
Anton zit op de rand van het bed, zijn hand nog op haar heup, alsof hij niet durft los te laten. Zijn overhemd hangt open, de knopen verloren ergens tussen de lakens. De spieren in zijn rug trekken en ontspannen bij elke ademhaling, alsof zijn lichaam nog niet heeft besloten of dit moment echt is gebeurd.
“Je hartslag,” zegt Angie zacht. Haar vingertoppen liggen op zijn pols. “Die gaat nog steeds te snel.”
Anton kantelt zijn hoofd, zijn blauwe ogen—nog steeds donkerder dan normaal, nog steeds glazig van herinnering—vinden de hare. “Dat komt door jou,” zegt hij. “Altijd door jou.”
Ze glimlacht, die ene glimlach die hij in zijn slaap probeert na te tekenen—lippen iets te vol, tanden iets te zichtbaar, onschuld die per ongeluk verleidelijk wordt. “Je zegt dat tegen iedereen.”
“Nee.” Hij bukt zich, zijn voorhoofd tegen het hare, zijn neus langs haar wang. “Alleen tegen jou. Alleen jij...” Hij aarzelt, de woorden zwaar op zijn tong. “Jij maakt me gek. Echt gek. Ik denk de hele tijd aan je. Op de verkeerde momenten. Tijdens vergaderingen. Terwijl ik rij. Ik—“
Angie legt een vinger op zijn lippen. Haar nagel—onverwacht rood, alsof ze zich vanmorgen heeft herinnerd dat verleiding ook planning vereist—krast licht over zijn onderlip. “Sst,” zegt ze. “Je praat te veel. Je praat altijd te veel.”
Ze kust hem. Niet zacht, niet voorzichtig—ze bijt in zijn onderlip, trekt hem naar zich toe, haar vlecht verstrikt tussen hun gezichten. Haar tong vindt de zijne, een dans die ze allebei kennen maar er nooit moe van worden, dezelfde stappen met steeds nieuwe muziek.
Antons hand glijdt onder haar jurk, omhoog, zijn palm over de binnenkant van haar dij. Haar huid is warm, iets vochtig—van de warmte, van hun liefdespel, van iets dat ze niet wil benoemen. Zijn vingertoppen vinden de rand van haar slip, kant, onverwacht duur voor een meisje dat over 'eenvoudig' spreekt.
“Wacht,” mompelt ze tegen zijn mond.
“Wacht?”
Ze duwt hem zachtjes terug, haar handen op zijn borst, zijn hartslag wild onder haar palmen. “Ik wil iets. Iets vragen.”
Hij knikt, zijn adem nog steeds snel, zijn ogen op haar gericht alsof ze de enige bron van licht in de kamer is.
“Die race,” zegt ze. “Die je vorige week hebt genoemd. Die illegale straatrace, op snelweg dertien.”
Antons blik verandert—niet veel, maar genoeg. Een spiertje in zijn kaak trekt samen. “Wat is daarmee?”
“Ik wil mee.”
“Het is gevaarlijk, Angie. Echt gevaarlijk. Die idioten rijden soms—“
“Jij rijdt ook.” Haar stem is zacht, niet klagend, maar vast. “Jij bent ook een van die idioten.”
Hij wil iets zeggen, slikt het in. Zijn hand glijdt van haar heup, zoekt haar hand, hun vingers verstrengelen. “Waarom wil je mee?”
Angie kijkt naar het raam, naar het licht dat langzaam oranje wordt, de dag die zijn laatste adem uitblaast. “Omdat ik je wil zien,” zegt ze zacht. “Niet dit.” Ze maakt een vaag gebaar naar het bed, naar hen beiden. “Niet de Anton die lacht en praat en... en doet alsof alles normaal is. Ik wil de andere zien. De Anton die risico's neemt. Die zijn leven op het spel zet. Die—“ Ze aarzelt, haar wangen roze. “Die zich wild voelt.”
Hij kijkt naar haar alsof hij haar voor het eerst ziet—echt ziet, niet het meisje dat hij wil zien maar de vrouw die er is, met al haar tegenstrijdigheden. “Je weet dat dit verkeerd is,” zegt hij. “Wat we doen.”
“Ik weet het.”
“En je wilt toch mee.”
“Ik wil alles met je delen”
Ze kust hem weer, deze keer langzaam, alsof ze tijd wil stilzetten. Haar handen glijden over zijn borst, naar beneden, over zijn buik, tot ze de gesp van zijn riem vindt. Haar vingers zijn zeker, geoefend—niet door ervaring, denkt hij, maar door verbeelding, door nachten waarin ze dit moment heeft doorgespeeld in het donker van haar kamer.
“Angie—“
“Sst,” zegt ze weer. “We hebben nog tijd. Voor de race. Voor alles.”
Ze maakt zijn riem los, de gesp klikt zacht in de stille kamer. Haar handen vinden zijn rits van zijn broek, de stof die opspringt onder haar aanraking. Ze kijkt naar hem op, haar ogen—groot, blauw, onschuld die per ongeluk verdorven is—vast op de zijne.
“Laat me,” zegt ze. “Laat me dit doen.”
En hij laat haar, omdat hij nooit heeft kunnen weigeren, omdat de smaak van haar nog op zijn tong ligt en hij wil weten hoe de rest van haar smaakt, omdat dit verkeerd is en hij het toch wil, omdat Angie Hermans de enige is die hem dit kan laten voelen—alsof hij valt en vliegt tegelijk.
Haar lippen sluiten zich om hem heen, warm en nat, en de wereld wordt kleiner, wordt alleen dit—haar mond, haar tong, haar adem die stokt en weer begint, de manier waarop ze hem lijkt te proeven alsof hij iets is dat ze al lang wilde proberen.
Maar dat is nu, en later is de race.
De witte Corvette glijdt door de nacht als een droom die te snel gaat om vast te houden. Het dashboard gloeit groen in het donker, de naald van de snelheidsmeter trilt richting tweeëntwintig. Anton zit rechtop, zijn handen om het stuur alsof het een levenslijn is, zijn ogen op de weg die witte lijnen voorschiet alsof ze hem willen vangen.
Naast hem zit Angie, haar vlecht over haar schouder, haar jurk—dezelfde, blauwe, met vergeet-mij-nietjes—iets opgekropen bij haar dijen. Ze kijkt naar hem, niet naar de weg, alsof de snelheid niets betekent zolang ze hem kan zien.
“Je rijdt te hard,” zegt ze, maar haar stem klinkt niet bang. Het klinkt als—iets anders. Iets dat Anton niet kan plaatsen, niet nu, niet met de motor die brult en de nacht die voorbijvliegt als water.
Hij wil iets zeggen, wil vragen wat er is, maar dan zien ze de lichten. Een rij auto's langs de kant van de weg, hoofden die draaien, handen die zwaaien. De race. De straatrace.
En tussen die mensen, tussen die gezichten die hij niet kent, ziet hij haar ogen. Angies ogen. Maar iets is verkeerd. Haar gezicht—pijn, of iets dat lijkt op pijn, haar lippen geopend alsof ze wil schreeuwen maar geen geluid kan maken.
