Door: Elite_12
Datum: 28-05-2026 | Cijfer: 9.9 | Gelezen: 418
Lengte: Lang | Leestijd: 32 minuten | Lezers Online: 16
Trefwoord(en): Cuckold, Gay, Jong En Oud, Lesbo, Neuken, Openbaar, Pijpen, Swingers,
Lengte: Lang | Leestijd: 32 minuten | Lezers Online: 16
Trefwoord(en): Cuckold, Gay, Jong En Oud, Lesbo, Neuken, Openbaar, Pijpen, Swingers,

Sanne de Graaf staat op het Marktplein met een rolmaat in haar hand en een lijst op haar telefoon. Ze is begin dertig, draagt een losse linnen broek die om haar heupen hangt, en een T-shirt met vlekjes verf van gisteren. Haar haar zit in een knot die aan het losraken is. Ze meet de afstand tussen twee oude eikenbomen, haar teen duwt tegen de rand van het meetlint, en ze mompelt iets tegen zichzelf over tenten en tafels. Het bakfeest is over vier dagen, en ze wil dat alles perfect is. Appeltaart voor iedereen, gratis, open, zoals alles hier open is. Ze kijkt op, ziet iets aan de overkant van het plein, en glimlacht zonder zich te verstoren. Dan buigt ze weer over haar lijst.
Aan de overkant, bij de rand van het plein waar de oude kinderkopjes overgaan in nieuw asfalt, staat Koen Brink. Hij is drieentwintig, net aangekomen uit Stadhorst, en zijn ogen zijn groot en rond als die van een kind dat een volwassen feest binnenstapt. Zijn handen zitten diep in zijn zakken, zijn schouders zijn opgetrokken naar zijn oren, en hij draagt een overhemd dat te gestreken is voor deze stad. Hij kijkt naar Sanne, ziet haar glimlachen, en begrijpt niet waarom. Dan volgt hij haar blik, en zijn gezicht wordt rood.
Tegen de lantarenpaal bij het plein staat een vrouw in een pak — smal, donkerblauw, gekocht voor een sollicitatie die hier niet meer toe doet. Ze heeft haar boodschappentassen neergezet, twee witte plastic zakken met groente die nu op de grond staan, en haar linkerbeen is opgetild, geklemd tegen de paal door een man die eveneens een pak draagt. Zijn das hangt los, zijn jasje is open, en zijn broek is naar beneden getrokken tot halverwege zijn dijen. Zijn handen omvatten haar heupen, zijn duimen drukken in het vlees boven haar pantylijn, en hij beweegt met een regelmaat die op het eerste gezicht zakelijk lijkt — alsof hij een afspraak nakomt, een taak vervult. Maar zijn ademhaling is zwaar, hoorbaar zelfs vanaf waar Koen staat, en zijn ogen zijn halfdicht terwijl hij naar haar gezicht kijkt, naar de manier waarop haar mond een beetje openstaat.
"Je bent zo strak," zegt hij, niet fluisterend, niet schreeuwend, gewoon sprekend zoals je spreekt tegen iemand die naast je staat in de rij bij de supermarkt. "Je voelt zo heet aan, zo nat."
De vrouw laat haar hoofd tegen de paal rusten. Haar ogen zijn open, kijken naar de hemel of naar niets, en haar handen houden de paal vast alsof ze anders zou vallen — hoewel ze niet valt, stevig staat, steviger dan hij misschien wel. "Je pik is zo groot," zegt ze, en haar stem trilt niet, heeft geen schaamte, alleen observatie, erkenning. "Je neukt me zo diep, ah, ja, daar, precies daar."
Koen draait zijn hoofd weg, maar zijn ogen blijven terugkeren. Hij heeft dit nooit gezien, nooit zo, nooit zo openlijk, nooit zo onverschrokken. In Stadhorst gebeurt dit achter gesloten deuren, in donkere kamers, in schuld en stilte. Hier staat het in het ochtendlicht, en niemand kijkt behalve hij. Een fietser passeert, een vrouw met een mandje aan het stuur, en ze groet de man bij de paal alsof hij zijn hond uitlaat. "Goedemorgen, Henk," zegt ze. "Mooi weer."
