
Koning Arthur werd wakker met de zon die als een vette, goudgele tong over de stenen van Camelot likte. Zijn lichaam, die enorme gestalte van bijna twee meter, lag uitgespreid als een omgehakte eik. Tussen zijn benen hing die zware, slapende reus van een pik, dik als een manspols, de eikel nog half verstopt in zijn voorhuid, een slapende koning die elk moment kon ontwaken en de wereld kon veroveren. Negenenveertig jaar, en nog steeds de honger van een jongen die net ontdekt had wat neuken is. Alleen was hij geen jongen meer. Hij was de koning. En de koning nam wat hij wilde.
Hij stond op, pissend in de kamerpot met een straal die tegen de porselein kletterde alsof hij de hele nacht had gedronken. Zijn balzak hing zwaar, vol, alweer. Elke ochtend hetzelfde ritueel: eerst de zak legen in de pot, daarna de zak legen in een van die strakke, jonge gaten die door het hof zwierden. De zonen en dochters van zijn kameraden, zijn ridders, zijn ministers. Allemaal net oud genoeg om te weten wat ze deden en toch nog zo fris dat hun huid glansde als vers gepolijst marmer. Hij hield van die leeftijd. Niet te jong, niet te oud. Net hard genoeg, net soepel genoeg, net gretig genoeg.
De eerste was Lancelot’s dochter, Isolde, zestien, met haar lange blonde haren en die smalle heupen die als een uitnodiging wipten wanneer ze door de gangen liep. Ze stond al bij de deur van zijn privévertrek, in een dunne nachtjapon die niks verborg. Ze wist wat de koning wilde. Iedereen wist het. Het was geen geheim. Het was een privilege, of een last, afhankelijk van hoe je ernaar keek. Arthur trok haar naar binnen zonder een woord. Zijn handen, groot als schoppen, grepen haar kontjes, knepen erin tot het wit werd onder zijn vingers. “Op de knieën,” bromde hij, en ze ging. Haar mond opende zich als een hongerige vogel. Zijn pik, halfhard al, gleed over haar tong, vulde haar keel. Ze gagde, speeksel droop, en hij duwde dieper, tot haar neus tegen zijn schaamhaar zat. Hij neukte haar mond met de trage, genadeloze cadans van iemand die weet dat de wereld van hem is. Toen hij klaarkwam, spoot hij diep in haar keel, hield haar hoofd vast tot ze alles had doorgeslikt. “Goed meisje,” zei hij, en veegde een druppel van haar kin. Ze glimlachte, ogen glazig, en trok haar jurk weer recht. Over een uur zou ze weer door de gangen lopen alsof er niks was gebeurd.
De dag ging verder zoals alle dagen gingen. Ontbijt met de ridders, wijn al vroeg, omdat wijn de bloedstroom openhield en de lust scherper maakte. Gawain zat tegenover hem, pratend over de oogst, over belastingen, over een of andere grensconflict. Arthur knikte, maar zijn blik ging naar Gawain’s zoon, Tristan, zeventien, breed in de schouders, met die volle lippen en die manier van zitten alsof hij al halfnaakt was. Na het eten riep Arthur hem naar de wapenkamer. “Inspectie,” zei hij, en de deur ging dicht. Tristan wist het. Hij had het al vaker gedaan. Arthur duwde hem tegen de muur, trok zijn broek omlaag, spuugde in zijn hand en stak twee vingers in die strakke, mannelijke kont. Tristan steunde, half pijn, half genot. Arthur’s pik, nu volledig hard, dik en zwaar, vond de weg. Hij duwde erin met één lange, trage steek, tot zijn ballen tegen Tristan’s billen klapten. Hij neukte hem hard, diep, met de kracht van zijn hele lichaam, handen op Tristan’s heupen, de jongen kreunend tegen de stenen.
“Neem het,” gromde Arthur. “Neem je koning.” Toen hij klaarkwam, spoot hij diep naar binnen, bleef erin tot de laatste stuiptrekking voorbij was. Tristan bleef even staan, ademend, zijn eigen pik stijf en onaangeraakt. Arthur klopte hem op de schouder. “Later krijg je jouw beurt.” Dat was de deal. Soms.
De middag was voor de dochters. Morgana’s nichtje, Elaine, achttien, met die volle borsten die net te groot waren voor haar smalle lijf en die kut die altijd al nat was wanneer hij haar vingers erin stak. Hij nam haar in de tuin, achter de rozenstruiken, waar de geur van bloemen zich mengde met de geur van seks. Ze lag op haar rug in het gras, benen wijd, en hij duwde zijn zware zak erin, vulde haar tot ze kermde. Hij neukte haar met lange, diepe stoten, keek hoe haar borsten op en neer deinden, hoe haar mond openviel. “Harder,” fluisterde ze, en hij gaf haar harder. Toen hij klaarkwam, trok hij eruit en spoot over haar buik, over haar borsten, een dikke, witte streep die glinsterde in de zon. Ze veegde het met haar vingers op en likte het op, kijkend naar hem alsof hij God was. Misschien was hij dat, in dit hof.
De avond viel. Er was een banket. Vlees, wijn, lachen, de ridders die hun verhalen vertelden over gevechten die allang voorbij waren. Arthur zat aan het hoofd, zijn pik alweer halfhard onder de tafel, omdat hij de hele tijd keek naar de jonge lichamen die bedienden, die dansten, die lachten. Percival’s zoon, Galahad, zeventien, met die zachte ogen en die strakke kont in zijn strakke broek. Arthur stuurde hem een blik. Later, in de privékamer naast de grote zaal, knielde Galahad en zoog. Arthur’s handen in zijn haar, de mond vol, speeksel, de geur van wijn en lust. Hij kwam in Galahad’s mond, liet hem slikken, en daarna draaide hij hem om en nam zijn kont, langzaam eerst, dan harder, tot de jongen beet in zijn eigen arm om niet te schreeuwen. De muren waren dik. Niemand hoorde. Of iedereen hoorde en deed alsof.
Tegen middernacht lag Arthur weer in zijn bed, alleen dit keer niet. Er lagen er twee bij hem: een strakke jonge zoon en een dochter van twee verschillende ridders, hun lichamen verstrengeld met het zijne. Hij neukte de ene terwijl de ander zijn ballen likte, wisselde, nam de kont van de een en de kut van de ander, spoot in de een, kwam weer hard voor de ander. Zijn zak leek nooit leeg. Op deze leeftijd, met deze honger, was het alsof zijn lichaam een machine was die alleen bestond om te vullen, te spuiten, te claimen. De jonge lichamen onder hem, boven hem, om hem heen, ze rilden, kermden, kwamen, en hij bleef gaan tot de eerste lichtstralen weer over de stenen kropen.
Hij sliep eindelijk, zijn zware pik slap tussen de benen van een of ander kind van een of andere kameraad, zijn hand op een kontje, zijn adem zwaar. Morgen zou het weer hetzelfde zijn. Ontbijt, inspectie, tuin, banket, bed. Elke dag de gaten vullen, de zak legen, de koning zijn recht opeisen. Want dat was hij: Koning Arthur, met zijn enorme gestalte en zijn zware, grote pik, negenenveertig jaar en nog steeds de meester van elk strak gaatje dat door zijn hof zwierde. En de zonen en dochters wisten het. Ze kwamen. Ze knielden. Ze spreidden. En hij nam.
Zo ging de dag. Zo ging elke dag. En niemand zei er iets van, want de koning was de koning, en zijn lust was wet.




