
"Het volgende huis," roept ze over haar schouder, en haar stem snijdt scherp door de nacht, "is het huis van de Grootenhuizens. Ze doen ieder jaar mee."
Een meisje van twaalf, verkleed als een vampier met valse hoektanden die bij elke stap klikken, hapt naar adem. "Mijn broer zegt dat ze heksen verbranden hebben gezien."
"Je broer is een idioot," zegt een jongen van veertien, zijn zombie-make-up half weggeveegd door zweet. "Er zijn geen echte heksen."
Luna glimlacht om de hoek van haar mond, niet genoeg om haar ogen te bereiken. Ze voelt de latex van haar jurk strak trekken over haar ribbenkast, de zilveren kettingen die eroverheen liggen koud tegen haar huid. Haar heksenhoed — schuin gedragen, zoals ze zichzelf heeft aangeleerd — wiegt licht met haar passen. Ze heeft dit kostuum gekozen met precisie: provocerend genoeg om aandacht te trekken, mysterieus genoeg om vragen te ontlokken. Het perfecte kostuum voor een leider.
Het huis doemt op uit de mist die van de grond opstijgt, een bakstenen gevel met ramen die gloeien als kattenogen in het donker. De voordeur is versierd met kunstig gedraaide takken, oranje lichtjes die erdoorheen fonkelen als gevangen vlammen. Een houten bord hangt schuin: *Welkom, reizigers van de nacht.*
Luna klopt driemaal — een ritme dat ze zelf heeft uitgevonden voor deze avond, haar handtekening op elke deur.
De deur zwiegt open en Marleen Grootenhuis verschijnt in de opening, haar grijze bobkap perfect gestyled, haar pastelblauwe vest zacht verlicht door de halverlichting achter haar. Ze glimlacht, en het is een glimlach die Luna herkent uit verhalen: de glimlach van iemand die weet dat er meer aan de hand is dan snoep.
"Welkom, welkom," zegt Marleen, haar stem warm als vers gezette chocolademelk. "Kom binnen, kom binnen. De kou is te veel voor jonge botten."
De kinderen stromen naar binnen, hun stemmen stijgend in volume bij de aanblik van wat er op hen wacht. Luna volgt als laatste, haar ogen snel scannend over de hal: het dressoir met de foto, de geur van kaneel, de oude vloerplanken die knerpen onder haar gewicht. Het huis ademt, merkt ze. Het heeft een ritme, een polsslag die ze bijna kan horen onder het geroezemoes van de kinderen.
De woonkamer ontvangt hen als een open mond, de Chesterfield-bank centraal geplaatst als een altaar. Marleen gebaart naar de zitting, en de kinderen ploffen neer in een wirwar van armen en benen, hun zakken al half open in anticipatie. Op de salontafel staan potten — glazen potten met deksels, gevuld met snoep dat glinstert in het licht van de open haard. De haard zelf brandt niet, maar de houtblokken zijn kunstig geplaatst, alsof ze elk moment tot leven kunnen komen.
"Limonade," zegt Marleen, en ze verdwijnt naar een hoek waar een karaf staat, rood vocht dat in het licht bijna op bloed lijkt. "En verhalen. Wie wil er een verhaal horen?"
Handen schieten omhoog, vingers spreiden zich als takken in de wind. Luna blijft staan, haar rug tegen de deurpost, haar ogen op Marleen gericht. Er is iets in de manier waarop de oudere vrouw beweegt — een soepelheid die haar jaren tarten, een bewustzijn van elk lichaamsdeel — dat Luna's aandacht trekt. Marleen deelt de limonade uit, haar handen met de korte, nette nagels zeker in hun bewegingen, de gouden trouwring die opvalt en het licht weerkaatst.
"Ga zitten, schat," zegt Marleen tegen Luna, en het is geen vraag maar een uitnodiging die ruimte laat voor weigering. "Je ziet er uit alsof je de last van de wereld draagt."
Luna schudt haar hoofd, een losse beweging die haar staart laat zwaaien. "Ik houd de wacht. Iemand moet de deur in de gaten houden."
Marleen knikt, alsof dit precies is wat ze verwacht had. Dan, terwijl ze de laatste limonade uitschenkt, komt ze dichterbij — dichter dan nodig is, haar schouder strelend langs Luna's arm. "Mijn man is in de keuken," fluistert ze, haar adem warm tegen Luna's oor. "Misschien heeft hij iets warms voor je. Om je op te warmen."