"Mooi weer," antwoordt de man, zonder zijn ritme te onderbreken, zonder zijn blik van de vrouw tegen de paal te halen. "Lekker zonnetje."
Koen voelt iets in zijn borst, een druk die hij niet kan plaatsen. Hij wil weglopen, wil kijken, wil begrijpen. Zijn handen in zijn zakken vormen zich tot vuisten, dan ontspannen ze, dan weer vuisten. Hij denkt aan zijn moeder, aan zijn kerk, aan de woorden die hij daar heeft geleerd over reinheid en schaamte. Die woorden lijken hier geen betekenis te hebben, alsof ze in een andere taal zijn geschreven.
Dan gebeurt er iets dat zijn aandacht trekt, iets dichterbij. Een jonge man, achttien misschien, negentien, komt de hoek om met een kinderwagen. Niet zijn eigen kind, Koen ziet het aan de manier waarop hij de wagen duwt — onhandig, als een oppas of een neef die helpt. In de wagen ligt een baby, misschien zes maanden oud, gekleed in roze, met een speentje in de mond en ogen die naar de wolken kijken. Achter de wagen loopt een vrouw, jong, misschien een jaar of twee ouder dan de man, met een jurk die om haar knieën wappert en haar blonde haar in een paardenstaart. Ze lacht om iets wat hij zegt, haar hand rust op zijn schouder, en dan — dan stopt hij de wagen, zet de rem erop, en draait zich naar haar toe.
Het gebeurt zonder waarschuwing, zonder ritueel, zonder de voorbereiding die Koen kent. Hij trekt haar jurk omhoog, niet ruw, maar ook niet teder — gewoon efficiënt, alsof hij een jas openknoopt. Ze draait zich om, bukt zich over de kinderwagen, haar handen op de rand, haar rug naar hem toe. Geen ondergoed, ziet Koen, of misschien is het al opzij geschoven, en dan is hij in haar, zijn broek nog om zijn enkels, zijn T-shirt nog aan, zijn handen op haar heupen terwijl hij begint te stoten.
De baby in de wagen kijkt naar de hemel, knippert in het licht, zuigt op haar speentje. De jonge man beweegt met een regelmaat die bijna mechanisch lijkt, maar zijn gezicht is vertrokken, zijn ogen halfdicht, zijn mond open. "Je bent zo lekker nat," zegt hij, en zijn stem is hoger dan die van de man bij de paal, nog niet volwassen, nog niet zeker. "Je voelt zo goed aan, zo strak om me heen."
De vrouw kijkt over haar schouder, naar hem, en haar gezicht is niet wat Koen verwacht. Geen schaamte, geen pijn, alleen — iets anders. Concentratie, misschien. Genot, zeker. Maar vooral een soort gewoonte, alsof dit een verlengstuk is van hun gesprek, van hun wandeling, van hun ochtend. "Je pik is zo hard," zegt ze, en ze glimlacht, een echte glimlach, niet gespeeld. "Neuk me dieper, ah, ja, zo, precies daar."
Koen hoort het geluid nu, het vochtige, herhaalde geluid van lichaam tegen lichaam, het zachte klappen van vlees dat vlees ontmoet. Het mengt zich met het geklik van de kinderwagenwieltjes die nog steeds op de rem staan, met het gefluit van een vogel in de boom boven hen, met het verre geluid van een bus die aankomt bij de halte aan het einde van de straat. De jonge man versnelt, zijn ademhaling wordt schokkerig, en hij buigt zich over haar heen, zijn borst tegen haar rug, zijn gezicht in haar haar. "Ik ga komen," zegt hij, niet als waarschuwing, maar als mededeling. "Ik spuit mijn zaad in je, ah, fuck, ja."
