Door: Jefferson
Vervolg op: Ameland 2.0 - 4: Weddingcrash
Voor Morgen
Het winkeltje zit nog precies waar het altijd zat, alsof het zich nooit heeft hoeven aanpassen aan de rest van de wereld. De deurbel rinkelt zacht als we binnenkomen en meteen slaat die bekende geur me tegemoet — een mengeling van hout, karton en iets zoets dat waarschijnlijk al jaren in dezelfde potjes zit. Het licht valt warm naar binnen door de ramen aan de voorkant, niet fel, maar helder genoeg om alles net iets zachter te maken dan het in werkelijkheid is. Het winkeltje wat ooit van mij was. Nu nergens drank te bekennen.
Kamila loopt zonder aarzeling naar het schap met speelgoed, alsof ze de indeling nog precies kent. Ze vertraagt daar, haar aandacht meteen gevangen door de hoeveelheid opties die zich voor haar uitstallen. Haar vingers glijden langs de dozen, blijven hier en daar even hangen, nemen iets op, draaien het om, leggen het weer terug. Het is geen haastige beweging; eerder bedachtzaam, alsof ze echt probeert iets te kiezen dat niet alleen leuk is, maar ook klopt.
Ik blijf iets achter haar staan.
Niet ver. Gewoon dichtbij genoeg.
Ze buigt zich een klein stukje voorover om een doos beter te bekijken. Haar jurkje volgt die beweging zonder weerstand, trekt licht langs haar heupen en vormt zich vanzelf naar haar lichaam. Het is geen overdreven kledingstuk, niets dat aandacht vraagt, en juist daarom werkt het. Alles zit waar het moet zitten, zonder dat het bedoeld lijkt om op te vallen.
Ik kijk.
Niet bewust. Niet als een keuze.
Gewoon automatisch.
Alsof dat nooit veranderd is, hoe vaak ik haar ook zo zie, hoe vaak dit moment zich ook herhaalt.
Ze hoeft zich niet om te draaien om het te merken.
“Gedraag je,” zegt ze zacht.
“Ik doe toch niks,” zeg ik.
Haar hand blijft even op het schap rusten. Ze beweegt niet meteen verder, laat die stilte een seconde langer hangen dan nodig is. Alsof ze wacht. Alsof ze voelt of er nog iets komt.
Er komt niets. Niet nu.
Niet van mij. Niet hier.
“Wat geef je kinderen die alles al hebben?” vraagt ze nog geërgerd.
Ik haal mijn schouders op, ook al ziet ze dat niet. “Tja...” reageer ik alleen.
Ze zucht, maar het is geen echte irritatie. Er zit iets lichts onder, iets dat verraadt dat dit moment haar net zo vertrouwd is als mij. Dit soort kleine frictie. Dit soort spel.
Ze pakt uiteindelijk twee cadeaus tegelijk op en houdt ze even in haar handen, alsof ze het gewicht probeert te voelen, alsof daar het antwoord in zit. Haar blik gaat van het één naar het ander, twijfelend, maar niet onzeker. Ze neemt de tijd, en dat alleen al zegt genoeg. We hebben geen haast. Niet hier.
Niet meer. Nooit meer, eigenlijk.
Als ze haar keuze maakt, doet ze dat zonder er nog iets over te zeggen. Ze draait zich om, loopt langs me heen richting de kassa, en heel even raakt haar arm de mijne. Niet nadrukkelijk, niet bedoeld, maar ook niet vermeden.
Ik volg haar.
Aan de kassa staan twee mensen die ons herkennen. Geen verrassing. Korte knikjes. Namen die nog net over de toonbank glijden voordat ze weer verdwijnen in het alledaagse. Er worden een paar vragen gesteld — hoe het gaat, of we er weer even zijn — en de antwoorden komen vanzelf. Niets hoeft uitgelegd te worden. Hier niet.
Het voelt bijna alsof we nooit echt zijn weggegaan.
De vrouw achter de kassa pakt de cadeaus in met een zorgvuldigheid die niet nodig is, maar wel gewaardeerd wordt. Kamila bedankt haar met die rustige glimlach die ze heeft als ze zich op haar gemak voelt. Ik zie het, zonder dat ik er iets van zeg.
Buiten is het licht feller. De overgang van binnen naar buiten maakt alles even scherper, alsof de wereld zich opnieuw moet instellen. Het geluid van het dorp komt terug, zacht, niet opdringerig. Mensen die langs lopen, fietsen die voorbijgaan, stemmen die ergens verderop in elkaar overlopen. Ameland in mei is erg fijn.
We lopen naast elkaar, vanzelfsprekend. Het is warm deze week.
Mijn hand vindt haar onderrug zonder dat ik erover nadenk. Het is geen bewuste beweging, geen gebaar dat iets moet zeggen. Het gebeurt gewoon. Mijn hand rust daar, warm door de stof van haar jurkje heen, en ik voel hoe haar lichaam die aanraking herkent voordat ze er zelf iets mee doet.
Ze reageert niet.
Niet zichtbaar.
Maar ze wijkt ook niet uit.
Mijn hand blijft daar net iets te lang liggen. Niet overdreven, niet opvallend voor iemand die ons zou zien, maar voor ons allebei precies lang genoeg om te voelen dat het er nog is. Dat het niet verdwenen is met de jaren, met de keuzes, met alles wat we hebben doorgemaakt.
Ze zegt er niets van.
En dat zegt genoeg.
We lopen door, het dorp in, met de cadeautjes in haar hand en iets anders dat onzichtbaar met ons meebeweegt. Iets dat niet benoemd hoeft te worden, omdat het er altijd al was.
En blijkbaar nog steeds is.
We zijn weer op Ameland.
Dat alleen al voelt vertrouwd. Maar het is niet meer zoals toen. Dat merk je aan alles, ook al is het moeilijk precies aan te wijzen waar het in zit. En dat is elke keer wel zo. Het blijft vertrouwd. Maar er gebeurt altijd wel iets waardoor het de volgende keer weer net iets anders is. Daar dus niks veranderd.
We zijn ouder geworden. Rustiger. Minder bezig met wat er nog zou kunnen, meer met wat er is. Ik en Kamila hebben elkaar daarin gevonden. Niet omdat alles vanzelf ging, maar omdat we er zijn gebleven. Minder mensen om ons heen, minder gedoe. Meer focus. Meer ons. Althans, dat is wat de andere moeten zien, als ze naar ons kijken.
Het leven heeft zich gevormd. Niet perfect, maar wel duidelijker. Waar het vroeger vaak zoeken was, is het nu vaker weten. Of in ieder geval… accepteren.
