
Na uren van klimmen en afdalen door de passen waar het pad soms niet breder is dan zijn schouder, ziet hij de herberg. Het gebouw klampt zich vast aan de bergflank als een mossel aan een rotsblok — laag, gedrongen, met een dak van donkere houten dakspanen die door de weersinvloeden de kleur van teer hebben gekregen. Uit een stenen schoorsteen kringelt rook die de geur van geroosterd varkensvlees en gekookte rijst met zich meedraagt. Een lantaarn met een rood papieren omhulsel hangt naast de deur, die al half open staat door de tocht die door de vallei trekt.
Hitohisa duwt de deur volledig open met de knokkel van zijn wijsvinger en stapt naar binnen. De gelagkamer is klein — vier tafels van ongeschaafd grenen, een bar die uit één enkele gebeeldhouwde plank bestaat, en een haard waarin een vuur brandt dat de ruimte verwarmt tot een temperatuur die de kou van buiten plots tastbaar maakt. Aan de muren hangen gedroogde kruidenbossen en een kalligrafiescrol waarvan de inkt vervaagd is door jaren van keukenrook. De vloer bestaat uit aangestampte aarde bedekt met rieten matten die hun beste tijd hebben gehad.
Achter de bar staat een man die de herbergier moet zijn. Hij is ouder, zwaar gebouwd, met een buik die de voorkant van zijn gewaad straktrekt als een overrijpe meloen in een doek. Zijn gezicht is rond, zijn wangen rood van het vuur en van iets sterks dat hij blijkbaar doorlopend nuttigt. Zijn ogen, klein en slim, gaan naar Hitohisa's zwaard — de katana die aan zijn zijde hangt in een schede van donker gelakt hout — en dan naar zijn gezicht, en de herbergier herkent het type. De krijger. De zwijgzame. Het soort dat betaalt met goud en geen lastige vragen stelt over de herkomst.
"Zoek je een kamer, heer?" De stem van de herbergier is verrassend zacht, als die van een man die geleerd heeft om grootte te compenseren met beleefdheid.
Hitohisa kijkt de gelagkamer rond. Twee van de vier tafels zijn bezet — een paar kooplieden die hun maaltijd naar binnen werken met de efficiëntie van mannen die morgen weer veertig li moeten afleggen, en een eenzame reiziger die in een hoekje zijn soep staart alsof er antwoorden in drijven. Hij knikt. Eén keer. Dat is voldoende.
Hij loopt naar de bar, en zijn vingers pakken twee gouden munten uit de beurs aan zijn sjerp en leggen ze op het hout. Het geluid dat ze maken — het dubbele ting — is helder en zwaar tegelijk, als een klokslag in een kleine tempel. "Een kamer met een bad," zegt hij. Zijn stem is laag en vlak, als stenen die over water scheren.
De ogen van de herbergier worden groter dan zijn gezicht toelaat. Zijn vingers — dik, met knokkels die verdwijnen in het vlees — pakken de munten met een behendigheid die niet bij zijn postuur past. Hij draait ze om, controleert het gewicht door ze op zijn duimnagel te laten balanceren, en knikt. "Natuurlijk, heer. Natuurlijk." Hij stopt de munten in de plooi van zijn gewaad en verdwijnt door een deur achter de bar, zijn voetstappen piepend op de houten vloer.
In de gelagkamer beweegt iets. Hitohisa merkt het op zoals hij alles opmerkt — niet met een ruk van zijn hoofd, maar met een verschuiving van zijn blik, een minuscule beweging van zijn ooghoeken. Een jonge vrouw loopt tussen de tafels door, een kan warme thee inschenkend bij de kooplieden. Ze draagt een simpele Chinese gewaad van ongebleekt katoen, de kleur van room, met een ceintuur die haar middel benadrukt. Haar haar is in een losse knot bijeengebonden met een scharlaken koord, en een paar losse slierten vallen langs haar nek. Ze beweegt met de vloeiende efficiëntie van iemand die deze ruimte honderden keren heeft doorlopen en elke tafelpoot, elke drempel, elke oneffenheid in de vloer kent. Haar voeten maken geen geluid op de matten.
