76.050 Gratis Sexverhalen
Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere modus
A+ - a-

Cam Babes Inc “Velvet Stream”

Door: Elite_12

Datum: 28-06-2026 | Cijfer: 9.7 | Gelezen: 134
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 44 minuten | Lezers Online: 2
Trefwoord(en): Dominantie, Neuken, Webcam,

Het ochtendlicht glijdt door de hoge ramen van Het Arendsnest als een vleug fluweel, te zacht nog om de schaduwen te verdrijven die in de hoeken van Daans bureau blijven hangen. Hij zit achter het massieve mahoniehout, zijn vingertoppen rusten op de armleuningen van de lederen fauteuil die hem al vijf jaar draagt. Op de zes monitors tegen de muur flikkeren beelden van twaalf studio's — lege kamers nog, de meeste ervan, wachtend op de vrouwen die er straks hun lichaam en hun verbeelding te koop zullen leggen.

Daan draait zijn pols, kijkt naar het horloge dat er strak om zit. Patek Philippe, gekregen op zijn dertigste, toen Velvet Stream voor het eerst de miljoen euro omzet passeerde in een maand. De wijzers tikken zes minuten over acht. Sanne is er al, natuurlijk. Ze is er altijd al voor hij aankomt, ook al woont hij boven haar in hetzelfde gebouw.

Hij staat op, loopt naar de bar in de hoek, schenkt een dubbele espresso in het kleine kopje dat hij zelf uit Milaan heeft meegebracht. De machine sist zacht, een geluid dat hem herinnert aan ochtenden in hotels waar hij alleen wakker werd met uitzicht op zeeën die hij nooit had betreden. Hij draait zich om, leunt tegen het marmeren blad, en kijkt naar de deur die naar het penthouse leidt. Achter die deur liggen herinneringen aan Yara, drie nachten geleden, in de jacuzzi die uitkijkt over een stad die nooit slaapt.

De intercom op zijn bureau zoemt. Sannes stem, altijd even beheerst, alsof ze nooit ademt tussen de woorden door: "Meneer Vermeer, Eksarin Suwannakij is gearriveerd voor haar intakegesprek. Zal ik haar binnenlaten?"

Hij drukt de knop in, houdt zijn vinger een seconde te lang op het plastic. "Ja, Sanne. En breng zelf ook koffie. De Ethiopische bonen, niet die goedkope rommel uit de keuken."

Stilte aan de andere kant. Dan: "Natuurlijk, meneer."

Hij zet zijn kopje neer, loopt naar het raam. Vijftien verdiepingen lager stroomt het verkeer over de Zuidas, kleine auto's vol kleine mensen met kleine problemen. Hij denkt aan Eksarin — het dossier dat Sanne gisteren bij hem heeft neergelegd, met haar gebruikelijke precisie. Achttien jaar. Bangkok. Grootmoeder ziek. Geen ervaring in de industrie, maar wel honderdzeventig volgers op een Thaise streamingplatform waar ze nog nooit iets uitdagender heeft laten zien dan haar pols terwijl ze thee zette.

De deur gaat open.

Eksarin staat in de deuropening, en voor een moment vergeet Daan te ademen. Haar dossier had hem niet voorbereid op dit — de manier waarop het licht haar gouden huid lijkt te doorstralen, alsof ze zelf een bron is. Haar zwarte haar valt in golven tot over haar schouders, bijeengehouden door een gouden haarspeld die te delicaat lijkt voor dit kantoor. Ze draagt een lavendelkleurige crop top die één schouder bloot laat, en high-waisted shorts in dezelfde zachte tint.

"Meneer Vermeer?" Haar stem is lager dan hij verwacht, met een accent dat de woorden omhult als zijde.

"Daan." Hij draait zich volledig naar haar toe, laat zijn handen in zijn zakken glijden. "We gebruiken hier geen titels die niet nodig zijn."

Ze knikt, een kleine beweging die haar hoofd iets naar rechts kantelt. Haar ogen — donker, amandelvormig, uitdrukkingsvol — flitsen naar de monitors, naar de bar, naar het raam achter hem. Overal behalve naar zijn gezicht.

"Kom binnen, Eksarin. Sluit de deur."

Ze doet wat hij vraagt, haar bewegingen gracieus maar aarzelend, alsof elke stap een berekening vereist. De geur van jasmijn dringt tot hem door — niet de zware parfum die Yara draagt, maar iets lichters, natuurlijker, alsof ze net uit een tuin is gestapt.

Sanne verschijnt in de deuropening, een dienblad in haar handen. Haar ogen — die ijskouwe blauwe ogen die alles noteren — vliegen over het tafereel: Eksarin die in het midden van de kamer blijft staan, Daan die haar opmeet met een blik die hij niet eens probeert te verbergen. Sanne zet het blad neer, schikt de kopjes alsof ze een compositie arrangeert.

"Uw koffie, meneer." Ze richt zich op, haar hand gaat naar de ketting om haar hals — die kleine medaillon die ze altijd draagt. "Zal ik notities maken voor de intake?"

"Nee." Daan pakt zijn kopje, neemt een slok zonder de espresso af te wachten. "Dit gesprek is... informeel. Je kunt gaan, Sanne."

Haar vingers verstijven om de ketting. Een fractie van een seconde, dan is de beheersing terug. "Natuurlijk. Ik ben beneden als u me nodig heeft."

De deur valt achter haar dicht met een zachte klik.

Eksarin staat nog steeds, haar handen gevouwen voor haar buik, alsof ze zichzelf beschermt. Daan loopt om haar heen, een halve cirkel, zijn schoenen tikken op het mahoniehout. Hij ziet de huid van haar blote schouder rillen — de airconditioning, of iets anders.