En toch — zodra we hier zijn, lijkt dat allemaal even minder belangrijk. Ameland doet iets met dat soort lagen. Alsof het ze eraf haalt. Alsof het terugbrengt naar hoe het ook kan zijn: simpel, overzichtelijk, zonder dat alles meteen betekenis hoeft te hebben.
Het is nu vijf jaar na het huwelijk.
We zijn altijd in contact gebleven met Eke. Dat is nooit echt verwaterd. Integendeel. We komen hier regelmatig, en zij ook bij ons. Het is goed tussen ons. Echt goed, als je het zo bekijkt.
Maar er zit altijd iets onder.
Niet groot. Niet zichtbaar voor iemand die het niet kent.
Maar wel aanwezig.
Een onderlaag die niet meer benoemd wordt, maar die er elke keer weer is zodra we elkaar zien. Alsof het ergens meeloopt, zonder dat iemand besluit er iets mee te doen.
Ik en Kamila komen hier nu weer vaker. Vaker samen ook. Dat is vanzelf zo gegroeid. Het voelt goed om hier samen te zijn. Anders dan vroeger. Minder geladen misschien, maar daardoor juist steviger.
Willemijn is ondertussen zo goed als uitgevlogen. Eigen leven, eigen ritme. Ze heeft haar plek gevonden buiten dit eiland, maar helemaal los is ze er niet van. De sleutel van het huisje heeft ze nog steeds. Alsof ze zichzelf de optie laat om terug te komen wanneer ze wil. Soms treffen we haar hier dan opeens aan. Soms spreken we van tevoren af. Maar niks moet of hoeft.
Eke is nog steeds getrouwd.
Ze heeft inmiddels een tweeling. Jozua en Sylke. Vier jaar oud nu. Dat duurde natuurlijk ook niet lang. Lachend hadden we nog gewed of het er acht of tien zouden worden. Maar het bleef bij twee stuks in één keer. Twee totaal verschillende kinderen, die samen precies laten zien hoe haar leven eruitziet.
Refo-kindertjes, zoals je ze hier vaker ziet. Maar verwend. Dat ook. Ze komen niets tekort, en dat zie je in alles.
We nemen altijd iets voor ze mee als we langskomen. Het is geen verplichting, maar het hoort er gewoon bij. Een kleine moeite, die meteen iets doet.
Ze zien ons als hun oom en tante.
En eerlijk is eerlijk — dat vinden we allebei echt heel leuk. Kamila is ook heel goed met kinderen. Beter dan ze dacht.
De voordeur staat al op een kier als we het pad oplopen. De tuin ligt er strak bij, bijna te strak, alsof elk grassprietje een plek heeft gekregen die niet ter discussie staat. In de verte hoor je kinderstemmen, hoog en onvoorspelbaar, afgewisseld met het doffe geluid van iets dat omvalt en meteen weer wordt genegeerd.
Ik kijk even opzij naar Kamila. Zij heeft de cadeautjes in haar hand, haar vingers losjes om het papier gevouwen. Ze zegt niets, maar haar blik gaat kort langs het huis, langs de ramen, alsof ze het geheel in één keer wil opnemen voordat we aanbellen.
Dat hoeft niet eens.
De deur gaat open.
Daar staat ze.
Even gebeurt er niets.
Het is geen lange stilte, geen moment dat je kunt aanwijzen, maar het zit er wel. In hoe ze blijft staan. In hoe wij niet meteen iets zeggen.
Ze glimlacht.
Haar ogen volgen net een fractie later.
“O ja,” zegt ze dan. Vergeten dat we kwamen.
“Ja,” zeg ik. En ik lach. Ik herken haar drukte. Het is ons niet vreemd.
Meer komt er niet. Hoeft ook niet.
Voordat het moment zich kan vullen, schiet er een kind langs haar heen naar buiten. Een flits van beweging, kleine voeten die geen richting lijken te kennen.
“Jozua! Hier blijven!” roept ze meteen. “Pff, laat maar...” geeft ze verslagen alweer op. Het leven van een moeder.
Ik en Kamila lachen er wat ongemakkelijk om, meer omdat het moet dan omdat het echt grappig is. Het haalt de spanning weg, of in ieder geval genoeg om weer te kunnen bewegen.
We stappen naar binnen.
Het huis is groot. Ruim. Licht. Alles klopt. Hoge plafonds, brede ramen, meubels die niet alleen mooi zijn, maar ook bewust gekozen. Dit is geen plek waar iets toevallig staat. Villa. Aan niks te kort.
En toch — het voelt niet zoals het eruitziet.
Kamila stapt iets naar voren en geeft de cadeaus. Haar hand raakt Eke even bij haar arm. Niet nadrukkelijk, niet bedoeld om iets te zeggen, maar wel aanwezig.
Eke reageert een tel te laat. ''Hoeft toch niet.'' zegt ze vertederd. Er zat ook iets voor haar bij. Ze is zichtbaar emotioneel, maar doet alsof het niet bestaat.
Alsof ze even moet schakelen voordat ze weer in het moment zit.
“Dank je,” zegt ze dan, en haar stem is warm, maar net iets vlakker dan je zou verwachten.
Dan nemen de kinderen het over.
Sylke komt dichterbij, bijna automatisch. Ze blijft op een kleine afstand staan, kijkt eerst naar Kamila, dan naar mij, alsof ze probeert te begrijpen wie we zijn en waarom we steeds weer weggaan. Haar houding is rustig, open. Ze zegt niets, maar haar aanwezigheid is genoeg. Ze gaat op schoot zitten bij Kamila. Ik geef haar een boks.
Kamila zakt een beetje door haar knieën, glimlacht naar haar, zegt iets zachts dat ik niet eens helemaal opvang. Sylke reageert met een kleine beweging, en knuffelt haar innig.
Jozua is het tegenovergestelde.
Hij is overal tegelijk.
Rent langs ons heen, klimt ergens op wat daar eigenlijk niet voor bedoeld is, pakt iets op, laat het weer vallen. Het ene moment is hij naast me, het volgende moment alweer aan de andere kant van de kamer. Er zit geen lijn in, geen rust.
Ik moet lachen.
Kan er weinig aan doen.
Hij werkt op m’n lachspieren zonder dat hij het doorheeft.
Eke duidelijk minder.
“Hij heeft energie,” zeg ik nog, half naar haar toe.
“Dat kun je wel zeggen,” zegt ze droog.
Mijn blik blijft even op haar hangen.