De woorden hangen in de lucht, zwaarder dan ze zouden moeten zijn. Luna kijkt naar Marleen, zoekt in de groene ogen — bijna dezelfde kleur als de hare, maar zachter, meer versleten. Er zit iets in die blik, een gedachte van het te weten dat Luna niet kan plaatsen. Een uitnodiging die verder reikt dan koffie.
De kinderen zijn al aan het verhaal, Marleens stem zwellend aan tot een cadans die hen gevangen houdt. "...en toen de klok twaalf sloeg, verdween de vrouw in de mist, maar haar lach bleef hangen..." Luna ziet hoe de jongste, een jongetje van tien met een spinnenweb op zijn gezicht, zijn knieën optrekt, hoe de oudere kinderen doen alsof ze niet bang zijn terwijl hun vingers wit klemmen om hun glazen.
Luna beweegt. Haar stappen zijn zacht op de oude planken, geruisloos als een kat die een kamer binnenglipt. De keukendeur staat op een kier, warm licht schijnt erdoorheen als melk die overkookt. Ze duwt hem verder open, de scharnieren zwijgen in hun oudheid.
De geur van koffie slaat haar als een deken in het gezicht — niet de bittere geur van snel gezette oploskoffie, maar de rijke, aardse geur van bonen die hun olie hebben prijsgegeven aan een traag proces. En eronder, subtiel maar aanwezig: iets muskusachtig, iets dat haar oksels nat maakt van herinneringen die ze niet kan benoemen.
Rudolf Grootenhuis staat met zijn rug naar haar toe, zijn gestalte vult het raam boven de gootsteen. Hij is groter dan ze had verwacht, breder — het strakke T-shirt dat hij draagt spant over zijn schouders die nog steeds de vorm hebben van iemand die gewichten heft, zijn grijze haar kort genoeg om de lijn van zijn nek te onthullen, een nek die nog steeds sterk is, nog steeds trots.
Hij draait zich om zonder haast, alsof hij haar aanwezigheid al voelde voordat ze de deur opende. Zijn ogen — grijsblauw, de kleur van winterzeeën — vinden de hare, en er is geen verrassing in die blik, alleen een bevestiging.
"Kom maar binnen, schoonheid."
De woorden rollen uit zijn mond als de koffie uit het filter, warm en zonder schroom. Hij zet de kan neer, het porselein tikt tegen het aanrecht, en hij draait zich volledig naar haar toe. Zijn handen — groot, met zichtbare aderen die als rivieren over zijn knokkels lopen — rusten op de rand van het aanrecht, zijn ellebogen wijzen naar buiten in een gebaar dat zijn borstkas opblaast.
Luna stapt naar binnen. De deur valt achter haar dicht, niet hard genoeg om kabaal te maken, maar genoeg om een grens te trekken. De keuken is kleiner dan de woonkamer, intiemer, de tafel tussen hen in als een uitdaging. Het behang met zijn vergeelde bloemen lijkt te pulseren in het licht van de enkele lamp boven het aanrecht.
Rudolf beweegt, en het is de beweging van iemand die weet wat zijn lichaam kan. Hij komt niet naar haar toe — niet meteen — maar verschuift zijn gewicht, laat zijn blik over haar heen glijden als vingertoppen over een kaart. "Koud buiten, hè?"
Luna knikt. Haar stem voelt klein in haar keel, iets wat ze niet gewend is. "De kinderen hebben het niet gemerkt. Te veel adrenaline."
"Jij ook?" Glimlacht hij, en het is een glimlach die zijn ogen niet bereikt — die ogen blijven op de hare, vast, onderzoekend. "Adrenaline?"
"Ik..." Ze zwaait haar staart over haar schouder, een gebaar dat ze normaliter gebruikt om aandacht te trekken, maar nu voelt het als een schild opheffen. "Ik houd de groep in de gaten. Dat is mijn rol."
"Rol." Hij proeft het woord, lijkt het te kauwen tussen zijn tanden. "Interessant woord. Alsof je een masker draagt."
