
Drie dagen later, met een voet die hij niet meer voelde en een keel die rauw was van het eten van sneeuw, vond hij de hut. Rook uit een scheve pijp. De deur ging open voor hij klopte.
De vrouw was breed, zwaar, in lagen wol. In de zestig, een gezicht als een rivierdal. Ze zei iets in het Russisch. Hij verstond er niets van. Ze bekeek zijn handen, duwde hem naar binnen, zette hem bij de kachel en trok zijn laarzen uit. Zijn tenen waren wit. Ze wreef ze met een doek en spekvet tot het prikte. Soep met vet. Zwart brood. Geen vragen die eerste avond. Ze wees naar de bank bij de kachel, en hield hem lang stevig vast om hem op te warmen.
Hij heette Lars. Zij Galina. Haar man was zeven winters dood. De naaste buur woonde twintig kilometer verderop. Hij bleef in leven omdat zij hem niet liet sterven.
De kou in Jakoetië is geen weer. Het is een dier dat wacht tot je stopt. Dagen hadden maar één ritme: berken splijten tot de bijl zijn handpalmen liet openspringen, een gat in het ijs hakken tot het water zwart omhoogkwam, een slee met hout trekken, vis ontdooien boven het vuur. Galina bewoog zuinig. Lars leerde het, want er was geen tweede kans. Ze spraken met handen, met voordoen, met een paar Engelse woorden die zij nog ergens vandaan had. De rest was zwijgen en kijken.
's Nachts hield de kachel de hoeken van de hut niet boven het vriespunt. De eerste keer dat het onder de min vijftig zakte, zei ze alleen: "De bank is niet genoeg."
Ze deelden het bed.
Het was een afspraak. Schapenvachten, een matras van hooi dat door het laken prikte, haar versleten flanellen nachthemd, zijn thermosshirt en broek. Eerst lagen ze rug tegen rug. Toen de rillingen niet ophielden, schoof zij haar hele lijf tegen hem aan. Haar buik was warm en zacht en zwaar tegen zijn ruggengraat. Haar borsten drukten plat door de stof. Tussen haar dijen voelde hij de ruwe pluk haar en de droge hitte van haar huid. Haar adem rook naar ui en thee. Hij stonk naar rook en oud zweet. Buiten kraakten de bomen.
Overdag werk. 's Avonds soep. 's Nachts hetzelfde bed. Soms lag haar arm in slaap over zijn middel. Ze draaiden zich beurtelings om. Soms werd hij hard tegen haar achterwerk, alleen van de warmte en de druk, en deed hij niets. Zij voelde het en zei niets. Schaamte slijt snel als er niemand is om het voor te voelen.
De verhalen kwamen in stukken. Zij over het jaar dat de rivier pas in december dichtvroor, over de veelvraat, over een man die vals zong bij het nettenboeten. Hij over fietsen in de regen en een stem uit een achtertuin in Leiden.
Langzaam raakten ze intiemer.
Op een nacht beukte een storm tegen de hut tot de wanden leken te ademen. Het vuur zakte in. Als vanzelf kropen ze naar elkaar toe. Galina's rug nestelde zich behaaglijk dicht tegen hem aan, wang in zijn nek, één zware dij over de zijne. Hij voelde haar hart. Het zijne antwoordde. Haar nachthemd was tot boven haar heupen gekropen. Zijn hand lag, zonder dat hij er bij na had gedacht, op het blote vel van haar zij: koel aan de buitenkant, daaronder vet en warm. Zij nam die hand en legde hem op haar borst. De tepel was dik en gerimpeld van de kou, het vlees eromheen zacht en hangend. Toen hij erover wreef, werd de tepel harder. Zij liet een kort geluid horen. Knorrend, niet speels, een bevestiging.
Ze draaide zich naar hem toe. Haar mond was droog en zout. Hun kus was traag. Tanden, adem, de ruwe huid van haar lippen. Zij schoof zijn broek naar beneden tot over zijn billen. Haar hand was eeltig van het werk. Ze pakte zijn penis vast zoals ze een stuk hout vastpakte: met vaste hand, vertrouwd. Hij was al hard. De huid van haar palm was droog; ze spuugde in haar hand en streek opnieuw, langzaam, tot het soepel gleed.
Ze voelde hoe hij trilde. Niet van de kou. Ze keek hem aan, hield even op, en zei met haar schrale Engels: "You don't know."
Het was geen vraag. Hij zei niets. Uit zijn gezichtsuitdrukking bleek duidelijk dat hij nog nooit eerder met een vrouw had gelegen.