En achter haar, donkerder dan de nacht zelf, een gestalte. Groot. Lang. Handen die zijn waar ze niet horen—onder haar jurk, tussen haar benen, een slipje dat—
Hij knippert. De weg is weer leeg, alleen maar asfalt en witte lijnen. Maar het beeld blijft, gebrand op zijn netvlies als een foto die te fel is geflitst.
De Honda S660 is naast hem verschenen, een speelgoedauto vergeleken met zijn Corvette, maar de bestuurder kijkt hem aan met ogen die glimlachen zonder mond. Een uitdaging. Een hand die omhoog gaat, drie vingers, twee, één—
De wereld versnelt. Tweehonderd. Tweehonderdtien. De motor brult als een beest dat zijn ketting heeft gebroken. De Honda blijft naast hem, een prooi die niet weet dat het wordt vermorzeld.
Maar Anton kijkt niet naar de weg. Hij kijkt naar de zijkant, naar de mensen die voorbijflitsen, zoekend naar dat ene gezicht, die ene gestalte. Angie. Waar is Angie?
En dan ziet hij haar weer. Niet in de menigte—achter hem. In zijn achteruitkijkspiegel. Harold achter haar, zijn handen op haar heupen, haar jurk opgetrokken, haar gezicht—niet pijn nu. Iets anders. Iets dat Anton niet kan vergeten.
De stuurkolom rukt zich los uit zijn handen. De wereld draait, witte lijnen worden grijze lucht worden zwarte bomen. Er is een geluid, metaal dat schreeuwt, glas dat zingt, en dan—
Niets.
De bewusteloosheid is geen leegte. Het is een oceaan waarin hij drijft, soms naar de oppervlakte getrokken door geluiden die verwrongen zijn als onder water—stemmen, pieptonen, het geruis van iets dat lijkt op ademhaling. Hij vecht tegen de stroom, wil omhoog, wil zien, wil weten—maar de oceaan is sterker, en telkens duikt hij weer onder in de donkere diepte.
Tijd bestaat hier niet. Er is alleen de oceaan, en af en toe—flitsen. Angies gezicht, verwrongen door iets dat lijkt op pijn of genot. Harolds handen, groot en donker, waar ze niet horen. Het gevoel van vallen, altijd vallen, nooit landen.
En dan, op een dag die geen dag is, wordt de oceaan smaller. De geluiden worden scherper, de flitsen langer. Er is een gewicht op zijn borst dat niet van het water komt—verband, denkt hij, of iets anders. Een druk op zijn pols die ritmisch is, mechanisch. Het piepen van apparaten die ademhalen voor hem, of misschien met hem.
Hij probeert zijn ogen te openen. Het is alsof iemand zand in zijn kassen heeft gegooid, alsof zijn oogleden van lood zijn gemaakt. Maar hij blijft proberen, en langzaam—zo langzaam dat het pijn doet—komt er licht. Niet helder licht. Een waas van wit en beige, van schaduwen die zich langzaam vormen tot iets dat lijkt op—een kamer. Een bed. Een raam waardoor het donker zichtbaar is, of misschien is het de schemering, hij kan het niet zeker zeggen.
“Hij komt bij.”
De stem is vrouwelijk, onbekend. Er is beweging naast hem, een schaduw die dichterbij komt. Iets koels tegen zijn voorhoofd—een handdoek, of een hand, hij voelt het niet goed genoeg om het te onderscheiden.
“Anton? Kun je me horen?”
Hij probeert te knikken, maar zijn hoofd voelt vastgezet, alsof er iets om zijn nek zit—een brace, denkt hij, of een soort verband. In plaats daarvan doet hij zijn best om zijn ogen te bewegen, naar het geluid, naar de stem.
“Goed zo,” zegt de stem. “Blijf met me meekijken. Je bent veilig. Je bent in het ziekenhuis. Je hebt een ongeluk gehad, maar je maakt het goed. Je maakt het goed, Anton.”
Het ziekenhuis. Een ongeluk. De woorden resoneren in zijn hoofd als klanken in een lege kerk—ze betekenen iets, maar hij kan de betekenis nog niet vasthouden. En dan, als de mist in zijn hoofd iets optrekt, komt het terug.
De race. De witte Corvette. De Honda die naast hem verscheen als een schaduw. En daarvoor—daarvoor het beeld dat hij niet kan verdragen, dat hem achtervolgt door de oceaan van zijn bewusteloosheid: Angies gezicht, verwrongen, en achter haar Harold, zijn handen onder haar jurk, haar slipje—
Hij probeert zich te verzetten, zijn lichaam te bewegen, maar er is niets. Geen gevoel in zijn armen, in zijn benen. Alleen de druk van het verband, het gewicht van dekens, de stem die nog steeds praat, ver weg, alsof ze door water spreekt.
“Rustig maar,” zegt de stem. “Probeer niet te bewegen. Je armen zijn gebroken, Anton. Je hebt een operatie gehad. Je moet rusten. Alles komt goed.”
Gebroken. Zijn armen. De woorden vallen in zijn hoofd als stenen in stil water, en de rimpels die ze veroorzaken breiden zich uit—naar alle kanten, naar alle herinneringen. Hij kan zijn armen niet bewegen. Kan zich niet verdedigen. Kan niets grijpen, niets vasthouden, niets—
Angie.
Waar is Angie? Is ze hier? Heeft ze het overleefd? Heeft ze gezien dat hij zag wat er gebeurde, dat Harold—
Hij probeert te spreken, zijn keel voelt rauw, alsof er zand in zit, alsof hij dagen niet heeft gesproken. Wat eruit komt is een kras, een ruw geluid dat niets lijkt op zijn stem.
“Ang—“ probeert hij. “Angie—“
“Rustig,” zegt de stem weer, en nu herkent hij iets erin—niet de professionaliteit van eerder, maar iets warms, iets menselijks. “Je vriendin is veilig. Ze is hier geweest. Ze komt terug. Je moet nu rusten, Anton. Alles komt goed.”
Hij wil geloven. Wil zijn ogen sluiten en in de oceaan terugzakken, waar geen herinneringen zijn, waar Harold zijn handen niet op Angies huid legt, waar hij niet ligt met gebroken armen en een hart dat sneller klopt dan het zou moeten.
Maar hij kan niet. De beelden komen, ongehinderd door zijn wil—Angie die naar hem kijkt met die uitdrukking die hij niet kan duiden, pijn of genot of iets daartussen, en achter haar Harold, altijd Harold, zijn handen groot en donker tegen haar bleke huid, haar slipje dat—
Hij voelt het eerst als een warmte, een druk die groeit in zijn onderlijf, onwillekeurig, ongewenst, onvermijdelijk. Hij wil het stoppen, wil denken aan iets anders—aan de race, aan de crash, aan de pijn in zijn armen die nu doordringt als een klok die luidt—maar het beeld van Angie en Harold, het gevoel van zijn handen op haar, de manier waarop ze naar hem keek—
De warmte wordt een stijfheid, een druk die hij niet kan negeren. Het laken boven hem—wit, ziekenhuiswit, stijf en gesteven—begint te verheffen, een tent die groeit met elke ademhaling, elke herinnering die hij niet kan uitdrijven.
