Het Academisch Medisch Centrum Te Amsterdam, Ir. Ineke Roozemond
Het AMC was een wereld op zichzelf. Qua gebouw was het een complex van tegenstellingen. Het zorgcentrum was een groot atrium achtige constructie dat zeer modern, open en luchtig aandeed. En in het bestuursgebouw waren lange naargeestige gangen met gedempt licht en een functionele stilte. Op mijn eerste werkdag werd ik verwacht op de derde verdieping van het bestuursgebouw, bij de dienst Personeel en Organisatie. De afspraak was gemaakt via ons bureau; de projectstructuur stond al vast, mijn opdracht lag vastgelegd in een memo van vier kantjes.
Drs. Jan Hoedemakers, hoofd P&O, ontving me stipt op tijd. Hij had een slank postuur, droeg een keurig pak en zijn gezicht was getooid met een ziekenfondsbrilletje, wat wel goed bij hem paste. Hij heette me welkom met een kordate handdruk en gebaarde naar de kleine vergaderruimte naast zijn kamer.
“We zijn blij met uw komst,” begon hij. “De Raad van Bestuur heeft hoge verwachtingen van dit project. Uw bureau geniet een uitstekende reputatie. Wij hopen op een analyse die verder gaat dan de bekende inventarisaties.”
“Dat is precies de bedoeling,” zei ik. “De opdracht is helder: in kaart brengen wat er aan centrale automatiseringsactiviteiten gebeurt, en in hoeverre die toekomstbestendig zijn. Dat vereist medewerking van meerdere afdelingen, in het bijzonder de centrale dienst automatisering.”
Hij glimlachte strak. “Dat zal geen eenvoudige opgave zijn.”
“Dat heb ik begrepen,” zei ik, “in hoeverre kan ik rekenen op spreektijd met medewerkers van automatisering?”
Hij keek een beetje bedenkelijk en zei: “Het hoofd van die dienst heeft zijn medewerkers geïnstrueerd om niet mee te werken aan interviews. U zult alleen een gesprek hebben met hem.”
“Dan zal ik al mijn charmes in de strijd moeten werpen om zoveel mogelijk informatie van hem te krijgen. Maar alleen zijn woord zal niet voldoende zijn om een objectieve weergave te krijgen van de automatiseringsactiviteiten van de dienst. Ik moet minimaal ook toegang krijgen tot documentatie.”
Hij knikte langzaam. “Dat leek mij ook. Daarom hebben we besloten u onder te brengen bij onze afdeling P&O en om uw werk zo goed mogelijk te ondersteunen, krijgt u een vaste interne contactpersoon toegewezen die in uw project meewerkt, iemand die het terrein goed kent. Ineke Roozemond. Zij leidt de technische ondersteuning binnen onze dienst. Ineke?”
De deur ging open. Een vrouw van halverwege de dertig kwam binnen, stevige tred, scherpe blik. Donker haar in een korte bob, sobere kleding, geen opsmuk. Haar haar viel strak rond haar gezicht, net op kaakhoogte, met de uiteinden licht naar binnen gekruld, een kapsel dat geen aandacht trok, maar degelijkheid en precisie uitstraalde. Maar ondanks haar pogingen om geen aandacht te trekken en haar vrouwelijkheid te verhullen, zag ik wel degelijk een knappe verschijning.
“Dit is Mucike van Dongen,” zei Hoedemakers. “Hij gaat zich verdiepen in de centrale automatiseringsactiviteiten. Jij bent zijn aanspreekpunt en projectmedewerker vanuit P&O.”
Ze glimlachte en gaf me een hand. “Welkom. We hebben een dossier voor u samengesteld zodat u snel van start kunt gaan.”
Ik glimlachte terug, knikte instemmend en beantwoordde haar handdruk. “Ik hoop op een goede samenwerking.”
Ze zweeg een seconde te lang om dat nonchalant te laten klinken. Toen zei ze: “Ik werk hier al bijna vijftien jaar. Eerst bij automatisering, nu bij P&O. Mijn geheugen is vrij intact.”
Hoedemakers stond op. “Dan laat ik het verder aan jullie.”
Ze wachtte tot hij vertrokken was, keek me toen met een open uitdrukking op haar gezicht recht aan. “Wilt u koffie, of zullen we meteen aan het werk?”
“Vind u het erg als we elkaar tutoyeren?” vroeg ik, “dat maakt in ieder geval onze samenwerking wat soepeler.”
“Niets liever,” zei ze met een glimlach, “ik heb altijd moeite met te formalistische toestanden. Dan vraag ik het nog eens: wil je koffie, of zullen we meteen maar aan het werk gaan?”
“Koffie klinkt me als muziek in de oren, Ineke. En ik heet Mucike.”
“Oké dan,” zei Ineke, “hoe drink je je koffie?”
“”Zwart met suiker graag.”
We liepen samen naar haar werkkamer aan het einde van de gang. Ze liep zonder aarzeling, alsof ze gewend was haar eigen koers te bepalen. Haar kamer was eenvoudig ingericht, met een groot bureau, twee stoelen tegenover elkaar, een ladenblok en een kast met ordners. Een schemerlamp in de hoek gaf het geheel iets huiselijks.
“Hier werk ik,” zei ze. “Niets bijzonders, maar het is mijn eigen kantoor en ik heb alles bij de hand.”
Ze zette de koffie neer, pakte een map van haar bureau en schoof hem naar me toe. “Dit is wat ik voor je heb klaargelegd. Structuur, personeelsopbouw, technische platforms, licenties, onderhoudscontracten. Alles tot zover gedocumenteerd.”
Ik bladerde door de map, zag direct dat veel informatie ontbrak. “Dit komt van de dienst automatisering of van jullie eigen afdeling?”
Ze knikte. “Al voordat ik bij P&O kwam werken, was ik begonnen met het opzetten van een eigen archief. Één van de zwakke punten bij de dienst automatisering is het gebrek aan goede actuele documentatie, of het nu gaat over het ontwerp van software, licentie- en onderhoudscontracten of operationele procedures. De dienst is begonnen halverwege de jaren zestig toen automatisering vooral nog in academische kringen gemeengoed was. En documentatie was alleen nodig voor het beschrijven van wetenschappelijke experimenten, de rest werd gezien als overbodige luxe. Ik heb daar altijd andere opvattingen over gehad, wat me niet in dank werd afgenomen door Couwenberg.”