Op hoe ze daar staat, tussen alles wat ze heeft opgebouwd. Tussen dat huis, die kinderen, dat leven dat van buitenaf klopt.
Elke keer is ze mooier. Lichamelijk ziet ze er niet uit als een moeder van twee. Zo mooi. Volwassen.
Zelfs moe. Misschien juist dan.
Er zit iets in haar gezicht dat er vroeger niet zat. Iets dat dieper ligt, minder licht. Alsof alles wat ze is geworden, zich niet alleen aan de buitenkant afspeelt.
Maar het zit anders nu. Minder vrouw. Meer moeder.
Niet omdat dat haar minder maakt, maar omdat het haar volledig heeft overgenomen. Haar houding, haar blik, zelfs de manier waarop ze beweegt — alles lijkt afgestemd op wat er van haar gevraagd wordt.
En toch — blijft er iets hangen.
Iets dat niet helemaal opgaat in dat plaatje.
Iets wat je alleen ziet als je weet waar je moet kijken. En ergens wisten we het natuurlijk al.
De kinderen spelen buiten terwijl wij aanschuiven in de keuken, aan een groot eiland waar Eke koffie voor ons inschenkt, haar bewegingen rustig maar niet ontspannen.
"Alleen?" vraag ik.
Bert is er weer niet; hij is er eigenlijk nooit, al zal ze hem niet snel in een kwaad daglicht zetten.
"Ja, Noorwegen," zegt ze zonder om te kijken.
Hij zit in de energiesector en reist veel, dat weet ik, dat weten we allemaal, maar hoe dat er in de praktijk uitziet, zie ik nu pas echt.
Hij is weg, en zij is hier, met twee kinderen.
Eerst ging het nog wel, dat zag je, dat voelde je, maar nu niet meer.
Ze leunt met één arm op het aanrecht, niet achteloos en niet ontspannen, maar duidelijk voor steun, en wanneer ze de koffie inschenkt, trilt haar hand heel even, nauwelijks zichtbaar misschien, maar voor mij meer dan genoeg.
Ik en Kamila kijken elkaar kort aan, zonder woorden, omdat we niets hoeven te zeggen om hetzelfde te zien.
"Je bent er maar druk mee," begint Kamila luchtig wanneer Eke gaat zitten maar zelf niets zegt.
"Goh… ik ben echt op," geeft ze dan toe.
Ze kijkt naar buiten, waar de kinderen inmiddels de zandbak hebben gevonden, en in haar blik zie je dat ze het ziet en er ook van geniet, dat wel, want dat is wat ze in ieder geval heeft gekregen.
Kinderen.
Maar geen man die er echt is.
Haar blonde haren zitten wat rommelig, niet slordig, maar ook niet zoals ze het zelf zou willen, en haar keurige jurk, gecombineerd met een klein beetje make-up, laat zien dat ze haar best heeft gedaan.
Voor ons.
Dat zie je.
Maar het verandert niets aan hoe moe ze eruitziet en hoe zwaar het zichtbaar op haar ligt.
We zien Eke misschien één keer in de twee maanden, en de kinderen dan ook, en elke keer is het iets erger; zien we iets minder van de Eke die we kennen. Het vreet aan haar, maar ze zal er nooit over klagen, er nooit iets van zeggen.
We blijven twee uurtjes, nooit heel veel langer. We spelen met de kinderen, Kamila en Eke praten vaak nog even samen. Ik kan wel zeggen dat ze vriendinnen zijn, maar altijd met die gepaste afstand door het verleden.
Kamila en ik lopen om naar het huisje, door de duinen en de wind. De zon brandt nog in de namiddag, het is er stil, maar nooit echt stil. Hand in hand lopen we verder, en af en toe legt ze haar hoofd op m'n schouder. Dan krijg ik het idee dat ze me waardeert, dat ik er ben. Haar waardering voor mij groeit altijd na een bezoekje aan Eke. Ik profiteer van het feit dat Bert ontbreekt.
Meestal wacht ik totdat we thuis zijn, maar als we het juiste plekje vinden, verdwijnen we even uit het zicht en is een tedere zoen vaak nog maar de inleiding. Mijn hand in haar rode haren, terwijl ze m'n zaad slikt, vaak het einde. Kamila wilde geen kinderen, maar het was zo duidelijk dat ze mij aantrekkelijker vond als ze zag hoe goed ik was met kinderen.
“Maak me wel zorgen,” had ze dit keer gezegd voordat we intiem werden. “Is het zo erg?” vraag ik, omdat ik denk dat ze meer weet. “Ze wordt verwaarloosd,” zegt Kamila stellig, alsof ze het herkent. Dat komt wel binnen.
Meestal bezoeken we Eke eenmalig per bezoek aan Ameland. Kamila ging nog twee keer langs, uit bezorgdheid, zonder mij. Ik hield bewust afstand.
De tuin van het huisje ligt er rustig bij, niet leeg maar stil op een manier die alleen hier bestaat, waar geluiden verder dragen en tegelijk minder zwaar wegen. Ik ben hier de laatste tijd wat vaker alleen, omdat het huisje dat vraagt; onderhoud dat blijft liggen als je het laat liggen, kozijnen die opnieuw moeten worden gedaan, hout dat begint te werken en verf die loslaat als je te lang wacht. En ergens vind ik dat niet eens vervelend, even alleen hier zijn, zonder Kamila, zonder dat alles meteen ergens naartoe moet.
We zijn nu twee weken verder na ons laatste bezoek samen en sindsdien ben ik nog een keer teruggekomen, iets wat vaker gebeurt, al zeg ik dat meestal niet tegen Eke. Bewust niet. Uit voorzorg, omdat ik weet hoe dun die lijn kan zijn als je hem niet bewaakt.
Ik sta op de ladder, halverwege een kozijn dat nog één laag nodig heeft, terwijl de zon precies goed staat en de radio zachtjes binnen aanstaat, net hoorbaar door het open raam, een stem en een liedje die er zijn zonder dat ik er echt naar luister. Het is stil, tot ik het grind hoor, hakjes die niet gehaast klinken en ook niet twijfelend, maar gewoon aanwezig, van voren om het huisje heen naar de achtertuin.
Ik hoef eigenlijk niet te kijken om te weten wie het is, maar doe het toch.
Ze staat onder aan de ladder, kijkt omhoog en houdt haar hand boven haar ogen tegen de zon.
“Koffie?” vraagt ze simpel, nog voordat ik iets kan zeggen.
