar bent,” zegt hij dan weer streng, minder geamuseerd. En ook dit komt binnen. Hier was het anders. Als ik hier heel hard op hulp zou roepen, zou iemand me horen. Maar bij hem thuis? Alleen? Ook dit is niet echt wat ik wil, of in gedachten had. Elf keer in een weekend bleef nog steeds veel... Hij had vast weer een verrassing voor me. Alleen het idee van die twee dagen bij hem thuis maakt me al onrustig.
Toch voelt dit beter dan uitgeleverd worden aan vreemde mannen. Ik schud met m'n hoofd, maar ga akkoord. Ik ben gewoon verloren.
Dat is dan besloten, denk ik. Maar hij blijft zitten. En ik blijf staan. Er verandert niets tussen ons, behalve dat ik steeds minder weet wat ik nu nog moet verwachten. “Hm,” humt hij kort. “Ik heb de mannen wel wat beloofd,” zegt hij alsof het over z'n sportteam gaat. Goede bekenden in ieder geval. Ik denk er toch niet mee weg te komen. Hij heeft die woorden blijkbaar al veel eerder voor zichzelf op een rij gezet. Maar dan maakt hij het zoveel erger dan ik me had kunnen voorstellen. “Dat lost Rayenne wel op,” zegt hij achteloos, zijn blik scherp op mijn reactie. Mijn mond valt open van verbazing en schrik. En hij weet het. Hij ziet meteen wat die ene naam met me doet.
“Rayenne? Hoezo? Zij heeft hier toch niks mee te maken?” stel ik hem snel. Die had mij van de week nog gezegd dat ze dacht dat Van Weelden haar wat meer met rust liet. En ik was blij voor haar. Dit kan ze niet weten. En niet willen. Dit was mijn probleem, niet de hare. Alleen al het idee dat hij haar er nu zomaar bij haalt, maakt dat mijn eerdere onzekerheid plaatsmaakt voor iets dat veel dichter bij paniek komt.
“Nee, als je dit doet...” zeg ik zelfs dreigend. Ik hoor zelf hoe weinig er achter die woorden zit, maar ik wil niet dat hij merkt hoe snel mijn gedachtegang vastloopt.
“Ja, dan wat?” weet hij ook wel dat ik niks heb. En mijn dreigement sterft al in stilte voordat die geuit is. Ik sluit mijn mond weer en voel meteen dat hij gelijk heeft. Nu kan ik hier niet meer weg. Niet voordat hij het idee van Rayenne heeft losgelaten. Alles in mij verzet zich tegen het idee dat ik hem nu gewoon kan laten zitten en doen alsof hij die naam niet net heeft genoemd.
“Dus jij doet het?” vraagt hij me dan. Ik slik. Ik zeg niks. Hij wacht nauwelijks op een antwoord voordat hij verdergaat. “Maar ik kijk ook wel uit naar dit weekend. Opeens,” speelt hij verder met me. “Kies jij maar. De ander is voor Rayenne,” maakt hij er nu van. Een onmogelijke keuze. Want ook haar een weekend naar Van Weelden sturen gaat me te ver. Het is niet haar probleem. En nu legt hij de keuze bij mij. Ik kan wel janken. Welke kant ik ook op kijk, er lijkt geen mogelijkheid te zijn waarin ik haar hier buiten houd.
“Nee, ze moet hierbuiten blijven,” zeg ik nog een keer. Maar hij wil het niet weten. “Dit is het,” zegt hij duidelijk. Er is geen derde optie. Of ik word weggegeven, of Rayenne. Maar hoe dan ook ben ik het nu die Rayenne weggeeft. Aan die mannen, of aan hem een heel weekend. Die gedachte komt veel harder binnen dan alles wat hij daarvoor nog had gezegd.
De enige keuze die ik nu nog heb, is bepalen wie welke consequenties draagt.
Van Weelden zegt niets meer.
Hij wacht gewoon op haar antwoord.
Anna zit volledig vast in haar eigen hoofd.
Wat moet ze doen?
Hoe is ze hier in hemelsnaam terechtgekomen?
Nog geen uur geleden kwam ze hier binnen met zelfvertrouwen. Ze dacht dat ze Van Weelden eindelijk een probleem had gegeven.
Alles voelde na H26 juist goed. Spannend, misschien grensoverschrijdend, maar goed. Ze had controle gehad. Ze had een oplossing bedacht.
Nu zit ze ineens tegenover twee situaties die ze allebei doodeng vindt.
Dan komen de gedachten sneller.
Gaat het nu toch nog fout?
Is dit het moment waarop alles omslaat?
Heeft ze zichzelf met die elf cijfers eindelijk te ver geduwd?
Ze denkt terug aan hoe goed alles net nog voelde.
De jongens.
Haar zelfvertrouwen.
Het gevoel dat zij degene was die bepaalde wat er gebeurde.
En nu hoeft Van Weelden alleen maar stil te zijn terwijl zij probeert te beslissen welke nachtmerrie minder erg is.
Rayenne blijft terugkomen.
Vrijdagavond met onbekende mannen?
Of een volledig weekend bij Van Weelden?
En als Anna één van beide kiest, krijgt Rayenne automatisch de andere.
Anna kan haar dat niet aandoen.
Terwijl Van Weelden op mijn antwoord wacht, valt alles ineens op zijn plaats. Ik kijk terug naar hoe ik zijn kantoor binnenkwam. Ik had elf cijfers opgespaard. Ik had een slimme manier gevonden om die cijfers samen te voegen. Ik dacht dat ik hem daarmee voor een onmogelijk probleem zou zetten. Ik dacht dat hij degene zou zijn die vastliep.
Maar precies het tegenovergestelde is gebeurd.
Van Weelden wist al hoe ik de cijfers had ingewisseld. Hij kende mijn hele oplossing voordat ik die zelf kon uitleggen. Hij speelde eerst mee met mijn optelsysteem. Daarna draaide hij de oorspronkelijke afspraak weer tegen mij. Vervolgens bleek zelfs het probleem van elf afzonderlijke beloningen al geen echt probleem voor hem te zijn.
Nu zit ik vast.
Niet Van Weelden.
Ik.
Mijn elf cijfers zijn nooit een wapen tegen hem geweest. Door ze mee te nemen en te rapporteren heb ik hem juist precies gegeven wat hij nodig had om mij verder het spel in te trekken. Mijn poging om Van Weelden voor het blok te zetten is volledig andersom uitgepakt.
Ik heb hem niet een probleem gegeven.
Ik heb mezelf een probleem gegeven.
En het ergste is dat ik nu niet meer kan terugkeren naar het moment waarop ik dacht dat dit allemaal nog een slimme zet was.
Ik moet een keuze maken. Rayenne wil ik nergens in betrekken. Daarmee wordt mijn eigen keuze steeds duidelijker. Maar ik spreek hem niet uit. Nog niet.
Van Weelden wacht.
Uiteindelijk laat hij me vertrekken. Hij eist niet dat ik mijn antwoord daar en dan hardop geef. Dat maakt het alleen maar onheilspellender. Alsof hij er helemaal niet aan twijfelt dat ik uiteindelijk precies zal doen wat nodig is.
Ik verlaat zijn kantoor volledig anders dan ik binnenkwam. Ik kwam zelfverzekerd binnen met het idee dat ik Van Weelden voor een probleem zou zetten.
Ik vertrek met de wetenschap dat ikzelf het probleem ben geworden.
Ik weet dat Rayenne automatisch onderdeel wordt van de consequenties als ik niet zelf handel.
Wat ik precies heb besloten, blijft verborgen.
Waar ga ik heen?
-