"Je bent niet wat ik verwachtte," zegt hij, en hij meent het. De meisjes die hier komen zijn meestal harder, al verweerd door wat ze dachten dat deze wereld zou zijn. Eksarin lijkt nog te glanzen van binnen, nog niet aangeraakt door de slijtage.

"Wat verwachtte u dan, meneer... Daan?"

Hij glimlacht, deze keer met zijn ogen erbij. "Iemand die eerder naar mijn horloge kijkt dan naar mijn gezicht."

Haar wangen kleuren — een roze dat begint bij haar jukbeenderen en zich verspreidt als inktvlekken op perkament. "Ik... uw horloge is mooi. Maar uw ogen zijn interessanter."

Het is zijn beurt om verrast te zijn. Niemand heeft dat gezegd, niet in de laatste jaren. "Ga zitten, Eksarin. Daar, op de sofa."

Ze beweegt naar het zitgedeelte dat hij heeft aangewezen — een leren bank in de hoek, met uitzicht op de stad. Haar benen kruisen als ze plaatsneemt, en ze trekt aan de zoom van haar shorts, een gebaar dat jonger maakt dan achttien. Alsof ze zich plotseling realiseert hoeveel been ze laat zien.

Daan blijft staan, leunt tegen zijn bureau. "Je grootmoeder. Hoe is haar gezondheid?"

De vraag hangt tussen hen in, te direct, te persoonlijk voor een eerste gesprek. Eksarins ogen worden groot, haar handen verstrengelen zich in haar schoot.

"Hoe weet u—"

"Je dossier." Hij tikt tegen zijn slaap. "Ik vergeet niets wat ik lees. Vooral niet wat me interesseert."

Ze slikt, de beweging zichtbaar in haar slanke keel. "Ze heeft... een operatie nodig. Een hartoperatie. De kosten zijn..."

"Hoog."

"Onbetaalbaar. Voor ons." Ze kijkt naar haar handen, de nagels kort gelakt in een zacht perzikkleur. "Mijn ouders werken in Singapore. Ze sturen wat ze kunnen, maar..."

Daan laat de stilte hangen, telt de seconden. Op vijf loopt hij naar de bank, gaat zitten met een armlengte tussen hen in. De bank zakt onder zijn gewicht, brengt haar iets naar hem toe — onwillekeurig, fysica die doet wat woorden niet hoeven.

"Ik kan je helpen, Eksarin. Velvet Stream kan je helpen." Hij draait zijn hoofd, kijkt naar het profiel dat ze hem toont — de neus die een beetje omhoog kromt, de wimpers die tegen haar wang trillen. "Maar dit werk... het vraagt meer dan alleen een camera en een glimlach."

Ze draait haar gezicht naar hem, en nu zijn hun ogen op gelijke hoogte. "Ik weet wat het vraagt. Ik heb... onderzoek gedaan."

"Onderzoek." Hij laat het woord rollen, proeft het. "En wat denk je nu dat je weet?"

Dat ze niet meteen antwoord — dat ze haar onderlip tussen haar tanden neemt, dat haar ademhaling iets oppervlakkiger wordt — dit alles vertelt hem meer dan woorden zouden kunnen. Ze is nog niet klaar voor wat ze denkt dat ze klaar is. Dit maakt haar waardevoller dan ze beseft.

"Ik weet dat ik moet leren," zegt ze uiteindelijk, en haar stem trilt op het laatste woord. "Leren wat mannen willen zien. Wat ze willen horen."

Daan brengt zijn hand naar de bank tussen hen in, laat zijn pink de leren bekleding volgen. "En wat willen ze horen, denk je?"

Ze kijkt naar zijn hand, naar de vingers die even lang zijn als haar onderarm. "Dat ze... speciaal zijn? Dat ze de enige zijn die ik zie?"

Het is goed. Het is beter dan goed — het is precies wat hij zou hebben gezegd, vijf jaar geleden, toen hij nog dacht dat deze industrie om illusie draaide en niet om macht.

"Sta op, Eksarin."

Ze aarzelt, haar lichaam spant zich zichtbaar onder de dunne stof van haar top. Dan staat ze, haar handen langs haar zij, haar ogen op zijn borst gericht omdat ze niet omhoog durven te kijken.

Daan staat ook, en nu staat hij dichtbij — dichter dan professioneel, dichter dan veilig. Hij ruikt haar nu, die jasmijn gemengd met iets warmers, iets dat haar eigen is. Zijn hand komt omhoog, zijn vingertoppen raken de gouden haarspeld die haar lokken bij elkaar houdt.

"Dit," zegt hij, en hij trekt de speld los met een beweging die traag genoeg is om te stoppen, "is te braaf."

Haar haar valt open, golven van zwart die over haar schouders stromen en de lavendelkleurige stof verduisteren waar ze landen. Ze ademt in, een scherp geluid, en haar handen vliegen omhoog alsof ze haar haar willen bedekken, alsof ze zichzelf wil verstoppen.

"Laat maar," zegt hij, en zijn hand vangt haar pols — niet hard, maar vast genoeg om te voelen dat haar hart eronder bonst. "Laat maar vallen."

Ze kijkt op, en in haar ogen ziet hij het — de verwarring, de aandrang om goed te doen, de angst om te falen. Het is een cocktail die hij herkent, een smaak die hij heeft leren identificeren onder al die andere geuren in dit gebouw.

"Je wilt leren," zegt hij, en het is geen vraag. "Leren begint hier. Nu. Met mij."

Hij laat haar pols los, maar zijn hand blijft in de lucht, een uitnodiging die ook een eis is. Ze kijkt ernaar, naar de lijnen van zijn palm, de kleine littekens bij zijn duim die hij heeft opgelopen in de gym van het gebouw.

"Mijn grootmoeder..." begint ze.

"Zal geholpen worden." Hij laat zijn hand zakken, raakt haar kin aan — even kort, niets meer. "Maar hulp heeft een prijs, Eksarin. Altijd."