“Ik begrijp het,” zei ik, “dus jouw archief heeft eigenlijk geen officiële status?”
“Neen, eigenlijk niet, maar daar staat tegenover dat de dienst automatisering zelf ook geen officieel archief heeft. Wèl moet iedere organisatieonderdeel iedere drie jaar officiële documentatie in kopie naar het centrale archief van het AMC sturen. Dat is van Rijkswege vanuit het ministerie van OCW een verplichting.”
“Kan ik ook in het centrale archief grasduinen?” vroeg ik.
“Ja, daar kan zelfs Couwenberg geen stokje voor steken. Wat je niet zult krijgen, is het werkelijke gebruik, de werkprocessen, de interne besluitvorming. Dat zit allemaal bij automatisering.”
“En daar kunnen we dus niet achterkomen?”
Ze leunde achterover. “Niet vanzelf. Couwenberg houdt alles in eigen kring. Hij bepaalt wat er naar buiten komt. En wie mag praten.”
“Dat hoorde ik van Hoedemakers ook al.”
Ze glimlachte zonder warmte. “Dat verbaast me niks. Toen ik daar nog werkte, was ik verantwoordelijk voor een aantal integratieprojecten. Kleine dingen, maar wel essentieel. Couwenberg kon het niet hebben dat ik goede resultaten boekte. Twee keer heb ik promotie misgelopen. Daarna ben ik overgestapt.”
Ik keek op. “Persoonlijke motieven?”
“Nee. Institutionele impasse. Bij automatisering verandert er niets zolang hij daar zit. P&O wilde vooruit, dus ben ik gegaan. En nu werk ik met plezier. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”
Ik sloeg de map dicht. “Zou jij mij kunnen helpen om, buiten je eigen archief en het centrale archief, toch toegang te krijgen tot bepaalde gegevens van de dienst zelf?”
Ze aarzelde. “Formeel niet. Informeel, misschien. Maar dat hangt van jou af.”
“Hoezo?”
“Je krijgt niets cadeau hier. Als jij met inhoud komt, met structuur, met inzicht, kan ik zorgen dat je langs de zijkant toch krijgt wat je nodig hebt. Maar verwacht geen steun van bovenaf. Als Couwenberg doorheeft dat ik met je samenwerk, zal hij zijn mensen nóg verder terugfluiten.”
Ik knikte. “Begrijpelijk. Dus we doen het behoedzaam.”
Ze keek me aan, nu met iets meer ontspanning in haar blik. “Behoedzaam, maar effectief. Ik wil ook dat dit project slaagt.”
We zaten een paar dagen later tegenover elkaar aan haar bureau. De map lag tussen ons in, opengevouwen bij de sectie over systeemarchitectuur. Ik had een aantekenblok voor me, waarin ik steekwoorden noteerde.
“Ik denk dat we Couwenberg niet moeten confronteren,” zei ik. “Dan sluit hij zich alleen maar af. Wat wél zou kunnen werken, is hem aanspreken op zijn deskundigheid. Hem het gevoel geven dat hij nodig is voor de kwaliteit van het project.”
Ineke keek op. “Een beroep doen op zijn ego, bedoel je?”
“Niet cynisch, maar functioneel. Hij heeft dat imago zorgvuldig opgebouwd. Als ik hem via formele lijnen om data vraag, krijg ik niets. Maar als ik hem vraag om duiding, om zijn visie op bepaalde ontwikkelingen, kan hij bijna niet weigeren.”
Ze zweeg even, knikte toen langzaam. “Dat past bij zijn profiel. Hij wantrouwt externe adviseurs, maar ziet zichzelf graag als de hoeder van de continuïteit. Wat zou je hem dan voorleggen?”
“Geen vragen over capaciteit of performance. Daar klapt hij op dicht. Ik wil hem spreken over de integratievraagstukken die jullie bij P&O signaleren. Niet omdat ik het van jou weet, maar omdat ik het ‘ben tegengekomen in de literatuur’. Vervolgens leg ik hem een paar abstracte keuzes voor, die alleen hij kan beantwoorden, zogenaamd.”
Ineke lachte zachtjes. “Je bent geslepen.”
“Strategisch,” corrigeerde ik, met een knikje. “Als hij eenmaal praat, luister ik. En daarna toets ik zijn verhaal aan de feiten. Die lever jij me.”
Ze leunde achterover. “Daar kan ik mee werken. Maar je moet wel rekening houden met zijn antenne. Hij voelt het als je een agenda hebt.”
“Dan zorg ik dat ik die niet heb. Ik wil echt weten hoe hij denkt, zolang ik maar zelf bepaal wat ik met die informatie doe.”
Ze keek me aandachtig aan. “Jij speelt dit scherp, Mucike. Ik had het eerlijk gezegd niet meteen achter je gezocht.”
“Dat is de bedoeling,” zei ik. “Couwenberg is niet de enige die graag onderschat wordt.”
Ze glimlachte, maar zei niets. Ik zag iets van erkenning in haar blik, en een begin van vertrouwen.
“Heb je al een uitnodiging gekregen voor een gesprek met Couwenberg?” vroeg ze.
Ik knikte. “Ja, op maandagochtend om negen uur. Krap ingepland en zonder locatiebevestiging. Ik ga er dan maar vanuit dat ik me bij zijn secretaresse moet melden. Ik heb de afspraak ook via haar doorgekregen.”
“Typisch,” zei ze. “Dat betekent dat hij wil peilen zonder zich ergens aan te committeren.”
“Dan moeten wij dus ook niets prijsgeven, behalve wat hem het gevoel geeft dat hij grip houdt.”
Het was tijdens een werksessie op donderdagochtend dat het ter sprake kwam. We zaten aan een kleine tafel in een vergaderruimte op de vijfde verdieping, met zicht op de daken van Amsterdam-Oost.