Ik knik en klim naar beneden zonder haast. “Een verrassing,” zeg ik terwijl zij me niet eens meer hoeft te volgen, omdat ze de weg blijkbaar nog precies weet. Ze zet het koffiezetapparaat al aan. Ouderwets.
Als ik de keuken in kom, staat ze aan het aanrecht, alsof ze de ruimte nog kent en nooit echt is weggegaan, en mijn keuken, die donkerder en kleiner is dan haar huis, voelt ineens nog knusser, juist door het contrast met waar zij nu woont. Een vrouw aan het aanrecht geeft me een vertrouwd beeld. Klinkt ouderwets. Ik denk dat Eke niks liever zou willen. Maar dan wel voor een man die thuis is.
Ze zet koffie alsof het haar eigen plek is en zegt: “Ouders passen op. Was aan de wandel. Zag je fiets buitenstaan,” alsof het allemaal toevallig is, terwijl we allebei weten dat je moet omlopen om hier langs te komen. Ik hum even. Meer niet.
Ik doe alsof het normaal is en leun tegen het aanrecht terwijl ik begin over haar zoon. Om haar er misschien ook wel aan te herinneren.
“Die Jozua van jullie… was jij ook zo, vroeger?”
Ze lacht meteen, echt, en zegt dat dat absoluut niet zo was, wat ik eigenlijk al wist, omdat Sylke veel meer lijkt op hoe zij geweest moet zijn: rustig, observerend, aanwezig zonder zich op te dringen.
We praten wat, niets bijzonders, kleine dingen die geen gewicht hoeven te dragen, maar ik zie wel hoe ze ontspant, hoe haar schouders zakken en haar blik rustiger wordt, hoe ze me aankijkt zonder dat daar meteen iets achter zit, en dat doet me meer dan ik wil toegeven.
Ze lacht soms net iets te lang, blijft hangen in momenten die eigenlijk al voorbij zijn, terwijl haar haar los over haar schouders valt en het licht dat door het raam naar binnen komt haar gezicht zachter maakt. Ze ziet er goed uit, echt goed, misschien zelfs beter dan toen, alsof alles wat haar leven zwaarder heeft gemaakt haar uiterlijk ongemoeid heeft gelaten, haar lichaam nog steeds zoals ik het me herinner, misschien zelfs sterker, haar borsten voller zonder dat het overdreven wordt.
Ik merk dat ik kijk, en ik merk dat zij dat weet, in kleine gebaren zoals hoe ze haar hand door haar haar haalt, hoe ze net iets dichterbij komt zitten en hoe haar hand de mijne raakt bij een flauwe opmerking, net iets langer dan nodig.
Als ik het niet beter zou weten, zou ik zeggen dat ze flirt, maar dat past niet bij wie ze is, dus moet het ergens anders vandaan komen, waarschijnlijk omdat ik gewoon aardig tegen haar ben en zij zich daar vanzelf naar voegt.
“M’n ouders passen iets vaker op. Dus dat is fijn,” zegt ze wanneer ik vraag of het goed gaat, en als ik naar Bert vraag, zegt ze alleen: “Indonesië,” zonder verdere uitleg.
“Kan je beter op dit eiland zitten,” zeg ik dan, terwijl ik haar aankijk alsof zij de reden is, wat ergens ook zo voelt.
Er valt een korte stilte die niet ongemakkelijk is, maar wel vol, waarna ze zegt: “Je ziet er goed uit,” en ik lach en zeg dat dat niet zo is, wijzend op de verf op mijn wang, maar zij antwoordt rustig: “Jawel,” rustig, en laat het moment net iets te lang hangen, alsof ze ruimte maakt voor mij om iets terug te zeggen.
Ik doe dat niet.
Ze kijkt me langer aan dan normaal en vraagt dan, iets te snel: “Heb je zin om morgen te lunchen? Of ben je dan alweer weg?”
“Ik ben hier nog wel even,” zeg ik, waarna ik toevoeg: “Dus ja, kan,” al klinkt het voorzichtiger dan bedoeld.
Ze knikt, zucht en lacht, maar zonder echte overtuiging, wat me meteen doet reageren met: “Nee, leuk. Tuurlijk,” alsof ik het nog moet rechtzetten.
Ze kijkt me aan, knikt nu wel overtuigend en bijt even op haar onderlip omdat ze er nu al zin in heeft zonder dat ze het zelf door lijkt te hebben, en even later staat ze alweer op en vertrekt ze net zo snel als ze gekomen is.
Ik blijf achter in de keuken, waar de koffie nog warm is en de stilte weer terugvalt zoals hij was, en terwijl ik naar buiten loop en opnieuw naar dat kozijn kijk dat nog af moet, begint het tot me door te dringen dat ze niet zomaar langs is gekomen, dat er een bedoeling zat achter haar komst en dat ik dat moment heb laten liggen.
En nog voordat de verf droog is, weet ik het al.
Ik heb spijt. Dat ik het niet in de kiem gesmoord had. Dat ik niet gelijk zag dat hier natuurlijk meer achter zit. En dat ik morgen dus weer met haar afspreek.
Als ik die avond met Kamila bel, deelt ze in eerste instantie mijn zorgen, en hoor ik aan alles dat ze ziet wat ik zie en voelt wat ik voel, maar haar toon verandert al snel, alsof ze zichzelf corrigeert of bewust een andere kant op beweegt. “Andere kant; ik lig toch ook niet alleen in bed?” zegt ze dan, en in die ene zin daagt ze me meteen op meerdere fronten uit, zoals alleen zij dat kan. Tegenwoordig hoefde dat allang niet meer alleen één van de vier, wel bekende meiden te zijn, en dat weet zij net zo goed als ik. Waarschijnlijk ligt ze op dat moment gewoon alleen in bed, maar daar gaat het haar niet om; het gaat haar om wat ze me wil laten voelen, en misschien nog wel meer om wat ze me toestaat.
Ze geeft me groen licht, maar niet zonder spel.
“Weet je dit heel zeker?” vraag ik, en daarmee geef ik eigenlijk al toe dat ik er voor opensta, dat het idee me niet afstoot maar juist iets losmaakt.
“Als ik je nu nog niet vertrouw...” zegt ze, en hoewel ze het luchtig houdt, ken ik haar goed genoeg om te weten dat daar meer onder zit, dat haar vertrouwen geen vanzelfsprekendheid is maar een keuze die ze telkens opnieuw maakt.
“Maak haar maar verslaafd,” voegt ze er dan nog aan toe, alsof ze er bewust een schepje bovenop doet, alsof ze wil zien wat ik met die ruimte doe.
