
Het was een warme zomeravond. Een uur of elf. De terassen liepen langzaam leeg. Het meeste personeel was al naar huis. Mijn dienst zat er ook al een tijdje op, maar was gebleven met een plannetje. De houtenschutting met het gat erin stond in de personeelsruimte buiten. Ik stond erachter. Los van de zomerse avondgeluiden was het stil en rustig. Vredig zelfs. Totdat haar stem plots verbaast dat verbrak.
“Oh…” hoor ik na een aantal tellen, haar stem niet te hoog of te hard. Wel verbaasd. Ik sta min of meer achter haar. Alsof ze het voelde en toch maar omkeek. Ik zie haar niet. Niks. Ik weet alleen hoe ze eruitziet. En zie voor me hoe ze zich omdraait. Omdat ze het voelde. Mijn aanwezigheid, hard en kloppend doordat gat in de schutting, achter haar. Maar dan niks. Ik voel niks. Ik hoor haar niet meer. Zelfs geen beweging is te horen.
Even is er alleen dat “oh” geweest. Dan het schrapen van haar stoel. En ik schrik ervan, zo plots, dat ik opspring, en mijn lul dus ook. Moet stil blijven. Een stoel die draait, en iets naar achteren gezet wordt. Het metaal op de grindtegels kan ik ondertussen dromen van de honderden stoeltjes die op een dag verschoven werden.
Ik zie niks, maar kan het zo voor me zien. Erin draait zich om op de plek waar ze zat. Glas nog in één hand, telefoon in de andere. Het gat zit ongeveer op schouderhoogte, precies waar zij haar hoofd naartoe moet draaien om het daadwerkelijk te zien. En ze ziet het. Hard, stil, te dicht. Niet een gerucht. Zij is gaan zitten, waar het gerucht ontstaan is, en ziet nu dat het geen gerucht meer is. En ik kan hetzelfde zeggen.
“Wat… Is... Oh, mijn god” hoor ik haar zachtjes, lachend alsof ze een hand voor de mond heeft. Of maakt ze er een foto van?
Het komt eruit alsof ze een collega om de hoek verwacht. De zin gaat dood. Geen naam, geen “hallo”, geen “doe dat weg”. Niks. Stilte. Hete lucht die erlangs blaast. M'n lul is hard, en droog.
Toch doet het meer met haar dan ik merk. Haar lijf maakt de verkeerde beweging. Ze zet het glas te hard op tafel. Een klap, klein, in de stilte van het afgelegen terras. Telefoon bijna uit haar hand. ''Kut.'' hoor ik zacht. Alsof ze hem nog wist te redden. Maar verder niks. Geen gil. Geen gelach. Geen opstaan. Niemand wordt geroepen. Ze blijft. Stil. Mijn pik nu zeker gezien. En dat ze blijft, maakt me harder en harder.
Ik blijf wachten. Ik mag mezelf niet bekend maken. Mijn pik blijft nog hard en laat ik wat wippen door hem aan te spannen. Het is mijn opwinding die me dwingt. Toch mag het niet lang te duren. Er kan nog wel iemand aankomen.
Ik duw m'n onderbuik tegen het hout aan, de erectie verder het gat door. Volledig. Zwaar en hard. Een uitnodiging. Erin zegt niks. Ik ben bang dat ze me stiekem zit te filmen, of zo.
Geen tweede “oh”. Geen “wie is daar”. De wind raast hoog in de bomen. De zon zakt steeds verder weg en de lucht kleurt nu bijna paars. Net zo paars als mijn eikel. Die ik niet zie. Maar zij wel.
Dan beweegt ze wel. Stil. Ik hoor het niet, maar voel het. De lucht beweegt door haar beweging van de stoel af, en glijdt langs mijn uitstekend, heet stuk vlees. Daarna pas het geluid van de stoel die nog een paar centimeter naar achteren schuift, nu zij tussen die stoel en de schutting moet zitten. Als ik op mijn tenen ga staan, wijst mijn pik naar beneden. Maar ik doe het zodat ik net over de rand van de schutting kan gluren en niks van beweging in de verte ziet. Zij ook niet. Alleen het gebungel voor haar.
