De klokken van de Duomo di San Cerbone hebben het elfde uur van de nacht al geslagen, maar de zwoele warmte van de Toscaanse zomerdag hangt nog loom en behaaglijk tussen de eeuwenoude zandstenen muren van Massa Marittima. De nauwe, geplaveide straatjes zijn inmiddels nagenoeg verlaten. Slechts het kabbelen van een fontein en het zachte gerinkel van servies in de verte verbreken de nachtelijke stilte.
Ik loop stevig ingehaakt bij Kristof, mijn arm vertrouwd door de zijne gestoken. Het ritmische getik van mijn schoenen weerkaatst tegen de kalkstenen gevels. Een lichte bries glijdt vanaf de heuvels omlaag en brengt de zoete geur van wilde jasmijn, warme terracotta en stoffige cipressen met zich mee. De luchtstroom streelt mijn ontblote schouders.
Ik voel me heerlijk loom na het diner. De rode wijn heeft een warme gloed op mijn wangen achtergelaten, een behaaglijke tinteling die fijn contrasteert met de koelere nachtbries. Mijn marineblauwe kleedje valt gewichtloos en soepel om me heen en beweegt zachtjes mee met elke stap die ik zet. De lichte, satijnachtige stof plooit zich natuurlijk rond mijn vrouwelijke vormen—mijn volle heupen, mijn taille en mijn royale buste. De dunne spaghettibandjes rusten nauwelijks voelbaar op mijn lichte, zachte schouders, terwijl de fijne kanten bies langs mijn diep uitgesneden decolleté subtiel meebeweegt op mijn ademhaling. In de holte van mijn hals, net boven mijn zichtbare sleutelbeenderen, vangt het minuscule steentje van mijn zilveren kettinkje het amberkleurige schijnsel van een lantaarn op.
We naderen het einde van de straat, waar de eeuwenoude stadspoort voor ons opdoemt. De massieve boog van verweerd travertijn wordt van onderaf aangelicht door grondspots, waardoor het goudgele gesteente warm afsteekt tegen de inktzwarte Toscaanse hemel. Daarachter, net buiten de historische muren, ligt de parkeerplaats. In de verte herken ik de strakke, compacte contouren van onze zilverkleurige Fiat 500X, die geduldig onder de lommerrijke platanen staat te wachten.
Een lichte zucht van vermoeidheid ontsnapt me wanneer de realiteit van de afstand weer tot me doordringt. Ik werp een blik op mijn horloge.
"Merci schatje voor de leuke avond," zeg ik met een mengeling van warmte en lichte tegenzin, terwijl ik naar de lege weg voorbij de poort kijk. "Jammer van de lange terugrit... meer dan twee uur nog."
Kristof vertraagt zijn pas. Hij houdt halt, draait zich een kwartslag naar me toe en kijkt me aan. Een ondeugende, veelbetekenende glimlach krult zijn lippen, terwijl zijn ogen me langzaam van top tot teen opnemen—van de spaghettibandjes op mijn schouders en het kanten randje bij mijn buste tot aan de zoom van het donkerblauwe kleedje. "Ik weet wel iets om de tijd te doden..." zegt hij met een lage, uitdagende toon.
Ik kijk hem vragend aan, met een lichte glimlach om mijn lippen, in de veronderstelling dat hij een luisterboek, een praatspelletje of een van zijn vertrouwde muzieklijsten voorstelt. "Rij de hele rit poedelnaakt," zegt hij zonder blikken of blozen, terwijl zijn stem zachtjes resoneert onder de gewelven van de poort. "Van hier tot aan ons verblijf." Mijn voeten weigeren prompt om nog een stap te zetten. Ik trek mijn arm los uit de zijne en blijf stokstijf staan. De warme gloed die de wijn op mijn wangen had achtergelaten, verandert in één klap in een laaiende blos van pure consternatie. Mijn ogen worden groot en ik staar hem met open mond aan. "Je bent zot," flap ik eruit, half lachend van puur ongeloof, maar met een scherpe ondertoon. "Je meent dit toch niet?" Kristof blijft staan onder de stenen boog van de stadspoort. Zijn handen nonchalant in zijn broekzakken, de bekende ondeugende grijns om zijn lippen. "Ik meen het heel serieus," antwoordt hij kalm. "Het is het perfecte plan voor de terugrit."
"Heh, hóé? Twee uur lang in mijn blootje achter het stuur?" Ik kijk zenuwachtig om me heen. "Dat is onmogelijk? Wat als er een auto achter ons komt rijden?"