Ze knikt, of misschien is het alleen een beweging van haar hoofd, en hij stoot een laatste keer, diep, blijft stil, zijn lichaam trilt zichtbaar, zijn handen knijpen in haar heupen. Dan trekt hij zich terug, trekt zijn broek omhoog, en duwt de kinderwagen verder alsof er niets is gebeurd. De vrouw staat rechtop, laat haar jurk zakken, en loopt naast hem, haar hand weer op zijn schouder. Ze passeren Koen, en de jonge man knikt naar hem, een korte, vriendelijke groet, alsof ze elkaar kennen, alsof dit normaal is. En hier, beseft Koen, is het dat ook.
Hij staat nog steeds op dezelfde plek, zijn voeten lijken verankerd aan de kinderkopjes, als hij iets aan zijn elleboog voelt. Een hand, warm, zacht, onverwacht. Hij draait zich om en kijkt in het gezicht van een man van zijn eigen leeftijd, misschien iets ouder, met krullend haar dat rommelig zit en ogen die iets weten wat Koen niet weet.
"Eerste keer in Free-Use City?" vraagt de man. Zijn stem is laag, vriendelijk, niet-belachelijk. Hij draagt een werkjasje met een logo dat Koen niet herkent, en onder zijn arm heeft hij een krant die hij niet leest.
"Ik — ja," zegt Koen. "Ik ben net — ik kom uit Stadhorst."
"Dat zie ik." De man glimlacht, niet onvriendelijk. "Ik ben Tom. Tom van der Berg. Buschauffeur, lijn 7, maar vandaag vrij. Je stond hier al tien minuten alsof je wortel hebt geschoten."
"Ik was — ik keek —" Koen stopt, weet niet hoe hij verder moet. "Het is anders. Hier. Alles."
Tom knikt, kijkt naar de plek waar de jonge man met de kinderwagen is verdwenen, dan naar de lantarenpaal waar de man in pak nu ook klaarkomt, zijn gezicht verborgen in de hals van de vrouw, haar been nog steeds opgetild, haar handen nog steeds om de paal. "Het is niet anders," zegt Tom. "Het is alleen eerlijker. Kom, ik loop met je mee. Je moet de bushalte zien, die is klassiek."
Koen wil nee zeggen, wil terug naar zijn kamer, wil dit allemaal verwerken in stilte. Maar zijn voeten bewegen, en Tom loopt naast hem, niet aanraken maar dichtbij genoeg dat hij de warmte voelt, de geruststellende aanwezigheid van iemand die dit begrijpt.
De bushalte is een eenvoudige constructie, een glazen overkapping met een houten bank eronder. Er zitten drie mensen te wachten. Een vrouw van middelbare leeftijd met een hond aan de lijn, die haar telefoon bekijkt. Een jongen van een jaar of twaalf met een rugzak die te groot is voor zijn lijf. En een meisje, negentien misschien, in een schooluniform dat te krap lijkt — een wit overhemd waarvan de bovenste knoopjes open zijn, een rok die om haar dijen spant.
Naast haar, op de bank, zit een man. Zesenzestig, grijs haar, een jas die te warm is voor het weer. Hij zit rechtop, zijn handen op zijn knieën, alsof hij op een sollicitatiegesprek wacht. Het meisje zit naast hem, niet dichtbij, niet ver, gewoon twee mensen die op dezelfde bus wachten.
Dan, zonder dat iets verandert in de houding van de man, zonder dat hij iets zegt, gaat het meisje op haar knieën. Het gebeurt soepel, als een golf die naar het strand rolt, onvermijdelijk en natuurlijk. Haar knieën raken het beton van de halte, haar handen gaan naar zijn broek, en ze rits hem open. De man kijkt niet naar haar, blijft naar de straat kijken, naar de bus die nog niet komt. Maar zijn ademhaling verandert, zijn borst zet uit, zijn handen grijpen de rand van de bank.
Ze neemt hem in haar mond, en Koen ziet het — ziet de manier waarop haar lippen zich om zijn lul sluiten, ziet hoe haar wangen hol worden als ze zuigt, ziet de grijze haren van zijn buik die zichtbaar worden als zijn overhemd omhoog schuift. Het meisje maakt geluid, geen gesimuleerd gezucht, maar het natte, slurpende geluid van iemand die eet, die geniet, die een taak vervult met vaardigheid.