Tussen de bedrijven door had ik mijn tas even op tafel leeggehaald omdat ik iets dacht kwijt te zijn. Mijn OV jaarjaart, met daarop mijn pasfoto, kwam zo in haar zicht op tafel te liggen.
Ze had net een passage uit een contractueel document geannoteerd toen ze een gebaar naar de kaart maakte: “Als je dit doordeweekse treinleven gewend bent, woon je vast niet in de buurt.”
“Utrecht,” antwoordde ik terwijl ik haar blik zocht.
Ze keek op, verrast maar niet verbaasd. “Ga weg, ik ook! Binnenstad. Een etage aan de Oudegracht, nr. 219, naast het pand van de COC.”
“Wittevrouwen,” zei ik. “Vlak bij de singel.”
Ze knikte langzaam. “Zullen we dan vanmiddag samen de trein terug,naar Utrecht nemen?”
“Dat lijkt me leuk!”
En zo gebeurde het. Na afloop van de middagbespreking, die uitliep tot kwart over vijf, pakten we zonder overleg onze spullen en liepen samen naar het station. Op het perron was het druk, maar in de coupé vonden we een plek naast elkaar. De trein kwam traag op gang, gleed langs de achterkant van het ziekenhuisterrein richting Muiderpoort.
Ze liet haar tas op schoot rusten, haar handen gevouwen bovenop. “Het was een volle dag,” zei ze met een diepe zucht. “En morgen wordt er weer zo een.”
Ik knikte. “Dat trekt een wissel.”
“Niet alleen het werk,” zei ze. “Maar alles eromheen. Wat je ervoor opzij zet en wat je soms noodzakelijkerwijs laat liggen.”
Ze keek naar buiten, waar de stad langzaam plaatsmaakte voor de stroken weiland tussen Amsterdam en Abcoude. Toen draaide ze haar hoofd naar mij. “Heb jij iemand thuis?”
Ik schudde mijn hoofd. “Op dit moment niet. Ik heb wel lang bij een hospita in Rotterdam in huis gewoond met wie ik een fijne open relatie had. Maar dat ligt nu achter mij. En jij?”
Ze zuchtte zacht. “Neen, ik ben alleenstaand. Al een tijd. Het scheelde aanvankelijk in drama en ruzie zal ik maar zeggen. Het zijn gewoon… praktische keuzes. Eerst carrière. Dan jaren zonder ruimte voor iets anders. En als je dan merkt dat je lichaam iets mist, weet je niet meer hoe je moet beginnen.”
Ik zei niets. De stilte die viel, was geen breuk, maar een opening.
Ze keek weer naar buiten, trok haar sjaal iets losser. Haar dij raakte de mijne, licht, niet nadrukkelijk. Het bleef zo.
Pas bij aankomst op Utrecht Centraal, tussen de omroepstem en de schuivende deuren, vroeg ze: “Lopen we samen een stukje op?”
“Graag.”
En we liepen. Eerst zwijgend, daarna met lichte stem, zonder haast. Tot we bij haar gracht uitkwamen en afsloegen, onder een poortje door liepen en de gracht volgden tot we bij een donkerblauwe deur kwamen met een koperen bel. Ze haalde haar sleutel uit haar tas en deed open. “Wil je nog iets drinken?” vroeg ze. “We hoeven niets te haasten.”
Ik knikte. “Graag en zullen we dan ook maar iets te eten halen? Chinees of zo? Ik trakteer!”
“Hmm,” humde ze, “dat lijkt me lekker. Restaurant De Glorie een paar deuren verder terug, heeft een afhaalservice. Ik heb een afhaalmenu boven liggen, daar kunnen we iets uit kiezen, even opbellen en later ophalen.”
“Dat is een uitstekend idee!”
Binnen rook het naar hout en thee. De vloer kraakte zacht onder onze voeten. Ze leidde me via een smalle trap naar een woonkamer met balkenplafond, een groot kleed op de vloer en een lage bank bij het raam. Ze deed haar jas uit, hing hem over een haak aan de muur, trok haar schoenen uit en liep met blote voeten naar de keukenhoek, waar ze het afhaalmenu uit een mandje opviste.
We zochten beiden iets uit, belden het restaurant op en bestelden het eten dat we 15 minuten later ophaalden.
Toen we aan tafel zaten en het eten op onze borden schepten, pakte ze twee glazen.
“Rood of wit?” vroeg ze.
“Wit graag.”
Ze schonk in, gaf me het glas en ging naast me aan de tafel zitten. Even zwegen we en begonnen te eten. Onder het eten spraken we over koetjes en kalfjes, maar ik voelde toch aan haar dat er een zekere spanning aan het opbouwen was, heel subtiel, maar toch, alsof ze zich ergens voor schrap zette.
Op de achtergrond speelde er muziek van Pink Floyd van hun album Relics en de kamer was gehuld in gedempt licht.
“Ik ben al een tijdje alleen,” zei ze nadat we op de bank waren gaan zitten toen we de tafel hadden afgeruimd en de afwas hadden gedaan. “Niet uit overtuiging, maar uit gemak. Dit werk… het slokt alles op.”
Ik zei niets, dronk een slok, keek naar haar profiel.
“En ik mis het,” vervolgde ze. “Niet de relatie zelf, niet het gedoe. Maar het andere.” Ze keek me aan, haar blik niet uitdagend, maar eerlijk, bijna smachtend. “De aanraking, de warmte. Ik mis mijn eigen lijf, denk ik.”
Ik legde mijn hand op haar knie. Ze bewoog niet weg.
“Je kunt lang zonder,” zei ze, “tot je opeens voelt dat je iets niet meer kunt negeren.”
Ik liet mijn hand daar, keek haar aan zonder iets te zeggen. Ze draaide zich iets naar mij toe, dichterbij. We raakten elkaar aan zonder duidelijk beginpunt, handen, schouders, lippen. Haar kus was zacht, zoekend eerst, toen gretiger. Ze schoof haar glas weg en gleed met haar vingers langs mijn hals.
“Mag ik dit laten gebeuren?” vroeg ze.