Hij komt dichterbij, eindelijk, zijn passen lang en zeker op de oude planken. Luna ruikt hem nu — niet alleen de koffie, maar iets daaronder, iets houtachtig en mannelijk, de geur van iemand die buiten heeft gewerkt en zich daarna heeft gewassen maar de aarde nog in zijn poriën heeft. Hij stopt binnen handbereik, niet aanrakend maar dichtbij genoeg dat ze de warmte van zijn lichaam kan voelen, een stralende hitte die afsteekt tegen de kou die nog in haar kleding zit.
"Wil je het weer warm krijgen," zegt hij, en het is geen vraag meer, "na de vrieskou van buiten?"
Luna's adem stokt. Er is iets in zijn stem, een laag die onder de woorden ligt als grondwater onder bevroren aarde. Ze kijkt naar zijn mond, naar de lijn van zijn kaak, naar de hals die ze eerder had bewonderd. "Ik..." Ze slikt, en het geluid is luid in de stilte van de keuken. "Het is zeker koud buiten."
"Ik kan je verwarmen." Zijn hand komt omhoog, langzaam, alsof hij een wild dier benadert. Hij raakt haar schouder aan, zijn vingers zwaar door de latex heen, en trekt haar — niet hard, maar onmiskenbaar — tegen zich aan. "Als je dat wilt. Tot je hele lichaam verhit raakt. Tot je heet aanvoelt."
Zijn borstkas drukt tegen de hare, hard waar zij zacht is, plat waar zij rondingen heeft. Luna voelt haar eigen hartslag in haar oren, een trommel die tempo maakt voor wat er gaat komen. Ze kijkt omhoog, in die winterzeeën, en ziet daar iets dat ze herkent: honger, ja, maar ook een soort verdriet, een verlangen naar iets dat de jaren hebben weggenomen en dat ze nu in haar — in dit rode haar, deze jonge huid — probeert terug te vinden.
"Zou je dat willen?" vraagt hij, en zijn adem is warm op haar voorhoofd, geurig naar koffie en iets scherpers.
Ze knikt. Het gebaar voelt zwaar, beladen met iets dat ze niet kan benoemen. "Het is zeker koud buiten," herhaalt ze, en haar stem trilt, echt trilt, "en ik wil het wel warmer voelen."
Zijn hand beweegt, van haar schouder naar haar rug, een zwaar gewicht dat haar dichterbij drukt. Met zijn andere hand — die hand met de aderen, met de kracht — pakt hij haar pols. Hij dwingt haar palm open, legt haar vingers tegen zijn buik, en trekt haar hand omlaag, omlaag, tot ze iets voelt dat ze niet had verwacht.
Hij is hard. Door de stof van zijn jeans heen, door wat eronder zit, is hij hard en groot en onmiskenbaar aanwezig. Luna's adem stokt, een scherp geluid dat uit haar keel komt. Ze kijkt naar hem, en hij kijkt terug, en er is geen glimlach meer, alleen die winterzee die nu stormt.
"Je bent mooi," zegt hij, en zijn stem is lager, ruwer. "Prachtig. Wil je echt genieten?"
Ze wil antwoorden, wil iets zeggen dat haar rol bevestigt, haar controle herstelt, maar dan buigt hij zich naar voren en zijn mond is op de hare, zijn tong dringt binnen zonder waarschuwing, een invasie die ze voelt in haar tenen. Ze reageert — hoe kan ze niet — haar armen om zijn hals, haar vingers in dat korte grijze haar dat harder is dan het lijkt. Hij smaakt naar koffie en iets scherpers, iets dat haar doet denken aan de likeur die haar oma bewaarde voor speciale gelegenheden.
Zijn hand laat haar pols los, maar alleen om haar andere pols te pakken, om beide haar handen tegen zijn kruis te drukken. "Voel je dat?" mompelt hij tegen haar lippen, en hij beweegt haar vingers, laat haar de lengte voelen, de dikte, de belofte van wat er onder zit. "Dat is voor jou. Alleen voor jou."
Luna kreunt — een laag, dierlijk geluid dat ze niet herkent als van zichzelf. Haar heupen draaien vanzelf, drukken tegen zijn dijbeen, en ze voelt de nattigheid in haar eigen kruis, de latex die plakt aan haar huid, het slipje dat doorweekt raakt van iets dat niets met kou te maken heeft.