Ik lach, meer om de spanning dan om de woorden zelf, en laat een lage hum horen die zij meteen zal herkennen.
“We gaan alleen lunchen, hè,” zeg ik nog, half als geruststelling, half als herinnering aan wat we onszelf wijsmaken.
Dat is precies hoe het altijd begint.
-
Kamila loopt zonder aarzeling naar het schap met speelgoed, alsof ze de indeling nog precies kent. Ze vertraagt daar, haar aandacht meteen gevangen door de hoeveelheid opties die zich voor haar uitstallen. Haar vingers glijden langs de dozen, blijven hier en daar even hangen, nemen iets op, draaien het om, leggen het weer terug. Het is geen haastige beweging; eerder bedachtzaam, alsof ze echt probeert iets te kiezen dat niet alleen leuk is, maar ook klopt.
Ik blijf iets achter haar staan.
Niet ver. Gewoon dichtbij genoeg.
Ze buigt zich een klein stukje voorover om een doos beter te bekijken. Haar jurkje volgt die beweging zonder weerstand, trekt licht langs haar heupen en vormt zich vanzelf naar haar lichaam. Het is geen overdreven kledingstuk, niets dat aandacht vraagt, en juist daarom werkt het. Alles zit waar het moet zitten, zonder dat het bedoeld lijkt om op te vallen.
Ik kijk.
Niet bewust. Niet als een keuze.
Gewoon automatisch.
Alsof dat nooit veranderd is, hoe vaak ik haar ook zo zie, hoe vaak dit moment zich ook herhaalt.
Ze hoeft zich niet om te draaien om het te merken.
“Gedraag je,” zegt ze zacht.
“Ik doe toch niks,” zeg ik.
Haar hand blijft even op het schap rusten. Ze beweegt niet meteen verder, laat die stilte een seconde langer hangen dan nodig is. Alsof ze wacht. Alsof ze voelt of er nog iets komt.
Er komt niets. Niet nu.
Niet van mij. Niet hier.
“Wat geef je kinderen die alles al hebben?” vraagt ze nog geërgerd.
Ik haal mijn schouders op, ook al ziet ze dat niet. “Tja...” reageer ik alleen.
Ze zucht, maar het is geen echte irritatie. Er zit iets lichts onder, iets dat verraadt dat dit moment haar net zo vertrouwd is als mij. Dit soort kleine frictie. Dit soort spel.
Ze pakt uiteindelijk twee cadeaus tegelijk op en houdt ze even in haar handen, alsof ze het gewicht probeert te voelen, alsof daar het antwoord in zit. Haar blik gaat van het één naar het ander, twijfelend, maar niet onzeker. Ze neemt de tijd, en dat alleen al zegt genoeg. We hebben geen haast. Niet hier.
Niet meer. Nooit meer, eigenlijk.
Als ze haar keuze maakt, doet ze dat zonder er nog iets over te zeggen. Ze draait zich om, loopt langs me heen richting de kassa, en heel even raakt haar arm de mijne. Niet nadrukkelijk, niet bedoeld, maar ook niet vermeden.
Ik volg haar.
Aan de kassa staan twee mensen die ons herkennen. Geen verrassing. Korte knikjes. Namen die nog net over de toonbank glijden voordat ze weer verdwijnen in het alledaagse. Er worden een paar vragen gesteld — hoe het gaat, of we er weer even zijn — en de antwoorden komen vanzelf. Niets hoeft uitgelegd te worden. Hier niet.
Het voelt bijna alsof we nooit echt zijn weggegaan.
De vrouw achter de kassa pakt de cadeaus in met een zorgvuldigheid die niet nodig is, maar wel gewaardeerd wordt. Kamila bedankt haar met die rustige glimlach die ze heeft als ze zich op haar gemak voelt. Ik zie het, zonder dat ik er iets van zeg.
Buiten is het licht feller. De overgang van binnen naar buiten maakt alles even scherper, alsof de wereld zich opnieuw moet instellen. Het geluid van het dorp komt terug, zacht, niet opdringerig. Mensen die langs lopen, fietsen die voorbijgaan, stemmen die ergens verderop in elkaar overlopen. Ameland in mei is erg fijn.
We lopen naast elkaar, vanzelfsprekend. Het is warm deze week.
Mijn hand vindt haar onderrug zonder dat ik erover nadenk. Het is geen bewuste beweging, geen gebaar dat iets moet zeggen. Het gebeurt gewoon. Mijn hand rust daar, warm door de stof van haar jurkje heen, en ik voel hoe haar lichaam die aanraking herkent voordat ze er zelf iets mee doet.
Ze reageert niet.
Niet zichtbaar.
Maar ze wijkt ook niet uit.
Mijn hand blijft daar net iets te lang liggen. Niet overdreven, niet opvallend voor iemand die ons zou zien, maar voor ons allebei precies lang genoeg om te voelen dat het er nog is. Dat het niet verdwenen is met de jaren, met de keuzes, met alles wat we hebben doorgemaakt.
Ze zegt er niets van.
En dat zegt genoeg.
We lopen door, het dorp in, met de cadeautjes in haar hand en iets anders dat onzichtbaar met ons meebeweegt. Iets dat niet benoemd hoeft te worden, omdat het er altijd al was.
En blijkbaar nog steeds is.
We zijn weer op Ameland.
Dat alleen al voelt vertrouwd. Maar het is niet meer zoals toen. Dat merk je aan alles, ook al is het moeilijk precies aan te wijzen waar het in zit. En dat is elke keer wel zo. Het blijft vertrouwd. Maar er gebeurt altijd wel iets waardoor het de volgende keer weer net iets anders is. Daar dus niks veranderd.
We zijn ouder geworden. Rustiger. Minder bezig met wat er nog zou kunnen, meer met wat er is. Ik en Kamila hebben elkaar daarin gevonden. Niet omdat alles vanzelf ging, maar omdat we er zijn gebleven. Minder mensen om ons heen, minder gedoe. Meer focus. Meer ons. Althans, dat is wat de andere moeten zien, als ze naar ons kijken.
Het leven heeft zich gevormd. Niet perfect, maar wel duidelijker. Waar het vroeger vaak zoeken was, is het nu vaker weten. Of in ieder geval… accepteren.
En toch — zodra we hier zijn, lijkt dat allemaal even minder belangrijk. Ameland doet iets met dat soort lagen. Alsof het ze eraf haalt. Alsof het terugbrengt naar hoe het ook kan zijn: simpel, overzichtelijk, zonder dat alles meteen betekenis hoeft te hebben.
