Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 06-06-2026 | Cijfer: 0 | Gelezen: 129
Lengte: Lang | Leestijd: 20 minuten | Lezers Online: 2
Waar Rook Is
Ik sta al even te wachten bij de duinen, niet omdat ik te vroeg ben, maar omdat ik te vroeg wilde zijn, omdat er iets in mij zat dat geen risico wilde nemen om dit moment te missen. Het weer is precies goed; de zon staat hoog genoeg om alles helder te maken zonder dat het hard wordt, en de wind beweegt zacht door het helmgras langs het pad waar zij straks zal verschijnen, terwijl de zee ergens in de verte aanwezig is als een gedempt, bijna abstract geluid.

Ik kijk op mijn horloge zonder echte reden, meer uit gewoonte dan uit ongeduld, en op het moment dat ik weer opkijk, zie ik haar.

Eerst is het niet meer dan een beweging tussen het gras, een vorm die zich losmaakt van de achtergrond, maar naarmate ze dichterbij komt, wordt ze scherper, duidelijker, en merk ik dat mijn aandacht zich volledig op haar vastzet, alsof er geen alternatief meer is. Ze loopt rustig, zonder haast, in een tempo dat niet vertraagt en niet versnelt, alsof ze precies weet dat ik hier sta en dat er niets is dat haar nog hoeft te haasten.

Haar jurk sluit strak om haar lichaam en valt licht en soepel, maar verhult niets, waardoor de lijnen van haar lichaam vanzelf zichtbaar worden zonder dat het geforceerd voelt; haar heupen bewegen mee met haar passen, niet overdreven en niet bewust, maar precies genoeg om mijn blik telkens weer naar haar terug te trekken. Haar haar valt los over haar schouders en wordt af en toe door de wind naar voren geblazen, waarna ze het met een kleine, vanzelfsprekende beweging weer achter haar oor strijkt, een gebaar dat ik al zo vaak heb gezien en dat toch anders aanvoelt nu, alsof het scherper binnenkomt dan voorheen.

Ze komt dichterbij en ergens halverwege dat pad verandert er iets, een moment dat moeilijk aan te wijzen is, maar duidelijk voelbaar, waarin ze niet langer een figuur in de verte is maar iemand die werkelijk naar mij toekomt, en ik besef dat ik haar zie zoals ze is, zonder de context van haar huis, zonder de aanwezigheid van haar kinderen, zonder de rol die ze daar draagt. Niet als moeder, niet als iemand die iets moet dragen of bij elkaar moet houden, maar gewoon als haarzelf.

En dat raakt me harder dan ik had verwacht.

Ze ziet er echt goed uit, maar dat dekt het niet, omdat het niet alleen gaat om hoe ze eruitziet, maar om hoe ze hier staat, alsof alles wat haar normaal tegenhoudt even wegvalt, alsof ze lichter beweegt zonder dat ze dat zelf doorheeft. Haar gezicht is open, haar ogen helder, haar huid warm van de zon, en waar ik eerder vermoeidheid zag, is nu niets dat daarop wijst, alleen rust, en daaronder iets anders dat ik herken zonder het meteen te willen benoemen.

Mijn lichaam reageert sneller dan mijn hoofd en ik merk hoe er spanning ontstaat die ik niet heb opgeroepen en ook niet direct kan wegduwen, een fysieke reactie die zich aandient zonder dat ik er controle over heb, maar ook zonder dat die controle volledig verdwijnt. Ze ziet me nu ook en haar blik blijft even op mij hangen, niet verrast en ook niet zoekend, maar alsof ze dit moment al had ingecalculeerd. Hier staat geen onzeker meisje.

Ze glimlacht, klein en precies genoeg om het niet groot te maken, en terwijl ze de laatste meters overbrugt, merk ik dat ik zelf stil ben gevallen, dat alles wat ik had kunnen zeggen nergens meer zit en dat ik alleen nog maar kijk. Ze stopt voor me, iets dichterbij dan nodig is, en de afstand tussen ons is klein genoeg om haar aanwezigheid volledig te voelen, inclusief de subtiele geur die bij haar hoort en die me direct terugbrengt naar iets wat ik niet eens bewust had opgeslagen.