Ze trok zijn broek verder naar beneden, legde haar hand weer om zijn harde penis heen, en begon hem te leren. Langzaam. Niet omdat het moest, maar omdat ze het wilde. Ze hield hem vast en bewoog haar duim over zijn eikel op een manier die hij niet eerder mee had gemaakt. Ze keek naar zijn gezicht terwijl ze het deed, naar zijn plotseling oplettende ogen, naar zijn mond die vergat te sluiten, en er gleed iets over haar eigen gezicht dat op tevredenheid leek.
"Kijk," zei ze, en ze legde zijn hand op de hare, liet hem het ritme voelen. "Zo. Langzaam. Niet haasten."
Hij gehoorzaamde. Zijn heupen wilden sneller, maar zij hield hem tegen met haar andere hand op zijn buik. "Nog niet," zei ze. Ze lachte — een kort, droog geluid, de eerste keer dat hij haar zag lachen. "Je leert."
Zelf was ze niet nat. Toen hij tussen haar dijen voelde, waren haar schaamlippen dik en warm, het haar grof, maar haar spleet was nauwelijks vochtig. Zij duwde zijn vingers weg, haalde het potje spekvet van de kruk naast het bed, schepte er wat uit met twee vingers en streek het tussen haar benen. Het vet werd zacht van haar hitte.
"Jij," zei ze, en ze nam zijn hand en legde hem tussen haar benen. "Voel."
Hij voelde. De vettige warmte, de dikte van haar schaamlippen, de gleuf die onder zijn vingers week. Ze hield zijn pols vast en bewoog zijn hand op en neer, liet hem zien hoe hard, hoe snel. Toen hij te hard drukte, siste ze en duwde zijn vingers lichter. "Zo," zei ze. "Zacht. Hier." Ze legde zijn vingertoppen waar ze het wilde. Haar ogen vielen half dicht.
"Nu," zei ze. Ze trok hem boven zich.
Hij ging tussen haar dijen. Haar buik lag zwaar tegen de zijne. Hij duwde de kop tegen haar aan, zocht, schoof mis. Zij pakte hem vast, geduldig, en leidde hem. "Hier. Langzaam. Niet duwen. Schuiven."
Hij vond de opening. Ze was strak en droog ondanks het vet; de eerste centimeters brandden voor hen allebei. Hij stopte, geschrokken van de druk. "Verder," zei ze. Haar hand op zijn bil, drukkend. "Stil blijven. Wacht." Hij gehoorzaamde, trillend, en voelde hoe ze om hem heen week, centimeter voor centimeter, hoe haar lichaam hem toeliet.
"Goed," zei ze. "Nu bewegen. Klein."
Hij stootte kort, voorzichtig. Het hooi ritselde. De vacht gleed van hun schouders en de kou beet meteen in zijn blote huid. Zij haalde de vacht terug over hen heen. "Blijf," zei ze. "Niet stoppen."
Hij stootte, leerde het ritme van haar adem. Toen hij te snel werd, legde ze haar hand op zijn heup. "Langzamer. Kijk naar mij." Hij keek. Haar mond stond open, haar ogen waren op hem gericht, en er lag iets in dat hij niet had verwacht: honger. Ze genoot van hem. Van zijn jonge, strakke lijf, zijn gewicht, van zijn onhandigheid, van het hem aanleren zelf. Haar heupen begonnen mee te bewegen, een kort schuiven dat hij niet had hoeven uitvinden.
Het duurde niet lang. Haar adem werd korter tegen zijn oor, een reeks kleine, afgebeten geluiden. Ze kwam niet met een kreet; haar binnenste trok een paar keer samen om hem heen, droog-nat, en haar nagels bleven even in zijn schouder staan. Dat was genoeg om hem over de rand te duwen. Hij kwam in haar, pulserend, te diep om terug te trekken, warm en plotseling in die nauwe hitte. Zij hield hem vast tot het ophield, haar handen op zijn rug, en hij voelde dat ze hem vasthield zoals ze hem die eerste nacht bij de kachel had vastgehouden. Toen omdat hij het nodig had. Nu, om lekker van zijn jonge, warme lijf te genieten.
Daarna gleed hij uit haar. Er liep maar weinig van zijn zaad uit haar. Ze veegde zich af met een doek die al naar kachel rook, trok het nachthemd naar beneden, en draaide zich behaaglijk met haar rug tegen hem aan. Binnen een minuut sliep ze. Hij lag nog nagenietend met zijn ontspannen lul tegen de warme holte van haar kont, de geur van spek, zweet en seks in het kussen, kuste haar nek en sliep toen ook.