Ze sluit haar ogen, en een traan glimt in de hoek van haar rechteroog, weigert te vallen. Hij ziet haar slikken, ziet haar keel werken, ziet de beslissing zich vormen in de spieren van haar gezicht.

Haar hand komt omhoog, trilt nog steeds maar stijgt, en haar vingertoppen raken de bovenste knoop van zijn overhemd. De tweede. Ze zijn open, zoals altijd, maar nu betekenen ze iets anders — nu zijn ze uitnodiging, niet een gewoonte.

"Leer me," zegt ze, en haar stem is amper hoorbaar, een fluistering die meer lucht is dan klank.

Daan glimlacht, en deze keer bereiken zijn ogen haar niet — deze keer is het alleen berekening, alleen de tevredenheid van een onderhandeling die kantelt. Hij stapt achteruit, naar de leren fauteuil, en gaat zitten met zijn benen gespreid, de pose van een koning die wacht op hulde.

"Knie," zegt hij.

Ze aarzelt, haar ogen flitsen naar de deur — naar Sanne die daarachter zit, naar Yara die beneden haar post bewaakt, naar de wereld buiten dit kantoor die normale regels kent. Dan knielt ze, het mahoniehout hard tegen haar scheenbenen, en haar handen rusten op zijn knieën alsof ze balans zoekt.

"Goed zo." Hij legt zijn hand op haar hoofd, zijn vingers verstrengelen zich in haar losse haar. "Nu leer je het eerste wat elke vrouw in dit gebouw weet: hoe je aandacht verdient."

Hij duwt zacht, en ze buigt voorover, haar voorhoofd tegen zijn dij, haar ademhaling warm door de stof van zijn broek. De positie is onderdanig, kinderlijk bijna — maar hij voelt de spanning in haar schouders, de manier waarop haar vingernagels in zijn knieën drukken, niet pijnlijk maar aanwezig.

"Je bent mooi, Eksarin." Zijn stem is laag, een trilling die hij voelt in zijn eigen borstkas. "Maar mooi is niet genoeg. Mooi is overal. Wat je nodig hebt... is dit."

Hij trekt haar hoofd omhoog, dwingt haar hem aan te kijken vanuit haar geknielde positie. Haar ogen zijn wijd, haar lippen iets geopend, en hij ziet de vraag daar — wat wil je van me, wat moet ik doen, hoe word ik genoeg.

"Kijk naar me," zegt hij. "Altijd. Ook als je bang bent. Ook als je je schaamt. Vooral dan."

Ze knikt, een kleine beweging tegen de spanning van zijn vingers in haar haar. Hij laat haar los, leunt achterover in zijn stoel, en observeert haar — hoe ze blijft zitten, hoe haar handen nu op haar eigen knieën rusten, hoe haar borstkas heft en daalt met de ademhaling die ze probeert te beheersen.

"Sta op. Ga achter mijn bureau staan, bij het raam."

Ze doet het, haar bewegingen stijver nu, minder gracieus. Ze is zich bewust van zichzelf, en dat maakt haar kwetsbaarder — een paradox die hij waardeert. Achter het bureau draait ze zich naar hem toe, haar rug tegen het glas dat de stad toont als een schilderij dat niemand heeft gevraagd.

Daan staat op, loopt naar haar toe met passen die opzettelijk langzaam zijn. Hij ziet haar kijken — de manier waarop zijn schouders de ruimte vullen, hoe zijn handen nog steeds de warmte van haar haar lijken te dragen. Bij het bureau blijft hij staan, een meter tussen hen, en hij steekt zijn hand uit naar de zoom van haar crop top.

"Dit," zegt hij, en hij laat zijn vingertoppen onder de stof glijden, de warmte van haar huid wordt opgevangen bij haar heup, "is te veel kleding voor een les."

Ze ademt in, een scherp geluid dat bijna een kreet is. Haar ogen vliegen naar de deur, naar de monitors die nog steeds beelden tonen van lege kamers.

"Niemand komt binnen," zegt hij, alsof hij haar gedachten leest. "Sanne weet wat hier gebeurt. Yara weet het. Iedereen in dit gebouw weet wat er gebeurt als ik iemand uitnodig in mijn nest."

Hij trekt de top omhoog, langzaam genoeg dat zodat ze zou kunnen protesteren, snel genoeg dat het een daad is in plaats van een vraag. Ze heft haar armen, automatisch, en de lavendelkleurige stof verdwijnt over haar hoofd, laat haar borsten bloot — klein, perfect gevormd, met tepels die zich hebben samengetrokken in de gekoelde lucht.

Ze kruist haar armen voor haar borsten, een reflex die hij had verwacht. Hij wacht, zegt niets, laat de stilte werken. Op de vierde seconde laat ze haar armen zakken. Op de vijfde raakt hij haar aan.

Zijn handen omvatten haar borsten, niet teder maar onderzoekend — het gewicht ervan, de elasticiteit, de manier waarop haar huid reageert op zijn aanraking. Ze hijgt, een geluid dat ze probeert te smoren, en haar hoofd valt achterover tegen het raam. Koud glas tegen warme huid, en ze rilt.

"Voel je dat?" Zijn duimen cirkelen over haar tepels, hard genoeg voor een scherpe inademing. "Dit is controle, Eksarin. Dit is wat ze willen — niet je lichaam, dat kunnen ze overal krijgen. Ze willen dit moment, waar jij niet meer denkt aan je grootmoeder of je rekeningen of wat je morgen moet doen. Ze willen je hier. Nu. Alleen voor hen."

Hij buigt zich voorover, laat zijn mond over haar keel glijden, zijn stoppelbaard die prikt tegen de delicate huid. Ze kreunt, dit keer niet gesmoord — een echt geluid, rauw en verrast.

"Ah..." Het ontsnapt haar, een ademhaling die een klank wordt. "Dat is..."