“Je bent er al,” zegt ze, alsof dat de enige constatering is die ertoe doet.

Ik knik, maar zeg niets, omdat ik nog steeds kijk en nog steeds probeer te plaatsen waarom dit zo binnenkomt, terwijl ik ergens onder alles al weet dat dit precies de reden is waarom ik haar niet opzoek, en tegelijk precies de reden waarom dat nooit helemaal lukt.

“Zullen we?” vraag ik, en terwijl ik het uitspreek hoor ik zelf hoe mijn stem niet helemaal stabiel is, hoe hij licht trilt en kraakt op een manier die ik niet kan verbergen, alsof ik weer zestien ben en tegenover iemand sta die me volledig uit balans brengt zonder daar moeite voor te doen.

Ze knikt, en haar glimlach is klein maar oprecht, waarna haar blik even wegdraait alsof ze zichzelf een moment geeft voordat ze weer naar mij kijkt, en haar vingers langs haar slaap glijden om een pluk haar achter haar oor te leggen, een beweging die zo vanzelfsprekend is dat hij juist daardoor blijft hangen.

Het blijft adembenemend om naar te kijken, en dat besef komt harder binnen dan ik zou willen.

We lopen samen de duinen in, en ik hoor mezelf praten zonder dat ik echt weet wat ik zeg, woorden die zich aaneenrijgen omdat stilte te geladen zou zijn, terwijl zij die stilte juist lijkt te omarmen, alsof haar aanwezigheid al voldoende is om alles te vullen wat er tussen ons in hangt.

Alles aan haar voelt bewust gekozen, niet overdreven, maar precies afgestemd op dit moment, en hoe ze beweegt, hoe ze kijkt en hoe ze zich naast mij houdt, straalt iets uit wat ik niet volledig kan benoemen maar wel meteen herken.

Ik begin over Jozua en Sylke, bewust omdat het veilig is, omdat het haar wereld is die geen vragen oproept als je alleen de juiste stukken benoemt, en ik noem de dingen die licht zijn, de momenten die kloppen, zonder ook maar één keer Bert te noemen.

Zij doet dat ook niet.

Ze vraagt hoe het met ons gaat, kort en zonder omhaal, en ik antwoord dat het goed gaat, gewoon goed, waarop ze zacht maar duidelijk “altijd” zegt, een woord dat langer blijft hangen dan het zou moeten, al doe ik alsof ik het niet echt hoor en laat ik het voorbijgaan zonder erop in te gaan.

We vinden vanzelf een plek op het terras van de strandtent, waar het geluid van mensen, stemmen en de zee samenkomt tot een achtergrond die alles iets minder scherp maakt, en terwijl we eten en praten, herinneringen ophalen en kijken naar de mensen die langs het strand bewegen, voelt het gesprek op geen enkel moment volledig vrij.

Het loopt wel, maar het stroomt niet.

Ik zie hoe ze op haar houding let, hoe ze recht zit, hoe ze haar handen bewust plaatst en haar bewegingen klein houdt, alsof ze zichzelf onder controle probeert te houden, terwijl ik juist merk dat ik dat niet doe, dat mijn blik steeds weer naar haar lichaam wordt getrokken zonder dat ik daar grip op krijg.

Het is bijna gênant hoe weinig moeite ik doe om het te verbergen, en wanneer ik haar aankijk, wordt het alleen maar erger, omdat alles wat ik dacht te zeggen of te denken simpelweg wegvalt en er alleen nog maar overblijft hoe ze daar zit.

Wat straalt ze.

Wat is ze opeens perfect, op een manier die niet eerlijk voelt maar wel echt.

En ergens, onder die gedachte, zit iets wat ik liever niet volledig toelaat, omdat het te duidelijk maakt hoe ver ik al ben gegaan zonder dat er iets is gebeurd.

