Door: Daan.2025
Datum: 25-02-2026 | Cijfer: 9 | Gelezen: 271
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 9 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Bos, Voyeurisme,
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 9 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Bos, Voyeurisme,
Waar Het Bos Niet Wegkijkt

Geen lantaarns. Geen camera’s. Alleen schaduw, vochtige aarde en het zachte ritme van twee lichamen die zich op elkaar hadden afgestemd.
Luna liep voor Milan uit. Bewust. Haar heupen volgden geen haast, maar intentie. De dunne stof van haar jas bewoog bij elke stap, en daaronder — nauwelijks zichtbaar, maar voor hem onmogelijk te negeren — tekenden zich de twee sierlijke vormen af.
De broches.
Of beter gezegd: het metaal dat door haar huid ging, koel en provocerend, een belofte die nooit hardop werd uitgesproken.
“Je kijkt,” zei ze zonder zich om te draaien.
“Ik kijk altijd,” antwoordde hij. “Maar jij weet precies wanneer.”
Ze glimlachte. Dat hoorde hij aan de manier waarop haar schouders ontspanden.
Het bos rook naar nat hout en iets dierlijks. Alsof het wist dat ze er waren. Alsof het luisterde.
Toen ze van het pad afweek, volgde hij zonder te vragen. Takken streken langs zijn jas. Haar hand gleed even langs de zijne — geen greep, alleen huid die toestemming gaf.
De open plek lag daar als een geheim dat niet verborgen wilde blijven.
Licht filterde door het bladerdak. Groen. Zacht. Verraderlijk rustig.
Luna draaide zich naar hem om en liet haar jas langzaam van haar schouders glijden. Niet helemaal uit. Net genoeg.
“Hier,” zei ze zacht. “Is het anders.”
Milan kwam dichterbij. Hun lichamen raakten elkaar niet meteen. De ruimte ertussen trilde. Hij rook haar — warm, bekend, met die ondertoon die altijd gevaar beloofde.
Zijn hand vond haar middel. Haar adem stokte, nauwelijks hoorbaar.
“Niet haasten,” fluisterde ze. “Dit bos heeft geduld.”
Hij boog zijn hoofd. Zijn lippen raakten haar hals, niet als een kus, maar als een vraag. Ze antwoordde door haar hoofd iets te kantelen, meer huid aan te bieden.
Ze lachten zacht toen zijn baard haar liet huiveren.
“Je doet dit expres,” zei hij.
“Altijd,” antwoordde ze. “Maar alleen bij jou.”
Zijn vingers gleden onder de rand van haar trui. Warmte. Spanning. Het subtiele reliëf van het metaal onder de stof, voelbaar zonder direct aan te raken.
“Ze horen bij me,” zei ze toen hij aarzelde. “Zoals jij nu.”
Dat was het moment.
Een geluid.
Geen stem. Geen stap.
Een tak die brak.
Hun lichamen verstarden niet — ze werden scherper. Alerter. Zijn hand bleef waar hij was, alsof terugtrekken erger zou zijn dan doorgaan.
Milan keek langs haar schouder.
Tussen de bomen stond een man. Groene jas. Pet. Een boswachter. Zijn houding was rustig, maar zijn blik… bleef hangen.
Niet schokkend.
Niet voyeuristisch.
Observerend.
De ogen gleden langs hen. Te langzaam om toevallig te zijn.
Luna voelde het. Ze draaide haar hoofd iets, net genoeg om de man te zien — en deed niets om zich te bedekken.
Integendeel.
Ze leunde iets verder tegen Milan aan. Claimde hem. Haar hand vond de zijne en drukte die steviger tegen haar lichaam.
De boswachter keek. En keek toen weg.
Zonder woord. Zonder oordeel.
Maar hij had gezien.
Toen hij verdwenen was, lachte Luna zacht — laag, warm.
“Dat,” fluisterde ze, “maakt het levend.”
Milan ademde diep uit. Zijn voorhoofd rustte tegen het hare.
“Je bent niet bang.”
“Nee,” zei ze. “Ik voel me… gekozen.”
Ze bleven nog. Langzaam. Intiem. Geen haast, geen climax — alleen het pulserende besef van samen zijn, terwijl het bos alles opsloeg.
De tweede keer was gevaarlijker.
Niet door afstand.
Maar door nabijheid.
De houten uitkijktoren kraakte zacht onder hun gewicht. Gesloten voor publiek, vergeten door de stad. Het licht van de ondergaande zon viel door de kieren, streelde Luna’s huid als goudstof.
Ze zat op de rand, benen losjes bungelend. Milan stond tussen haar knieën, zijn jas half om haar heen geslagen.
Zijn handen rustten op haar dijen. Niet bezitterig. Beschermend.
“Denk je,” zei ze zacht, terwijl haar vingers speels één van haar broches door de stof heen volgden, “dat mensen voelen wanneer ze bekeken worden?”
“Ja,” zei hij. “En jij voelt het eerder dan de rest.”
Ze keek hem aan. Diep. Open. Zonder spel.
Toen klonk er beneden een deur.
Voetstappen. Rustig. Doelgericht.
Milan draaide zich om.
Een vrouw stond op de trap. Geen uniform. Geen haast. Een telefoon losjes in haar hand, maar het scherm was donker.
Ze keek niet naar Luna’s lichaam.
Niet naar het metaal onder de stof.
Ze keek naar hun gezichten. Naar hoe dicht ze bij elkaar stonden.