"Het is pikkedonker," countert hij laconiek. "En als we al iemand tegenkomen... zien ze een naakte knappe vrouw. Welke man maakt daar nu een probleem van?"
"O, en jij denkt dat ik daar zo makkelijk mee wegkom? Waarom doe je het zelf eigenlijk niet, als je het zo'n briljant idee vindt?"
Kristof haalt lachend zijn schouders op. "Omdat dat voor een man een heel ander verhaal is. Als de Carabinieri een naakte mán stoppen, geeft dat een boel problemen. Bij een knappe vrouw lachen ze een keer en wensen ze je een fijne avond."
Ik schud mijn hoofd en voel de warmte naar mijn wangen stijgen. "Zet het maar snel uit je hoofd," zeg ik stellig, terwijl ik mijn arm weer door de zijne steek. "Ik doe het niet."
"Wat jij wilt," zegt hij ontspannen. Maar de glinstering in zijn ogen verraadt dat hij precies weet wat hij gedaan heeft.
We lopen samen onder de stenen boog door naar de parkeerplaats. De oude kasseien gaan over in het donkere asfalt, waar onze voetstappen gedempt weerklinken in de warme nachtlucht.
Geen van beiden zegt nog iets. Ik kijk strak voor me uit, vastbesloten om te doen alsof het idiote gesprek definitief van tafel is. Alsof zijn woorden me volkomen koud laten. Maar met elke meter die we dichter bij de Fiat komen, voel ik mijn hartslag versnellen. Mijn gezonde verstand roept dat het pure waanzin is, maar onder mijn huid tintelt er iets heel anders. Kristof hoeft niets meer te zeggen; het ondeugende idee zit in mijn hoofd, en het laat me niet meer los.
Met een korte klik van de afstandsbediening knipperen de oranje richtingaanwijzers van de Fiat door de diepe schaduwen. Ik trek het bestuurdersportier open en laat me zakken op de zetel. Het doffe geluid waarmee het portier in het slot valt, sluit in één klap de nachtelijke geluiden van Massa Marittima buiten. Opeens is er alleen nog de besloten, intieme stilte van het auto-interieur. Aan de andere kant stapt Kristof in. Zijn portier klikt dicht, waardoor de cabine definitief verandert in onze eigen kleine cocon, afgeschermd van de rest van de wereld.
Ik schuif mijn benen onder het stuur. De gladde stof van mijn kleedje plooit zich vanzelfsprekend om mijn schoot en valt zacht over mijn bovenbenen. De zwoele Toscaanse buitenlucht hangt nog even tussen ons, maar vermengt zich al snel met de vertrouwde geur van de wagen. Mijn vingers vinden de autosleutel. Ik steek hem in het contactslot en draai hem een kwartslag om, tot de dashboardverlichting in een zacht amberkleurig schijnsel oplicht. Maar daar blijft het bij. Mijn hand blijft rusten op de sleutel; ik start de motor niet. Ik staar roerloos naar de matte nerf van het stuurwiel voor me.
De stilte tussen ons is plotseling loodzwaar en geladen. Mijn hart bonkt sneller dan normaal, een doffe hartslag die ik tot diep in mijn keel voel resoneren. Mijn verstand, nuchter en weloverwogen, roept dat Kristofs voorstel volstrekt belachelijk is. Twee uur lang naakt rijden over donkere wegen, door dorpen en langs tolwegen—het is krankzinnig, kwetsbaar en ongehoord. Mijn schuchtere natuur krimpt al ineen bij de gedachte alleen. Maar daaronder roert zich iets anders. Een ondeugende vonk die weigert te doven. De absurditeit, de verboden spanning en de gedachte aan de uitdaging zelf jagen een rilling over mijn rug. Het zaadje dat hij bij de poort heeft geplant, begint te ontkiemen.
Naast me beweegt Kristof niet. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe hij ontspannen in zijn stoel zit, een arm leunend op de middenconsole. Hij kijkt me zwijgend aan, met die vertrouwde, afwachtende twinkeling in zijn ogen—geduldig registrerend hoe zijn uitdaging vat op me krijgt.
De seconden tikken traag weg. Mijn lippen blijven strak op elkaar geklemd. Dan verbreekt hij de stilte. Zijn stem klinkt gedempt, vol ingehouden nieuwsgierigheid: "Wel? Vertrek je niet, of...?”
