Op donderdagochtend zat ik in de werkkamer van Peter van der Mark, managing partner bij het bureau. Hij had me zelf uitgenodigd, zonder agenda, maar dat was doorgaans geen slecht teken.
Hij zat zoals altijd half op zijn bureaustoel, de benen schuin onder zich gevouwen, een balpen in de hand die hij langzaam ronddraaide tussen zijn vingers.
“Je rapportage over het AMC is goed ontvangen, Mucike,” begon hij. “Zakelijk, helder, geen ruis. Precies wat de Raad van Bestuur nodig had om een knoop door te hakken.”
Ik knikte kort. “Dat was ook de bedoeling.”
Hij glimlachte. “Ik weet het. En daarom wil ik je nu inzetten op een nieuw traject. Geen grote opdracht, maar wel strategisch interessant. Het is een deelopdracht van een groter project bij de Universiteit van Leiden.”
Hij schoof een map mijn kant op. “Het gaat om het Bakker Operating Systeem. Je hebt het misschien herkend toen je de platforms van het AMC analyseerde. BOS dus. Destijds ontwikkeld door professor Bakker, op een PDP 11/70. Een slim ding, maar ouderwets. Couwenberg was één van de weinigen die het ooit in productie heeft genomen.”
Ik bladerde door de map. “En Leiden gebruikt het nog steeds?”
“Sterker nog, het is daar ontwikkeld en wordt daarom ook op meerdere plekken gebruikt. Administratie, faculteiten, zelfs in de drukkerij. Maar ze weten dat de rek eruit is. Geen onderhoud, geen updates, en de kennis zit bij een handjevol mensen die met pensioen gaan. Ze willen een second opinion: uitfaseren en vervangen of vernieuwen.”
“En waar zit mijn rol?”
“Jij kijkt naar de organisatie eromheen. Hoe het systeem functioneert binnen de faculteiten, waar het wordt gebruikt, hoe afhankelijk men ervan is. Anderen doen de technische toets, jij levert het beeld van de bestuurlijke inbedding.”
Ik knikte. “Hoeveel ruimte heb ik?”
“Redelijk veel. Er is vertrouwen. Maar let op: het is academisch terrein. Iedereen heeft een mening, niemand voelt zich eindverantwoordelijk.”
Ik stond op, pakte de map. “Dat herken ik.”
Peter knikte langzaam. “Daarom stuur ik jou.”
De volgende ochtend zat ik aan mijn keukentafel in Utrecht, de map van Peter voor me opengevouwen. De documentatie was beknopt, maar voldoende om de contouren te zien. BOS was ooit vooruitstrevend, maar inmiddels overleefd. De notulen van eerdere vergaderingen lieten weinig twijfel: men wist het, maar durfde het nog niet hardop te zeggen.
Ik bladerde langzaam verder en maakte aantekeningen op een apart vel. Wie gebruikte het, waar zaten de afhankelijkheden, hoe was de kennis geborgd? Het waren bekende vragen, maar het antwoord zou hier weer anders zijn, academischer, vermoedelijk omslachtiger.
Tussen twee passages door pakte ik mijn telefoon. Hilde nam op na de tweede keer overgaan.
“Dag lieverd,” zei ze. “Alles goed daar in het midden van het land?”
“Alles rustig. Ik begin binnenkort aan een nieuwe opdracht in Leiden. BOS, zegt je dat iets?”
Ik hoorde haar nadenken: “BOS? Neen, dat laat geen belletjes rinkelen. Waarom?”
“Ze overwegen afscheid te nemen. Ik ga kijken of ze eraan toe zijn.”
“Laat me weten als je even moet luchten. De kring komt vrijdag bijeen. El en Ien hebben beiden toegezegd.”
“Ik hou het vrij. En dank je.”
“Altijd.”
Ik hing op, legde de telefoon weer op de haak en las verder.
Op dinsdagochtend stapte ik uit op Leiden Centraal, een smalle aktetas in de hand en de map van Peter onder mijn arm. Ik had telefonisch een afspraak gemaakt met de adjunct-hoofdbeheerder van de universitaire automatisering, een zekere mevrouw J.A. Strengholt, die me zou opvangen in het zogeheten Rekencentrum aan de Witte Singel. Ze klonk vriendelijk, maar gereserveerd. “Wij geven niet alles zomaar prijs,” had ze gezegd. “Maar ik kan u ten minste vertellen hoe de hazen lopen.”
Het was koud, maar helder. De zon stond laag boven de grachten toen ik de singel overstak en het terrein opliep. De universiteitsgebouwen lagen verspreid tussen bomen, pleinen en oude panden met hoge ramen. Het Rekencentrum zat in een naoorlogs gebouw, met brede trappen en linoleumvloeren die klonken onder mijn stappen.