Het vrijen werd een tweede ritme naast het houthakken. Het was niet meer alleen overleven. Het maakte de nacht een tijd van genot en ontdekking.
Soms, na een dag die hun energie uitputte, gebeurde er niets. Ze sliepen als twee dieren in één hol, zijn hand achteloos op haar buik, haar dikke dij tussen de zijne. Soms, als de kachel hoog stond en er nog kracht over was, zocht een van hen de ander. En als zij hem zocht, leerde ze hem weer iets bij.
Zij nam hem in haar hand en leerde hem hoe hij zich moest inhouden. "Voel het komen," zei ze. "Stop. Wacht. Dan langer." Ze genoot van zijn gezicht als hij zich inhield, van de spanning in zijn kaak, van het zweet dat op zijn voorhoofd parelde ondanks de kou. Soms liet ze hem wachten tot hij bijna gek werd, en lachte — datzelfde droge geluid — voor ze hem over de rand liet. Het sperma snel koud op haar dij, en zij veegde het weg met dezelfde doek als altijd, maar haar hand bleef even op zijn buik liggen, warm.
Of hij lag achter haar, haar nachthemd tot de oksels, haar zware borsten in zijn handen, en nam haar zo, van opzij, omdat dat onder de vachten het warmst was. De eerste keer had ze zijn hand genomen en op haar buik gelegd, lager, lager, tot hij voelde waar hij was. "Schuiven, niet duwen," zei ze weer. En later, toen hij het ritme had: "Sneller. Ja. Zo." Haar adem werd kort en ze duwde haar dikke kont tegen hem aan, hij voelde hoe ze om hem heen samentrok, en ditmaal wist hij dat het genot was.
Altijd dat vet of zijn speeksel. Altijd kort. Haar kut bleef eerder warm en strak dan overvloeiend; als hij te lang doorging, zei ze "wacht" en wees naar het potje. Maar als hij het goed deed — het ritme dat zij hem had geleerd, de hoek die zij hem had getoond — dan sloot ze haar ogen en beet ze op haar lip en maakte geluiden die hij in haar anders nooit hoorde. Geluiden die van diep kwamen, die haar keel niet raakten maar haar buik, en hij leerde om die geluiden te willen, om er alles voor te doen.
Een keer, midden in januari, toen ze allebei nog naar vis en rook roken, knielde hij tussen haar benen omdat zij zijn hoofd daarheen duwde. "Lik," zei ze. "Hier." Haar vingers op zichzelf, hem wijzend. De smaak was zout, spek, huid, weinig anders. Haar clitoris was een klein, verborgen knobbeltje onder de huid; hij vond het pas toen zij zijn mond corrigeerde met twee vingers. "Zacht. Cirkels. Niet zuigen — likken." Hij deed wat ze zei. Ze kwam stil, dijen om zijn oren, en duwde hem daarna niet meteen weg. Haar hand bleef op zijn hoofd, zwaar, warm. "Goed," zei ze. "Je leert." Pas toen haar rug koud werd, schoof ze hem weg.
In februari ging de kachel een nacht uit. Ze lagen onder alles wat ze hadden. Zijn gezicht in haar hals. Zijn arm als een balk over haar buik. Hij was hard tegen haar bil. Zij schoof alleen een beetje uit elkaar, genoeg, en hij gleed in haar van achteren, half gekleed, tanden op elkaar van de kou. Tien, twaalf stoten. Hij kwam. Zij niet. Daarna bleven ze in elkaar liggen tot hij week werd, want uit elkaar gaan was kouder dan vies blijven. Maar haar hand vond de zijne onder de vachten en hield hem vast.
De lente kwam laat, druppelend, met ijs dat op de Lena begon te kreunen.
Op een ochtend stond Lars in de deuropening en begreep dat hij kón gaan. Een vrachtwagen zou over twee weken de nederzetting kilometers verderop aandoen. Galina wist het ook. Ze zei niets. Ze bakte extra brood.
De laatste nacht lag hij weer in haar. Traag, omdat hun lichamen de winter kenden. Haar voorhoofd tegen het zijne. "Jij weet nu," zei ze. Het was geen vraag. Hij wist. Haar binnenste was bekend: warm, nauw, een beetje vet, een beetje hij. Hij bewoog zoals ze hem had geleerd — langzaam, het ritme van haar adem, en hij keek naar haar gezicht. Ze had haar ogen open. Ze keek terug. Er lag geen verdriet in, geen spijt, maar ook geen illusie. Het was wat het was.