Hij probeert zijn heupen te bewegen, iets te doen om de druk te verlichten, maar zijn lichaam reageert niet—of reageert te goed, de stijfheid wordt harder, de tent in het laken wordt hoger, en hij ligt daar, hulpeloos, gebroken, opgewonden door het beeld van zijn vriendin met een andere man.
De deur opent.
Hij hoort het eerst—het zachte piepen van scharnieren, het geruis van zachte zolen op linoleum. Dan ziet hij haar—een silhouet tegen het licht van de gang, dat zich langzaam vormt tot een vrouw, tot een verpleegster, tot Nachtzuster Vira Tanaya.
Ze is anders dan de anderen. Niet de professionele afstand die hij eerder voelde, niet de vriendelijke maar afstandelijke stem die hem vertelde dat alles goed zou komen. Er is iets in de manier waarop ze beweegt, iets in de stilte die ze met zich meebrengt als ze de deur sluit, zacht, alsof ze niet wil storen.
Haar uniform is strak—te strak, misschien, of misschien is het zijn verbeelding, zijn opgewonden toestand die alles omzet in mogelijkheden. Het witte jasje sluit om haar middel, accentueert de curve van haar heupen, de ronding van haar borsten. Haar haar—zwart, golvend, gevlochten in een losse vlecht over haar schouder—glimt in het gedempte licht.
Ze komt dichterbij, haar stappen geruisloos, en hij voelt zich bloot—niet alleen door de tent in het laken, maar door alles, zijn hele lichaam, zijn hele geschiedenis, de manier waarop hij hier ligt, gebroken, opgewonden, verloren.
Vira stopt bij zijn bed. Haar ogen—bruin, amandelvormig, met wimpers die te lang lijken voor iemand die de nacht doorbrengt met waken over anderen—schuiven over hem heen, van zijn gezicht naar zijn borst, naar—ze aarzelen, blijven hangen op de verheffing in het laken.
Hij ziet haar slikken. Ziet de spiertjes in haar hals bewegen, de manier waarop haar tong even over haar lippen strijkt—nervositeit, of iets anders, iets dat ze niet wil tonen maar niet kan verbergen.
“Het is normaal,” zegt ze, haar stem zachter dan eerder, een fluistering die meer lijkt op adem dan op woorden. “Na een operatie. De medicatie. Het lichaam... reageert soms op manieren die we niet verwachten.”
Hij wil antwoorden, wil zeggen dat dit niet de medicatie is, dat dit iets anders is, iets donkerders, iets dat te maken heeft met herinneringen die hij niet kan uitdrijven. Maar zijn stem werkt niet, zijn keel is droog, en alles wat hij kan doen is kijken—kijken naar hoe ze dichterbij komt, naar hoe haar hand uitsteekt, naar hoe haar vingertoppen het laken raken.
Het witte katoen is stijf, gesteven, onpersoonlijk. Maar onder die stijfheid is warmte, is druk, is het bewijs van zijn opwinding die niet te ontkennen is. Haar vingers aarzelen, liggen stil, dan—bewegen ze. Een lichte druk, een verkenning, alsof ze niet gelooft wat ze voelt, alsof ze moet controleren of dit echt is.
Antons adem stokt. Zijn ribbenkast trekt samen, een reactie die hij niet kan controleren. De stijfheid onder het laken pulseert, reageert op haar aanraking, en hij voelt de schaamte—heet, vloeibaar, onvermijdelijk—door zijn lijf stromen.
Vira kijkt naar hem op. Haar ogen zijn groter dan eerder, de pupil vergroot in het gedempte licht. Er is iets in haar blik—nieuwsgierigheid, of iets diepers, iets dat ze zelf niet volledig begrijpt.
“Het is... groot,” fluistert ze, en de woorden zijn zo onverwacht, zo onprofessioneel, dat hij bijna lacht—bijna, want zijn lichaam is te bezig met reageren, met pulseren, met willen.
Haar hand beweegt weer, deze keer doelgerichter. Ze trekt het laken langzaam omlaag, centimeter voor centimeter, alsof ze een geschenk uitpakt dat ze niet verwacht had. De koele lucht van de kamer raakt zijn huid—hij is naakt onder de lakens, had geen energie om iets aan te trekken na de operatie—andere koelte, van binnen, van schaamte, van opwinding die hij niet kan stoppen.
En dan—haar ogen op hem. Echt op hem. Zijn erectie staat omhoog, pulserend in het gedempte licht, en hij voelt zich meer bloot dan ooit—niet alleen fysiek, maar in alles, zijn hele wezen, zijn verlangen, zijn zwakte.
Hij ziet haar en hij wil, hij wil zijn stijfheid verzachten, hij wil haar lichaam voelen, maar zijn armen zijn gebroken.
Vira ademt uit—een lange, trillende uitademing. Haar hand, de hand die eerder het laken wegtrok, beweegt weer. Deze keer raken haar vingertoppen zijn huid—warm, levend, een schok die door zijn hele lijf trekt.
“Je bent zo...” begint ze, maar ze maakt de zin niet af. Haar vingers sluiten zich om hem heen, niet strak, maar vast genoeg dat hij het voelt—alles voelt, de druk, de warmte, het pulseren van zijn eigen bloed dat tegen haar palm klopt.
Antons hoofd valt terug op het kussen. Zijn ogen sluiten zich, niet omdat hij wil, natuurlijk wilt hij haar, haar strakke lichaam op zijn pijnlijk stijve penis, hij wilt ontlading, klaarkomen, en niet alleen omdat de sensatie te veel is, omdat hij niet kan kijken naar wat ze doet en het ook nog voelen. Haar hand beweegt—omhoog, omlaag, een traag ritme dat de adem uit zijn longen zuigt.
“Kijk naar me,” fluistert ze, en haar stem is anders—niet de professionele nachtzuster, niet de verlegen vrouw die het laken omlaag trok. Iemand anders. Iemand die weet wat ze wil. “Anton. Kijk naar me.”
Hij forceert zijn ogen open. Ziet haar boven zich, haar vlecht over haar schouder gevallen, haar uniform nog steeds strak om haar lijf maar nu met een knoop open waar eerder geen knoop open was. Haar huid—die warme, honingachtige tint—gloeit in het gedempte licht. Haar ogen, groot en bruin, vangen de zijne en houden ze vast.
“Je denkt aan haar,” zegt Vira, en het is geen vraag. Haar hand beweegt nog steeds, het ritme iets sneller nu, iets strakker. “Aan het meisje. De blonde. Ik zag haar foto. Op je nachtkastje.”
Anton wil ontkennen, wil zeggen dat ze het mis heeft, maar zijn lichaam verraadt hem—een pulsering in haar hand, een stilte in zijn ademhaling die te lang duurt. Ze lacht—niet gemeen, niet meelevend, maar met iets dat lijkt op herkenning.
“Ik ook,” zegt ze zacht. “Ik denk ook aan iemand die ik niet kan hebben.”