"Wat?" Hij bijt zacht, voelt haar pols die bonst onder zijn lippen. "Zeg het."

"Heftig," fluistert ze, en haar handen vinden zijn schouders, de stof van zijn overhemd verfrommelend. "U bent... zo groot, ah..."

Hij lacht, een laag geluid dat zijn borstkas laat trillen tegen de hare. "Daan. Noem me Daan als mijn mond op je lichaam is."

Hij laat zijn hand zakken, zijn vingertoppen over haar buik glijdend, de huid daar die samentrekt onder zijn aanraking. Bij de rand van haar shorts blijft hij hangen, zijn pink onder de stof glijdend, de zachte haren daar aanrakend die nog nat zijn van de douche die ze heeft genomen voor dit gesprek.

"Deze," zegt hij, en hij knoopt de shorts open met een hand, de andere nog steeds op haar borst, "moet ook weg."

Ze helpt hem, haar handen die hulpeloos tussen haar eigen lichaam en de zijne bungelen, niet wetend waar ze moeten rusten. De shorts vallen, een zachte pluim op het mahoniehout, en ze staat naakt voor hem, gouden huid die glanst in het ochtendlicht, de schaduw van haar lichaam getekend op het glas achter haar.

Hij trekt zich terug, een stap, twee — genoeg om haar te zien, helemaal, van haar losse haar tot haar tenen die zich krullen tegen de koude vloer. Haar handen vliegen naar haar buik, een instinctief gebaar, en hij ziet de onzekerheid in haar ogen — ben ik genoeg, ben ik te veel, ben ik dit waard.

"Handen achter je rug," zegt hij. "Je lichaam is niet van jou om te verbergen. Niet hier. Niet nu."

Ze gehoorzaamt, haar polsen kruisen in de holte van haar rug, haar borsten die naar voren stuwen in de pose. Het is klassiek, academisch bijna — een naaktmodel dat wacht op de beeldhouwer — maar de trilling in haar dijen, de manier waarop haar lip tussen haar tanden verdwijnt, maakt het iets anders. Levend. Breekbaar.

Daan loopt naar de bar, schenkt twee glazen water in, drinkt het zijne in één teug. Hij kijkt naar haar in de spiegel achter de flessen — een vervormd beeld, langwerpig, maar duidelijk genoeg. Ze is nog steeds in dezelfde houding, haar ogen nu gesloten, haar ademhaling dieper geworden.

Hij loopt terug, staat achter haar, en laat zijn handen op haar heupen rusten. Ze schrikt, haar ogen vliegen open, en hij voelt haar spieren zich spannen onder zijn vingertoppen.

"Kijk naar buiten," zegt hij, zijn mond bij haar oor, zijn adem die de kleine haartjes daar laat bewegen. "Wat zie je?"

"De stad," stamelt ze. "De gebouwen. De... de mensen daar beneden."

"Honderdduizenden mensen," zegt hij, en zijn handen glijden omhoog, langs haar ribben, onder haar armen door om haar borsten te vast te pakken van achteren. "En geen van hen weet wat ze hier missen. Wat ze nooit zullen zien."

Hij kneedt, harder nu, en ze kreunt — een diep, dierlijk geluid dat ze niet kan tegenhouden. Haar hoofd valt achterover op zijn schouder, haar haar dat over zijn gezicht valt als een gordijn.

"Ah... Daan..." Het is een smeekbede, een erkenning, een overgave. "Uw handen zijn zo... zo vast, ah..."

"Voel je hoe je lichaam reageert?" Hij draait haar tepels tussen zijn vingers, trekt eraan tot ze op haar tenen komt, haar rug tegen zijn borst gedrukt. "Dit is niet leren, Eksarin. Dit is herinneren. Je lichaam weet het al. Je verstand heeft alleen toestemming nodig om te vergeten."

Hij laat een hand zakken, over haar buik, tussen haar benen. Ze is nat — niet van opwinding alleen, denkt hij, maar van angst en verwachting en al die andere emoties die hij heeft leren lezen als een kaart. Hij laat zijn middelvinger tussen haar lipjes glijden, niet diep, alleen genoeg voor een smaak, een belofte.

"Nat," zegt hij, en hij brengt zijn vinger naar zijn mond, proeft haar terwijl ze kijkt, geschokt en gefascineerd. "Dat is goed. Nat is eerlijk."

Hij draait haar om, haar rug nu tegen het raam, en hij kijkt naar haar gezicht — de verwarring daar, het verlangen, de schaamte die vecht met iets anders, iets nieuw. Hij buigt zich, zijn mond bij haar oor, en fluistert: "Wat wil je, Eksarin? Niet wat je nodig hebt. Wat wil je?"

Ze slikt, haar ademhaling hakkend. "Ik wil... ik wil dat u me leert. Alles."

"Te vaag." Hij bijt in haar oorlel, hard genoeg voor een kreetje. "Specifiek. Wat wil je dat ik nu doe?"

Haar handen komen omhoog, grijpen zijn overhemd, de stof verfrommelend. "Ik wil... dat u me aanraakt. Daar. Zoals net. Maar... meer."

Hij glimlacht tegen haar huid, voelt haar huiveren. "Beter."

Hij tilt haar op, zijn handen onder haar dijen, en zet haar op het bureau — het dossier dat ze heeft ingediend, de contracten die nog ongetekend zijn, alles verplaatsend onder haar gewicht. Het glas is koud tegen haar rug, en ze krimpt, maar zijn lichaam is tussen haar benen, zijn overhemd ruw tegen haar tepels, en ze verstijft van iets anders dan kou.

Hij werkt zijn broek open, niet haastig — dit is het moment waarop sommigen terugdeinzen, waarop de realiteit doorsijpelt. Maar zij kijkt naar beneden, naar wat hij onthult — hard, dik, de huid donkerder dan de rest van hem — en haar ogen worden groter, niet van angst maar van verwachting.