Het is nu vijf jaar na het huwelijk.
We zijn altijd in contact gebleven met Eke. Dat is nooit echt verwaterd. Integendeel. We komen hier regelmatig, en zij ook bij ons. Het is goed tussen ons. Echt goed, als je het zo bekijkt.
Maar er zit altijd iets onder.
Niet groot. Niet zichtbaar voor iemand die het niet kent.
Maar wel aanwezig.
Een onderlaag die niet meer benoemd wordt, maar die er elke keer weer is zodra we elkaar zien. Alsof het ergens meeloopt, zonder dat iemand besluit er iets mee te doen.
Ik en Kamila komen hier nu weer vaker. Vaker samen ook. Dat is vanzelf zo gegroeid. Het voelt goed om hier samen te zijn. Anders dan vroeger. Minder geladen misschien, maar daardoor juist steviger.
Willemijn is ondertussen zo goed als uitgevlogen. Eigen leven, eigen ritme. Ze heeft haar plek gevonden buiten dit eiland, maar helemaal los is ze er niet van. De sleutel van het huisje heeft ze nog steeds. Alsof ze zichzelf de optie laat om terug te komen wanneer ze wil. Soms treffen we haar hier dan opeens aan. Soms spreken we van tevoren af. Maar niks moet of hoeft.
Eke is nog steeds getrouwd.
Ze heeft inmiddels een tweeling. Jozua en Sylke. Vier jaar oud nu. Dat duurde natuurlijk ook niet lang. Lachend hadden we nog gewed of het er acht of tien zouden worden. Maar het bleef bij twee stuks in één keer. Twee totaal verschillende kinderen, die samen precies laten zien hoe haar leven eruitziet.
Refo-kindertjes, zoals je ze hier vaker ziet. Maar verwend. Dat ook. Ze komen niets tekort, en dat zie je in alles.
We nemen altijd iets voor ze mee als we langskomen. Het is geen verplichting, maar het hoort er gewoon bij. Een kleine moeite, die meteen iets doet.
Ze zien ons als hun oom en tante.
En eerlijk is eerlijk — dat vinden we allebei echt heel leuk. Kamila is ook heel goed met kinderen. Beter dan ze dacht.
De voordeur staat al op een kier als we het pad oplopen. De tuin ligt er strak bij, bijna te strak, alsof elk grassprietje een plek heeft gekregen die niet ter discussie staat. In de verte hoor je kinderstemmen, hoog en onvoorspelbaar, afgewisseld met het doffe geluid van iets dat omvalt en meteen weer wordt genegeerd.
Ik kijk even opzij naar Kamila. Zij heeft de cadeautjes in haar hand, haar vingers losjes om het papier gevouwen. Ze zegt niets, maar haar blik gaat kort langs het huis, langs de ramen, alsof ze het geheel in één keer wil opnemen voordat we aanbellen.
Dat hoeft niet eens.
De deur gaat open.
Daar staat ze.
Even gebeurt er niets.
Het is geen lange stilte, geen moment dat je kunt aanwijzen, maar het zit er wel. In hoe ze blijft staan. In hoe wij niet meteen iets zeggen.
Ze glimlacht.
Haar ogen volgen net een fractie later.
“O ja,” zegt ze dan. Vergeten dat we kwamen.
“Ja,” zeg ik. En ik lach. Ik herken haar drukte. Het is ons niet vreemd.
Meer komt er niet. Hoeft ook niet.
Voordat het moment zich kan vullen, schiet er een kind langs haar heen naar buiten. Een flits van beweging, kleine voeten die geen richting lijken te kennen.
“Jozua! Hier blijven!” roept ze meteen. “Pff, laat maar...” geeft ze verslagen alweer op. Het leven van een moeder.
Ik en Kamila lachen er wat ongemakkelijk om, meer omdat het moet dan omdat het echt grappig is. Het haalt de spanning weg, of in ieder geval genoeg om weer te kunnen bewegen.
We stappen naar binnen.
Het huis is groot. Ruim. Licht. Alles klopt. Hoge plafonds, brede ramen, meubels die niet alleen mooi zijn, maar ook bewust gekozen. Dit is geen plek waar iets toevallig staat. Villa. Aan niks te kort.
En toch — het voelt niet zoals het eruitziet.
Kamila stapt iets naar voren en geeft de cadeaus. Haar hand raakt Eke even bij haar arm. Niet nadrukkelijk, niet bedoeld om iets te zeggen, maar wel aanwezig.
Eke reageert een tel te laat. ''Hoeft toch niet.'' zegt ze vertederd. Er zat ook iets voor haar bij. Ze is zichtbaar emotioneel, maar doet alsof het niet bestaat.
Alsof ze even moet schakelen voordat ze weer in het moment zit.
“Dank je,” zegt ze dan, en haar stem is warm, maar net iets vlakker dan je zou verwachten.
Dan nemen de kinderen het over.
Sylke komt dichterbij, bijna automatisch. Ze blijft op een kleine afstand staan, kijkt eerst naar Kamila, dan naar mij, alsof ze probeert te begrijpen wie we zijn en waarom we steeds weer weggaan. Haar houding is rustig, open. Ze zegt niets, maar haar aanwezigheid is genoeg. Ze gaat op schoot zitten bij Kamila. Ik geef haar een boks.
Kamila zakt een beetje door haar knieën, glimlacht naar haar, zegt iets zachts dat ik niet eens helemaal opvang. Sylke reageert met een kleine beweging, en knuffelt haar innig.
Jozua is het tegenovergestelde.
Hij is overal tegelijk.
Rent langs ons heen, klimt ergens op wat daar eigenlijk niet voor bedoeld is, pakt iets op, laat het weer vallen. Het ene moment is hij naast me, het volgende moment alweer aan de andere kant van de kamer. Er zit geen lijn in, geen rust.
Ik moet lachen.
Kan er weinig aan doen.
Hij werkt op m’n lachspieren zonder dat hij het doorheeft.
Eke duidelijk minder.
“Hij heeft energie,” zeg ik nog, half naar haar toe.
“Dat kun je wel zeggen,” zegt ze droog.
Mijn blik blijft even op haar hangen.
Op hoe ze daar staat, tussen alles wat ze heeft opgebouwd. Tussen dat huis, die kinderen, dat leven dat van buitenaf klopt.
Elke keer is ze mooier. Lichamelijk ziet ze er niet uit als een moeder van twee. Zo mooi. Volwassen.
Zelfs moe. Misschien juist dan.