Mijn hart klopt sneller dan normaal, onrustig en nadrukkelijk aanwezig, alsof het me continu herinnert aan wat er speelt, en ik voel hoe dun de lijn is tussen controle houden en gewoon meegaan in wat zich aandient.

Na een tijdje stel ik voor om weer te vertrekken, niet omdat het klaar is maar omdat het anders te lang wordt, en wanneer ik aanbied om haar naar huis te lopen, zie ik aan haar reactie dat ze dat oprecht fijn vindt, alsof dat gebaar meer betekent dan alleen samen teruglopen.

We laten de drukte achter ons en lopen weer de duinen in, waar de stilte meteen terugkomt en alles weer dichterbij voelt, en dan vraagt ze ineens of onze kuil er nog zou zijn, alsof die plek zomaar weer onderdeel kan worden van dit moment. De kuil in de duinen waar we vaak afspraken. Ik vroeger al met Elise, later met het vriendengroepje van hier. En waar ik en Eke ook wel wat uren samen hebben doorgebracht. Kletsend. Alleen dat. Nooit meer. Nooit voelde het toen geforceerd.

Ik hoef niet lang na te denken om mee te gaan in dat idee, en zonder dat het uitgesproken wordt, sturen we onze route die kant op, waar die plek nog precies ligt zoals ik me hem herinner, verscholen, beschut en los van alles eromheen.

We gaan zitten in het warme zand, uit de wind en uit het zicht, en terwijl de wereld om ons heen verdwijnt tot iets dat er wel is maar niets meer doet, blijven alleen wij over, met alles wat er nog tussen ons in zit en wat zich steeds minder laat negeren.

We zijn dan vooral stil, zonder dat het ongemakkelijk wordt, en langzaam laat ze zich zakken in het zand, liggend met haar knieën hoog, terwijl ze naar de lucht kijkt met haar handen samen op haar buik, en ik kijk naar haar, zonder schaamte, en als ze me ziet kijken, schaam ik me nog steeds niet.

Ik kan doen alsof ik dom ben, me laten meevoeren door wat ze dan ook aan het doen is, maar ik voel aan alles dat ik juist degene moet zijn die keuzes moet maken, net als toen. En daarom zeg ik: “Je ziet er goddelijk uit.” Wat in eerste instantie natuurlijk vloeken is voor haar refo-brein. Al weet ik ook dat al die refo-meiden vaak te strakke jurkjes en korte rokjes droegen en dat dan weer wel mocht, en ze is me uiteindelijk toch dankbaar voor het compliment.

“Voor jou wel,” zegt ze dan, waarna ze slikt en mijn hand pakt, en terwijl alles in mij zegt dat ik haar wil kussen, dat ik me over haar heen wil bewegen en me aan haar wil vergrijpen, herinner ik me op tijd met wie ik te maken heb. En haar woorden blijven hangen, omdat er blijkbaar iemand is die haar niet perfect vindt.

“Hij is gek,” zeg ik, zonder zijn naam te noemen. En ik kijk bewust weg omdat het te pijnlijk is om haar realisatie te zien, al weet zij dat zelf al lang en weet ik ook dat het ergens mijn schuld is. Omdat het altijd zo heeft gevoeld, omdat ik haar destijds heb afgewezen en zij binnen de kortste keren een vriendje had dat haar man werd en nu twee kinderen, alsof dat pad gewoon verwacht werd en zij het heeft gevolgd.

De stilte die volgt duurt langer dan prettig is, en precies op dat moment schuift er een wolk voor de zon. Alsof zelfs dat mee beweegt met wat er gebeurt, en dan begint ze: “Ik voelde me zo…,” waarna ze overeind komt en ik haar ernstig aankijk terwijl ze zegt: “Ik heb me nog nooit zo verraden gevoeld,” en de tranen bijna in haar ogen schieten. Ik weet meteen dat ze het niet over Bert heeft.