“Je mag alles wat je wil,” zei ik. “Zolang jij het wil.”
Ze stond op, nam mijn hand en trok me langzaam mee de trap op, naar boven, waar de slaapkamer zich onder het schuine dak bevond. Het bed was breed en gedekt met een donker dekbedovertrek. Een boek lag open op het nachtkastje, haar bril ernaast.
Ze liet zich op het bed zakken, trok haar trui uit, haar hemd volgde. Daaronder een simpele beha, sober van snit, maar haar borsten waren vol en stevig. Ze ging liggen, haar handen achter haar hoofd, maar haar blik bleef op mij gericht, open, met een nauwelijks verholen verwachting.
“Kom maar. Ik heb zin in je.”
Ik ging naast haar liggen, kuste haar mondhoek, haar hals. Ze beefde zacht van geilheid toen ik haar borsten ontblootte, met mijn lippen haar huid verkende, steeds lager. Haar lichaam was gespierd, maar vrouwelijk, onder de functionele laag zat een gelaagd verlangen dat ze lang had ingehouden. Ze opende haar benen zonder uitnodiging, maar ook zonder schroom. Haar slip was al vochtig. Ik trok hem uit en voelde hoe ze zich tegen mijn hand drukte.
“Het is lang geleden,” fluisterde ze, “doe je zachtjes?”
Ik deed het zachtjes, maar ook duidelijk. Niet haastig en zonder aarzeling. Ik likte haar clitoris en schaamlippen totdat haar sap uit haar natte kut stroomde en ze kwam, hard, met geluid, haar hoofd naar achteren gebogen met verkrampt en trillend lichaam terwijl haar adem stokte.
Nadat ze wat was bijgekomen, trok ze me boven op zich. “Neuk me,” zei ze. “Ik wil je diep, ik wil die harde lul van je voelen.”
Ik drong in haar, voelde haar warmte zich om me heen sluiten. Haar nagels in mijn rug, haar benen om mijn middel. Ze kwam opnieuw, tegelijkertijd met mij, en deze keer nog luider en met een gebroken kreet. Door de inspanning druppelde er zweet van mijn voorhoofd op haar lichaam. Ze klemde me vast in haar armen en ze zoende me overal op mijn gezicht.
“Oh, Mucike, dit was geweldig! Ik heb hier zo naar verlangd!”
Ik streelde haar rug, haar armen en heupen. “Ik ben blij dat je het lekker vond. Het was inderdaad geweldig.”
We bleven lang zo liggen. Haar hand op mijn schouder, mijn gezicht tegen haar hals.
“Ik weet niet wat dit is,” zei ze, “maar ik wil het niet kwijt.”
Ik zei niets. Er was niets dat gezegd moest worden.
We vielen niet meteen in slaap. Onze lichamen plooiden zich tegen elkaar aan, nog warm, nog na-dreunend van wat er was gebeurd. Ze ademde langzaam, haar hoofd op mijn borst. Ik voelde haar hand op mijn buik, stil maar aanwezig.
“Blijf je?” vroeg ze na een tijdje, haar stem laag en schor van vermoeidheid.
“Als jij dat wil.”
Ze knikte zonder iets te zeggen, stond op om het licht uit te doen en kroop daarna opnieuw tegen me aan.
Het was nog donker toen ik wakker werd. Ze lag met haar rug naar me toe, haar lichaam half onder het laken, haar ademhaling rustig, diep. Ik bleef liggen zoals ik lag, mijn hand losjes op haar heup, mijn gezicht dicht bij haar schouder. Alles in haar houding straalde ontspanning uit, alsof er een grens was overschreden en ze nu niets meer hoefde vast te houden.
Na een tijdje draaide ze zich om, haar ogen nog een beetje troebel van de slaap. Ze keek me aan en streek met haar vingertoppen langs mijn kaak.
“Je moet straks gaan, hè?”
Ik knikte. “Even naar huis om te douchen en om te kleden. Als ik op tijd op kantoor wil zijn, moet ik met de eerste trein.”
Ze zuchtte, maar zonder tegenzin. “Ik zet koffie.”
Ze stond op, trok haar ochtendjas van de stoel en liep de trap af. Ik hoorde het kraken van de vloerplanken, het klikken van de keukenkast, het zachte geluid van water dat werd opgezet.
Ik kleedde me aan in het ritme van de ochtend: rustig, bedachtzaam. Mijn overhemd van gisteren was nog in orde. Mijn broek glad genoeg om ermee door te kunnen.
Beneden had ze twee mokken klaargezet. Ze zat op de rand van de bank, haar haar los over haar schouders, een lichte blos op haar wangen van de warmte in de kamer.
“Je weet de weg,” zei ze, toen ik de laatste slok nam en mijn jas over mijn arm sloeg.
Ik knikte. “Ik ben er straks gewoon weer, alsof er niets is gebeurd.”
Ze keek op. “Dat hoeft voor mij niet.”
“Voor mij ook niet,” zei ik. “Maar het werk vraagt iets anders. En dat kunnen we, toch?”
Ze knikte instemmend, stond op en liep met me mee naar de voordeur. Daar bleef ze staan, haar hand op de klink, haar gezicht naar me toe gewend.
“Ik vond het fijn, Mucike.”
Ik legde mijn hand tegen haar wang en gaf haar een zachte kus op haar lippen. “Dat was het ook.”
Ze opende de deur. Buiten hing een stille, koude ochtendlucht. Het water in de gracht lag rimpelloos.
“Ik bel je niet,” zei ze. “Maar als je langskomt, ben je welkom.”
Ik glimlachte. “Dat is goed. Weet je, aangezien we stadsgenoten zijn, kunnen we zo maar bij elkaar op bezoek, zonder reden of aanleiding. En zo zou ik het ook graag willen.”
“Ik ook.”
Ze bleef staan tot ik de hoek omsloeg. Geen zwaai, geen extra gebaar. Alleen de wetenschap dat van wat er gebeurd was, niets hoefde te worden uitgelegd.