Haar hand stopt—niet helemaal, maar het ritme verandert, wordt trager, meer geconcentreerd. Ze leunt dichterbij, haar adem warm tegen zijn oor, en dan—haar lippen sluiten zich om zijn oorlel, een zuiging die zijn ruggengraat doet tintelen.
“Laat me,” fluistert ze, en de woorden zijn nat, zwaar van betekenis. “Laat me je helpen vergeten. Voor één nacht. Laat me—“
Anton antwoord zachtjes: “Ja , Alsjeblief, laat me klaarkomen, laat me spuiten, mijn penis doet pijn van de stijfheid, ik wil klaarkomen….”
Ze trekt zich terug, net genoeg dat hij haar gezicht kan zien, haar ogen die glanzen met iets dat hij niet kan duiden—verdriet, verlangen, wanhoop, of een mengeling van alles. Haar hand beweegt weer, sneller nu, het ritme dwingend, eisend.
En dan—haar andere hand, de hand die tot nu toe stil is gebleven, beweegt naar haar eigen uniform. Een knoop, twee, drie—haar jasje valt open, en daaronder, strak en wit, haar borsten die zwaar zijn en rond, die bewegen met haar ademhaling.
“Kijk,” zegt ze, en haar stem is ruw, gespleten. “Kijk naar mij. Niet naar haar. Niet naar hem. Alleen naar mij.”
Anton kijkt. Kan niet anders. Haar hand om hem heen, haar borsten die bijna uit haar ondergoed barsten, haar ogen die hem vasthouden als een anker in een storm. Het beeld van Angie en Harold probeert zich op te dringen—Harolds handen, donker op haar bleke huid, haar slipje—maar hij duwt het weg, concentreert zich op Vira, op haar ademhaling, op het ritme van haar hand.
“Goed zo,” fluistert ze, alsof ze zijn genot voelt, zijn poging om in het moment te blijven. “Goed zo. Bij me blijven. Voel me. Alleen mij.”
Haar hand versnelt, het ritme wordt onregelmatig, ademloos. Haar andere hand beweegt naar haar eigen borst, duwt het katoen opzij, en dan—haar vingers sluiten zich om haar eigen tepel, trekken er hard aan, een beweging die haar adem doet stokken.
“Ah—“ De klank ontsnapt haar, ongewild, onprofessioneel, en ze bijt op haar lip alsof ze het terug wil nemen. Maar haar hand stopt niet, versnelt zelfs, en Anton voelt de druk opbouwen, de climax naderen als een trein die niet kan stoppen.
“Kom,” fluistert Vira, en het woord is een bevel en een smeekbede tegelijk. “Kom voor me. Laat me zien. Laat me—“
Het orgasme treft hem als een golf, als de oceaan die hem heeft vastgehouden die nu binnenstroomt, die hem meevoert. Zijn hele lichaam trekt samen, zijn ruggengraat kromt, en hij spuit—warm, pulserend, eindeloos—over haar hand, over zijn eigen buik, over de lakens die nu vochtig en zwaar zijn van zijn ontlading.
Vira houdt hem vast, haar hand nog steeds om hem heen, maar zacht nu, strelend, helend. Haar ademhaling is snel, onregelmatig, en hij ziet—nu hij echt kijkt, nu de mist van het orgasme optrekt—dat haar ogen glanzen. Niet van vermoeidheid. Van tranen, of van iets dat er dicht genoeg op lijkt.
“Dank je,” fluistert ze, en de woorden zijn onverwacht, onbegrijpelijk. “Dank je dat je me liet—dat ik—“
Anton antwoord fluisterend, zachtjes: “Bedankt, dit is wat ik nodig had, dit is wat ik wil, genieten, genieten van jou. Mijn gedachten weg van
Ze zwijgt, schudt haar hoofd, en dan—haar hand trekt zich terug, langzaam, alsof ze niet wil loslaten. Ze pakt een doekje van het nachtkastje—hij had het niet eens gezien, dit meisje dat overal lijkt te zijn—en veegt voorzichtig zijn buik schoon, zijn geslacht, met bewegingen die te teder zijn voor iemand die hij pas heeft ontmoet, of misschien niet, misschien is ze er al langer, misschien is alles anders dan hij denkt.
“Rust nu,” zegt ze, en haar stem is weer die van de nachtzuster, professioneel maar warm, afstandelijk maar betrokken. “Je hebt rust nodig. Ik kom later terug. Als je iets nodig hebt, druk je op de knop. Ik hoor het.”
Ze wil weggaan, hij voelt het, de ruimte tussen hen die al groter wordt. “Wacht—“ kraakt hij, en het is de eerste keer dat hij spreekt, echt spreekt, en zijn stem is ruw, ongebruikt, een instrument dat stof heeft verzameld.
Vira draait zich om, haar hand op de deurknop, haar silhouet tegen het licht van de gang. “Ja?”
“Angie—“ Hij slikt, zijn keel droog, zijn woorden zoekend. “Mijn vriendin. Ze was hier. Zeg—zeg tegen haar dat—“
Hij weet niet wat hij wil zeggen. Dat hij het zag? Dat hij het niet begrijpt? Dat hij nog steeds van haar houdt, ondanks alles, ondanks het beeld dat zich in zijn hoofd heeft gebrand?
“Ik zal het doorgeven,” zegt Vira zacht, en er is iets in haar stem, iets dat lijkt op begrip, of medelijden, of misschien gewoon de vermoeidheid van iemand die te veel heeft gezien. “Rust nu, Anton. Morgen is een nieuwe dag.”
De deur sluit achter haar met een zacht klik, en hij is alleen. Alleen met zijn gedachten, zijn herinneringen, zijn lichaam dat nog steeds trilt van de nabijheid van iemand die hij niet kent, die hem heeft aangeraakt op een manier die hij niet begrijpt.
Hij staart naar het plafond, naar de schaduwen die dansen in het gedempte licht. Denkt aan Angie, aan haar gezicht in de menigte, aan de uitdrukking die hij niet kon duiden. Was het pijn? Genot? Verlangen naar iets dat hij haar niet kon geven?
En Harold. Altijd Harold. Zijn handen, donker tegen haar bleke huid. Haar slipje, dat tussen haar knieën hing alsof het was afgedaan, alsof er haast was, alsof—
Hij sluit zijn ogen, probeert het beeld te verdrijven. Maar het is er, altijd, gegrift in zijn netvlies. En erger—erger nog dan het zien—is de reactie van zijn lichaam. De warmte die opwelt, de stijfheid die terugkeert, de schaamte die hem verzengt.
Hij is ziek. Dat moet het zijn. Om opgewonden te raken door het beeld van zijn vriendin met een andere man—er is iets mis met hem, iets diep verkeerds, iets dat niet genezen kan worden.
Maar de stijfheid blijft, groeit, ondanks zijn schaamte, ondanks zijn zelfhaat. En als hij zijn ogen weer opent, als hij naar het raam kijkt waar het donker achter hangt, ziet hij een reflectie—zijn eigen gezicht, verwrongen, bleek, ogen die te groot zijn in een gezicht dat te dun is geworden.
En achter hem, in de reflectie, een deur die opengaat.