De herbergier keert terug, en de brede glimlach op zijn gezicht is die van een man die zojuist een week omzet in één avond heeft binnengehaald. Hij loopt naar de serveerster, buigt zich naar haar toe, en fluistert iets. Zijn hand maakt een gebaar naar boven. De jonge vrouw — haar profiel nu zichtbaar voor Hitohisa: een rechte neus, volle lippen, een kaaklijn die scherp afloopt naar een gracieuze hals — kijkt heel even in zijn richting. Het is een blik die korter duurt dan een hartslag. Dan draait ze zich om en loopt naar de trap aan de achterzijde van de gelagkamer, haar voeten geluidloos op de houten treden, en ze verdwijnt naar boven.
De herbergier komt naar Hitohisa's tafel — Hitohisa heeft inmiddels plaatsgenomen bij het raam, zijn rug naar de muur, zijn zwaard binnen handbereik tegen de tafelpoot geleund — en brengt een bord met gestoomde varkensbuik in een donkere, glanzende saus, een kom rijst, en een kom misosoep waar de geur van zeewier en gefermenteerde soja uit opstijgt. "Uw kamer is boven, heer. De trap op, tweede deur rechts. Het bad wordt klaargemaakt." Hij buigt, een buiging die diep genoeg is om respect te tonen maar niet diep genoeg om onderdanigheid te suggereren, en hij trekt zich terug.
Hitohisa eet. Hij eet zoals hij alles doet — met aandacht, zonder haast, elke hap genietend met de volle concentratie van een man die weet dat voedsel brandstof is voor een lichaam dat morgen weer veertig li moet afleggen. De varkensbuik is mals, de saus zoet en zout tegelijk, met een ondertoon van steranijs. De rijst is klef maar warm. De soep is troostend. Tegen de tijd dat de kom leeg is, heeft buiten de laatste schemering plaatsgemaakt voor een duisternis die de bergen vervaagt tot massieve silhouetten. Hij staat op, pakt zijn zwaard, en loopt naar de trap.
De houten treden kraken onder zijn gewicht. De overloop is smal, verlicht door één olielamp die aan een haak in de muur hangt en een flakkerend, oranje licht verspreid dat de schaduwen van de balken op de vloer werpt. Tweede deur rechts. Hij schuift de papieren schuifdeur open.
De kamer is klein maar functioneel. Een bed tegen de muur — een matras van gestapeld katoen op een houten frame, bedekt met lakens van ongebleekt linnen. Een raam dat uitkijkt op de bergpas, waar de maan net boven de kam van de hoogste piek uitkomt en een zilverblauw licht de kamer binnenlaat. Een stoel. Een waskom. En in het midden van de ruimte, gevuld met water dat stoomt als de adem van een draak, een houten badkuip.
En naast die badkuip staat de serveerster. Naakt.
Hitohisa's hand gaat niet naar zijn zwaard. Zijn lichaam verstijft niet. Hij staat in de deuropening en kijkt, en de eerste seconde is er alleen registratie: een vrouwenlichaam, jong, slank, met een huid die de kleur heeft van thee met een scheutje melk. Haar borsten zijn klein en rond, met tepels de kleur van bleke rozenblaadjes, hard geworden door de warmte van het badwater die als damp van haar huid opstijgt. Haar buik is plat, met een lichte welving net boven haar schaamstreek waar het maanlicht een schaduw werpt. Haar schaamhaar is donker en kort, netjes bijgehouden. Haar handen hangen langs haar zijde, en ze kijkt hem aan met een blik die noch uitdagend noch timide is — het is de blik van iemand die een taak komt vervullen.
"Wat kom je doen?" Zijn stem is vlak. Geen beschuldiging. Een vraag.
"Ik ben hier om u te plezieren," zegt ze, "en om u te helpen met het bad." Haar stem is zacht, met een lichte regionale klank die de klinkers rond maakt. Ze staat stil, ontspannen, haar gewicht gelijkmatig verdeeld over beide voeten.