Er zit iets in haar gezicht dat er vroeger niet zat. Iets dat dieper ligt, minder licht. Alsof alles wat ze is geworden, zich niet alleen aan de buitenkant afspeelt.
Maar het zit anders nu. Minder vrouw. Meer moeder.
Niet omdat dat haar minder maakt, maar omdat het haar volledig heeft overgenomen. Haar houding, haar blik, zelfs de manier waarop ze beweegt — alles lijkt afgestemd op wat er van haar gevraagd wordt.
En toch — blijft er iets hangen.
Iets dat niet helemaal opgaat in dat plaatje.
Iets wat je alleen ziet als je weet waar je moet kijken. En ergens wisten we het natuurlijk al.
De kinderen spelen buiten terwijl wij aanschuiven in de keuken, aan een groot eiland waar Eke koffie voor ons inschenkt, haar bewegingen rustig maar niet ontspannen.
"Alleen?" vraag ik.
Bert is er weer niet; hij is er eigenlijk nooit, al zal ze hem niet snel in een kwaad daglicht zetten.
"Ja, Noorwegen," zegt ze zonder om te kijken.
Hij zit in de energiesector en reist veel, dat weet ik, dat weten we allemaal, maar hoe dat er in de praktijk uitziet, zie ik nu pas echt.
Hij is weg, en zij is hier, met twee kinderen.
Eerst ging het nog wel, dat zag je, dat voelde je, maar nu niet meer.
Ze leunt met één arm op het aanrecht, niet achteloos en niet ontspannen, maar duidelijk voor steun, en wanneer ze de koffie inschenkt, trilt haar hand heel even, nauwelijks zichtbaar misschien, maar voor mij meer dan genoeg.
Ik en Kamila kijken elkaar kort aan, zonder woorden, omdat we niets hoeven te zeggen om hetzelfde te zien.
"Je bent er maar druk mee," begint Kamila luchtig wanneer Eke gaat zitten maar zelf niets zegt.
"Goh… ik ben echt op," geeft ze dan toe.
Ze kijkt naar buiten, waar de kinderen inmiddels de zandbak hebben gevonden, en in haar blik zie je dat ze het ziet en er ook van geniet, dat wel, want dat is wat ze in ieder geval heeft gekregen.
Kinderen.
Maar geen man die er echt is.
Haar blonde haren zitten wat rommelig, niet slordig, maar ook niet zoals ze het zelf zou willen, en haar keurige jurk, gecombineerd met een klein beetje make-up, laat zien dat ze haar best heeft gedaan.
Voor ons.
Dat zie je.
Maar het verandert niets aan hoe moe ze eruitziet en hoe zwaar het zichtbaar op haar ligt.
We zien Eke misschien één keer in de twee maanden, en de kinderen dan ook, en elke keer is het iets erger; zien we iets minder van de Eke die we kennen. Het vreet aan haar, maar ze zal er nooit over klagen, er nooit iets van zeggen.
We blijven twee uurtjes, nooit heel veel langer. We spelen met de kinderen, Kamila en Eke praten vaak nog even samen. Ik kan wel zeggen dat ze vriendinnen zijn, maar altijd met die gepaste afstand door het verleden.
Kamila en ik lopen om naar het huisje, door de duinen en de wind. De zon brandt nog in de namiddag, het is er stil, maar nooit echt stil. Hand in hand lopen we verder, en af en toe legt ze haar hoofd op m'n schouder. Dan krijg ik het idee dat ze me waardeert, dat ik er ben. Haar waardering voor mij groeit altijd na een bezoekje aan Eke. Ik profiteer van het feit dat Bert ontbreekt.
Meestal wacht ik totdat we thuis zijn, maar als we het juiste plekje vinden, verdwijnen we even uit het zicht en is een tedere zoen vaak nog maar de inleiding. Mijn hand in haar rode haren, terwijl ze m'n zaad slikt, vaak het einde. Kamila wilde geen kinderen, maar het was zo duidelijk dat ze mij aantrekkelijker vond als ze zag hoe goed ik was met kinderen.
“Maak me wel zorgen,” had ze dit keer gezegd voordat we intiem werden. “Is het zo erg?” vraag ik, omdat ik denk dat ze meer weet. “Ze wordt verwaarloosd,” zegt Kamila stellig, alsof ze het herkent. Dat komt wel binnen.
Meestal bezoeken we Eke eenmalig per bezoek aan Ameland. Kamila ging nog twee keer langs, uit bezorgdheid, zonder mij. Ik hield bewust afstand.
De tuin van het huisje ligt er rustig bij, niet leeg maar stil op een manier die alleen hier bestaat, waar geluiden verder dragen en tegelijk minder zwaar wegen. Ik ben hier de laatste tijd wat vaker alleen, omdat het huisje dat vraagt; onderhoud dat blijft liggen als je het laat liggen, kozijnen die opnieuw moeten worden gedaan, hout dat begint te werken en verf die loslaat als je te lang wacht. En ergens vind ik dat niet eens vervelend, even alleen hier zijn, zonder Kamila, zonder dat alles meteen ergens naartoe moet.
We zijn nu twee weken verder na ons laatste bezoek samen en sindsdien ben ik nog een keer teruggekomen, iets wat vaker gebeurt, al zeg ik dat meestal niet tegen Eke. Bewust niet. Uit voorzorg, omdat ik weet hoe dun die lijn kan zijn als je hem niet bewaakt.
Ik sta op de ladder, halverwege een kozijn dat nog één laag nodig heeft, terwijl de zon precies goed staat en de radio zachtjes binnen aanstaat, net hoorbaar door het open raam, een stem en een liedje die er zijn zonder dat ik er echt naar luister. Het is stil, tot ik het grind hoor, hakjes die niet gehaast klinken en ook niet twijfelend, maar gewoon aanwezig, van voren om het huisje heen naar de achtertuin.
Ik hoef eigenlijk niet te kijken om te weten wie het is, maar doe het toch.
Ze staat onder aan de ladder, kijkt omhoog en houdt haar hand boven haar ogen tegen de zon.
“Koffie?” vraagt ze simpel, nog voordat ik iets kan zeggen.
Ik knik en klim naar beneden zonder haast. “Een verrassing,” zeg ik terwijl zij me niet eens meer hoeft te volgen, omdat ze de weg blijkbaar nog precies weet. Ze zet het koffiezetapparaat al aan. Ouderwets.