"Ze doet dit elke dinsdag," zegt Tom zacht, naast Koen. "Hij heet meneer Van Dijk, is met pensioen, zijn vrouw is vijf jaar geleden overleden. Zij heet Lisa, studeert verpleegkunde. Ze ontmoeten elkaar hier, elke week, op hetzelfde tijdstip. Soms praat hij, meestal niet. Ze vindt het fijn om iemand te helpen. Hij vindt het fijn geholpen te worden."
Koen kijkt naar het jongetje met de grote rugzak. Die kijkt naar zijn schoenen, trekt een lijn in het stof met zijn neus, alsof er niets gebeurt. De vrouw met de hond kijkt op van haar telefoon, ziet wat er gebeurt, en glimlacht — een warme, moederlijke glimlach— voordat ze weer naar haar scherm kijkt. "Lisa is goed," zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders. "Ze heeft vorige week ook mijn man geholpen. Ze is zo geduldig."
De man op de bank, meneer Van Dijk, sluit zijn ogen. Zijn mond opent zich, een klein geluid komt eruit, geen woorden, alleen adem. Het meisje, Lisa, beweegt haar hoofd met een regelmaat die mechanisch lijkt maar niet is — ze varieert, soms diep, soms alleen de top, soms haar hand erbij, soms niet. Haar ogen zijn open, kijken naar zijn gezicht, observeren, passen zich aan. Ze wil dat het goed is, ziet Koen. Ze wil dat hij komt.
"Je zuigt zo lekker," zegt de man dan, zijn eerste woorden, zijn stem schor, ongebruikt. "Je mond is zo warm, zo nat. Ik ben bijna, ah, ja, zo doorgaan."
Lisa antwoordt niet, laat haar hoofd alleen zakken, neemt hem dieper, en de man verstijft. Zijn handen grijpen de bank, zijn knieën trillen, en dan — dan komt hij, en Koen ziet het, ziet de manier waarop zijn buik samentrekt, ziet hoe Lisa blijft zuigen, doorslikt, haar keel beweegt. Ze laat hem niet los, niet tot hij klaar is, niet tot hij zacht wordt in haar mond, en dan trekt ze zich terug, veegt haar mond af met de rug van haar hand, en staat op. Haar knieën hebben stof, haar rok is gekreukt, maar haar gezicht is voldaan, professioneel, als een verpleegster die een injectie heeft gegeven.
"Tot volgende week, meneer Van Dijk," zegt ze.
"Tot volgende week, Lisa," antwoordt hij. Hij trekt zijn broek dicht, rits hem, en kijkt naar de straat alsof er niets is gebeurd.
De bus komt aan, groen en geel, de deur ssst open. De vrouw met de hond stapt in, het jongetje volgt, meneer Van Dijk staat op en loopt erachteraan, iets langzamer dan eerder, zijn benen nog zacht. Lisa blijft staan, kijkt naar Tom en Koen, en knikt — een korte, vriendelijke groet. Dan loopt ook zij de bus in, en Tom trekt Koen mee.
"Kom," zegt hij. "Je moet de bus zien van binnen. Dat is pas echt iets."
Ze stappen in, en Koen ziet het meteen. De bus is halfvol, misschien twintig mensen, en de helft van hen is bezig met iets anders dan reizen. Achterin, op de lange bank langs het raam, liggen twee scholieren — achttien, negentien, niet ouder — met hun uniformen nog aan maar hun broeken naar beneden getrokken. De jongen ligt onder, zijn rug tegen de bank, zijn benen gespreid, en het meisje zit op hem, beweegt op en neer, haar borsten wiebelen onder haar witte blouse die nu open is, haar beha losgehaakt maar nog aan. Ze kijkt uit het raam, naar de voorbijglijdende straat, terwijl ze neukt, alsof ze in een trein zit die nergens stopt.