"Je zegt stop," zegt hij, en hij laat zich tegen haar aanvallen, het punt van zijn lul die langs haar natte spleet glijdt, "en ik stop. Dat is de enige regel die telt."

Ze knikt, haar handen op zijn schouders, haar nagels die in de stof van zijn overhemd bijten. "Ik zal niet... ah..."

Hij duwt naar binnen, niet alles, alleen de kop — een druk die haar adem stil laat vallen, haar ogen laat sluiten. Ze is strak, warmer dan hij verwacht had, en hij voelt haar spieren zich aanpassen, zich openen voor hem alsof haar lichaam een beslissing heeft genomen waar haar verstand nog niet aan toe is.

"Kijk," zegt hij, en hij wacht, niet bewegend, tot haar ogen weer openen. "Kijk hoe je me binnenlaat. Dit ben jij, Eksarin. Dit wil je."

Ze kijkt, en hij ziet het — de fascinatie, het schaamtelose verlangen dat zich openbaart als ze ziet waar ze zich aan vasthoudt, hoe hij haar vult, hoe haar lippen zich wit klemmen rond zijn dikte.

"U bent zo groot, ah..." Het is een fluistering, bijna kinderlijk in haar verwondering. "Mijn poesje wordt zo... zo uitgerekt, ah..."

Hij beweegt, een kleine stoot die dieper gaat, en ze kreunt — een lang, uitgerekt geluid dat tegen het glas weerkaatst. "Ah-h-h... zo diep, ah..."

"Niet poesje," zegt hij, en hij trekt terug, stoot weer, een ritme dat langzaam opbouwt. "Niet hier. Hier zeg je kut. Je zegt: je lul is in mijn kut. Probeer."

Ze slikt, haar wangen gloeiend, maar als hij weer stoot — harder nu, haar billen die tegen het bureau slaan — fluistert ze: "Uw lul... ah... is in mijn kut. Zo diep, ah..."

Hij grijpt haar haar, trekt haar hoofd achterover zodat ze hem moet aankijken. "Luider. Alsof je het meent."

"Uw lul is in mijn kut!" Het is bijna een kreet, ruw en verrassend uit haar delicate mond. "U neukt me zo hard, ah... ik voel u overal, ah-h-h..."

Hij lacht, een echt geluid, en versnelt — zijn heupen die een tempo vinden dat het bureau tegen de muur laat bonken, de monitors die trillen in hun bevestiging. Ze is luid nu, niet meer bezig met wie het hoort — haar kreten een mengeling van Thaise woorden die hij niet kent en Nederlands dat gebroken is door elke stoot.

"Ah! Ah! Daan, ah... uw lul is zo sterk, ah..." Ze hijgt, haar benen die zich om zijn heupen sluiten, haar hakken die in zijn rug prikken. "Mijn kut wordt zo lekker geneukt, ah-h-h..."

Hij draait haar, een beweging die haar buiten adem laat komen, haar buik nu op het bureau, haar borsten die over het mahoniehout glijden. Van achteren is ze nog strakker — hij voelt de weerstand, de manier waarop haar lichaam hem uitdaagt om dieper te gaan, harder te zijn.

"Grijp het bureau," zegt hij, en hij trekt haar handen naar de rand, haar vingers die zich krampachtig om het hout sluiten. "En zeg het weer. Wat ben ik aan het doen?"

"U neukt me," hijgt ze, haar gezicht naar het raam gedraaid, de stad een wazige achtergrond. "U neukt mijn kut van achteren, ah... zo diep, ah..."

Hij slaat haar, een klap op haar rechterbil die een scherp geluid maakt en een rode afdruk achterlaat. Ze kreunt, niet van pijn — hij kent het verschil — maar van de schok ervan, de vrijheid om te voelen zonder te denken.

"Opnieuw," zegt hij, en hij slaat nog een keer, links, symmetrisch. "Wat voel je?"

"U," hijgt ze, en hij ziet haar vingers wit worden om het bureau. "Ik voel u, ah... uw lul die mijn kut vult, uw handen op mijn kont, ah... alles, ah..."

Hij versnelt, het ritme nu een daad van pure fysiek — hun lichamen die tegen elkaar slaan, het natte geluid van haar kut die hem omhelst, zijn ademhaling die zwaar wordt in zijn eigen oren. Ze is close, hij voelt het — de manier waarop haar spieren zich spannen, hoe ze minder ademt, meer kreunt.

"Ah... ah... Daan, ah..." Het is fragmentarisch nu, haar woorden die breken. "Ik... ik kan niet... ah! Ah!"

Hij grijpt haar haar, trekt haar hoofd omhoog, dwingt haar hem te zien in de weerspiegeling van het raam. "Kom," zegt hij, een commando en een belofte. "Kom voor me, Eksarin. Laat me zien."

Ze barst, een langgerekte kreet die begint in haar buik en door haar hele lichaam schudt — haar rug die kromt, haar vingers die krampachtig op het bureau blijven terwijl de rest van haar trilt. Hij voelt haar kut samentrekken, pulseren, alsof ze hem probeert vast te houden, om nooit meer los te laten.

Hij komt niet — nog niet. Hij trekt zich terug, laat haar zakken op het bureau, haar lichaam een natte, trillende hoop. Ze hijgt, haar ogen gesloten, een glimlach die ze niet beseft op haar gezicht getekend.

Hij loopt naar de bar, drinkt zijn tweede glas water, en kijkt naar haar in de spiegel. Ze is mooi zo — verslagen, vervuld, haar haar dat over het bureau hangt als een waterval. Hij voelt iets trekken in zijn borstkas, iets dat hij niet wil benoemen, en hij drukt het weg met de koude vloeistof.