De treinrit naar Amsterdam verliep in stilte. Ik las niet, keek uit het raam, dacht aan de nacht ervoor. Toen ik het ziekenhuiscomplex binnenliep, was het alsof alles zich had herschikt: de gangen leken lichter, de stemmen minder scherp. Maar wat tussen Ineke en mij was gebeurd, zou ik niet meenemen naar kantoor. Noch als bagage, noch als trofee.
Op de afdeling werd ik begroet met een kort knikje door een medewerker die me eerder had genegeerd. Op mijn bureau lagen twee interne memo’s en een geannoteerde kopie van mijn eerdere vragenlijst, handgeschreven opmerkingen, ondertekend door Couwenberg zelf. De toon was formeel, maar onder de woorden zat iets wat op onrust leek.
Ineke kwam niet langs die ochtend. We hadden geen afspraak en dat was goed. Ik werkte in stilte verder, begon met het opstellen van mijn tussenrapportage. De lijnen lagen er, de observaties waren helder. Wat ik moest doen, wist ik precies.
In de weken die volgden, verliep het project met gestage voortgang. Ik sprak met een beperkt aantal mensen binnen de dienst automatisering, altijd op uitnodiging van Couwenberg zelf, en altijd in zijn bijzijn. Het waren geen gesprekken, het waren geënsceneerde voordrachten, technische monologen die weinig toelieten en niets prijsgaven. Niettemin kon ik daar wel wat informatie uit halen, vooral uit wat niet werd gezegd.
De sfeer binnen de afdeling was gespannen. In de wandelgangen werd nauwelijks gegroet. De meeste medewerkers keken snel weg als ik voorbijliep. Sommigen begroetten me met een kort knikje, zonder woorden. De secretaresse van Couwenberg, een vrouw op leeftijd met een blik die alles registreerde, had me eens op een donderdagmiddag toegefluisterd: “U doet uw werk, meneer van Dongen, laat u niet kisten. Er zijn er hier meer die het zien, maar ze zeggen niets.”
Couwenberg zelf werd steeds strakker in zijn optreden. Hij sprak met stemverheffing tegen medewerkers, tikte met zijn vinger op rapporten, gaf bevelen waar vragen gepaster waren geweest. Tijdens een bijeenkomst met een lid van de Raad van Bestuur, waarbij ik toevallig ook aanwezig was, had hij zich laten ontvallen dat “adviseurs te vaak vergeten wie hun opdrachtgever is.” De stilte die volgde was ijl en stroef. De bestuurder keek hem aan, knikte traag en maakte een korte notitie.
Ik leverde mijn tussenrapportage in volgens afspraak. Geen franje, geen oordeel, slechts bevindingen: welke systemen in gebruik waren, hoe de documentatie erbij lag, waar knelpunten zaten. Ik noemde geen namen, maar wees wel op structurele tekortkomingen in beheer, communicatie en afstemming en op hoe die tekortkomingen een soepele verdere ontwikkeling van automatisering bij het AMC in de weg zouden staan. Ook noemde ik een hele reeks aan risico’s met daarbij de mitigerende maatregelen die genomen zouden kunnen worden om de materialisatie ervan te voorkomen.
Ineke had de tekst vooraf gelezen, twee keer zelfs. Ze had niets geschrapt, maar hier en daar een formulering aangescherpt. “We zeggen niets wat niet waar is,” had ze gezegd, “maar we zeggen het op een toon die geen verweer uitlokt.”
Een maand later werd Couwenberg op non-actief gesteld. Niet met die woorden, de officiële lezing sprak van “herpositionering binnen de staf”, maar iedereen wist wat het betekende. Zijn naam verdween uit de vergaderverzoeken. De deur van zijn kamer bleef dicht. De secretaresse kreeg een andere functie.
Toen ik Ineke erover sprak, haalde ze haar schouders op. “Hij is geen slecht mens,” zei ze. “Maar hij vergat al te lang voor wie hij het deed.”
Het was een week na de formele afronding van mijn opdracht bij het AMC. De laatste stukken waren overgedragen, de eindfactuur verzonden, mijn rapport op verzoek intern gedeeld met een paar sleutelfiguren binnen het ziekenhuis. De dagen die volgden waren rustiger, maar niet leeg. Ik werkte thuis, las stukken voor een volgend project, maakte aantekeningen over wat ik in Amsterdam had meegemaakt, niet alleen zakelijk, ook persoonlijk.
Met El onderhield ik sporadisch contact, soms telefonisch, soms via een kort briefje dat ze op kantoor liet achterlaten. Met Ineke was er een ander ritme ontstaan: minder frequent, maar directer. Af en toe dronk ik bij haar een glas wijn na werktijd, zonder vaste afspraak of verwachting. We spraken zelden over wat er tussen ons was gebeurd, maar realiseerden ons dat dat voor ons allen belangrijk was en zou blijven.
In die luwte groeide het besef dat ze elkaar zouden moeten leren kennen. Niet omdat het moest, maar omdat het kon. Omdat ik voelde dat er ruimte was, in beiden, voor iets wat buiten de gewone kaders viel. Wat ik kende van vroeger, van Hilde, van de avonden waarop we leerden dat nabijheid ook ritueel kon zijn, met aandacht en vorm.
Ik besloot een afspraak te maken. Niet onder de vlag van werk, niet als toevallige ontmoeting, maar als iets anders: een eerste beweging in een richting die ik niet vooraf wilde bepalen.
Het was op een vrijdagmiddag eind maart. Ik had ze afzonderlijk uitgenodigd, met de opmerking dat het nuttig kon zijn elkaar eens te ontmoeten, omwille van inhoud, stijl, en mogelijk meer.
We zaten aan een kleine tafel achterin een bruin café vlak bij het Lucasbolwerk. De middagzon viel door de hoge ramen, El aan de ene kant van de tafel, Ineke tegenover haar. Beiden met een glas wijn voor zich, allebei op hun hoede, maar met een open blik. Ik zat er tussenin, letterlijk en figuurlijk.
“Dus jij werkt aan de kant van de overheid?” vroeg Ineke, na het eerste halfuur dat was gevuld met beleefde vragen en neutrale uitwisselingen over werkterreinen en vakinhoud.