Hij trekt haar jurk omhoog, zijn handen efficiënt, zonder onhandigheid. Het latex krult om zijn vingers als een tweede huid die wordt afgeworpen. Hij vindt haar slipje — zwart, kant, iets dat ze had gekozen voor de provocatie, niet voor dit — en schuift het opzij, een ruwe beweging die haar adem weer doet stokken.
"Dit," zegt hij, en zijn vingers vinden haar, vinden de warmte en de natheid, "dit is ook voor mij."
Hij duwt twee vingers naar binnen, zonder waarschuwing, zonder voorzichtigheid, en Luna kreunt luid nu, niet meer terughoudend. Haar hoofd valt achterover, haar staart veegt over de koelkast achter haar, en haar handen — nog steeds op zijn kruis — grijpen naar steun, vinden de riem van zijn jeans, de knoop, de rits.
"Ah," hijgt ze, en het woord verlengt zich in de lucht, een ademwolk van verlangen. "Je vingers... je pik... zo mooi..."
Hij beweegt zijn vingers, een kromming die iets raakt diep in haar, iets dat haar zicht wazig doet worden. "Wil je hem voelen?" vraagt hij, en zijn stem is nu helemaal ruw, geschuurd door jaren van commando's en nu dit, dit verlangen. "Diep in je? Wil je dat ik je neem?"
"Neem me," hijgt ze, en haar vingers werken aan zijn rits, vinden de metalen tandjes, trekken. "Neuk me. Hard. Ik wil het, ik wil dat je me helemaal vult."
Hij trekt zijn vingers terug — een verlies dat ze voelt als een schreeuw — en gebruikt die hand om zijn eigen broek omlaag te trekken, zijn boxer, tot hij daar staat in de keuken van zijn eigen huis, zijn vrouw in de kamer ernaast, en hij is naakt voor haar, voor deze jonge vrouw met het rode haar.
Ze kijkt naar hem — naar het — en haar mond wordt droog. Hij is groter dan ze dacht, dikker, de huid strak over de lengte, de punt al nat van voorvocht. Haar handen — twee handen, ze heeft ze allebei nodig — sluiten zich eromheen, en ze voelt de hitte, de pulse, het leven dat erdoorheen stroomt.
"Kijk naar me," commandeert hij, en ze doet het, haar ogen omhoog, haar handen werkend, de huid naar beneden trekken, de glanzende kop blootleggend. "Niet wegkijken. Ik wil je ogen zien als ik in je kom."
Hij tilt haar op — het gebaar verrast haar, zijn kracht, de gemakkelijkheid waarmee hij haar gewicht draagt — en zet haar op de keukentafel, het tafelkleed dat ooit wit was en nu ivoor is verkreukeld onder haar. Haar jurk is om haar middel, haar slipje opzij, en hij staat tussen haar benen, zijn handen op haar heupen, zijn duimen in het vlees van haar dijen.
"Klaar?" vraagt hij, maar hij wacht niet op antwoord. Hij richt zich, een hand tussen hen in, en dan voelt ze het — de druk, de opening, het geven van zichzelf aan hem maakt haar lichaam reageren.
Hij schuift naar binnen. Langzaam, te langzaam, elke centimeter een eeuwigheid van uiteenspreiden, van vullen, van het gevoel dat ze wordt gespleten en tegelijkertijd volledig gevuld wordt. Luna hijgt, haar handen op de tafel achter haar, haar rug gebogen, haar borsten omhooggestoken naar hem.
"Meer," hijgt ze, en het is geen vraag maar een bevel, een smeekbede. "Meer, meer, geef me alles."
Hij geeft haar alles. Zijn heupen komen tegen de hare, zijn lul diep in haar, tot ze zijn schaamhaar voelt tegen haar klit, tot ze de zwaarte van zijn ballen tegen haar billen voelt. Hij blijft staan, beweegt niet, laat haar alleen maar voelen — de volheid, de pulserende hitte, de man die haar van binnenuit bezit.
"Neuk me," hijgt ze, en haar vingers krabben in het tafelkleed, vinden de rand, houden zich vast. "Hard. Alsjeblieft. Hard."