Als hij terugloopt, heeft ze haar ogen geopend, en ze kijkt naar hem met een uitdrukking die hij niet kan plaatsen — niet dankbaarheid, niet liefde, iets ertussenin dat gevaarlijker is.

"Uw... uw beurt?" Haar stem is hees, verrassend laag.

Hij schudt zijn hoofd, trekt zijn broek omhoog, knoopt zich dicht. "Deze keer niet. Dit was voor jou. Voor je grootmoeder."

Haar ogen worden groot, vochtig. "Maar..."

"Je begint morgenavond," zegt hij, en hij loopt naar zijn bureau, pakt haar dossier, schrijft iets in de kantlijn. "Studio zeven, acht uur. Sanne zal je de details geven."

Hij kijkt niet naar haar terwijl ze zich aankleedt — de zachte geluiden van stof die over huid glijdt, de gesp van haar shorts die klikt. Als hij opkijkt, staat ze in de deuropening, haar haar weer bijeengehouden door de gouden speld, alsof er niets is gebeurd.

"Meneer Vermeer..."

"Daan."

"Daan." Ze slikt, haar hand op de deurknop. "Dank u."

Hij knikt, een kleine beweging, en kijkt weer naar zijn papieren tot hij de deur hoort vallen.

Het middaglicht is gouden nu, zwaarder dan het ochtendgrijs, als de intercom weer zoemt. Sannes stem, deze keer iets scherper: "Meneer, er is een Soraya Prestwick voor haar sollicitatiegesprek. Half uur te vroeg."

Daan kijkt op van het contract dat hij probeert te lezen — de letters dansen nog steeds, zijn lichaam dat herinnert wat zijn verstand wil vergeten. "Breng haar naar De Zwaan. Ik ontmoet haar daar in twintig minuten."

Stilte. Dan: "De Zwaan, meneer? Dat is... ongebruikelijk."

"Ik weet waar het is, Sanne."

Hij staat op, loopt naar de spiegel achter de bar, trekt zijn overhemd recht. Er is een kreuk die niet weggaat, een herinnering aan Eksarins vingers. Hij laat het zitten.

De Zwaan is een restaurant dat geen menu heeft, alleen prijzen — vier cijfers voor een diner, vijf voor een ervaring. Daan heeft een tafel bij het raam, uitzicht op de gracht, de waterlijn die net zichtbaar is in het vallende licht.

Soraya arriveert precies op tijd, alsof ze zijn instructies heeft gehoord zonder dat hij ze heeft gegeven. Ze draagt een zijden blouse in een kleur die tussen wijn en bloed inzit, en een leren jas die haar schouders smaller maakt dan ze zijn. Haar haar — kastanjebruin, gevlochten met dunne vlechtjes — valt los over haar schouders.

"Meneer Vermeer." Haar stem is warm, gecontroleerd, elke lettergreep een beslissing. "Dank u dat u me wilt ontmoeten."

Daan staat op, trekt haar stoel naar achteren met een hand die nog steeds Eksarins warmte lijkt te dragen. "Soraya. Ik heb uw dossier gelezen. Uw ervaring is... interessant."

Ze glimlacht, een uitdrukking die haar ogen niet bereikt — die amberkleurige ogen die hem meteen aan katten doen denken, aan roofdieren die wachten op een verkeerde beweging. "Interessant is een woord dat veel ruimte laat, meneer."

"Daan."

"Daan." Ze proeft het, haar tong zichtbaar tussen haar lippen. "En wat vond u interessant? Mijn werk bij Crimson Desire, of het feit dat ik daar ben vertrokken?"

Hij lacht, echt deze keer — ze is goed, dit antwoord, scherper dan Eksarin, harder dan Yara. "Beide. Crimson Desire is... concurrentie. En vertrekken zonder referentie is altijd een verhaal."

Ze leunt voorover, haar ellebogen op tafel, en hij ziet de hals van haar blouse openen — geen toeval, denkt hij, niets bij deze vrouw is toeval. "Het verhaal is eenvoudig, Daan. Ik wilde meer. Meer controle, meer creativiteit, meer... eerlijkheid in wat ik doe."

"Eerlijkheid." Hij laat het woord rollen, proeft het zoals hij haar naam heeft geproefd. "In onze industrie?"

"Juist daarom." Ze reikt naar het waterglas, haar vingers lang, de nagels donker gelakt — bordeaux, bijna hetzelfde als haar blouse. "Omdat het zeldzaam is. Omdat het waarde heeft."

De ober komt, beschrijft gerechten die geen namen hebben, alleen ingrediënten en herkomsten. Daan bestelt voor hen beiden — hij heeft hier vaker gegeten, weet wat indruk maakt zonder te proberen. Soraya luistert, knikt op de juiste momenten, haar ogen die hem niet loslaten.

"Vertel me over Velvet Stream," zegt ze, als de wijn is ingeschonken — een Bourgogne die oud genoeg is om zijn eigen verhaal te hebben. "Niet wat op de website staat. Wat u ervan heeft gemaakt."

Hij draait het glas, kijkt naar de kleur die het licht vangt. "Mijn ouders begonnen met één studio. Een kelder in Eindhoven, een camera, een vrouw die meer verdiende dan haar man. Ik was zestien toen ik begon te helpen. Vierentwintig toen ze overleden en ik het overnam."

"En nu?"

"Twaalf locaties. Vierhonderd vrouwen die voor me werken, direct of indirect." Hij drinkt, laat de wijn zijn tong verzadigen. "En een probleem dat ik nog niet heb opgelost."

Ze fronst, een kleine beweging die haar voorhoofd rimpelt. "Welk probleem?"

"Jullie." Hij zet zijn glas neer, leunt achterover, en kijkt haar aan — kijkt haar doordringend aan, de manier waarop hij weet dat ongemakkelijk is. "Vrouwen die denken dat ze me kunnen lezen. Die denken dat ze het spel spelen terwijl ze het spel zijn."