Ik ben nog niet bezig met wat kan gebeuren. Of wat er nu al gebeurt. Pas als ik haar hand voel, vergeet ik al het andere. Mijn mond opent zich. Het geluid hou ik in me. Nog net. Haar hand er nu op. Warm. Licht. Voorzichtig. En dan opeens wat steviger... Alsof ze nog twijfelde. En nu niet meer.
Koel, onhandig, maar raak. Vingers om de basis, alsof ze een stekker vastpakt die ze niet zou moeten aanraken. Ze houdt me vast, bij de basis. Daar trekt ze stug aan de huid. Niet strelend. Vast. Mijn ademhaling wordt zwaarder. Ook hoorbaar. Het stopt haar niet. Ik voel haar vingers klemmen om de basis. Net niet helemaal rond. Ze doet het gewoon.
Ze ademt dan stevig door haar neus. Van totale spanning. Dat begrijp ik. Ze zat daar gewoon op die stoel. Nu ervoor. Pik in haar hand. Van het ene moment naar het andere. Ze zegt nog steeds niks. Ik zie het hout minimaal meebuigen als zij haar andere hand erop moet leggen. En dan verandert haar grip. Losser. Ik hoor mijn droge huid wrijvend onder haar hand, haar vuistje wat begint te pompen. Iets sneller. Te gehaast. Omdat ze hier nu eenmaal open en bloot zit. Iedereen kon haar zo zien zitten. Behalve ik.
Ik kreun zachtjes op haar aanraking. Onherkenbaar. Maar duidelijk hoorbaar nu. Ik voel hoe het haar grip verandert. Ze wordt zekerder.
Erin slikt. ''Jezus...'' hoor ik fluisterend vloeken. Van opwinding? Van verwondering? Van schaamte? Het zou allemaal kunnen. En misschien zit het wel allemaal in dat ene woord, en dit moment. En dan laat ze me los? Dan toch spijt. Nee. Haar andere hand vindt me. De vingers proberen aan de andere kant te sluiten. De druk op het hout verplaatst zich ook. En ik kreun goedkeurend als ze weer haar ritme probeert te vinden, en ook vindt! Ze doet echt haar best. Gewoon een vreemde, harde pik die door een gat steekt. Meer was er niet voor nodig om dit altijd stille, maar knappe meisje, een keertje die rol te laten breken.
Haar grip verandert weer. Van vastpakken naar doen. Twee handen nu. Andere vuist om de basis, onhandig eerst, dan een trek naar voren, terug, opnieuw. Naar de vuist die om mijn eikel ligt. Te droog, te serieus, alsof ze een taak af wil maken voordat iemand het terras op loopt. Ik hou het alleen maar langer door zo, zonder minder opgewonden te worden. In tegendeel. Dat groeit juist. Omdat zij het doet.
''Fuck, hoe moet dit?'' hoor ik haar dan opeens, klein en kwetsbaar, dat ik me bijna schuldig voel. ''Spugen.'' sputter ik fluisterend terug, hopelijk nog onherkenbaar. Het is eruit voordat ik het besef. Haar helpen, was dan nog het minste wat ik kon doen om dat schuldgevoel iets weg te drukken. Het blijft bijna ijzig stil, terwijl het zo heet is. Haar handen nog op m'n stijve. Dan voel iets wat zachter is. Lippen. Een mond die iets opent zonder eroverheen te bewegen. Het geluid van een tuf steekt zich duidelijk af, en ik voelde de natte klodden over de lengte van mijn schacht gaan. Eén keer gaat haar duim over de kop, nat van haar. Ze ademt in, nu te voelen op mijn natte huid als verkoeling, aarzelt een halve seconde — en dan haar mond nog een keer. Lippen drukte ze boven op de eikel, en meer speeksel laat ze vloeien. Warm, te voorzichtig. Mijn pik spant zich aan onder haar handen en haar speeksel kriebelt langs mijn aderen naar beneden. Haar handen komen in beweging. Twijfelend, maar nat. Glijdend. Het stroeve verdwijnt met drie keer heen en weer gaan. Ik hijg harder. Het geeft haar vertrouwen.