“Meestal wel,” zei El. “Maar altijd in opdracht. Zelf ben ik formeel verbonden aan een directie-eenheid, maar daar blijft het niet bij. Soms zit ik dichter op beleid, soms meer op de uitvoering.”
Ineke knikte, draaide haar glas tussen haar vingers. “Dan ken je de stroperigheid.”
“Elk systeem kent zijn eigen stroperigheid,” zei El. “De vraag is wat je ermee doet. Omzeilen, of benutten.”
Het bleef even stil. Ik keek van de een naar de ander. Beiden intelligent, allebei scherp, maar elk op hun eigen manier voorzichtig in het aftasten.
Ik zei: “Jullie zijn verschillend, maar in ook verwant aan elkaar. Jullie werken beiden vanuit precisie, niet vanuit positionering. En jullie nemen allebei veel verantwoordelijkheid op de schouders, ook meer dan voor de buitenwereld zichtbaar is.”
El trok een wenkbrauw op. “Is dit een karakteranalyse?”
“Nee,” zei ik. “Eerder een uitnodiging.”
Ze keken allebei naar me met een vragende uitdrukking op hun gezicht.
“Er is iets wat ik jullie wil vertellen,” zei ik. “Iets wat al langer deel uitmaakt van mijn leven, maar wat tot nu toe in onze contacten buiten beeld is gebleven. Het is een genootschap, discreet, besloten, met wortels in mijn studententijd. We noemen het Amor Omnia Vincit.”
Ik wachtte even. El dronk een slok, Ineke liet haar hand op het tafelblad rusten.
“En wat houdt het in?” vroeg Ineke.
“Liefde overwint alles,” mijmerde El, die op de middelbare school Latijn had gehad.
“Vertrouwen,” antwoordde ik, “Vrije omgangsvormen. Seksualiteit zonder plicht of poses, maar wel met aandacht en zorg. Geen losbandigheid, geen misbruik van macht, alleen de bereidheid om te ontdekken wat je bij een ander kunt oproepen, èn kunt ontvangen.”
El knikte langzaam, haar ogen rustten op mijn gezicht. “Wie zijn ‘we’?”
“Oorspronkelijk: een hospita van mij, Hilde. En een paar medestudenten. Het groeide uit tot iets wat houvast gaf. Ritueel in de omgang, discreet in het contact. Er zijn spelregels, maar geen hiërarchie.”
“Ik neem aan dat niet iedereen wordt uitgenodigd?” vroeg Ineke.
“Zeker niet,” zei ik. “Maar ik nodig jullie bij deze wél uit. Omdat ik jullie vertrouw. En omdat ik vermoed dat jullie er iets in kunnen vinden wat je nergens anders krijgt.”
Ze zeiden niets, maar El keek naar Ineke, en Ineke hield haar blik vast. Er kwam geen antwoord, maar in hun houding veranderde iets. Geen verzet of bevestiging, alleen aandacht en mogelijke interesse.
“En als we ja zeggen?” vroeg El.
“Dan introduceer ik jullie bij het genootschap. Maar wel op een manier die jullie willen, samen of individueel. Alles stap voor stap.”
“Goed,” zei Ineke. “Dan wil ik erover nadenken.”
El glimlachte, zonder ironie. “Ik ook. Maar ik ben niet bang voor waar het heen zou kunnen gaan.”
Ik knikte. “Meer vraag ik niet.”
“Toch ben ik benieuwd wat jou doet denken dat wij baat zouden hebben bij dat lidmaatschap,” zei Ineke.
Ik keek ze allebei aan, licht besmuikt, en zei: “Ik denk dat jullie nu wel het een en ander bij elkaar hebben kunnen optellen, niet dan?”
“Je bedoelt dat jij met ons allebei het bed deelt?” vroeg El op een zachte toon.
Uit mijn ooghoek zag ik Ineke een plotselinge beweging maken, niet van angst of boosheid, meer van verrassing.
“Bedoel je dat jij ook met Mucike wel eens het bed deelt?” vroeg Ineke aan El.
“Uhuh,” humde El, “maar het moet gezegd worden, dat dat altijd op mijn initiatief is gebeurd. Mucike, of Moets zoals ik hem ook wel noem, is bepaald geen Casanova. Geen vrouwenversierder, maar wel een heerlijke minnaar!”
“Moets?” vroeg Ineke.
“Ja,” zei ik toen, “ik was er alleen nog niet aan toegekomen vanwege alle toestanden bij het AMC, om jou mijn bijnaam voor te stellen. Bij deze dan.”
“Moets en El,” zei Ineke nog eens alsof ze beide koosnamen tot zich wilde laten doordringen voordat ze het volgende voorstelde. “Noem mij dan ook maar Ien, als jullie willen.”
El legde haar hand op die van Ien en zei met een authentieke toon: “We kennen elkaar maar pas net, maar ik denk dat wij de beste vriendinnen van elkaar gaan worden, Ien!”
Ien legde van de weeromstuit haar andere hand op die van El, knipoogde en zei op guitige toon: “Dat zullen we wel moeten, als we Moets samen willen delen!”
Ik nam hun handen vast en zei met een glimlach: “Hoezo delen, jullie kunnen toch ook samen van mij genieten, als jullie dat willen!”
El schaterde het uit en zei: “Die had ik niet zien aankomen, Moets. Maar ik sta daar wel voor open, als Ien er ook voor open staat.”
Ien trok haar wenkbrauwen op, keek van El naar mij en weer terug. “Wacht even, jullie menen dit serieus?”
El antwoordde rustig: “Meer dan je denkt.”
Ien lachte onzeker, aarzelde een fractie van een seconde en zei toen met een licht opgetrokken schouder: “Nou ja… als ik moet kiezen tussen verbazen en proberen, dan weet ik het wel.”
Ien keek in eerste instantie nog wat verbaasd naar ons beiden, stond toen kordaat op en zei: “Kom op dan, wat doen we hier nog? Laten we naar mijn appartement gaan. We hebben dingen te ontdekken!”