Ik slik, ik zwijg, en ik kijk weg.

“Ik wilde je juist geen pijn doen,” zeg ik dan, omdat het maar over één moment kan gaan en dat moment zich nu, al die jaren later, weer naar voren dringt. Maar ze schudt haar hoofd en duwt de emotie weg alsof ze die niet de ruimte wil geven om te blijven.

Dan pakt ze mijn arm en legt ze haar hoofd tegen mijn schouder. Ik zucht, terwijl de stilte het moment draagt. Ze zegt zachtjes: “Dat wil je nog steeds niet.” De wolk schuift voorbij en de zon raakt ons opnieuw. Ik sluit even mijn ogen en adem diep in, omdat het me meer doet dan ik wil toegeven dat ze me zo vastpakt en dat ze begrijpt wat ik toen probeerde te doen, namelijk haar beschermen. En ze heeft gelijk dat ik dat nog steeds doe, al betekent dat niet dat het altijd dezelfde uitkomst hoeft te hebben.

“Ik ben eenzaam,” zegt ze dan, haar kin rustend op mijn arm terwijl ze naar me opkijkt. Ik weet dat dit een directe uitnodiging is. Ik voel het en herken het, maar ik kijk niet meteen terug. Pas als ik dat wel doe, zie ik hoe ze voorzichtig begint te glimlachen, bijna bang voor wat dit moment betekent, voor mij en voor alles wat daarna komt.

“Ik kan alleen maar slecht voor je zijn,” zeg ik haar, terwijl mijn adem haar voorhoofd raakt en mijn lippen al dicht bij de hare zijn. Ze knikt zonder aarzeling. “Ik denk dat ik dat nodig heb. Iemand die echt slecht voor me is.” Ik voel hoe de spanning meteen oploopt, hoe het niet alleen in woorden blijft maar zich ook fysiek aandient. Toch probeer ik het nog weg te lachen. “Je weet niet wat je zegt.”

“Ik weet wat ik mis,” fluistert ze. Zonder pauze voegt ze eraan toe: “En jij moet het me laten zien.” Het is brutaal, zeker voor haar. Ik kan het niet laten om haar uit te dagen met een zacht: “O, ja?”

“Lucas,” zegt ze dan. Alleen mijn naam is genoeg om al mijn aandacht naar haar toe te trekken. “Zonder spelletjes, oké?” Ik knik. Dat verdient ze, ook al ben ik hier niet op voorbereid.

“Ik verlang echt naar je,” zegt ze dan, terwijl haar kin nog steeds op mijn schouder rust en haar ogen mij vasthouden. Mijn arm zit tegen haar aangeklemd, alsof ze me al claimt. En het werkt.

Ik kijk haar aan en weet dat deze woorden niet leeg zijn.

“Mag ik dan wat proberen?” fluister ik terug. Ik zie hoe de hoop in haar ogen groeit terwijl ze knikt. Dus buig ik naar haar toe en zoek haar lippen op, terwijl haar kin nog op mijn schouder rust en haar lippen meteen reageren.

Onze ogen sluiten zich tegelijk. Dan laat ze zich los en zoent ze plots gretig terug. Geen tong, geen open monden, maar twee paar lippen die elkaar aandrukken alsof ze daar al jaren op gewacht hebben.

En dat is ook zo.

De kus duurt langer dan hij zou moeten duren, en tegelijkertijd voelt het alsof hij pas net begonnen is, alsof alles wat hier naartoe heeft geleid zich in dit ene moment samenbalt. Het is niet meer dan een kus, maar wel één die alles verschuift, die iets opent wat al jaren onder de oppervlakte lag te wachten. Ik vergeet alles om me heen, voel hoe mijn hoofd licht wordt en hoe mijn gedachten hun grip verliezen, terwijl het besef langzaam doordringt dat haar verlangen niet iets van nu is, maar iets dat al veel langer bestaat, misschien zelfs al vanaf toen, toen ze nog die wat knullige collega van Elise was in de strandtent waar we net zaten, waar we zojuist al die herinneringen hebben opgehaald.