Haar lippen liggen dan alweer tegen m'n eikel aan. Niet echt open. Gewoon warm. Niet voor meer spuug. Gewoon. Het contact. Haar handen glijden langzaam heen en weer over de lengte en ik voel mijn hoogtepunt rap naderen. Ik sta op mijn tenen, probeer grip te vinden op het hout aan mijn kant, en knijp m'n ogen dicht het nog heel even uit te stellen. En daar helpt ze mij dan weer mee. Eerst voel ik haar tong. Langs de onderkant glijden van mijn eikel. Ik denk het te verliezen op dat moment, totdat ze haar mond wel opend, en haar lippen mijn eikel beginnen te omvatten. ''Jezus...'' kreun ik nu vol ongeloof. En dat geeft haar te veel vertrouwen. Ze gaat te diep in één keer voor iemand die dit braaf niet zou doen. De beweging is te abrupt, te gretig. Haar mond warm en nat, maar het kunnen onnauwkeurig. Toch kreun ik. Het voelt goed. Maar het ritme van haar handen ins compleet weg. En haar plotseling beweging laat me eerder schrikken. Het remt me af. Zodat ik haar niet gelijk de volle lading geef.
Dan besluit ik weer stil te worden, gewoon weer een pik te worden die door een gat steekt, en meer niet. Haar lippen nog warm om me heen. Ik knijp zo nu en dan de ogen dicht. Als ze langzaam haar ritme vindt. Eerst alleen een mond. Dan met een hand erbij. Voorzichtig. Twijfelend. Lekker. Dat laatste wel. Natuurlijk wel. Een natte mond om m'n harde pik. Die van haar.
Ik bijt op m’n vuist om stil te blijven. Af en toe stoot ik iets naar voren. Ze doet het gewoon. Ongelofelijk. Ze blijft het maar mond nu meer bij m'n eikel hangen. Haar lippen er vaak niet helemaal overheen, maar nat en wrijvend, terwijl beiden handen achter elkaar de lengte strelen. Eerst los met de vingers, daarna gebald als vuisten, nat en draaiend tegen elkaar in.
Je bijt in je vuist. Af en toe bonk ik tegen het hout. De stoot is klein, onwillekeurig, door het gat.
Erin schrikt niet weg. Geen hand die duwt, geen mond die loslaat. Ze neemt me. Haar keel maakt een nat geluid, als ik wat dieper stoot, en dan ademt ze door haar neus tegen het harde van mijn schacht eronder.
Ze went. Kop iets scheef, handen strakker om wat ze niet in haar mond heeft, Haar tong soms likkend buiten haar mond. Kon ik het maar zien. Maar doordat ik niks zie, voel ik alles zoveel beter. Alsof ik haar zie zitten. Als ik weer iets naar voren komt, volgt ze. Niet dieper uit gretigheid — uit meegaan. Alsof stoppen nu erger zou zijn dan doorgaan. Ze pijpt nu ook heel goed. Gedreven. Met kunde. Die dus niet heeft. Gewoon even verloren in het moment. Pijpend. De ogen vast gesloten. Handen die draaien en naar haar mond bewegen. Natte geluiden niet te missen. Ze kreunt zelfs zachtjes. Ik kan wel stellen dat ik niet de enige ben die van het moment geniet.
Haar lippen blijven om de eikel, warm, nat, net te los en dan weer net te strak, alsof ze het ritme nog steeds zoekt terwijl ze het al heeft. Een hand draait onder haar mond, de andere lager, vuist om de basis, en samen maken ze die onhandige, volle gang: omhoog tot het speeksel klikt, terug tot de huid strak trekt, opnieuw. Geen woord. Geen “wacht”. Geen naam. Alleen adem door haar neus tegen mijn schacht als ze even dieper gaat.
Ik denk aan het terras en duw de gedachte weg. Niemand. Alleen hout, haar mond, dat natte geluid dat te duidelijk is in de stille lucht. Ik bijt weer in mijn vuist. Mijn heup wil naar voren. Ik houd het klein. Een stoot door het gat, kort, en zij volgt zonder los te laten. Haar keel geeft datzelfde natte tikje. Dan ademt ze, en het ritme gaat door.