Hij draait zijn hoofd—traag, pijnlijk, zijn nek stijf van de brace—en ziet haar. Vira. De nachtzuster. Ze draagt nu iets anders—geen wit uniform maar een jurk, eenvoudig, donker, die haar silhouet accentueert zonder het te onthullen. Haar haar is los, de vlecht eruit gehaald, de golvende massa over haar schouders gevallen.
Ze zegt niets. Loopt naar het bed, haar stappen zacht, bijna onhoorbaar. Bij zijn voeten blijft ze staan, haar ogen—bruin, groot, ondoorgrondelijk—op de plek waar het laken nog steeds verheven is, waar zijn opwinding zichtbaar is voor wie wil zien.
Ze blijft stil. Zo lang dat hij denkt dat ze weg zal gaan, dat dit een vergissing was, dat hij heeft gedroomd of hallucineerd van de medicatie. Maar dan—dan beweegt haar hand. Langzaam, alsof ze zichzelf tegenhoudt, alsof elke centimeter een overwinning is.
Haar vingertoppen raken het laken. Blijven liggen. En dan—trekken.
Het witte katoen glijdt omlaag, centimeter voor centimeter, en de koele lucht van de kamer raakt zijn huid—warm, gespannen, onvermijdelijke opgewonden. Hij sluit zijn ogen, kan niet kijken, kan niet zien hoe ze naar hem kijkt, wat ze denkt, wat ze voelt.
Maar hij hoort haar ademhaling—sneller nu, onregelmatig. Hoort de zachte klik van haar schoenen die een stap dichterbij komen. En dan—haar hand, echt haar hand, geen vingertoppen maar haar hele palm, om hem heen, warm en zeker en—
“O god,” fluistert hij, en het is geen gebed maar een vloek, een toelating, een val.
Haar hand beweegt. Traag, te traag, elke seconde een eeuwigheid van sensatie. Ze leert hem kennen—de vorm van hem, de lengte, de manier waarop hij reageert op druk op bepaalde plekken, de manier waarop hij trilt wanneer haar duim over de onderkant van de eikel strijkt.
En hij leert haar—de manier waarop ze ademhaalt, de kleine geluidjes die ze maakt in haar keel, de manier waarop haar andere hand zich tegen zijn dij legt alsof ze zichzelf moet stabiliseren, alsof ook zij op het punt staat te vallen.
“Je denkt nog steeds aan haar,” zegt ze, en het is geen vraag. Haar hand stopt, even maar, lang genoeg dat hij het voelt als verlies, als pijn. “Aan het meisje. De blonde.”
Hij wil ontkennen, wil zeggen dat dit moment alleen over haar gaat, over hen, over deze vreemde, onverwachte verbinding in de nacht van een ziekenhuis. Maar hij kan niet liegen, niet terwijl ze hem vasthoudt, niet terwijl haar ogen zo dichtbij zijn dat hij zijn eigen reflectie ziet.
“Ja,” zegt hij, en het woord kost hem meer dan hij wil toegeven.
Vira knikt, langzaam, alsof dit is wat ze verwachtte, wat ze wilde horen. Haar hand begint weer te bewegen, trager nu, meer gefocust, alsof ze iets wil bewijzen, iets wil overschrijven.
“Dan zullen we er samen aan denken,” zegt ze. “Jij aan haar. Ik aan hem. En wij—“ Haar hand versnelt, wordt strakker, en hij voelt de climax naderen als een trein die niet kan stoppen. “Wij aan elkaar. Vannacht. Alleen vannacht.”
Ze buigt zich voorover, haar lippen tegen zijn oor, haar adem heet en zwaar. “Kom voor me,” fluistert ze. “Laat me zien. Laat me voelen.”
En hij doet het—niet door keuze, maar door overgave, door de onmogelijkheid van verzet. De climax treft hem als een golf, als de oceaan die hem heeft vastgehouden die nu binnenstroomt, die hem meevoert. Zijn hele lichaam trekt samen, zijn ruggengraat kromt, en hij spuit—warm, pulserend, eindeloos—over haar hand, over zijn eigen buik, over de lakens die nu vochtig en zwaar zijn van zijn ontlading.
Vira houdt hem vast, haar hand nog steeds om hem heen, maar zacht nu, strelend, helend. Haar ademhaling is snel, onregelmatig, en hij ziet—nu hij echt kijkt, nu de mist verdwijnt—dat haar ogen glinsteren. Niet van vermoeidheid. Van blijheid, of van iets dat er dicht genoeg op lijkt.
“Dank je,” fluistert ze, en de woorden zijn onverwacht, onbegrijpelijk. “Dank je dat je me liet—dat ik—“
Ze zwijgt, schudt haar hoofd, en dan—haar hand trekt zich terug, langzaam, alsof ze niet wil loslaten. Ze pakt een doekje van het nachtkastje—dit meisje dat overal lijkt te zijn—en veegt voorzichtig zijn buik schoon, zijn geslacht
“Rust nu,” zegt ze, en haar stem is weer die van de nachtzuster, professioneel maar warm, afstandelijk maar betrokken. 'Je hebt rust nodig. Ik kom later terug. Als je iets nodig hebt, druk je op de knop. Ik hoor het.'
Ze wil weggaan, hij voelt het, de ruimte tussen hen die al groter wordt. 'Wacht—' kraakt hij, en het is de eerste keer dat hij spreekt, echt spreekt, en zijn stem is ruw, ongebruikt, een instrument dat stof heeft verzameld.
Vira draait zich om, haar hand op de deurknop, haar silhouet tegen het licht
'Angie—' Hij slikt, zijn keel droog, zijn woorden zoekend. 'Mijn vriendin. Ze was hier. Zeg—zeg tegen haar dat—'
Hij weet niet wat hij wil zeggen. Dat hij het zag? Dat hij het niet begrijpt? Dat hij nog steeds van haar houdt, ondanks alles, ondanks het beeld dat zich in zijn hoofd heeft gebrand?
'Ik zal het doorgeven,' zegt Vira zacht, en er is iets in haar stem, iets dat lijkt op begrip, of medelijden, of misschien gewoon de vermoeidheid van iemand die te veel heeft gezien. 'Rust nu, Anton. Morgen is een nieuwe dag.'
De deur sluit achter haar met een zacht klik, en hij is alleen. Alleen met zijn gedachten, zijn herinneringen, zijn lichaam dat nog steeds trilt van de nabijheid van iemand die hij niet kent, die hem heeft aangeraakt op een manier die hij niet begrijpt.
Hij staart naar het plafond, naar de schaduwen die dansen in het gedempte licht. Denkt aan Angie, aan haar gezicht in de menigte, aan de uitdrukking die hij niet kon duiden. Was het pijn? Genot? Verlangen naar iets dat hij haar niet kon geven?
En Harold. Altijd Harold. Zijn handen, donker tegen haar bleke huid. Haar slipje, dat tussen haar knieën hing alsof het was afgedaan, alsof er haast was, alsof—
Hij sluit zijn ogen, probeert het beeld te verdrijven. Maar het is er, altijd, gegrift in zijn netvlies. En erger—erger nog dan het zien—is de reactie van zijn lichaam. De warmte die opwells, de stijfheid die terugkeert, de schaamte die hem verzengt.