Als ik de keuken in kom, staat ze aan het aanrecht, alsof ze de ruimte nog kent en nooit echt is weggegaan, en mijn keuken, die donkerder en kleiner is dan haar huis, voelt ineens nog knusser, juist door het contrast met waar zij nu woont. Een vrouw aan het aanrecht geeft me een vertrouwd beeld. Klinkt ouderwets. Ik denk dat Eke niks liever zou willen. Maar dan wel voor een man die thuis is.
Ze zet koffie alsof het haar eigen plek is en zegt: “Ouders passen op. Was aan de wandel. Zag je fiets buitenstaan,” alsof het allemaal toevallig is, terwijl we allebei weten dat je moet omlopen om hier langs te komen. Ik hum even. Meer niet.
Ik doe alsof het normaal is en leun tegen het aanrecht terwijl ik begin over haar zoon. Om haar er misschien ook wel aan te herinneren.
“Die Jozua van jullie… was jij ook zo, vroeger?”
Ze lacht meteen, echt, en zegt dat dat absoluut niet zo was, wat ik eigenlijk al wist, omdat Sylke veel meer lijkt op hoe zij geweest moet zijn: rustig, observerend, aanwezig zonder zich op te dringen.
We praten wat, niets bijzonders, kleine dingen die geen gewicht hoeven te dragen, maar ik zie wel hoe ze ontspant, hoe haar schouders zakken en haar blik rustiger wordt, hoe ze me aankijkt zonder dat daar meteen iets achter zit, en dat doet me meer dan ik wil toegeven.
Ze lacht soms net iets te lang, blijft hangen in momenten die eigenlijk al voorbij zijn, terwijl haar haar los over haar schouders valt en het licht dat door het raam naar binnen komt haar gezicht zachter maakt. Ze ziet er goed uit, echt goed, misschien zelfs beter dan toen, alsof alles wat haar leven zwaarder heeft gemaakt haar uiterlijk ongemoeid heeft gelaten, haar lichaam nog steeds zoals ik het me herinner, misschien zelfs sterker, haar borsten voller zonder dat het overdreven wordt.
Ik merk dat ik kijk, en ik merk dat zij dat weet, in kleine gebaren zoals hoe ze haar hand door haar haar haalt, hoe ze net iets dichterbij komt zitten en hoe haar hand de mijne raakt bij een flauwe opmerking, net iets langer dan nodig.
Als ik het niet beter zou weten, zou ik zeggen dat ze flirt, maar dat past niet bij wie ze is, dus moet het ergens anders vandaan komen, waarschijnlijk omdat ik gewoon aardig tegen haar ben en zij zich daar vanzelf naar voegt.
“M’n ouders passen iets vaker op. Dus dat is fijn,” zegt ze wanneer ik vraag of het goed gaat, en als ik naar Bert vraag, zegt ze alleen: “Indonesië,” zonder verdere uitleg.
“Kan je beter op dit eiland zitten,” zeg ik dan, terwijl ik haar aankijk alsof zij de reden is, wat ergens ook zo voelt.
Er valt een korte stilte die niet ongemakkelijk is, maar wel vol, waarna ze zegt: “Je ziet er goed uit,” en ik lach en zeg dat dat niet zo is, wijzend op de verf op mijn wang, maar zij antwoordt rustig: “Jawel,” rustig, en laat het moment net iets te lang hangen, alsof ze ruimte maakt voor mij om iets terug te zeggen.
Ik doe dat niet.
Ze kijkt me langer aan dan normaal en vraagt dan, iets te snel: “Heb je zin om morgen te lunchen? Of ben je dan alweer weg?”
“Ik ben hier nog wel even,” zeg ik, waarna ik toevoeg: “Dus ja, kan,” al klinkt het voorzichtiger dan bedoeld.
Ze knikt, zucht en lacht, maar zonder echte overtuiging, wat me meteen doet reageren met: “Nee, leuk. Tuurlijk,” alsof ik het nog moet rechtzetten.
Ze kijkt me aan, knikt nu wel overtuigend en bijt even op haar onderlip omdat ze er nu al zin in heeft zonder dat ze het zelf door lijkt te hebben, en even later staat ze alweer op en vertrekt ze net zo snel als ze gekomen is.
Ik blijf achter in de keuken, waar de koffie nog warm is en de stilte weer terugvalt zoals hij was, en terwijl ik naar buiten loop en opnieuw naar dat kozijn kijk dat nog af moet, begint het tot me door te dringen dat ze niet zomaar langs is gekomen, dat er een bedoeling zat achter haar komst en dat ik dat moment heb laten liggen.
En nog voordat de verf droog is, weet ik het al.
Ik heb spijt. Dat ik het niet in de kiem gesmoord had. Dat ik niet gelijk zag dat hier natuurlijk meer achter zit. En dat ik morgen dus weer met haar afspreek.
Als ik die avond met Kamila bel, deelt ze in eerste instantie mijn zorgen, en hoor ik aan alles dat ze ziet wat ik zie en voelt wat ik voel, maar haar toon verandert al snel, alsof ze zichzelf corrigeert of bewust een andere kant op beweegt. “Andere kant; ik lig toch ook niet alleen in bed?” zegt ze dan, en in die ene zin daagt ze me meteen op meerdere fronten uit, zoals alleen zij dat kan. Tegenwoordig hoefde dat allang niet meer alleen één van de vier, wel bekende meiden te zijn, en dat weet zij net zo goed als ik. Waarschijnlijk ligt ze op dat moment gewoon alleen in bed, maar daar gaat het haar niet om; het gaat haar om wat ze me wil laten voelen, en misschien nog wel meer om wat ze me toestaat.
Ze geeft me groen licht, maar niet zonder spel.
“Weet je dit heel zeker?” vraag ik, en daarmee geef ik eigenlijk al toe dat ik er voor opensta, dat het idee me niet afstoot maar juist iets losmaakt.
“Als ik je nu nog niet vertrouw...” zegt ze, en hoewel ze het luchtig houdt, ken ik haar goed genoeg om te weten dat daar meer onder zit, dat haar vertrouwen geen vanzelfsprekendheid is maar een keuze die ze telkens opnieuw maakt.
“Maak haar maar verslaafd,” voegt ze er dan nog aan toe, alsof ze er bewust een schepje bovenop doet, alsof ze wil zien wat ik met die ruimte doe.
Ik lach, meer om de spanning dan om de woorden zelf, en laat een lage hum horen die zij meteen zal herkennen.
“We gaan alleen lunchen, hè,” zeg ik nog, half als geruststelling, half als herinnering aan wat we onszelf wijsmaken.
Dat is precies hoe het altijd begint.
-
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