Haar glimlach verstijft, een fractie van een seconde, dan is ze weer volledig in controle. "En ik ben zo'n vrouw?"

"Jij bent de eerste die het toegeeft," zegt hij. "Althans, bijna."

Het diner komt, gerechten die te mooi zijn om op te eten — maar ze eten, en ze praten, en de wijn stroomt, en Daan voelt iets verschuiven. Dit is geen intake, dit is geen sollicitatie. Dit is iets anders, iets dat hij niet heeft gepland.

Om tien uur staat hij op, trekt haar stoel naar achteren, en zegt: "Ik heb een penthouse. Boven mijn kantoor. Het uitzicht is beter dan hier."

Ze kijkt naar hem, haar amberkleurige ogen die in het kaarslicht bijna goud lijken. "Is dit deel van het sollicitatieproces, Daan?"

"Het is deel van wat ik aanbied," zegt hij. "Je kunt nee zeggen. Je kunt ja zeggen. Wat je ook kiest, morgen bespreken we je contract."

Ze staat, pakt haar jas, en legt haar hand op zijn arm — licht, alsof ze zijn reactie test. "Laten we dat uitzicht bekijken."

De Apex Suite is donker als ze binnenkomen, alleen het licht van de stad dat door de plafondhoge ramen stroomt. Daan doet geen lamp aan — hij kent de weg, de meubels, de plek waar het bed staat als een eiland in de duisternis.

Soraya loopt naar het raam, haar silhouet getekend tegen de fonkelende skyline. "Mooi," zegt ze, en haar stem is zachter nu, het masker dat even valt. "Het voelt alsof de wereld hier beneden is, en wij..."

"Ergens anders," voltooit hij, en hij staat achter haar, niet aanrakend, alleen dicht genoeg voor de warmte tussen hen.

Ze draait zich om, en nu is het donker genoeg dat hij haar gezicht niet kan lezen — alleen de ogen die glanzen, de mond die iets opengaat.

"Je bent niet wat ik verwachtte," zegt ze, en hij lacht omdat hij dezelfde woorden heeft gebruikt, uren geleden, met een ander meisje.

"En wat verwachtte je?"

"Iemand die meer controle nodig heeft." Ze stapt dichterbij, haar borst die zijn borst raakt, haar geur — iets exotisch, ylang-ylang misschien — die zijn hoofd vult. "Jij lijkt... tevreden met chaos."

Hij grijpt haar pols, niet hard, maar vast — dezelfde greep die hij Eksarin heeft gegeven, maar dit voelt anders. Dit is gelijkwaardig, dit is twee roofdieren die elkaar meten.

"Chaos is controle die nog niet begrijpt wat het wil," zegt hij, en hij trekt haar mee naar het bed, laat haar zakken op de donkergrijze lakens die hij vanochtend heeft laten verschonen.

Ze gaat liggen, niet passief maar uitnodigend — haar benen die zich openen, haar handen die naar haar eigen blouse glijden. "En wat wil jij, Daan? Vanavond?"

Hij staat bij het bed, kijkt naar haar — de manier waarop het licht haar contouren tekent, de zekerheid in haar houding die Eksarin miste. Dit zal anders zijn. Dit zal meer zijn.

"Alles," zegt hij, en hij trekt zijn overhemd over zijn hoofd, laat het vallen waar het valt. "En niets dat je verwacht."

Ze glimlacht, en deze keer bereiken haar ogen hem — een belofte, een uitdaging, iets dat hij niet kan plaatsen maar wil verkennen.

Hij klimt op het bed, tussen haar benen, en zijn handen vinden de zoom van haar blouse. Ze duwt haar armen omhoog, helpt hem, en dan zijn ze allebei naakt — haar lichaam slanker dan Eksarin, harder, met littekens waar hij niet naar vraagt en een tatoeage op haar heup die hij niet kan lezen in het donker.

"Jij bent mooi," zegt hij, en het is waar — maar het is ook een wapen, een woord dat hij weet dat ze zal horen als evaluatie.

"Jij bent gevaarlijk," antwoordt ze, en haar hand vindt zijn lul, al hard, al klaar — ze heeft hem niet eens aangeraakt, alleen bekeken, alleen gewacht. "Dat is beter."

Ze trekt hem naar zich toe, leidt hem, en hij voelt haar natheid — niet zo overvloedig als Eksarin, maar bewuster, meer controle. Ze hijgt niet als hij binnengaat, alleen een scherpe inademing, haar ogen die hem vasthouden.

"Ah..." Het is zacht, gecontroleerd, een geluid dat ze toestaat zichzelf te maken. "Daan, ah... je bent precies zoals ze zeiden."

"Wie?"

"De anderen." Ze lacht, een laag geluid dat trilt rond zijn lul. "Yara. Liv. De vrouwen die denken dat ze je hebben."

Hij stoot, harder dan hij van plan was, en ze kreunt — echt deze keer, niet gecontroleerd. "Ah! Ah... zo, ah..."

"Wat zeiden ze?" Hij trekt terug, stoot weer, een ritme vinden dat haar ademhapping maakt.

"D-dat je weet... ah... waar je moet zijn..." Ze grijpt zijn schouders, haar nagels die in zijn huid prikken. "Dat je niet stopt... ah... tot je krijgt wat je wilt..."

Hij lacht, buigt zich, bijt in haar hals — niet zacht, niet teder. Een merkteken. Een claim. "En wat wil ik, denk je?"

"Alles," hijgt ze, en haar benen sluiten zich om zijn heupen, haar hakken die in zijn rug drukken — ze draagt nog steeds haar schoenen, een detail dat hem opwindt zonder dat hij weet waarom. "Je wilt alles, ah... en niets teruggeven..."