Hitohisa's blik gaat van haar naar de stoom die van het badwater opstijgt. Twee gouden munten. De herbergier heeft hem blijkbaar een behandeling gegeven die de gemiddelde reiziger niet krijgt. Hij stapt de kamer binnen en schuift de schuifdeur achter zich dicht.
Ze komt naar hem toe, en haar handen — klein, met vingers die de eelt hebben van iemand die pannen en dienbladen hanteert — gaan naar de sluiting van zijn sjerp. Ze kleedt hem uit met een efficiëntie die verraadt dat ze dit vaker heeft gedaan, maar ook met een zachtheid die iets anders suggereert. De sjerp valt open. Ze helpt hem uit zijn bovenkleed, en het gewaad glijdt van zijn schouders. Onder de zijde is zijn lichaam dat van een krijger: de spieren van zijn rug en schouders zijn niet opgezet maar functioneel, het soort kracht dat voortkomt uit duizenden uren zwaardwerk. Zijn buik is plat en hard, de ribben zichtbaar onder een vel dat door de zon gebruind is tot de kleur van oud leer. Littekens — dunne, zilverige lijnen — kruisen zijn zij en zijn borst als de sporen van een penseel.
Ze knielt om zijn sandalen los te maken, en haar vingers raken zijn enkels aan — een aanraking die koel is tegen zijn huid die warm is van het klimmen. Hij stapt uit de sandalen. Ze trekt zijn broek naar beneden, en hij stapt eruit. Zijn onderkleding volgt. Hitohisa pakt alles bijeen, vouwt het — nauwkeurig, zoals een samoerai zijn wapens vouwt: geen kreukel, geen wanorde — en legt het op de stoel, samen met zijn katana die hij uit zijn sjerp haalt en ernaast legt. Het staal in de schede maakt een zacht, metaalachtig geluid tegen het hout.
Hij draait zich om en stapt naar het bad. Het water is heet — zo heet dat zijn huid onmiddellijk rood kleurt — maar hij laat niets merken. Hij stapt erin en laat zich zakken tot het water tot zijn borst komt. De warmte trekt door zijn spieren, door de banden die uren van lopen hebben aangespannen, en hij voelt hoe de spanning die hij als een tweede huid draagt langzaam begint los te laten.
De serveerster staat aan de rand van het bad en kijkt naar hem. Haar ogen — lichtbruin, de kleur van honing die in de zon staat — gaan eerst naar zijn gezicht. De hoekige kaak. De hoge jukbeenderen. De donkere ogen die alles opnemen en niets prijsgeven. Dan gaan haar ogen naar beneden, naar zijn schouders, zijn borst, zijn buik — de gebeeldhouwde strakheid van een lichaam dat gesmeed is door discipline. En dan gaan haar ogen nog lager, naar het water dat doorzichtiger is dan ze verwacht had, en ze ziet het. Zijn pik, zelfs in ontspannen staat, is fors — lang en dik, met een eikel die als een bleke steen uit de schimmige schaduw van zijn kruis naar voren komt.
"Mooi," zegt ze. Het woord is zacht en eerlijk, zonder koketterie. Het is een vaststelling, als een dief die een juweel taxeert.
Ze stapt het bad in — het water komt tot halverwege haar dijen, en de warmte maakt haar huid nog glanzender — en ze schuift achter hem. Haar benen gaan aan weerskanten van zijn heupen, en hij voelt de zachtheid van haar buik tegen zijn rug, de druk van haar borsten, en de warmte van haar adem in zijn nek. "Mijn naam is Sofiane," zegt ze, en haar stem is zo dicht bij zijn oor dat hij de trilling van de lucht kan voelen.
Hitohisa zegt niets. Hij knikt. Eén keer. Het is voldoende.
Het water is verrijkt met oliën — jasmijn, ylang-ylang, en iets aardsers, sandelhout misschien — en de geur die opstijgt is zwaar en zoet en verontrustend troostend. Sofiane pakt een spons — gemaakt van vezels van de sponskomkommer, ruw maar flexibel — en doopt hem in het water. Haar hand gaat naar zijn rug.