Hij trekt terug — een beweging die hol maakt, die leegte achterlaat die pijn doet — en stoot naar voren. Het tafelkleed schuift, de potten op het aanrecht rammelen, iets valt en breekt maar niemand kijkt. Hij stoot weer, en weer, en zijn ritme vindt een tempo dat zo oud is als de aarde, als de eerste man die de eerste vrouw nam in een grot of een veld of een keuken zoals deze.
"Ah! Ah!" Luna's kreten zijn luid, ongefilterd, en ze denkt even aan de kinderen, aan Marleen, aan de deur die dicht is maar niet ver genoeg, en dan denkt ze niet meer. Ze denkt alleen maar aan dit. Alleen aan hem. Alleen de man die haar neukt, die haar helemaal vult, die haar met elke stoot dichter bij iets brengt dat ze nog nooit heeft gevoeld.
"Je bent zo strak," hijgt hij, en zijn handen grijpen haar heupen harder, zijn vingers zullen morgen blauwe plekken achterlaten die ze zal koesteren. "Zo jong. Zo heet. Voel je me? Voel je hoe diep ik zit?"
"Ja," kreunt ze, en het woord is één lettergreep, één ademtocht. "Ja, ja, ik voel je, ik voel alles, neuk me, neuk me harder, ik wil het, ik wil—"
Hij geeft haar harder. Zijn heupen slaan tegen de hare, een ritme dat geen genade kent, geen controle, alleen behoefte. De tafel schuift over de vloer, een centimeter, twee, en ze voelt het niet, voelt alleen hem, de druk, de wrijving, de manier waarop hij haar raakt, raakt, raakt op een plek die—
"Ah! Ah! Ah!" De kreten komen nu snel, achter elkaar, staccato van een opkomend orgasme. "Ik— ik kan niet— ik—"
Ze komt. Het barst uit haar, een golf die begint waar hij haar raakt en zich uitspreidt naar haar tenen, haar vingertoppen, haar schedel. Haar kutje knijpt om hem, pulseert, trekt hem dieper, en hij kreunt nu ook, een laag geluid dat uit zijn buik komt, en hij stopt niet, hij neukt door, door haar orgasme heen, maakt het langer, maakt het harder, tot ze denkt dat ze zal breken, dat ze wil breken.
"Ik— ik kom—" hijgt hij, en zijn tempo versnelt, wordt onregelmatig, een stotteren van heupen en adem. "Ik ga— diep— ik ga diep in je—"
"Ja," hijgt ze, hoewel ze niet weet of ze nog kan praten, of ze ooit heeft gekund. "Ja, spuit in me, vul me, ik wil het, ik wil je zaad, ik wil—"
Hij stoot één laatste keer, zo diep dat ze zijn balzak voelt tegen haar scheenbeen, en dan voelt ze het — de pulsering, het uitzetten, de warme stroom die haar vult, die haar leegte vult, die haar completeert. Hij kreunt, een lang geluid dat eindigt in een schok, nog een schok, en dan blijft hij staan, zijn voorhoofd tegen het hare, zijn adem heet en snel in haar nek.
Ze vallen samen, een ineenstorting van ledematen en zweet. Zijn armen om haar heen, haar gezicht in zijn hals, en ze ruikt hem nu — ze ruikt hem echt, de muskus en het zaad en de man zelf. Ze voelt hem nog in haar, halfhard nog, nog pulserend van wat hij heeft gegeven.
"Oh," hijgt ze, en het is alles wat ze kan uitbrengen. "Oh, wat geweldig. Dit wil ik vaker. Dit is zo geil, zo heerlijk, zo hemels."
Hij trekt zich terug — een beweging die alles nat maakt, die hun gemengde vloeistoffen laat uitstromen — en ze kreunt van het verlies. Maar dan is zijn mond op de hare, zijn tong weer in haar, en ze kust hem terug met alles wat ze heeft, haar handen in zijn haar, haar lichaam nog trillend van naschokken.
Hij houdt haar op zijn pik — hoe kan hij, hoe is het mogelijk — en ze voelt hem weer hard worden, die oude man, die atleet, die het nog steeds kan waar jongere mannen falen. Hij beweegt zachtjes, een rocking, een neuken dat bijna teder is, tot zijn adem weer sneller gaat, tot zijn lul weer volledig hard is in haar.