Toen hij dichtbij kwam, fluisterde ze iets in het Russisch dat hij niet verstond. Hij kwam in haar, en zij kwam met hem mee, haar binnenste om hem heen, en voor het eerst maakte ze een geluid dat langer duurde dan een adem, iets dat uit haar borst kwam en dat hij zou onthouden zonder het te kunnen benoemen. Ze bleef om hem heen liggen tot het licht grijs werd achter het berijpte raam. Ze veegde hen af. Ze zei nog steeds bijna niets.
's Ochtends stond ze in de deuropening. Ze legde haar hand op zijn wang, zwaar en ruw, en liet hem daar. "Goede jongen," zei ze. Het was het enige Engels dat ze zei.
Hij liep naar de weg, met een gevoel van gemis. Hij draaide zich even om. Achter hem trok de rook recht omhoog uit de pijp.
Hij stapte door naar de nederzetting. De vrachtwagen zou over twee dagen komen, had de man in het winkeltje in de nederzetting gezegd. Lars had het brood van Galina in zijn tas, de smaak van haar nog op zijn tong, de druk van haar dijen nog in zijn heupen. Elke stap verder voelde als het aftrekken van een huid.
Toen keerde hij om.
Hij liep urenlang terug door dezelfde smeltende sneeuw, dezelfde dode dennen, dezelfde stilte die in zijn oren zoemde. De hut kwam tevoorschijn tussen de bomen alsof hij hem nooit had verlaten. Rook stond nog recht omhoog uit de pijp.
Galina deed de deur open voordat hij klopte. Ze zei niets. Ze keek alleen naar zijn gezicht, naar de sneeuw in zijn wimpers, naar de manier waarop zijn handen trilden — niet van de kou.
Binnen rook het nog precies hetzelfde: houtrook, vet, zij.
Ze duwde de tas van zijn schouder. Haar nachthemd had ze die ochtend niet eens meer aangedaan; ze droeg alleen de oude trui, open, haar zware borsten bloot, tepels al hard van de tocht die met hem naar binnen kwam. Ze pakte zijn gezicht met beide handen, ruwe palmen tegen zijn koude wangen, en kuste hem alsof ze hem wou opeten. Haar mond was heet, zout, bekend. Haar tong schoof tegen de zijne, traag en hebberig.
Hij duwde haar achteruit naar het bed. Het hooi ritselde. Haar trui ging over haar hoofd. Zijn kleren volgden in stukken, half bevroren, half nat van smeltende sneeuw. Haar huid tegen de zijne was een schok: de koele lucht op zijn rug, de ovenhitte van haar buik, haar borsten die plat en zwaar tegen zijn borst drukten. Hij rook haar oksels, de muskusgeur van de intieme wereld tussen haar benen die al weer vochtig was.
Ze trok hem tussen haar dijen. Geen voorspel meer, geen woorden. Haar kut was open, vochtig, nog herinnerend aan die ochtend. Hij gleed erin in één lange stoot en zij hijgde tegen zijn nek, een geluid dat half zucht, half grom was. Haar benen sloten om hem heen, hakken in zijn kont, en ze bewoog meteen, ongeduldig, alsof de uren dat hij weg was een belediging waren geweest.
Hij neukte haar diep en heftig, het bed kraakte, de vachten gleden opzij. Haar borsten slingerden. Hij nam een tepel in zijn mond, zoog, beet licht; de smaak van haar huid, zout en warm, vulde hem. Ze klemde om hem heen, natte geluiden vulden de hut — het kletsen van huid, het zuigen van haar kut elke keer dat hij terugtrok en weer in haar stootte. Haar nagels groeven in zijn rug.
“Blijf,” hijgde ze tegen zijn oor, de eerste woorden sinds hij was binnengekomen. Geen vraag. Een bevel.
Hij kwam eerst, diep in haar, haar vagina heftig volpompend terwijl haar spieren hem uitmelkten. Ze liet hem er zijn lul niet uithalen. Ze duwde hem op zijn rug, ging over hem heen zitten terwijl hij nog hard was, en reed hem verder, traag nu, zwaar, haar buik rollend, haar hongerige kut om zijn gevoelige lul. Haar klit schuurde tegen hem. Ze kwam met haar hoofd achterover, mond open, een lange lage kreet, nattigheid die over zijn ballen liep.
Daarna lagen ze stil, nog in elkaar, zweet koelend aan de randen en weer opwarmend waar hun lichamen elkaar raakten.
Ze kuste hem lang en bezitterig. "Jij. Mijn." Teder streelde ze zijn nagenietende gezicht. Buiten begon het weer te sneeuwen.
De vrachtwagen zou komen en weer gaan.
Lars bleef.