Ze wast hem met lange, cirkelende bewegingen die beginnen bij zijn schouderbladen en naar beneden gaan, over de vlakte van zijn rug, langs zijn wervelkolom die als een keten van knokkels onder zijn huid zit. De spons schuurt zacht over zijn huid, en de oliën schuimen licht. Ze wast zijn nek, en hij voelt haar vingers door de spons heen — de druk van haar knokkels tegen de spieren die urenlang zijn samengeknepen door het gewicht van zijn zwaard en de waakzaamheid van zijn missie. Haar handen gaan naar de voorkant. De spons wast zijn borst, en het water loopt in stroompjes over zijn buik.
Bij zijn tepels blijft ze hangen. Het is een vertraging die korter is dan een ademhaling maar langer dan toeval. De spons cirkelt om de linker tepel, en dan gaat haar andere hand — de hand zonder spons — naar zijn rechter tepel. Haar vingers pakken de tepel, en ze knijpt. Niet hard. Niet pijnlijk. Een kneepje dat ergens tussen irritatie en opwinding in valt, een kneepje dat zegt: ik weet wat ik doe.
Hitohisa's pik reageert voordat zijn geest een beslissing kan nemen. Het komt omhoog uit het water als een wezen dat zijn eigen wil heeft — lang, dik, stijf, de eikel glad en bleek in het stoomende water, de schacht geaderd en donker van bloed dat zich verzamelt. Het water golpt om de beweging.
Sofiane laat de spons zakken. Haar hand gaat onder water naar zijn pik, en ze pakt hem vast. Haar vingers sluiten zich om de schacht — ze kunnen hem niet helemaal omvatten, zo dik is hij — en haar hand begint te bewegen. Langzaam. Op en neer. De huid van zijn pik glijdt over de hardheid eronder, en hij voelt elke afzonderlijke vingertop, de lijnen van haar handpalm, de ruwe plek van haar eelt bij de basis van haar duim. Ze trekt hem zachtjes af onder water, en met elke beweging voelt hij het bloed harder pompen, voelt hij de stijfheid toenemen tot het bijna pijnlijk is.
Haar adem in zijn nek is warm en regelmatig, maar hij voelt de verandering — de iets snellere cadans, de iets diepere inademing. Hij wil haar. Nu.
Hij staat op. Water stroomt van zijn lichaam in watervallen die de badkuip doen golven, en zijn pik staat stijf naar voren, trots en onverbloemd, de eikel glinsterend van het water en de oliën. Hij draait zich naar haar toe. Haar ogen gaan naar zijn pik, en ze blijven daar even hangen — een blik die taxerend is maar ook waarderend. "Ik wil naar het bed," zegt hij.
Ze staat ook op, en het water loopt van haar lichaam in sluiers die haar huid laten glimmen als gepolijst jade. Ze pakt een handdoek — grof geweven katoen, de kleur van ongeoogste tarwe — en reikt hem aan. Met een andere handdoek begint ze hem af te drogen. Haar handen gaan over zijn schouders, zijn borst, zijn buik, zijn rug. Ze knielt om zijn benen af te drogen, en als ze bij zijn dijen is aangekomen, gaat de handdoek naar zijn kruis. Ze droogt zijn pik af — en ze doet het langzaam, te langzaam, haar hand wikkelt de handdoek om zijn schacht en beweegt op en neer alsof ze hem afdroogt van een heel andere vloeistof. Haar ogen gaan naar zijn gezicht, en ze kijkt hem aan terwijl ze daar knielt, de handdoek om zijn pik, en ze zegt: "Mooi en groot." De woorden zijn eerlijk en ongecompliceerd.
Dan droogt ze zichzelf af — snel, efficiënt — en de handdoek gaat over haar borsten, haar buik, tussen haar benen. Ze hangt de handdoek over de rand van de badkuip en loopt naar het bed.
Hitohisa loopt achter haar. Het maanlicht valt door het raam en verlicht de kamer in een zacht, zilverachtig licht dat alles het aanzien geeft van een schilderij — de schaduwen van de balken op de vloer, de stoom die nog van het badwater opstijgt, en Sofiane die op het bed gaat liggen. Hij gaat naast haar liggen. De lakens voelen koel aan tegen zijn door het bad verwarmde huid, en de combinatie van warm en koud is als een schok die zijn zintuigen scherpt.
