Het was een van die weekenden waarin de lucht boven de Veluwe een beetje te blauw was, alsof iemand de saturatieknop had opengezet. De villa stond verscholen achter een rij hoge beuken, precies ver genoeg van de openbare weg om geen last te hebben van nieuwsgierige automobilisten, maar dicht genoeg bij de A1 om de vrouwen met hun Audi’s en Tesla’s binnen het halfuur vanuit Amsterdam of Utrecht te kunnen arriveren. Club Penis noemde zichzelf officieel “Villa Noordzee”, een naam die op de factuur stond en in de e-mails naar de accountants. De echte naam hing alleen in de garderobe, op een klein bordje van geborsteld staal.
Ik stond die ochtend in de keuken en sneed citroenen in vieren. Niet omdat iemand citroenwater wilde, maar omdat het iets was om te doen terwijl de eerste auto’s de oprit opreden. Tien vrouwen. Allemaal tussen de tweeënveertig en zevenenvijftig. Allemaal met het soort huid dat alleen ontstaat als je de tijd en het geld hebt om drie keer per week een dermatoloog te bezoeken. Ze betaalden vijfduizend euro per persoon, inclusief twee overnachtingen, ontbijt, lunch, diner en alles wat daarna kwam. “Alles mag,” stond er in de kleine lettertjes. “De vrouwen gaan over de regie.”
De eerste die binnenkwam was Clarissa. Clarissa droeg een linnen jurk die precies genoeg openviel om te laten zien dat ze nog steeds naar de sportschool ging, en een handtas die meer had gekost dan de gemiddelde Nederlandse hypotheekrenteaftrek. Ze keek rond alsof ze een hotelkamer in Monte Carlo beoordeelde.
“Is dit het?” vroeg ze.
“Dit is het,” zei ik.
Achter haar kwamen de anderen. Een vrouw met een strak bobkapsel die eruitzag alsof ze net een bestuursvergadering had verlaten. Een blonde met een te strakke mond, alsof ze al jarenlang probeerde iets niet te zeggen. Een donkerharige met grote, kalme ogen die alles registreerde zonder commentaar. Ze stelden zich voor met voornamen die klonken alsof ze uit een roman van Ian McEwan kwamen: Elise, Monique, Sophie, Caroline, en zo verder. Ik onthield ze niet allemaal. Dat was niet nodig. Ze onthielden zichzelf.
In de grote zaal stonden de mannen al klaar. Tien mannen, allemaal donker, allemaal lang, allemaal met het soort lichaam dat je krijgt als je de hele dag niets anders doet dan trainen en wachten. Ze droegen alleen een dunne, donkere broek die niets verborg. De Deense doggen lagen in een aparte vleugel, achter glazen deuren, tien grote, gespierde beesten met die typische, ietwat droevige blik van honden die te groot zijn voor de meeste huizen. Ze waren gewassen, gekamd, en hadden de hele week alleen hoogwaardig voer gegeten. Geen afleiding. Geen speeltjes. Alleen wachten.
Clarissa liep naar het raam en keek naar de honden.
“Die zijn echt groot,” zei ze, bijna verbaasd, alsof ze had verwacht dat iemand overdreven had.
“Ze zijn Deense doggen,” zei ik. “Dat is het punt.”
Ze draaide zich om en keek naar de mannen. Een van hen, een man met een litteken boven zijn linkerwenkbrauw, keek haar recht aan. Hij glimlachte niet. Hij hoefde niet te glimlachen. Dat was afgesproken.
“Wij bepalen,” zei Clarisse hardop, meer voor de anderen dan voor mij. “Dat is duidelijk, toch?”
Iedereen knikte. Niemand lachte. Het was te vroeg om te lachen.
De middag begon in de grote zaal. De vrouwen hadden zich omgekleed in iets wat je “loungekleding” zou kunnen noemen als je aardig wilde zijn. Zijden kimono’s, dunne jurken zonder beha, leggings die meer lieten zien dan ze bedekten. Ze dronken champagne, maar niet te veel. Te veel champagne maakt mensen dom, en deze vrouwen wilden niet dom zijn. Ze wilden regisseren.
Monique, de vrouw met het bobkapsel, wees naar een van de mannen.
“Jij. Kom hier.”