"Ah, fuck, je bent zo strak," zegt de jongen onder haar, zijn handen op haar heupen, zijn duimen in haar huid. "Neuk me harder, kom op, laat me voelen hoe graag je het wilt."
Ze reageert niet met woorden, alleen met beweging — ze versnelt, haar billen slaan tegen zijn dijen, het geluid is nat en hard en herhaald. Naast hen, op dezelfde bank, zit een ander meisje met haar benen gespreid, haar rok omhoog, haar slipje opzij. Een jongen zit naast haar, niet dezelfde als de ander, zijn vingers in haar, twee, misschien drie, bewegend met een regelmaat die wetenschappelijk lijkt. Ze kijkt naar hem, niet naar wat hij doet, en ze praten — over wiskunde, hoort Koen, over een toets die ze heeft gehaald, over een leraar die te streng is.
"Je bent zo nat," zegt de jongen, zijn vingers diep, draaiend. "Ik voel je helemaal, zo heet, zo open. Ga je komen? Wil je dat ik je laat komen?"
"Niet — nog niet —" zegt het meisje, haar stem even, ademloos. "Blijf doorgaan, ah, ja, daar, precies daar, je vingers zijn zo goed, zo precies op de plek."
Koen zoekt een plek, vindt er een bij het raam, en Tom zit naast hem. De bus rijdt, stopt, mensen stappen in en uit — een vrouw met een boodschappentas die niet kijkt naar de scholieren, een man in pak die wel kijkt, even, en dan glimlacht, zijn hand op zijn eigen kruis, voordat hij verder loopt. Niemand zegt iets, niemand doet iets. Dit is normaal, beseft Koen. Dit is de stad.
Hij kijkt naar buiten, naar het plein waar ze nu langsrijden, en ziet het — ziet wat Tom hem wilde laten zien. Op het plein, op het gras tussen de oude eikenbomen, staat een groep mannen. Vier, vijf, allemaal donker, allemaal groot, allemaal naakt vanaf de middel. In het midden ligt een vrouw, blank, misschien dertig, haar kleren in een hoop naast haar, haar lichaam besmeurd met gras en aarde. Een man is in haar, diep, zijn handen op haar schouders, haar benen om zijn middel. Een andere man staat naast haar hoofd, zijn lul in haar mond, zijn handen in haar haar. Een derde wacht, zijn hand om zichzelf, klaar, geduldig.
En naast hen, op zijn knieën, zit een man in een pak. Haar man, beseft Koen, haar partner, haar echtgenoot. Hij kijkt naar haar, naar de mannen die haar gebruiken, en zijn gezicht is — Koen weet niet wat het is. Pijn? Genot? Iets daartussen? Maar dan ziet hij de vrouw die naast hem staat, een donkere vrouw, groot, krachtig, en ze trekt haar rok omhoog, geen ondergoed, en duwt zijn hoofd naar haar. Hij gaat, gehoorzaam, zijn mond vindt haar, en ze houdt zijn haar vast terwijl hij likt, terwijl ze naar de anderen kijkt, naar de vrouw die wordt geneukt, die diep in haar mond wordt geneukt, die wordt gebruikt.
"Dat is Marie," zegt Tom zacht, naast Koen. "En haar man Erik. Ze doen dit elke week, op dinsdag. Hij houdt ervan om te kijken. Zij houdt ervan om gezien te worden. De anderen zijn vrienden, of vrienden van vrienden. Het is allemaal afgesproken, allemaal gewenst."
Koen knikt, niet omdat hij het begrijpt, maar omdat hij niet weet wat hij anders moet doen. De bus rijdt verder, het plein verdwijnt uit het zicht, maar het beeld blijft — de vrouw, de mannen, de echtgenoot op zijn knieën, de andere vrouw die hem gebruikt terwijl hij kijkt.
Ze komen bij een school, een groot gebouw van baksteen met een speelplaats ervoor. De bus stopt, de scholieren stappen uit — die aan het neuken waren, die aan het vingeren waren, allemaal, alsof er niets is gebeurd. Hun uniformen zijn in orde nu, of in de war, het maakt niet uit. Ze lachen, duwen elkaar, lopen naar binnen. Koen kijkt door het raam, naar de speelplaats, en ziet het daar ook.