Ze komt overeind. Haar hand grijpt zijn pik — en de aanraking is direct, zonder aarzeling, haar vingers sluiten zich om de schacht met de zekerheid van iemand die weet wat ze vasthoudt. Hij kijkt haar aan, en haar lichtbruine ogen vangen het maanlicht en geven het terug als twee kleine manen.
"Ontspan," zegt ze, en haar mond krult in een glimlach die de hoek van haar lip optilt. "Je gaat het lekker vinden."
Ze buigt voorover, en haar tong — roze, smal, nat — komt uit haar mond en likt zijn pik. Ze begint bij de basis, waar de schacht ontspruit uit zijn kruis, en ze likt naar boven, een lange, langzame streep die de onderkant van zijn schacht volgt tot ze bij de eikel komt. Haar tong draait om de eikel, cirkelend, en ze proeft het water, de oliën, en iets zoutigs dat van hemzelf is. Ze neemt de eikel in haar mond en zuigt, en het geluid dat het maakt is zacht en nat, een klein slurpend geluid dat de stilte van de kamer doorbreekt.
Haar lichaam in het maanlicht is iets uit een verhaal — de ronding van haar rug, de welving van haar heupen, de manier waarop haar borsten hangen als ze voorover buigt, de tepels donker en stijf. Haar huid vangt het zilveren licht en houdt het vast, en ze beweegt met een gracieuze traagheid die tegelijkertijd dienstbaar en vorstelijk is.
Haar mond daalt verder over zijn pik. Ze neemt hem diep, centimeter voor centimeter, en hij voelt de druk van haar tong tegen de onderkant van zijn schacht, de warmte van haar mond die hem omsluit, en dan de weerstand van haar keel die zich opent. Ze gaat tot achter in haar keel, en zijn pik duwt tegen de achterwand, en hij voelt de spieren van haar keel samentrekken — een reflex die ze onderdrukt met een beheersing die oefening verraadt. Ze trekt terug, en er verschijnt een draad speeksel tussen haar lippen en zijn eikel die glinstert in het maanlicht als een zilveren draad.
Zijn handen gaan naar haar. De ene hand pakt haar schouder, de andere glijdt over haar rug, over de welving van haar bil, en dan tussen haar benen. Zijn vingers vinden haar vagina — nat, niet alleen van het badwater maar van iets dat kleveriger is, warmer, dat uit haarzelf komt. Hij wrijft over haar klitje, en het is een kleine, harde knop onder zijn vingertop, en als hij eraan raakt, maakt ze een geluid — een zacht, gesmoord gekreun dat vibreert om zijn lul heen.
Ze kijkt naar hem, haar ogen vochtig en donker, en ze gaat weer verder met pijpen. Sneller nu. Haar hoofd gaat op en neer, en haar mond glijdt over zijn schacht met een ritme dat ze vindt en vasthoudt. Het geluid is nat en ritmisch — het zachte, zuigende geluid van een mond die werkt.
Zijn hand tussen haar benen duwt nu meerdere vingers naar binnen — twee, dan drie — in haar kutje dat zich opent als een bloem die warmte zoekt. Hij beweegt ze in en uit, en hij voelt de wanden van haar vagina, geribbeld en zacht, die zich om zijn vingers sluiten. Haar rug kromt — een boog die haar wervelkolom als een kat maakt — en ze kreunt om zijn lul heen, en de vibratie gaat door zijn hele schacht. Haar hoofd komt omhoog, en zijn vingers glijden uit haar, glinsterend van haar vocht dat als dauw aan zijn vingers hangt.
Ze staat op, en haar lichaam draait. Haar been gaat over zijn lichaam, en ze komt bovenop hem zitten, haar heupen boven de zijne, haar handen leunend op zijn borstkas. Haar natte kutje — de schaamlippen gezwollen en donker, de opening glinsterend — glijdt omlaag over zijn stijve pik. De eikel drukt tegen haar opening, en dan zakt ze omlaag, en hij ziet hoe zijn pik centimeter voor centimeter in haar verdwijnt, hoe haar kutje zich oprekt en hem omvat, hoe de schacht door haar lippen wordt opgeslokt tot hij helemaal in haar zit, tot aan de basis, en haar billen rusten tegen zijn ballen.