“Jullie denken dat spanning zit in gezien worden,” zei ze kalm.
“Maar echte spanning zit in herkend worden.”
Luna bleef zitten. Rechtop. Onwankelbaar.
“Dan herken je dit,” zei ze. Ze pakte Milan’s hand en legde die openlijk op haar dij.
De vrouw knikte, bijna onmerkbaar. Alsof ze iets bevestigde.
“Voorzichtig,” zei ze nog. “Sommige mensen kijken om te nemen.”
En ze verdween.
Geen foto.
Geen dreiging.
Maar haar aanwezigheid bleef als een vingerafdruk op hun huid.
Toen ze later samen naar beneden liepen, hand in hand, voelde het bos niet langer als een schuilplaats.
Maar als een getuige.
En dit keer wisten ze het zeker:
Niet iedereen die kijkt, heeft de macht.
Maar wie samen durft te blijven staan…
heeft alles.
Deel 4.2 – De Wet en het Wild
Ze waren nog geen tweehonderd meter van de uitkijktoren verwijderd toen het licht achter hen aansprong.
Fel. Wit. Onverbiddelijk.
“Stilstaan.”
De stem was laag. Getraind. Niet vragend.
Milan voelde Luna’s hand onmiddellijk in de zijne. Niet schrikachtig — alert.
De boswachter stapte uit de schaduw. Dezelfde man. Groene jas. Pet. Dit keer geen verrekijker, maar een notitieblok dat hij niet meteen opende.
“Avond,” zei hij. Zijn blik gleed langs hen, bleef net iets te lang hangen op Luna. Op haar houding. Haar rust.
“Dit gebied is na zonsondergang gesloten.”
“Dat wisten we niet,” zei Milan.
“Nu wel.”
Een korte pauze. “Ik ben hier niet toevallig.”
Luna kantelde haar hoofd iets. “Nee?”
“Mijn collega,” zei hij. “Bij de toren. BOA. Staatsbosbeheer.”
Hij keek haar strak aan. “Ze heeft me verteld wat ze zag.”
Geen beschrijving. Geen details.
Dat maakte het erger.
“Dat betekent,” vervolgde hij, “dat ik jullie kan beboeten. Flink ook.”
Hij sloeg het notitieblok open. Schreef nog niets.
De stilte drukte.
Luna stapte een halve pas naar voren. Milan voelde haar loslaten, maar bleef dichtbij.
“En toch doe je dat niet,” zei ze kalm.
De boswachter keek op. Fronste licht.
“Hoe weet je dat?”
“Omdat je nu al geschreven had,” antwoordde ze. “En omdat je kijkt alsof dit niet alleen over regels gaat.”
Dat raakte iets.
Zijn kaak spande zich. Zijn blik werd persoonlijker. Nabijer.
“Jij weet wat je doet,” zei hij zacht. “Dat zag ik al in het bos.”
Luna glimlachte niet. Maar haar ogen bleven open. Vast.
“En jij,” zei ze, “weet heel goed waar je nu staat.”
Hij zette een stap dichterbij. Te dichtbij. De geur van nat gras en aftershave mengde zich.
“Er zijn… andere manieren,” zei hij.
Zijn stem zakte. “Om dit af te handelen.”
Milan bewoog meteen.
“Ho even—”
Luna hief haar hand. Eén vinger. Stilte.
Ze keek de boswachter recht aan. Geen angst. Geen flirt. Alleen helderheid.
“Je bedoelt dat je je functie misbruikt,” zei ze rustig.
“En hoopt dat ik me daar klein genoeg voor voel.”
Zijn ogen vernauwden zich.
“Zo zou ik het niet—”
“Zo ís het,” onderbrak ze hem.
Ze deed een stap dichterbij. Niet uitnodigend. Dominant.
“Je collega keek. Jij keek. En nu denk je dat kijken recht geeft op iets.”
Ze leunde iets naar voren, net genoeg dat hij haar aanwezigheid volledig voelde.
De subtiele spanning onder haar kleding. Het metaal dat hij eerder had gezien — bewust zichtbaar, maar niet voor hem.
“Maar dit,” zei ze zacht, “is geen natuurgebied waar jij over beschikt.”
De stilte was messcherp.
De boswachter slikte. Zijn ademhaling was veranderd. Niet beheerst. Menselijk.
Milan zag het moment waarop hij besefte dat hij te ver was gegaan.
“Je hebt twee keuzes,” vervolgde Luna.
“Je schrijft niets op. Je draait je om.
Of je schrijft alles op — inclusief dit gesprek.”
Ze hield haar blik vast. Onwankelbaar.
Langzaam sloot hij het notitieblok.
“Ga,” zei hij kort.
Geen excuses. Geen dreiging meer.
Hij draaide zich om en verdween tussen de bomen, dit keer sneller dan professioneel.
Pas toen hij weg was, liet Luna haar schouders zakken.
Milan pakte haar weer vast. Beschermend. Bewonderend.
“Je was ongelooflijk,” zei hij zacht.
Ze keek hem aan. Haar ogen glansden — niet van angst, maar van adrenaline.
“Ik laat niemand bepalen wat zichtbaar mag zijn,” zei ze.
“Behalve ons.”
Hij trok haar tegen zich aan. Hun voorhoofden raakten elkaar.
Het bos was stil. Maar niet leeg.
“Ze zullen ons onthouden,” zei hij.
Ze glimlachte eindelijk. Langzaam. Gevaarlijk.
“Laat ze maar kijken.”
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