Meerdere paren, verspreid over het beton, sommige staand, sommige liggend. Een jongen tegen de muur, een meisje op haar knieën voor hem. Twee meisjes samen, hun rokken omhoog, hun vingers in elkaar, kussend, hun tongen zichtbaar. En dan — dan ziet hij de leraar. Een man, veertig misschien, grijs aan de slapen, een pak dat goed zit. Hij staat bij de ingang, een meisje naast hem, ook achttien, negentien, haar uniform strak om haar lichaam. Hij zegt iets, ze knikt, en dan — dan draait hij haar om, duwt haar tegen de muur, trekt haar rok omhoog en is in haar, zonder voorbereiding, zonder vraag, zonder meer dan de toestemming die hier impliciet is.
Naast hen, op een bankje, zit een ander meisje. Haar vriendin, denkt Koen, haar klasgenoot. Ze kijkt niet naar hen, of misschien wel, uit haar ooghoek. Maar haar hand is in haar slipje, dat ze tussen haar knieën heeft laten zakken, en ze vingert zichzelf, openlijk, zichtbaar, haar vingers die in en uit gaan, haar andere hand op haar borst, haar tepel hard onder de stof.
"Ah," hoort Koen, door het open raam van de bus. "Ah, ja, je bent zo diep in me, zo groot, je vult me helemaal."
De leraar zegt niets, alleen stoot hij, harder, sneller, zijn handen op haar schouders, zijn gezicht in haar nek. Het meisje op het bankje versnelt, haar vingers bewegen wilder, haar ademhaling hoorbaar nu, zwaar, schokkerig.
"Ah — ah — ik —" zegt ze, niet tegen iemand, tegen zichzelf, tegen de lucht. "Ah, fuck, ja, ik kom, ik kom —"
En ze komt, Koen ziet het, ziet de manier waarop haar lichaam verstijft, haar rug kromt, haar benen trillen. Ze houdt niet op, vingert door, harder nu, alsof ze meer wil, altijd meer, en de leraar komt ook, in het meisje tegen de muur, diep, blijft stil, zijn gezicht vertrokken.
De bus rijdt verder. Koen ademt uit, ademt in, voelt zijn hart bonken. Tom kijkt naar hem, een vraag in zijn ogen, maar hij zegt niets. Ze rijden door, naar het centrum, naar de winkels, naar het gewone leven dat hier niet gewoon is.
Bij de warme bakker stappen ze uit, of de bus stopt en Koen volgt Tom zonder te denken. De bakkerij ruikt naar gist en suiker, naar vers brood en gebak. Achter de toonbank staat een man, de bakker, zijn witte jas bemeeld, zijn handen nog steeds poederig. Maar hij is niet alleen bezig met brood.
Voor de toonbank, op de houten vloer, liggen drie vrouwen. Ze liggen voorover, hun bovenkleding nog aan maar hun rokken omhoog, hun ondergoed naar beneden of opzij. Hun billen zijn bloot, wit, rond, verschillend — een jong, een oud, een dik, een dun. De bakker beweegt tussen hen in, zijn broek op zijn enkels, zijn lul hard en rood. Hij neemt ze een voor een, ziet Koen, niet tegelijk, niet haastig, maar methodisch, alsof hij zijn werk doet.
Eerst de jonge, links. Hij knielt achter haar, trekt haar heupen naar zich toe, en is in haar, een stoot, twee, drie, dan trekt hij zich terug, loopt naar de middelste, de oudere, en herhaalt het. Dan de derde, de dikke, en weer terug naar de eerste. Geen van de vrouwen bewegt veel, ze blijven liggen, wachten, geduldig, alsof dit een dienst is die ze afnemen, een product dat ze bestellen.
"Je bent zo lekker strak vandaag," zegt de bakker tegen de eerste, de jonge, terwijl hij weer in haar glijdt. "Zo nat, zo warm. Ik ga je volspuiten, alle drie, jullie zijn zo mooi, zo beschikbaar."