Ze liepen zwijgend naast elkaar over de Oudegracht, onder het zachte licht van de straatlantaarns. Ien liep voorop toen ze het smalle poortje bereikte dat toegang gaf tot haar steeg. “Hier is het,” zei ze, zonder om te kijken. Haar stem klonk niet onvast, maar droeg iets behoedzaams in zich, alsof ze nog niet wist wat ze precies voelde bij wat er ging komen.
Boven in haar appartement was het warm. De houten vloer kraakte onder hun voeten. Ien hing haar jas aan de kapstok, El volgde haar voorbeeld. Ik deed het licht in de woonkamer iets zachter. Het was een ruimte vol rustige kleuren, een boekenwand, een lage bank met een wollen deken. Niet ingericht om te imponeren, maar om in te wonen.
“Zitten?” vroeg Ien.
We gingen zitten. El naast mij, Ien tegenover ons, haar benen onder zich gevouwen. Er viel een stilte die niet ongemakkelijk was, eerder aftastend. Ik keek hen om beurten aan. Ze zwegen even, niet uit twijfel, maar uit het besef dat wat er ging gebeuren hun kijk op en beleving van intimiteit blijvend zou veranderen.
El pakte Iens hand, zomaar, zonder nadruk. “Als het je te snel gaat, zeg je het gewoon, goed?”
Ien keek haar aan, knikte. “Het gaat niet te snel. Alleen… het is nieuw.”
Ze schoof iets dichter naar ons toe. Haar blik bleef hangen op mijn gezicht, toen op die van El. “Wat ik voel, is geen twijfel. Alleen… ik weet niet wat ik mag doen.”
“Alles wat je wilt en waar je je goed bij voelt,” zei ik zacht. “En niets hoeft.”
Ien ademde langzaam in, boog zich naar voren en raakte met haar lippen de mijne. De kus was kort, verkennend. Daarna draaide ze zich naar El. Die glimlachte, raakte Iens wang aan en kuste haar terwijl zij haar hoofd met beide handen vasthield. Iens schouders ontspanden.
“Dit voelt raar en goed tegelijk,” fluisterde ze.
“Dat is meestal een goed teken,” zei El zacht.
Ik stond op en reikte hen mijn handen. Ze kwamen overeind, hun lichamen dicht bij elkaar. Ien stond nu tussen ons in. Ze keek ons aan, haar blik vol aandacht, en zei: “Ik weet niet hoe het verder gaat. Maar ik wil wel verder.”
El legde haar hand op Iens onderrug, ik op haar schouder. Langzaam, zonder iets te forceren, begeleidden we haar naar de slaapkamer, waar het bed al was opgemaakt en de gordijnen gesloten.
Ien zat op de rand van het bed. Haar handen rustten op haar bovenbenen, haar voeten vlak op de vloer. El ging naast haar zitten, ik nam plaats aan de andere kant. Even was er geen beweging, alleen de ademhaling van drie mensen die zich in stilte op elkaar afstemden.
El streek met haar hand langs Iens rug, traag, open. “Is dit goed?”
Ien knikte. “Ik vind het spannend,” fluisterde ze. “Maar niet verkeerd.”
Ik boog me naar voren en kuste haar schouder, haar sleutelbeen. Ien sloot haar ogen. Ze liet het toe, meer dan dat. Ze ademde dieper, haar rug iets naar ons toe gebogen, alsof ze wilde voelen hoe we haar omhulden.
El begon haar knoopjes los te maken, traag en daardoor met aandacht. Iens blouse viel open. Geen theatrale gestes of haast. Haar huid kwam tevoorschijn, bleek en warm in het zachte licht. El kuste haar tussen haar borsten, terwijl ik haar rug ontblootte en mijn lippen daar liet rusten.
Ien zuchtte zacht. “Jullie zijn zo… afgestemd op elkaar,” zei ze. “Ik voel me geen seconde alleen.”
“Dat ben je ook niet,” zei ik.
We hielpen haar uit haar kleding. Onder haar sobere buitenkant ging een vrouwelijk lichaam schuil met zachte rondingen en gespierde dijen. Haar lichaam had lang gefunctioneerd als schild tussen haar innerlijk en de buitenwereld, maar mocht nu reageren op iedere aanraking.
Ze lag op haar zij, El achter haar, ik voor haar. El kuste haar schouder, haar hals, haar oor. Ik verkende haar buik, haar heupen. Haar ademhaling versnelde. Ze keek me aan, haar pupillen wijd, haar lippen licht geopend.
“Wil je dit echt?” vroeg El fluisterend tegen haar nek.
Ien knikte. “Ja. Ik wil voelen dat ik leef.”
Ze trok El naar zich toe, kuste haar mond met een openheid die nieuw voelde, maar niet onwennig. Ik liet mijn hand afzakken naar haar dij, haar heup. Ze kantelde haar bekken, een vanzelfsprekende uitnodiging.
Toen El haar zachtjes tussen haar benen begon te likken, bleef Ien eerst stil. Maar haar benen ontspanden, haar hand greep het laken. Ik kuste haar mond terwijl El haar tong rond haar clitoris liet cirkelen, niet snel, maar met ritme en aandacht. Ien kreunde zacht. Haar handen zochten houvast en vonden het bij mij.
“Laat je gaan,” fluisterde ik. “Alles mag.”
Ze kwam heftig, haar adem stokte, haar vingers groeven zich in mijn huid. Een kreet ontsnapte aan haar lippen, rauw, alsof ze iets van zich afwierp. Toen ze haar ogen opende, was haar blik nog vol van het extatische gevoel dat ze kort daarvoor in alle hevigheid had ervaren, als iemand die langzaam beseft wat er is gebeurd.
Ze keek naar El, die nog naast haar lag, en fluisterde toen ze weer bij zinnen was: “Nu jij.”
Ze bleven even liggen, El op haar rug met Ien half tegen haar aan, haar hoofd op El’s schouder. Ik zat aan het voeteneind van het bed, mijn hand op Iens enkel. De kamer was warm, hun lichamen nog na-huiverend van wat net was geweest.
El draaide haar hoofd en kuste Ien op haar slaap. “Je bent mooi als je loslaat.”