Hij kwam. Hij knielde niet. Hij ging gewoon staan, dichtbij genoeg om te ruiken, ver genoeg om haar de keuze te laten. Zij deed de rest. Ze trok de broek naar beneden, keek, en liet een klein geluidje horen dat ergens tussen tevredenheid en berekening in zat.
“Goed,” zei ze. “Je mag blijven.”
De anderen volgden. Het ging niet om haast. Het ging om het kijken, het kiezen, het voelen van de macht die vijfduizend euro en een contract hun gaf. Een van de vrouwen, Sophie, liet twee mannen naast elkaar staan en vergeleek. Ze deed het alsof ze schoenen paste. Een andere vrouw, Caroline, liep rond met een glas champagne en gaf instructies met de rust van iemand die al jaren mensen aanstuurt in boardrooms.
“Langzamer. Nee, zo. En kijk me aan terwijl je het doet.”
De mannen deden wat hun gevraagd werd. Ze waren erop getraind. Niet alleen fysiek. Ook mentaal. Ze wisten dat de regie bij de vrouwen lag, en dat elke overtreding van die regel het einde betekende van hun contract. En van hun betaling.
Tegen drie uur ’s middags openden ze de glazen deuren naar de vleugel met de honden. De dieren kwamen naar buiten, kalm, nieuwsgierig, met die zware, soepele gang die grote honden hebben. De vrouwen stonden in een halfcirkel. Niemand schrok. Niemand deed alsof ze het niet hadden geweten.
Clarissa was de eerste die naar voren stapte. Ze knielde, liet de hond haar hand ruiken, en begon hem te aaien, langzaam, met de handpalm plat. De hond reageerde zoals honden doen: met interesse, met een zekere onverschilligheid, met een lichaam dat te groot was om subtiel te zijn.
“Hij mag,” zei ze tegen niemand in het bijzonder. “Maar alleen als ik het zeg.”
De andere vrouwen keken toe. Sommigen glimlachten. Anderen niet. Het was alsof ze naar een voorstelling keken waarvan ze zelf de regisseur waren, en tegelijkertijd het publiek.
De rest van de middag verliep in een soort georganiseerde chaos. Groepen vormden zich en vielen weer uiteen. Een vrouw liet zich in een hoek van de zaal nemen door twee mannen tegelijk, terwijl ze met een hand een van de honden aaide. Een andere vrouw gaf precieze instructies over tempo, over diepte, over wanneer iemand mocht komen en wanneer niet. De mannen gehoorzaamden. De honden deden wat honden doen als je ze de ruimte geeft en de juiste signalen.
Ik bleef op de achtergrond, vulde glazen bij, haalde handdoeken, en zorgde dat niemand iets hoefde te vragen. Dat was mijn taak. Niet meedoen. Alleen faciliteren.
Tegen zes uur was de zaal een landschap van lichamen, ademhaling, en het af en toe lage grommen van een hond die te opgewonden raakte. De vrouwen zaten, lagen, stonden. Sommigen hadden hun kimono nog half aan. Anderen niet. Clarissa zat op een lage bank, een been over de leuning, en keek naar de man met het litteken terwijl hij tussen haar benen knielde. Ze hield zijn hoofd vast met beide handen, precies zo hard als nodig was.
“Nog niet,” zei ze. “Ik zeg wanneer.”
Hij wachtte.
Later, toen de zon al lager stond en het licht door de beuken een beetje goudkleurig werd, zaten de vrouwen in de tuin. Sommigen rookten. Anderen dronken water. De mannen stonden op afstand, klaar voor wat er nog zou komen. De honden lagen in de schaduw, hijgend, tevreden of in ieder geval rustig.
Monique keek naar mij.
“Dit was pas de eerste dag,” zei ze.
“Ja,” zei ik.
Ze glimlachte, een glimlach die nergens warmte in had.
“Morgen wordt interessanter. Dan gaan we echt regisseren.”
Ik knikte. Er was niets om te zeggen. Vijfduizend euro per persoon, twee overnachtingen, alles mag, de vrouwen gaan over de regie. Dat was de afspraak. En afspraken, in dit soort villa’s, werden gehouden.
Binnen, in de grote zaal, lag nog een handdoek op de vloer. Iemand had er overheen gelopen. Ik raapte hem op, stopte hem in de wasmand, en ging terug naar de keuken om nieuwe citroenen te snijden. Het was bijna tijd voor het diner.