Zijn woorden blijven tussen ons in de lucht hangen. Mijn keel voelt kurkdroog. Voordat ik mijn gezonde verstand ook maar de kans geef om tussenbeide te komen, werp ik een schichtige, zenuwachtige blik door de autoruiten naar buiten. De parkeerplaats ligt er volkomen verlaten bij. Geen koplampen in de verte, geen naderenee voetstappen, alleen de diepe, donkere schaduwen van de Toscaanse nacht en de gouden gloed van de stadspoort een eind achter ons. Er is niemand. We zijn volslagen alleen.
Ik zeg geen woord. Mijn blik kruist de zijne even met een plotse, uitdagende vonk, waarna ik mijn ogen strak op de duisternis voor de voorruit richt.
Mijn hart bonkt als een razende tegen mijn ribbenkast, een diepe, doffe hamerstoot die doordreunt tot in mijn slapen. Een zinderende, pulserende hitte trekt vanuit mijn buik omhoog. De angst om betrapt te worden vermengt zich in één klap met een bedwelmende opwinding die al mijn zenuwuiteinden op scherp zet.
Even vecht ik tegen een knagend ongemak—de absolute waanzin dat we hier op een openbare parkeerplaats staan. Alles schreeuwt dat dit een absurd idee is. Maar zodra mijn handen onder de zoom van mijn kleedje verdwijnen, wordt die opkomende paniek razendsnel weggedrukt door een koortsige hitte. In een paar vlotte bewegingen trek ik mijn beha uit. Daarna stroop ik mijn slipje over mijn heupen omlaag en schop het achteloos op de vloer. Het besef dat ik onder mijn kleedje naakt ben, jaagt een felle rilling over mijn rug. De kille tocht in de cabine strijkt langs mijn benen en zet alles op scherp.
Naast me hoor ik Kristof scherp inademen. Zodra ik zijn blik op mijn flank voel branden, draai ik mijn hoofd naar hem toe. Onze blikken haken in elkaar. In het schemerige schijnsel van het dashboard zie ik hoe strak zijn kaken staan; zijn pupillen zijn wijd en donker. Heel even voel ik een zweem van schroom opflakkeren, maar die lost meteen op wanneer er een traag, uitdagend lachje om mijn lippen glijdt. Geen schuchtere verontschuldiging, maar een roekeloze blik die zegt: je hebt hier zelf om gevraagd. Ik laat hem een ademteug lang spartelen in die geladen stilte, puur om te voelen hoeveel macht ik op dit moment over hem heb.
Dan pak ik de zoom van het kleedje met beide handen beet. Terwijl ik zijn ogen strak vasthoud, trek ik de stof in één haal over mijn hoofd en gooi het op de achterbank. Zodra mijn naakte rug en blote billen de ijskoude bekleding van de autostoel raken, landt de krankzinnige realiteit van wat ik zojuist gedaan heb. Het is een rauwe, fysieke schok. Mijn tepels verharden onmiddellijk. De absolute blootstelling maakt me in één klap ontzettend kwetsbaar, maar de macht die ik nu voel, pompt pure adrenaline door mijn aderen.
Kristof is compleet bevroren. De laconieke, uitdagende grijns is volkomen van zijn gezicht geveegd. Zijn ogen dwalen in stom ongeloof over de naakte welving van mijn borsten, over het glinsterende steentje op mijn huid, tot diep in mijn blote schoot. Hij slikt zwaar en hoorbaar. Dit is geen gretigheid meer, maar verlammende verbijstering. De onverbloemde intimiteit van dit moment heeft hem totaal overrompeld.
Ik mag hem nu niet laten bijkomen. Mijn vingers trillen lichtjes wanneer ik naar het contact reik en de sleutel omdraai. De motor van de 500X slaat aan met een diepe grom. De mechanische vibratie trekt onmiddellijk via het leer rechtstreeks door mijn naakte lijf omhoog—een sensatie die me tot in mijn nek laat tintelen. Twee felle lichtbundels klieven de duisternis van de parkeerplaats open. Ik trap de koppeling in, zet de wagen in beweging en stuur ons kordaat de openbare weg op. De donkere nacht slokt ons op. Mijn vingers klemmen zich strak om het stuurwiel, terwijl mijn hartslag luid blijft nagalmen in mijn oren.
Waarom doe ik dit in godsnaam?
- - -
Dit is een weergave van een waargebeurde dare. Foto's zijn voor nieuwsbrieflezers.