Duidelijker dan dit kan ze niet zijn.

Dus blijven we elkaar kussen, onze lippen tegen elkaar gedrukt alsof dat het enige is wat er nog toe doet, en ergens in mijn achterhoofd weet ik dat ik een getrouwde vrouw kus, maar ik sta daar niet lang genoeg bij stil om het echt binnen te laten komen. Toch ben ik het die de kus verbreekt, niet omdat het moet, maar omdat ik voel dat iemand dat moet doen, en op het moment dat ik loskom, zie ik hoe ze bijna voorover valt, nog volledig in het moment, alsof ze er niet op had gerekend dat ik zou stoppen.

“Helpt dit?” vraag ik met een schuine glimlach, half serieus, half om de spanning te breken.

Ze bloost. “Best wel.”

Ze komt meteen weer dichterbij, zoekt opnieuw mijn lippen, maar dit keer ontwijk ik haar net op tijd.

“Doe ik het niet goed?” vraagt ze direct, en er zit iets kwetsbaars in die vraag dat me even uit balans brengt, omdat ik weet dat het daar helemaal niet om gaat.

“Jawel,” zeg ik, “maar je vergeet wat dingen, denk ik.”

Ze begrijpt het meteen. Dat zie je. Haar blik verandert, haar mond sluit zich, en ze knikt langzaam terwijl ze op haar lip bijt, schuldbewust, alsof het besef in één keer weer terugkomt. Haar hand ligt nog op mijn knie, maar die trekt ze terug, alsof zelfs dat al te veel is geworden.

“Het voelt zo… goed,” zegt ze dan, bijna wanhopig, alsof ze bang is dat het moment alweer voorbij is voordat ze er echt in heeft kunnen blijven.

En dat is het probleem.

Het voelt ook goed.

Te goed.

Ik heb weinig te verliezen, dat weet ik, maar zij heeft alles, en dat maakt dat ik diep zucht en mezelf dwing om na te denken, om niet meteen mee te gaan in wat er zo makkelijk zou kunnen gebeuren. Het lukt nog net. Bij haar zie ik dat het al moeilijker is.

“Ik stel voor dat we naar huis gaan,” zeg ik uiteindelijk, rustig, bijna afstandelijk, “los van elkaar. Denk goed na. En als je het zeker weet, kom dan vanavond naar mij toe. Dan geef ik je wat je wil. Eén keer.”

Ik hoor zelf hoe gecontroleerd het klinkt, bijna professioneel, maar ik weet ook waarom ik het zo zeg, omdat ik dit soort momenten vaker heb meegemaakt, situaties die net niet konden en waarin ik zelf te snel ben geweest, en ik weet dat zij die ruimte nodig heeft, dat ze die keuze bewust moet maken.

Ondertussen weet ik ook dat ik haar hier en nu zou kunnen pakken, dat het weinig moeite zou kosten om dat laatste stukje controle los te laten.

Maar dat doe ik niet.

Misschien omdat ik volwassen ben geworden.

Of in ieder geval iets meer dan toen.

Ze knikt. Ze slikt. Ik zie het in haar ogen dat ze nu al twijfelt, dat ze ergens al spijt heeft van wat er net is gebeurd, en ik verwacht eigenlijk dat het hierbij blijft.

We staan op en lopen de duinen uit, maar dit keer met meer afstand tussen ons dan toen we naar binnen liepen, en zonder nog veel te zeggen gaan we elk onze eigen kant op.

En zodra ik thuis ben, komt de vraag meteen.

Maak ik hier nu toch weer een fout door haar te laten gaan?

-
Rsorry
Rsorry (29)
Ben jij iemand die houdt van een beetje mysterie en veel verleiding?
🟢 Nu Online
Bekijk profiel →
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Durf jij met oma te flirten?
Durf jij met oma te flirten?