Ze begint te bewegen. Haar heupen draaien — een cirkelende, kantelende beweging die zijn pik in haar rond laat gaan, die de druk verplaatst van de ene wand naar de andere. En dan gaat ze op en neer, en het ritme dat ze vindt is langzaam en diep, en bij elke neerwaartse beweging neemt ze hem helemaal, en bij elke opwaartse beweging trekt haar kutje aan zijn schacht als een mond die zuigt.
"Ahh... je bent zo groot..." Haar stem is een zucht, een adem die breekt. "Je pik is zo... zo hard..." Ze beweegt, en haar heupen vinden een ritme dat sneller wordt. "Mijn kutje wordt... door je pik... zo... ahhh... gevuld..."
Hij voelt het — de warmte, de zachtheid van haar vaginale binnenwanden die zich om zijn pik sluiten als een handschoen die specifiek voor hem gemaakt is. Het is een gevoel dat hem omsluit, dat hem trekt, dat hem aftrekt met elke beweging die zij maakt. Haar strakke kutje gaat op en neer, en de opwinding bouwt zich op in zijn lendenen als het water dat tegen een dam aan drukt.
Zijn handen gaan naar haar billen. Hij pakt ze vast — de ronding past in zijn handpalmen als twee perfecte schalen — en hij helpt haar met de beweging. Hij stoot zijn pik omhoog, in en uit haar, en het ritme versnelt. Hun lichamen maken een geluid — het zachte, vlezige geluid van huid op huid, het natte, zuigende geluid van een pik in een kutje dat nat is.
Ze kreunt, en dan gaat haar hoofd naar voren. Haar lippen vinden de zijne, en terwijl hij haar nog neukt, kust ze hem — gepassioneerd, diep, haar tong in zijn mond, haar adem in zijn longen. De kus is nat en wanhopig en hongerig.
Dan trilt ze. Haar hele lichaam schokt, en haar spieren spannen zich, en haar kutje knijpt samen om zijn pik — een knellende, pulserende druk die hem bijna naar de rand duwt. Ze komt klaar. Haar orgasme overspoelt haar als een golf die een rots breekt, en haar vagina spuit — een straaltje helder vocht dat langs zijn pik naar buiten drupt en op de lakens landt, een donkere vlek makend die zich verspreidt. Haar mond laat de zijne los, en ze hijgt, en haar ogen zijn wijd en glazig.
Hij begint harder te stoten. Zijn heupen pompen omhoog, en zijn pik gaat in en uit haar met een kracht die haar hele lichaam laat schudden. Ze kreunt, en dan schreeuwt ze — een scherpe, hoge kreet die de nacht in snijdt.
Hij draait haar om. In één beweging — de beweging van een krijger die lichamen manipuleert als objecten die zijn wil gehoorzamen — komt zij onder hem, haar rug op het bed, haar haren uitgespreid op het linnen als donkere inkt. Hij tilt haar benen omhoog, legt ze over zijn schouders, en de hoek die zo ontstaat opent haar nog verder. Hij stoot naar binnen — dieper nu, tot hij haar baarmoedermond raakt — en ze kreunt, en haar handen grijpen de lakens vast.
"Ahh... dieper... je bent... zo diep..." Haar stem is fragmentair, gebroken. "Mijn kutje... door je pik... zo... ahhh..."
Hij neukt haar wild. Zijn heupen pompen met een ritme dat geen genade kent, en zijn pik gaat in en uit haar met lange, diepe halen die haar hele lichaam verschuiven op het bed. De lakens kreuken onder haar rug, en het geluid van hun paren — het natte, ritmische klappen van lichamen die samenkomen — vult de kamer.