Hij is ziek. Dat moet het zijn. Om opgewonden te raken door het beeld van zijn vriendin met een andere man—er is iets mis met hem, iets diep verkeerds, iets dat niet genezen kan worden.
Maar de stijfheid blijft, groeit, ondanks zijn schaamte, ondanks zijn zelfhaat. En als hij zijn ogen weer opent, als hij naar het raam kijkt waar het donker achter hangt, ziet hij een reflectie—zijn eigen gezicht, verwrongen, bleek, ogen die te groot zijn in een gezicht dat te dun is geworden.
En achter hem, in de reflectie, een deur die opengaat.
Hij draait zijn hoofd—traag, pijnlijk, zijn nek stijf van de brace—en ziet haar. Vira. De nachtzuster. Ze draagt nu iets anders—geen wit uniform maar een jurk, eenvoudig, donker, die haar silhouet accentueert zonder het te onthullen. Haar haar is los, de vlecht eruit gehaald, de golvende massa over haar schouders gevallen.
Ze zegt niets. Loopt naar het bed, haar stappen zacht, bijna onhoorbaar. Bij zijn voeten blijft ze staan, haar ogen—bruin, groot, ondoorgrondelijk—op de plek waar het laken nog steeds verheven is, waar zijn opwinding zichtbaar is voor wie wil zien.
Ze blijft stil. Zo lang dat hij denkt dat ze weg zal gaan, dat dit een vergissing was, dat hij heeft gedroomd of hallucineerd van de medicatie. Maar dan—dan beweegt haar hand. Langzaam, alsof ze zichzelf tegenhoudt, alsof elke centimeter een overwinning is.
Haar vingertoppen raken het laken. Blijven liggen. En dan—trekken.
Het witte katoen glijdt omlaag, centimeter voor centimeter, en de koele lucht van de kamer raakt zijn huid—warm, gespannen, onvermijdelijk opgewonden. Hij sluit zijn ogen, kan niet kijken, kan niet zien hoe ze naar hem kijkt, wat ze denkt, wat ze voelt.
Maar hij hoort haar ademhaling—sneller nu, onregelmatig. Hoort de zachte klik van haar schoenen die een stap dichterbij komen. En dan—haar hand, echt haar hand, geen vingertoppen maar haar hele palm, om hem heen, warm en zeker en—
'O god,' fluistert hij, en het is geen gebed maar een vloek, een toelating, een val.
Haar hand beweegt. Traag, te traag, elke seconde een eeuwigheid van sensatie. Ze leert hem kennen—de vorm van hem, de lengte, de manier waarop hij reageert op druk op bepaalde plekken, de manier waarop hij trilt wanneer haar duim over de onderkant van de eikel strijkt.
En hij leert haar—de manier waarop ze ademhaalt, de kleine geluidjes die ze maakt in haar keel, de manier waarop haar andere hand zich tegen zijn dij legt alsof ze zichzelf moet stabiliseren, alsof ook zij op het punt staat te vallen.
'Je denkt nog steeds aan haar,' zegt ze, en het is geen vraag. Haar hand stopt, even maar, lang genoeg dat hij het voelt als verlies, als pijn. 'Aan het meisje. De blonde. Ik zag haar foto. Op je nachtkastje.'
Hij wil ontkennen, wil zeggen dat ze het mis heeft, maar zijn lichaam verraadt hem—een pulsering in haar hand, een stilte in zijn ademhaling die te lang duurt. Ze lacht—niet gemeen, niet meelevend, maar met iets dat lijkt op herkenning.
'Ik ook,' zegt ze zacht. 'Ik denk ook aan iemand die ik niet kan hebben.'
Haar hand beweegt weer, deze keer doelgerichter. Ze leunt dichterbij, haar adem warm tegen zijn oor, en dan—haar lippen sluiten zich om zijn oorlel, een zuiging die zijn ruggengraat doet tintelen.
'Laat me,' fluistert ze. 'Laat me je helpen vergeten. Voor één nacht. Laat me—'
Ze trekt zich terug, net genoeg dat hij haar gezicht kan zien, haar ogen die glanzen met iets dat hij niet kan duiden—verdriet, verlangen, wanhoop, of een mengeling van alles. Haar hand beweegt weer, sneller nu, het ritme dwingend, eisend.
En dan—haar andere hand, de hand die tot nu toe stil is gebleven, beweegt naar haar eigen uniform. Een knoop, twee, drie—haar jasje valt open, en daaronder, strak en wit, haar borsten die zwaar zijn en rond, die bewegen met haar ademhaling.
'Kijk,' zegt ze, en haar stem is ruw, gespleten. 'Kijk naar mij. Niet naar haar. Niet naar hem. Alleen naar mij.'
Anton kijkt. Kan niet anders. Haar hand om hem heen, haar borsten die bijna uit haar ondergoed barsten, haar ogen die hem vasthouden als een anker in een storm. Het beeld van Angie en Harold probeert zich op te dringen—Harolds handen, donker op haar bleke huid, haar slipje—but hij duwt het weg, concentreert zich op Vira, op haar ademhaling, op het ritme van haar hand.
'Goed zo,' fluistert ze, alsof ze zijn strijdt voelt, zijn poging om in het moment te blijven. 'Goed zo. Bij me blijven. Voel me. Alleen mij.'
Haar hand versnelt, het ritme wordt onregelmatig, ademloos. Haar andere hand beweegt naar haar eigen borst, duwt het katoen opzij, en dan—haar vingers sluiten zich om haar eigen tepel, trekken er hard aan, een beweging die haar adem doet stokken.
'Ah—' De klank ontsnapt haar, ongewild, onprofessioneel, en ze bijt op haar lip alsof ze het terug wil nemen. Maar haar hand stopt niet, versnelt zelfs, en Anton voelt de druk bouwen, de climax naderen als een trein die niet kan stoppen.
'Kom,' fluistert Vira, en het woord is een bevel en een smeekbede tegelijk. 'Kom voor me. Laat me zien. Laat
Het orgasme treft hem als een golf, als de oceaan die hem heeft vastgehouden die nu binnenstroomt, die hem meevoert. Zijn hele lichaam trekt samen, zijn ruggengraat kromt, en hij spuit—warm, pulserend, eindeloos—over haar hand, over zijn eigen buik, over de lakens die nu vochtig en zwaar zijn van zijn ontlading.
Vira houdt hem vast, haar hand nog steeds om hem heen, maar zacht nu, strelend, helend. Haar ademhaling is snel, onregelmatig, en hij ziet—nu hij er echt kijkt, nu de mist van het orgasme optrekt—dat haar ogen glanzen. Niet van vermoeidheid. Van tranen, of van iets dat er dicht genoeg op lijkt.
“Dank je,” fluistert ze, en de woorden zijn onverwacht, onbegrijpelijk. “Dank je dat je me liet—dat ik—“
Ze zwijgt, schudt haar hoofd, en dan—haar hand trekt zich terug, langzaam, alsof ze niet wil loslaten. Ze pakt een doekje van het nachtkastje—hij had het niet eens gezien, dit meisje dat overal lijkt te zijn—en veegt voorzichtig zijn buik schoon, zijn geslacht, met bewegingen die te teder zijn voor iemand die ze pas heeft ontmoet, of misschien niet, misschien is ze er al langer, misschien is alles anders dan hij denkt.