Het wordt beter. Te goed. De warmte van haar mond zit niet alleen op de kop; het trekt de hele lengte in, elke keer dat haar hand het speeksel meeneemt. Ik wil stiller staan en ik kan het niet. Mijn knieën staan te strak. Mijn buik drukt tegen het hout. Ik houd mijn adem een tel, laat hem ontsnappen zonder geluid, bijna.
Ze laat me niet komen. Nog niet. Haar mond blijft bewegen alsof dit het enige is wat er is, onhandig en vol, en ik voel hoe dichtbij het al is zonder dat het eruit mag. Niet omdat zij het tegenhoudt. Omdat ik het nog even vast wil houden. Haar mond. Dit. Dat ze het gewoon doet.
Ik kan de plank niet meer stillen. Mijn heupen tikken het hout, klein, steeds opnieuw, alsof mijn lijf het ritme van haar mond probeert in te halen. Mijn vuist zit tussen mijn tanden. De smaak van huid en stof. Het geluid dat eruit wil, bijt ik stuk.
Erin zegt niks. Geen naam. Geen “wie ben jij”. Haar lijf wel. Haar hand wordt strakker om wat buiten haar mond blijft. Haar mond gaat dieper, niet voorzichtig meer, het tempo is opeens van haar. Te snel voor iemand die dit niet zou doen. Te serieus voor een gat waar alleen geruchten inzaten. Speeksel klikt. Haar keel neemt een natte trek tot aan haar vuist. Als ik naar voren stoot, houdt ze me daar, lippen vast, hand als een stop. Als ik terug wil, volgt ze, mond die niet loslaat, alsof de ruimte achteruit ook van haar is.
Het voelt te goed. Mijn knieën geven mee, een kleine zakking, buik nog tegen het hout. Achter de schutting ben ik alleen adem en een geluid dat ik niet meer in mijn vuist krijg. Een kreun, te open, te duidelijk in de stille lucht.
Zij merkt het. Ze gaat niet langzamer. Haar kop blijft. Haar hand pompt wat haar lippen laten, nat, slordig, alsof afmaken nu de enige uitweg is. Warmte. Druk. Dan die eerste stoot in haar mond, hard, niet meer van mij om te sturen.
Ik kom klaar. Meer kan ik niet. Geen stoot meer die ik zelf kies, alleen dat spuiten, te veel voor hoe stil het terras is.
Erin blijft. Geen wegtrekken. Geen “stop”. Haar mond zit nog om me heen als de eerste golf komt. Ze hapert. Slikt. Een deel loopt langs haar lippen naar haar vuist, warm, slordig, en ze houdt me alsnog. Haar andere hand ligt plat op het hout. Haar knieën in het grind. Haar gezicht verborgen voor iedereen die er niet is.
Ik puls tegen haar tong. Zij maakt een klein geluid — geen woord, geen naam — en blijft tot het stopt. Tot ik alleen nog nat en te gevoelig in haar hand hang.
Dan pas ademt ze uit. Lippen los. Voorhoofd bijna tegen de schutting. Ze veegt haar mond af met de rug van haar hand. Zegt nog steeds niks.
Achter het gat ben ik klaar. Voor haar is het gerucht opeens echt.
Ik trek me langzaam terug. Zeg niks. Hout schuurt langs mijn huid. Nat, te gevoelig, dan lucht. Het gat is weer een gat.
Aan de andere kant blijft het even stil.
“Dit…”
Erin krijgt de zin niet af. Te braaf voor wat haar mond net was. Te laat om te doen alsof het een gerucht bleef.
Haar lijf is al klaar met het. Hand over haar lippen, nat af op haar broek alsof ze het weg kan vegen. Stoel recht. Glas. Telefoon. Rug naar de schutting. Ze kijkt niet nog een keer. Ze wil het gat niet meer zien.
Stappen op het grind, te snel voor iemand die niks gedaan heeft. De deur naar binnen. Dan alleen het terras, het hout, en ik die haar niet mag kennen.
Erin is weer collega. Het gerucht heeft een mond gehad. Geen naam.
-