"Ah," zegt ze, niet meer, alleen dat geluid, dat erkennende, dat toestemmende. "Ah, ja, geef het me, spuit in me, ik wil het voelen."
De bakker komt, in haar, diep, trekt zich terug met een zucht, en loopt naar de volgende. Koen kijkt naar Tom, die glimlacht, die dit al heeft gezien, die dit normaal vindt. "Wil je iets?" vraagt Tom. "Een broodje? Ze zijn hier goed."
Koen schudt zijn hoofd, niet nee, alleen — niet nu, nog niet. Ze lopen verder, naar de markt, waar de kraampjes staan met groente en fruit en kaas en vlees. Bij een fruitkraam, een grote met appels en peren en druiven in netjes gestapelde piramides, ziet hij het volgende.
Een meisje, jong, misschien twintig, staat achter de kraam. Ze draagt een schort over haar jurk, haar haar in een staart, haar handen poederig van het fruit. Een klant staat voor haar, een man, veertig misschien, een pak dat te warm is voor het weer. Hij zegt iets, ze knikt, en dan — dan loopt ze om de kraam heen, bukt zich over een krat met sinaasappels, en hij staat achter haar, zijn broek open, gaat in haar, terwijl ze stil blijft staan, haar handen op de krat, haar gezicht naar de markt gekeerd alsof ze klanten zoekt.
"Goedemorgen," zegt ze tegen een vrouw die passeert, niet stoppen, alleen kijken. "Appels vandaag, lekker zuur, perfect voor taart."
De vrouw knikt, glimlacht, kijkt niet naar de man die het meisje neukt, die zijn handen op haar heupen heeft, die stoot met een regelmaat die bijna slaapt. "Dank je, lieverd," zegt de vrouw. "Misschien later."
De man achter het meisje versnelt, zijn ademhaling zwaar, hoorbaar. "Je bent zo strak," zegt hij, niet fluisterend, niet schreeuwend. "Zo nat, zo warm om me heen. Ik ga komen, ah, ja, ik spuit in je —"
En hij doet het, Koen ziet het, ziet de manier waarop hij stilvalt, zijn ogen sluit, zijn gezicht ontspant. Het meisje rechtzet, veegt haar jurk glad, en loopt terug naar de kraam, naar de appels, alsof er niets is gebeurd. Achter de kraam, bij een tweede tafel, ziet Koen een oudere man, haar vader misschien, met een jongen van achttien, negentien. De jongen bukt over de tafel, zijn broek op zijn enkels, en de oudere man is in hem, langzaam, diep, zijn handen op de schouders van de Jongen.
"Dat is haar vader," zegt Tom, volgt Koen's blik. "Hij houdt van jongens, zij houdt van klanten. Het werkt."
Koen knikt, voelt iets in zijn borst, een mengeling van verwarring en — iets anders. Iets dat hij niet wil benoemen, niet nu, niet hier. Ze lopen verder, langs de kaaskraam, langs de bloemen, naar het einde van de markt waar de straat smaller wordt, ouder, met huizen die scheef staan en ramen die dicht zijn.
Daar, tegen een muur, ziet hij het laatste. Twee politieagenten, in uniform, hun petten nog op maar hun broeken naar beneden. Een leunt tegen de muur, zijn benen gespreid, zijn handen achter zijn rug, en de ander is in hem, stoot hard, snel, niet geduldig, niet methodisch. Hun riemen hangen los, hun pistoolholsters slingeren, hun radio's kraken af en toe met stemmen die niets met dit te maken hebben.
"Fuck," zegt de agent die neukt, zijn stem hees, dringend. "Je bent zo strak, zo heet, ik kan niet — ah, ja, kom voor me, kom met me —"
De andere agent kreunt, zijn hoofd achterover, zijn ogen dicht. "Ah — ah — ik kom — spuit in me —"
En ze komen samen, Koen ziet het, ziet de manier waarop hun lichamen verstijven, trillen, ontspannen. Dan trekken ze hun broeken omhoog, rechten hun uniformen, en lopen verder alsof ze een ronde hebben gelopen, een melding hebben afgehandeld.