“Rust nu,” zegt ze, en haar stem is weer die van de nachtzuster, professioneel maar warm, afstandelijk maar betrokken. “Je hebt rust nodig. Ik kom later terug. Als je iets nodig hebt, druk je op de knop. Ik hoor het.”
Ze wil weggaan, hij voelt het, de ruimte tussen hen die al groter wordt. “Wacht—“ kraakt hij, en het is de eerste keer dat hij spreekt, echt spreekt, en zijn stem is ruw, ongebruikt, een instrument dat stof heeft verzameld.
Vira draait zich om, haar hand op de deurknop, haar silhouet tegen het licht van de gang. “Ja?”
“Angie—“ Hij slikt, zijn keel droog, zijn woorden zoekend. “Mijn vriendin. Ze was hier. Zeg—zeg tegen haar dat—“
Hij weet niet wat hij wil zeggen. Dat hij het zag? Dat hij het niet begrijpt? Dat hij nog steeds van haar houdt, ondanks alles, ondanks het beeld dat zich in zijn hoofd heeft gebrand?
“Ik zal het doorgeven,” zegt Vira zacht, en er is iets in haar stem, iets dat lijkt op begrip, of medelijden, of misschien gewoon de vermoeidheid van iemand die te veel heeft gezien. “Rust nu, Anton. Morgen is een nieuwe dag.”
De deur sluit achter haar met een zacht klik, en hij is alleen. Alleen met zijn gedachten, zijn herinneringen, zijn lichaam dat nog steeds trilt van de nabijheid van iemand die hij niet kent, die hem heeft aangeraakt op een manier die hij niet begrijpt.
Hij staart naar het plafond, naar de schaduwen die dansen in het gedempte licht. Denkt aan Angie, aan haar gezicht in de menigte, aan de uitdrukking die hij niet kon duiden. Was het pijn? Genot? Verlangen naar iets dat hij haar niet kon geven?
En Harold. Altijd Harold. Zijn handen, donker tegen haar bleke huid. Haar slipje, dat tussen haar knieën hing alsof het was afgedaan, alsof er haast was, alsof—
Hij sluit zijn ogen, probeert het beeld te verdrijven. Maar het is er, altijd, gegrift in zijn netvlies. En erger—erger nog dan het zien—is de reactie van zijn lichaam. De warmte die opwells, de stijfheid die terugkeert, de schaamte die hem verzengt.
Hij is ziek. Dat moet het zijn. Om opgewonden te raken door het beeld van zijn vriendin met een andere man—er is iets mis met hem, iets diep verkeerds, iets dat niet genezen kan worden.
Maar de stijfheid blijft, groeit, ondanks zijn schaamte, ondanks zijn zelfhaat. En als hij zijn ogen weer opent, als hij naar het raam kijkt waar het donker achter hangt, ziet hij een reflectie—zijn eigen gezicht, verwrongen, bleek, ogen die te groot zijn in een gezicht dat te dun is geworden.
En achter hem, in de reflectie, een deur die opengaat.
Hij draait zijn hoofd—traag, pijnlijk, zijn nek stijf van de brace—en ziet haar. Vira. De nachtzuster. Ze draagt nu iets anders—geen wit uniform maar een jurk, eenvoudig, donker, die haar silhouet accentueert zonder het te onthullen. Haar haar is los, de vlecht eruit gehaald, de golvende massa over haar schouders gevallen.
Ze zegt niets. Loopt naar het bed, haar stappen zacht, bijna onhoorbaar. Bij zijn voeten blijft ze staan, haar ogen—bruin, groot, ondoorgrondelijk—op de plek waar het laken nog steeds verheven is, waar zijn opwinding zichtbaar is voor wie wil zien.
Ze blijft stil. Zo lang dat hij denkt dat ze weg zal gaan, dat dit een vergissing was, dat hij heeft gedroomd of hallucineerd van de medicatie. Maar dan—dan beweegt haar hand. Langzaam, alsof ze zichzelf tegenhoudt, alsof elke centimeter een overwinning is.
Haar vingertoppen raken het laken. Blijven liggen. En dan—trekken.
Het witte katoen glijdt omlaag, centimeter voor centimeter, en de koele lucht van de kamer raakt zijn huid—warm, gespannen, onvermijdelijk opgewonden. Hij sluit zijn ogen, kan niet kijken, kan niet zien hoe ze naar hem kijkt, wat ze denkt, wat ze voelt.
Maar hij hoort haar ademhaling—sneller nu, onregelmatig. Hoort de zachte klik van haar schoenen die een stap dichterbij komen. En dan—haar hand, echt haar hand, geen vingertoppen maar haar hele palm, om hem heen, warm en zeker en—
'O god,' fluistert hij, en het is geen gebed maar een vloek, een toelating, een val.
Haar hand beweegt. Traag, te traag, elke seconde een eeuwigheid van sensatie. Ze leert hem kennen—de vorm van hem, de lengte, de manier waarop hij reageert op druk op bepaalde plekken, de manier waarop hij trilt wanneer haar duim over de onderkant van de eikel strijkt.
En hij leert haar—de manier waarop ze ademhaalt, de kleine geluidjes die ze maakt in haar keel, de manier waarop haar andere hand zich tegen zijn dij legt alsof ze zichzelf moet stabiliseren, alsof ook zij op het punt staat te vallen.
'Je denkt nog steeds aan haar,' zegt ze, en het is geen vraag. Haar hand stopt, even maar, lang genoeg dat hij het voelt als verlies, als pijn. 'Aan het meisje. De blonde.'
Hij wil ontkennen, wil zeggen dat dit moment alleen over haar gaat, over hen, over deze vreemde, onverwachte verbinding in de nacht van een ziekenhuis. Maar hij kan niet liegen, niet terwijl ze hem vasthoudt, niet terwijl haar ogen zo dichtbij zijn dat hij zijn eigen reflectie ziet.
'Ja,' zegt hij, en het woord kost hem meer dan hij wil toegeven.
Vira knikt, langzaam, alsof dit is wat ze verwachtte, wat ze wilde horen. Haar hand begint weer te bewegen, trager nu, meer gefocust, alsof ze iets wil bewijzen, iets wil overschrijven.
'Dan zullen we er samen aan denken,' zegt ze. 'Jij aan haar. Ik aan hem. En wij—' Haar hand versnelt, wordt strakker, en hij voelt de climax naderen als een trein die niet kan stoppen. 'Wij aan elkaar. Vannacht. Alleen vannacht.'
Ze buigt zich voorover, haar lippen tegen zijn oor, haar adem heet en zwaar. 'Kom voor me,' fluistert ze. 'Laat me zien. Laat me voelen.'
En hij doet het—niet door keuze, maar door overgave, door de onmogelijkheid van verzet. De climax treft hem als een golf, als de oceaan die hem heeft vastgehouden die nu binnenstroomt, die hem meevoert. Zijn hele lichaam trekt samen, zijn ruggengraat kromt, en hij spuit—warm, pulserend, eindeloos—over haar hand, over zijn eigen buik, over de lakens die nu vochtig en zwaar zijn van zijn ontlading.