Ien glimlachte, nog wat onwennig. “Ik weet niet goed wat ik moet doen.”
“Elke aanraking van jou is goed,” zei ik. “Er is geen script, er is alleen wat goed voelt.”
Ien hief haar hoofd iets op, keek naar El’s gezicht. Toen boog ze zich naar voren en kuste haar mond, zacht en ingetogen. El beantwoordde haar kus, langzaam, en hun lippen vonden elkaar met meer vertrouwen bij elke aanraking.
Ien schoof haar hand langs El’s zijde, over haar borstbeen, tot ze haar borst raakte. Even hield ze stil, toen streelde ze haar met de vlakke hand, traag en open. El sloot haar ogen, haar adem werd dieper.
“Wil je verder?” vroeg ze.
Ien knikte. “Ik wil jou leren kennen.”
Ze ging op haar zij liggen, haar hand gleed over El’s buik naar beneden. El spreidde haar benen een klein beetje. Ien liet haar vingers door El’s schaamhaar glijden, toen tussen haar natte lippen. Haar beweging was voorzichtig, aftastend, maar niet schuchter. El zuchtte diep. Haar hand vond Iens pols en leidde haar zachtjes in het juiste ritme dat voor iedere vrouw weer anders is.
Ik kwam dichterbij, knielde naast hen op het bed. El opende haar ogen even, keek me aan, trok me naar zich toe en fluisterde: “Kijk hoe zij het doet.”
Iens vingers cirkelden langzaam, haar blik geconcentreerd en vol aandacht. El begon te bewegen, haar heupen kwamen los van het matras, draaiden rond en zochten Ien’s vingers. Ien versnelde niet, maar bleef ritmisch, terwijl haar lippen El’s hals zochten.
“Ja, daar… hou dat vast,” kreunde El. Haar lichaam begon te trillen, haar adem stokte en ze kwam met een rauwe kreet. Daarna bleef ze stil liggen, Iens hand nog rustend op haar buik.
Toen draaide ze zich naar Ien, kuste haar wang en zei: “Dat heb je mooi gedaan.”
Ien bloosde, haar wangen rood, haar ogen helder. Ze keek naar mij. “En nu?”
Ik boog me naar hen toe, kuste eerst El en toen Ien. “Nu zijn we samen.”
Ze trokken me tussen hen in. Vier handen op mijn huid, twee lichamen tegen het mijne, de kamer warm van gedeeld verlangen.
Ze lagen aan weerszijden van me, hun lichamen warm tegen het mijne. Iens vingers gleden traag over mijn borst, El streelde mijn dij. Geen haast, geen opbouw naar een climax, alleen aanraking, aanwezigheid. Ik voelde hoe mijn opwinding groeide, maar zonder urgentie. Dit was geen overgave aan drift, maar aan nabijheid.
Ien boog zich naar mijn borst en kuste me daar, met kleine, zuigende kusjes. Haar hand lag nu op mijn buik, net boven mijn schaamhaar. El keek toe, streelde met haar lippen mijn hals.
Ik opende mijn benen iets en voelde Iens hand mijn erectie omsluiten. Ze bewoog langzaam, haast onderzoekend, haar gezicht naar mijn harde lul toe en nam hem in haar mond. El draaide zich naar mij toe en kuste me vol op mijn mond.
Mijn ademhaling werd dieper omdat Ien me zacht en zorgvuldig likte en afzoog. Haar tong gleed om me heen, haar lippen sloten zich om mijn eikel. El keek toe, streelde mijn ballen, kuste mijn wang. Ik legde mijn hand op Iens hoofd, zonder druk, alleen als teken van aanwezigheid.
Na een tijdje wisselden ze van plaats. El nam het van haar over, maar niet om te domineren. Ze kuste me met hongerige lippen, haar heupen schurend tegen mijn been. Ien richtte zich op, haar gezicht warm en open, en fluisterde: “Ik wil je weer in mij.”
“Ga dan op me zitten, lieverd.”
Ze zette zich met haar vulva op mijn penis, terwijl ze met haar benen langs mijn heupen knielde. El ging met haar onderlichaam op mijn gezicht zitten, zodanig dat ik haar natte kut kon likken. Ze kusten elkaar terwijl ze beiden bevredigd werden, de een door mijn harde lul en de ander door mijn zachte tong.
We kreunden alledrie terwijl we op weg waren naar een gezamenlijk hoogtepunt, waarop we luid kermend klaarkwamen en onze sappen lieten stromen.
Toen we lagen, uitgeput en verstrengeld, met drie lichamen onder één laken, verbrak ik na enkele minuten de stilte.
“El,” zei ik zacht, “Ien… ik moet jullie wat vragen.”
Ze keken op, hun lichamen nog tegen het mijne aan.
“Ik heb jullie eerder verteld over het genootschap, Amor Omnia Vincit. Dat het geen vrijblijvende club is, maar ook geen sekte. Het vraagt aandacht, zorg en openheid. En het biedt… ruimte. Om te zijn wie je bent, in vertrouwen. Met rituelen, ja. Maar zonder verplichting.”
Ien draaide zich iets naar mij toe. “Wat jij daarstraks zei, over hoe we elkaar zouden kunnen delen… ik dacht dat het een grapje was. Maar het voelde niet als een grap.”
El knikte. “Het voelde als iets wat ik niet kende. Maar waar ik me niet tegen wilde verzetten.”
Ik keek hen aan. “Dan stel ik alleen dit voor: we doen niets wat niet klopt. En we forceren niets. Maar als jullie er klaar voor zijn, breng ik jullie in contact met Hilde. En met de kring.”
Ien streelde mijn arm. “Ik wil dat. Maar alleen als El het ook wil.”
El legde haar hand boven op de hare. “Ik wil het. Niet omdat jij het zegt, maar omdat het klopt.”
Toen viel er even niets meer te zeggen. We lagen stil, verstrengeld. De lakenrand opgetrokken, het raam op een kier. Buiten klotste het water zacht tegen de kade. Binnen was alleen adem, huid, rust.
Zo eindigde mijn opdracht bij het AMC: met een heldere rapportage en een nog intensere nabespreking.