Hij versnelt, zijn heupen die een tempo vinden dat het bed tegen de muur laat slaan — harder dan vanochtend, luider, alsof het gebouw moet weten wat hier gebeurt. Ze is luid nu, niet meer gecontroleerd — haar kreten een mengeling van woorden die hij begrijpt en woorden die hij niet kent.

"Ah! Ah! Daan, ah..." Ze hijgt, haar lichaam dat zich spant onder hem. "Je lul is zo... zo vast, ah... mijn kut wordt zo lekker geneukt, ah-h-h..."

Hij draait haar, een beweging die haar verrast — haar rug tegen de lakens, haar benen over zijn schouders. Dieper zo, strakker, en hij ziet haar gezicht in het licht van de stad — de mond geopend, de ogen die hem niet meer zien maar door hem heen kijken.

"Kom," zegt hij, een commando, een verzoek. "Kom voor me, Soraya. Laat me zien wie je bent."

Ze barst, en het is anders dan Eksarin — geen trillende overgave maar een explosie, haar rug die van het bed komt, haar kreet die bijna een schreeuw is. Hij voelt haar kut samentrekken, pulseren, en hij laat zich gaan — komt in haar, diep, zijn eigen kreet die hij niet kan smoren.

Ze liggen stil, het zweet koelend op hun huid, de stad die door het raam kijkt alsof het niets heeft gezien.

"Je begint morgen," zegt hij uiteindelijk, zijn stem hees. "Studio drie. Negen uur."

Ze draait haar hoofd, haar amberkleurige ogen die glanzen in het donker. "En dit? Wat is dit?"

Hij sluit zijn ogen, voelt haar warmte nog steeds om hem heen, zijn zaad dat in haar zit en langzaam weglekt. "Dit is wat het is. Niets meer."

Ze lacht, zacht, en hij voelt haar hand op zijn borst — een hartslag meten, of een hartslag tellen. "Jij liegt, Daan Vermeer. Je liegt tegen jezelf. Dat maakt je interessant."

Hij slaapt uiteindelijk, iets wat hij zelden doet met vrouwen in dit bed. Als hij wakker wordt, is ze weg — alleen een notitie op het kussen, in handschrift dat te netjes is voor iemand die zo wild heeft geklonken:

*Bedankt voor de les. Yvette zegt dat ze trots zou zijn. — S.*

Hij staart naar de woorden, voelt iets koud in zijn borstkas, en weet dat dit pas is begonnen.

De volgende ochtend staat Sanne in de deuropening van zijn kantoor, haar gezicht een masker van professionele neutraliteit. Ze heeft koffie, de Ethiopische bonen, en een tablet waarop zijn agenda voor de dag staat.

"Meneer Vermeer," zegt ze, en haar ogen flitsen naar het beddengoed dat hij heeft laten liggen, naar het tweede wijnglas op het nachtkastje. "Er is een bericht van Yvette Falkena. Ze wil vanmiddag een ontmoeting. Over een 'mogelijke samenwerking'."

Hij knikt, neemt het kopje, en merkt dat zijn hand trilt — iets wat hij niet kan verklaren. "Plan het in. En Sanne?"

"Meneer?"

"Zorg dat Eksarin haar contract krijgt. En Soraya... check haar referenties bij Crimson Desire. Grondig."

Ze knikt, haar vingers die naar de ketting aan haar hals vliegen — een gebaar dat hij herkent, dat hij heeft gezien honderden keren. Voor het eerst vraagt hij zich af wat ze denkt, wat ze voelt, wat ze 's avonds doet als ze alleen is in haar appartement in Zuid.

"Is er nog iets, meneer?"

Hij schudt zijn hoofd, draait zich naar het raam. "Nee. Dat is alles."

De deur valt dicht, en hij is alleen met de stad, de herinneringen, en het besef dat hij iets heeft losgemaakt dat hij niet meer kan controleren.

In een kantoor ergens in de stad, aan een bureau van mahoniehout en fluweel, rolt Yvette Falkena een Montblanc-pen tussen haar vingers en glimlacht naar de vrouw die tegenover haar zit — Soraya, nog steeds in haar blouse van gisteren, haar haar dat losjes is gevlochten.

"En?" vraagt Yvette, haar stem een woord van anticipatie. "Is hij wat we dachten?"

Soraya lacht, een geluid dat niet haar ogen bereikt. "Meer. Hij is meer dan we dachten. En hij weet het niet eens."

Yvette leunt achterover, haar bordeauxrode blazer die strak trekt over haar borsten. "Perfect. Dan begint fase twee."

Buiten, over de stad heen, daalt de middag die de avond wordt. En ergens in een studio die nog leeg is, staat Eksarin voor een spiegel, haar handen die over haar eigen huid glijden, en herinnert zich wat hij heeft gezegd — wat hij heeft gedaan — wat hij van haar heeft gemaakt.

Ze glimlacht, en het is de glimlach van iemand die iets heeft geleerd wat ze niet kan vergeten.

De nacht komt, en met haar komen de camera's, de lichten, de vrouwen die hun lichaam te koop leggen aan vreemden die ze nooit zullen zien. En boven hen allemaal, in zijn nest van glas en macht, kijkt Daan Vermeer naar de monitors en vraagt zich af wanneer hij zelf is geworden wat hij verkoopt.

Het antwoord komt niet. Het komt nooit. Maar de vraag blijft, net als de vrouwen, net als de stad, net als het verlangen dat niets en niemand ooit kan stillen.
Elite_12
Lonkani
Lonkani (29)
Zoek jij een vrouw die geniet van uitdagende gesprekken en verleiding?
🟢 Nu Online
Bekijk profiel →
Trefwoord(en): Dominantie, Neuken, Webcam, Suggestie?
Meer verhalen die je waarschijnlijk leuk vindt
Favoriet
Terug Naar Boven
Geef dit verhaal een cijfer
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ - 
Bezoekers Online: 587  / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net