Vira houdt hem vast, haar hand nog steeds om hem heen, maar zacht nu, strelend, helend. Haar ademhaling is snel, onregelmatig, en hij ziet—nu hij er echt kijkt, nu de mist van het orgasme optrekt—dat haar ogen glanzen. Niet van vermoeidheid. Van tranen, of van iets dat er dicht genoeg op lijkt.
'Dank je,' fluistert ze, en de woorden zijn onverwacht, onbegrijpelijk. 'Dank je dat je me liet—dat ik—'
Ze zwijgt, schudt haar hoofd, en dan—haar hand trekt zich terug, langzaam, alsof ze niet wil loslaten. Ze pakt een doekje van het nachtkastje—hij had het niet eens gezien, dit meisje dat overal lijkt te zijn—en veegt voorzichtig zijn buik schoon, zijn geslacht, met bewegingen die te teder zijn voor iemand die ze pas heeft ontmoet, of misschien niet, misschien is ze er al langer, misschien is alles anders dan hij denkt.
'Rust nu,' zegt ze, en haar stem is weer die van de nachtzuster, professioneel maar warm, afstandelijk maar betrokken. 'Je hebt rust nodig. Ik kom later terug. Als je iets nodig hebt, druk je op de knop. Ik hoor het.'
Ze wil weggaan, hij voelt het, de ruimte tussen hen die al groter wordt. 'Wacht—' kraakt hij, en het is de eerste keer dat hij spreekt, echt spreekt, en zijn stem is ruw, ongebruikt, een instrument dat stof heeft verzameld.
Vira draait zich om, haar hand op de deurknop, haar silhouet tegen het licht van de gang. 'Ja?'
'Angie—' Hij slikt, zijn keel droog, zijn woorden zoekend. 'Mijn vriendin. Ze was hier. Zeg—zeg tegen haar dat—'
Hij weet niet wat hij wil zeggen. Dat hij het zag? Dat hij het niet begrijpt? Dat hij nog steeds van haar houdt, ondanks alles, ondanks het beeld dat zich in zijn hoofd heeft gebrand?
'Ik zal het doorgeven,' zegt Vira zacht, en er is iets in haar stem, iets dat lijkt op begrip, of medelijden, of misschien gewoon de vermoeidheid van iemand die te veel heeft gezien. 'Rust nu, Anton. Morgen is een nieuwe dag.'
De deur sluit achter haar met een zacht klik, en hij is alleen. Alleen met zijn gedachten, zijn herinneringen, zijn lichaam dat nog steeds trilt van de nabijheid van iemand die hij niet kent, die hem heeft aangeraakt op een manier die hij niet begrijpt.
Hij staart naar het plafond, naar de schaduwen die dansen in het gedempte licht. Denkt aan Angie, aan haar gezicht in de menigte, aan de uitdrukking die hij niet kon duiden. Was het pijn? Genot? Verlangen naar iets dat hij haar niet kon geven?
En Harold. Altijd Harold. Zijn handen, donker tegen haar bleke huid. Haar slipje, dat tussen haar knieën hing alsof het was afgedaan, alsof er haast was, alsof—
Hij sluit zijn ogen, probeert het beeld te verdrijven. Maar het is er, altijd, gegrift in zijn netvlies. En erger—erger nog dan het zien—is de reactie van zijn lichaam. De warmte die opwells, de stijfheid die terugkeert, de schaamte die hem verzengt.
Hij is ziek. Dat moet het zijn. Om opgewonden te raken door het beeld van zijn vriendin met een andere man—er is iets mis met hem, iets diep verkeerds, iets dat niet genezen kan worden.
Maar de stijfheid blijft, groeit, ondanks zijn schaamte, ondanks zijn zelfhaat. En als hij zijn ogen weer opent, als hij naar het raam kijkt waar het donker achter hangt, ziet hij een reflectie—zijn eigen gezicht, verwrongen, bleek, ogen die te groot zijn in een gezicht dat te dun is geworden.
En achter hem, in de reflectie, een deur die opengaat.
Hij draait zijn hoofd—traag, pijnlijk, zijn nek stijf van de brace—en ziet haar. Vira. De nachtzuster. Ze draagt nu iets anders—geen wit uniform maar een jurk, eenvoudig, donker, die haar silhouet accentueert zonder het te onthullen. Haar haar is los, de vlecht eruit gehaald, de golvende massa over haar schouders gevallen.
Ze zegt niets. Loopt naar het bed, haar stappen zacht, bijna onhoorbaar. Bij zijn voeten blijft ze staan, haar ogen—bruin, groot, ondoorgrondelijk—op de plek waar het laken nog steeds verheven is, waar zijn opwinding zichtbaar is voor wie wil zien.
Ze blijft stil. Zo lang dat hij denkt dat ze weg zal gaan, dat dit een vergissing was, dat hij heeft gedroomd of hallucineerd van de medicatie. Maar dan—dan beweegt haar hand. Langzaam, alsof ze zichzelf tegenhoudt, alsof elke centimeter een overwinning is.
Haar vingertoppen raken het laken. Blijven liggen. En dan—trekken.
Het witte katoen glijdt omlaag, centimeter voor centimeter, en de koele lucht van de kamer raakt zijn huid—warm, gespannen, onvermijdelijk opgewonden. Hij sluit zijn ogen, kan niet kijken, kan niet zien hoe ze naar hem kijkt, wat ze denkt, wat ze voelt.
Maar hij hoort haar ademhaling—sneller nu, onregelmatig. Hoort de zachte klik van haar schoenen die een stap dichterbij komen. En dan—haar hand, echt haar hand, geen vingertoppen maar haar hele palm, om hem heen, warm en zeker en—
'O god,' fluistert hij, en het is geen gebed maar een vloek, een toelating, een val.
Haar hand beweegt. Traag, te traag, elke seconde een eeuwigheid van sensatie. Ze leert hem kennen—de vorm van hem, de lengte, de manier waarop hij reageert op de druk op bepaalde plekken, de manier waarop hij trilt wanneer haar duim over de onderkant van de eikel strijkt.
En hij leert haar—de manier waarop ze ademhaalt, de kleine geluidjes die ze maakt in haar keel, de manier waarop haar andere hand zich tegen zijn dij legt alsof ze zichzelf moet stabiliseren, alsof ook zij op het punt staat te vallen.
'Je denkt nog steeds aan haar,' zegt ze, en het is geen vraag. Haar hand stopt, even maar, lang genoeg dat hij het voelt als verlies, als pijn. 'Aan het meisje. De blonde. Ik zag haar foto. Op je nachtkastje.'
Hij wil ontkennen, wil zeggen dat ze het mis heeft, maar zijn lichaam verraadt hem—een pulsering in haar hand, een stilte in zijn ademhaling die te lang duurt. Ze lacht—niet gemeen, niet meelevend, maar met iets dat lijkt op herkenning.
'Ik ook,' zegt ze zacht. 'Ik denk ook aan iemand die ik niet kan hebben