Tom stopt, draait zich naar Koen. "Dit is Free-Use City," zegt hij. "Dit is elke dag. Dit is normaal."
Koen kijkt naar hem, naar zijn ogen die iets weten, naar zijn mond die glimlacht. "Ik weet niet —" begint hij, stopt, begint opnieuw. "Ik weet niet of ik dit kan. Of ik dit wil."
Tom knikt, niet teleurgesteld, niet verbaasd. "Je hoeft niets," zegt hij. "Je mag kijken. Je mag weglopen. Je mag morgen terugkomen, of nooit. Maar je mag ook blijven. Je mag ontdekken wat je wilt, wat je nodig hebt. Dat is hier ook normaal."
Hij steekt zijn hand uit, niet om te schudden, alleen — aan te raken. Zijn vingers raken Koen's pols, licht, vragen. Koen kijkt naar de hand, naar de vingers die warm zijn, zacht. Hij denkt aan Stadhorst, aan de kerk, aan de regels die hij daar heeft geleerd. Dan denkt hij aan de jonge man met de kinderwagen, aan Lisa op haar knieën bij de bushalte, aan de vrouw tegen de lantarenpaal die haar been omhoog hield alsof het niets was.
Hij laat zijn hand liggen. Laat Tom's vingers op zijn pols rusten, voelt de polsslag die hij niet kan controleren.
"Morgen," zegt Tom. "Buslijn 7, zeven uur. Ik heb dienst. Je mag meerijden, als je wilt. Ik laat je zien hoe het werkt. Hoe het echt werkt, niet alleen — dit."
Koen knikt, een kleine beweging, bijna onmerkbaar. Maar het is genoeg. Tom glimlacht, laat zijn hand los, en loopt weg, de straat in, de stad in. Koen blijft staan, alleen op de hoek van de markt, met de geuren van brood en fruit en seks om hem heen. Hij ademt in, ademt uit, en voelt iets dat hij niet heeft gevoeld in jaren.
Nieuwsgierigheid. Of iets dat erop lijkt.
Hij loopt terug, naar zijn kamer, naar de spiegel waarin hij zichzelf bekijkt. Zijn gezicht is nog steeds rood, zijn ogen nog steeds groot. Maar er is iets anders nu, iets in de hoek van zijn mond, een trek die hij niet herkent.
Morgen. Buslijn 7. Zeven uur.
Hij noteert het, niet omdat hij het zou vergeten, maar omdat hij het wil onthouden. Omdat hij wil dat het echt is. Omdat hij, voor het eerst in zijn leven, wil weten wat er gebeurt als je de regels loslaat.
De stad draait door, om hem heen, door hem heen. Free-Use City, waar seks is wat ademen is, waar lichamen spreken zonder woorden, waar niets verboden is en alles mag. Hij ligt op zijn bed, kijkt naar het plafond, en hoort de geluiden van de straat — stemmen, lachen, het zachte, herhaalde geluid van huid die huid ontmoet.
Hij slaapt niet. Maar hij droomt toch, wakker, van handen die warm zijn, van ogen die iets weten, van een stad die op hem wacht.
Meer verhalen die je waarschijnlijk leuk vindt
- Amy En Willy... (8.8) door DirtyMind23348
- Zondig Verlangen (9.3) door Jane Doo
- Bij De Meester: Meester Wouter En Slet P... (8.7) door Paul kleintje
- ''Gebruik Me'' Smeekte Linda (9.1) door Wim963
- Vals Vakantievriendje (8.9) door Lisanne S.
- Homoslaaf Op Parkeerplaats (8.3) door Homoslaaf
- Een Onverwachte Ontmoeting (8.2) door Phantomxx
- Blauwe Billen (9.2) door Domix
- Ontmaagd Door Oudere Man (8.0) door Nick
- Peter En Maura Chuckold (9.1) door Samsara
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10