Maar dan — te snel, veel te snel — begint hij zachter te worden. Niet plotseling, maar geleidelijk, een terugtrekken van bloed dat ze voelt als afscheid. Hij glijdt uit haar, zijn lul nu halfhard, glanzend van hen beiden, en ze ziet het — ziet het mengsel van wit en helder dat uit haar stroomt, dat langs haar dijen loopt, dat het tafelkleed vult met hun gezamenlijke spoor.
Hij trekt zijn broek omhoog, efficiënt, zonder schaamte. Zij trekt haar slipje terug, voelt het natte kant tegen haar plakken, voelt zijn zaad dat erin wordt opgevangen, tegen haar kruis gedrukt, een warme, zware aanwezigheid. Ze trekt haar jurk naar beneden, het latex dat weer strak trekt, het gewicht van de zilveren kettingen die terugvallen.
"En?" vraagt hij, en er is iets speels in zijn stem, iets jongensachtig dat niet past bij zijn jaren maar wel bij dit moment. "Ben je al wat heter geworden?"
Luna lacht — een schokkerig geluid, uitgeput maar oprecht. "Ik ben zo heet als nooit tevoren," zegt ze, en ze meent het. "Ik ben zo geil. Ik wil dat je me vaker vult."
Zijn ogen fonkelen, die winterzeeën die nu ijsvrij zijn. "Je mag altijd langskomen," zegt hij. "Ook als het geen Halloween is."
"Zeker," antwoordt ze, en ze stapt naar hem toe, legt haar hand op zijn borst waar zijn hart nog steeds snel klopt. "Ik kom zeker terug."
Ze fatsoeneert haar kleding — de jurk, de kettingen, de hoed die scheef is geraakt en die ze rechtzet. Ze kijkt naar hem, naar deze man die haar net heeft genomen op zijn keukentafel, en ze ziet daar iets dat haar raakt: niet alleen begeerte, maar ook dankbaarheid, ook verwondering.
Dan draait ze zich om, haar laarzen tikken op de oude planken, en ze loopt de woonkamer binnen.
Marleen zit nog steeds op de Chesterfield, de kinderen in een halve cirkel om haar heen. Het verhaal is klaar, of misschien is er een nieuw begonnen — Luna heeft het gemist. De kinderen draaien zich om bij haar binnenkomst, en ze voelt hun blikken, vraagt zich af of ze iets zien, iets ruiken, iets weten.
"Was het lekker, schat?" vraagt Marleen, en haar stem is precies even warm als eerder, precies even onschuldig. Maar haar ogen — die groene ogen die bijna de kleur van Luna's hebben — die glinsteren van iets dat Luna nu herkent: medeplichtigheid, deelname, het genoegen van iemand die weet wat er is gebeurd en het goed vindt.
Luna kijkt haar aan, recht in die ogen, en ze glimlacht — een glimlach die echt is, die haar ogen bereikt. "Het was heerlijk," zegt ze. "Bedankt."
Ze draait zich naar de kinderen, haar groep, haar verantwoordelijkheid. "Kom, kinderen. We moeten nog meer huizen langs."
Marleen staat op, de potten snoep in haar handen, en deelt ze uit met die zekere bewegingen die Luna eerder had bewonderd. De kinderen vullen hun zakken, hun gezichten plakkerig van de eerste zoetigheden, hun ogen nog steeds groot van het verhaal.
Luna leidt ze naar de deur, haar pompoenlantaarn weer in haar hand. Ze kijkt één keer achterom, naar het huis dat nu achter haar ligt, naar de keukendeur die dicht is, naar de man die daarachter staat. Marleen staat in de deuropening, haar grijze bobkap perfect, haar pastelblauwe vest zacht in het licht. Ze knikt — een klein gebaar, bijna onzichtbaar — en Luna knikt terug.
Dan stapt ze de kou in, de nacht in, haar kinderen achter zich aan als een ritselende draak. De straat wacht, en andere huizen, en misschien — waarschijnlijk — zal ze terugkeren naar dit huis, naar deze keuken, naar deze man die haar heeft verwarmd tot ze heet was, tot ze brandde.
Maar dat is voor later. Nu is er alleen de kou, en de kinderen, en de nacht die nog jong is. Luna zet haar hoed schuin — precies zoals ze hem draagt — en leidt haar groep verder, haar stappen zeker op de natte bladeren, haar hart nog steeds snelkloppend van wat er is gebeurd, en van wat er nog zal komen.