Dan voelt hij het. De druk die zich opbouwt in zijn lendenen, de hitte die zich concentreert in zijn ballen, het onvermijdelijke van een golf die gaat breken. Hij houdt zich stil. Zijn heupen persen zich naar voren, en zijn pik duwt diep in haar, en hij komt. Zijn sperma spuit — warm, dik, wit — in golven die haar kutje vullen. Hij spuit haar vol, en met elke golf voelt hij zijn pik samentrekken, voelt hij haar kutje om hem heen pulseren. Het sperma dat niet in haar past druppelt langs zijn schacht naar buiten, een dikke, witte substantie die contrasteert met haar glinsterende, donkere schaamlippen.
Ze zoent hem. Hard, diep, haar tanden tegen zijn lippen, haar tong in zijn mond, en haar armen om zijn nek. Hij voelt haar lichaam nog naschokken, en haar kutje knijpt nog na om zijn pik die langzaam zachter wordt.
Hij trekt zich terug. Zijn pik glijdt uit haar met een zacht, nat geluid, en hij ziet haar kutje — openstaand, de lippen gezwollen en donkerrood, de opening die niet sluit, en het sperma dat eruit loopt. Een dikke, witte stroom die over haar perineum druipt en een plakkerige vlek op de lakens maakt. Het is een beeld dat hem even vasthoudt — het bewijs van wat er zojuist is gebeurd, tastbaar en onmiskenbaar.
Hij buigt voorover en geeft haar een zoen op haar voorhoofd. Een zacht, droog contact dat anders is dan de kussen van zojuist — het is een gebaar van dank, of misschien van tederheid die hij niet onder woorden kan brengen. Hij gaat naast haar liggen. Zijn pik, nog halfstijf, druipt na — een mengsel van haar vocht en zijn sperma dat langs de schacht omlaag glijdt en op zijn dij druppelt.
Ze draait zich in zijn armen. Haar hoofd vindt zijn borstkas, en haar oor drukt tegen zijn huid, en ze kijkt naar hem op. Haar lichtbruine ogen — in het maanlicht bijna goud — zijn zacht en voldaan. Ze is echt knap, bedenkt hij. Dat is geen gedachte die hij verwacht had te hebben. Hij trekt haar tegen zich aan, en het sperma dat uit haar kutje loopt, bevuilt zijn benen. Hij neemt het op de koop toe.
Ze liggen stil. Het plafond boven hen is donker, en de schaduwen van het maanlicht bewegen langzaam naarmate de maan verschuift aan de hemel. De schaduwen van de balken kruipen over het plafond als de poten van een reuzenspin. Hij kijkt naar de schaduwen, dan naar haar.
"Je bent mooi, Sofiane," fluistert hij in haar oor. De woorden zijn zacht en naar waarheid.
Ze glimlacht — een lichte krul van haar lippen die haar ogen bereikt — en haar oogleden worden zwaar. Ze zakt weg in een lichte slaap, haar adem diep en regelmatig tegen zijn borst, en hij voelt haar warmte, haar gewicht, de zachte druk van haar borst tegen zijn zij. Hij blijft wakker, want een samoerai slaapt nooit diep als hij op missie is. Maar zijn lichaam ontspant zich, en de warmte van het bed en de geur van de oliën en de geur van haar en de geur van seks mengen zich tot een cocktail die hem drijft naar een staat die het dichtst bij rust komt wat hij kent.
De ochtend komt. De eerste stralen van de zon — goud en scherp — vallen door het raam en leggen een warme rechthoek over de vloer die langzaam het bed bereikt. Hitohisa opent zijn ogen. Naast hem, al in beweging, stapt Sofiane uit het bed. Ze is naakt, en het ochtendlicht geeft haar huid een warme, honingkleurige gloed die anders is dan het zilver van de maan. Ze loopt naar het bad, en zonder aarzeling begint ze het oude water af te tappen en vers water in te laten lopen. Ze giet emmers heet water uit een ketel die op een klein komfoor staat, en ze voegt oliën toe — dezelfde jasmijn en sandelhout als gisteren, en de geur verspreidt zich door de kamer als een onzichtbare bloem.
"Uw bad is zo klaar," zegt ze. "Het is nu nog te heet." Haar stem is zakelijk, de stem van een serveerster die een taak uitvoert, en er is niets in die stem dat herinnert aan de kreunende vrouw van de afgelopen nacht.
Hitohisa knikt. Hij zit inmiddels op de rand van het bed, en hij kijkt naar de stoel waarop zijn kleren nog steeds liggen — netjes opgevouwen, geordend, precies zoals hij ze heeft neergelegd. Zijn katana ernaast, de schede donker en ondoorgrondelijk. Het beeld van orde en gereedschap, en het geeft hem een gevoel van zekerheid die de afgelopen nacht even was verdwenen.
Sofiane geeft een teken. Ze stapt in het bad — het water komt tot haar heupen — en ze steekt haar hand uit. Hij komt aangelopen, pakt haar hand, en ze helpt hem het bad in te stappen. Het water is heet, en de oliën leggen een laag op zijn huid die zacht en glad is. Ze pakt de spons, en ze verschoont zijn gehele lijf — zijn rug, zijn borst, zijn armen, zijn benen, zijn nek. Ze wast hem met dezelfde efficiënte zorg als gisteren, maar zonder de vertragende kneepjes, zonder de suggestieve rondjes. Het is een reiniging, niet een verleiding.
De geuren van de oliën mengen zich met de stoom, en hij ademt ze in. Hij denkt dat hij nog nooit zo lekker en fris heeft geroken als nu — en dat na een heerlijke seksnacht. De gedachte is er en weg, als een steen die in water wordt gegooid.
Na het bad drogen ze zich af. Ze staan naast elkaar bij het bed, en de handdoeken gaan over hun lichamen, en er is een gemakkelijke stilte tussen hen die niet gevuld hoeft te worden. Hij kleedt zich aan — de onderkleding, de broek, de sjerp die hij strak trekt, het bovenkleed dat hij gladstrijkt. Hij pakt zijn katana en bevestigt hem aan zijn zijde. De seconde dat het gewicht van het zwaard aan zijn heup hangt, is de seconde dat Hitohisa — Stille Storm — volledig terugkeert.
Zij kleedt zich ook aan. De Chinese gewaad van roomkleurig katoen, de ceintuur, het scharlaken koord in haar haar. De serveerster is terug, en de vrouw van de nacht is weg, opgeborgen achter de stof en de functie.
Ze dalen de trap af. Beneden wacht de herbergier al met het ontbijt — rijstepap met honing, gezouten vis, en thee. Hij glimlacht breed, en zijn ogen gaan van Hitohisa naar Sofiane en terug, en de glimlach wordt breder, maar hij zegt niets. Sofiane gaat aan het werk. Ze serveert de kooplieden die aan een van de tafels zitten, en ze loopt met de theepot door de gelagkamer, en haar voeten maken geen geluid op de matten. Alsof er vannacht niets is gebeurd.
Hitohisa eet. De rijstepap is warm en zoet, de vis zout en vettig, en de thee is groen en bitter. Het is een goed ontbijt. Als hij klaar is, staat hij op. Hij loopt naar Sofiane, die bij de bar staat met een lege dienblad in haar handen. Ze draait zich naar hem om.
Hij buigt voorover en geeft haar een zoen. Het is een zoen die zacht is, en kort, en openbaar — een zoen die zegt wat hij niet in woorden kan vatten. "Tot ziens," zegt hij.
Ze kijkt hem aan, en in haar ogen — die lichtbruine ogen die in het ochtendlicht de kleur van amber hebben — is iets dat zou kunnen doorbreken, maar het niet doet. Ze knikt. "Tot ziens."
Hij draait zich om. Hij loopt naar de herbergier, die achter de bar staat en zijn handen wast in een kom. "Dank u," zegt Hitohisa. De herbergier buigt. "De bergen zijn met u, heer."
Hitohisa loopt naar de deur, schuift hem open, en stapt naar buiten. De berglucht slaat hem tegemoet — koud, dun, de geur van sneeuw en steen. De zon staat boven de pieken, en het pad dat hij moet volgen gaat omhoog, de bergen in, naar de dief en het gouden masker. Zijn missie wacht. Hij begint te lopen.