Strengholt stond me op te wachten bij de glazen deur. Een tengere vrouw van middelbare leeftijd met kort grijs haar en een bril met ovale glazen. Ze droeg een donkerblauw vest over een zwarte coltrui en had een stevige handdruk.
“Van Dongen,” zei ik.
“Strengholt,” zei ze. “Kom binnen, we hebben een spreekkamer gereserveerd.”
Ze leidde me door een smalle gang langs open kantoren en gesloten deuren. Midden in een speciaal gekoelde ruimte stond een PDP-11/70, het metalen front nog in tact, de ventilator zacht zoemend. Met daarnaast nog een tweetal harde schijf units.
“Dat is hem dus,” zei ik.
Ze glimlachte schuin. “Dat is één van ze. We draaien er nog vier, decentraal in de organisatie neergezet.”
We gingen zitten aan een lage tafel met een kan water en een paar glazen. Ik pakte mijn schrijfblok. Zij vouwde haar handen op tafel en keek me aan.
“Laten we maar bij het begin beginnen,” zei ze. “Wat wilt u precies weten, en voor wie schrijft u het op?”
Ik glimlachte. “Voor de universiteit zelf. En met het oog op de toekomst. Ik heb hier een samenvatting van de opdrachtformulering zoals overeengekomen tussen de universiteit en ons bureau.”
Ze las de samenvatting ter grootte van een A4-tje snel door en knikte langzaam. “Dan is het goed dat u hier bent. Want als we op dezelfde voet doorgaan, hebben we over vijf jaar een probleem.”
Ze legde het blad neer. “Het probleem is niet dat het systeem verouderd is. Het probleem is dat we te veel vertrouwen op iets wat niemand meer begrijpt. De mensen die BOS geschreven hebben, zijn met emeritaat of overleden. En wij draaien nog steeds op hun werk.”
“Wie beheert het nu?”
“Technisch beheer ligt bij informatica, inhoudelijk doen we het deels zelf, binnen de faculteiten. Er zijn aangepaste modules voor studentenadministratie, boekhouding, zelfs voor de roostering. Alles omgeven met handmatige procedures. Alles afhankelijk van individuen en niets staat op papier”
“En back-up?”
Ze schudde haar hoofd. “Er is een dagelijkse tape-dump. Die gaat naar het rekencentrum. Maar herstelprocedures zijn nooit getest. Niemand durft dat.”
Ik noteerde kort. “Is er al een voorkeur uitgesproken? Voor doorgaan en vernieuwen of afbouwen en vervangen?”
“Officieel niet. Officieus? Men kijkt naar commerciële pakketten, maar niemand wil zijn vingers branden. BOS is goedkoop. Dat het traag, inflexibel en slecht gedocumenteerd is, komt pas aan het licht als er iets misgaat.”
Ze zweeg een moment, keek naar haar glas water. “En als het misgaat, zal iedereen zeggen dat ze het al jaren zagen aankomen.”
Ik keek haar aan. “En u?”
“Ik zie wat u ziet,” zei ze. “En ik ben benieuwd hoe u het opschrijft.”
Haar toon was niet vijandig, eerder onderzoekend. Ik voelde dat ze mijn werkwijze taxeerde: zakelijk, precies, niet op effectbejag. Toen ze opstond om een map van haar kast te pakken, bleef haar blik iets langer hangen dan strikt professioneel.
“Er is iemand op Letteren die u ook zou moeten spreken,” zei ze. “Ze werkt al sinds ’75 met BOS. Maar heeft haar eigen opvattingen.”
“Naam?”
“Eva Tesselaar.”
Ze draaide zich naar me om. “En u vindt haar vast interessant.”
“Oh, hoe dat zo?”
Ze haalde haar schouders op, maar haar glimlach bleef. “Ze heeft iets eigenwijs en een scherpe geest en kijkt daarbij wel altijd de kat uit de boom. Mensen onderschatten haar, maar ze ziet veel. En ze stelt vragen die anderen overslaan.”
Ik knikte. “Wat voor functie heeft ze?”
“Coördinator onderwijslogistiek op Letteren. Geen hoge rang, maar veel contacten. En veel praktijkkennis.”
“Wat moet ik me voorstellen bij onderwijslogistiek op Letteren?”
Ze knikte. “De Faculteit der Letteren is een grote faculteit. Taal- en cultuurstudies, geschiedenis, filosofie, kunstgeschiedenis… Veel kleine opleidingen, verspreid over meerdere gebouwen. En elk jaar opnieuw moet dat allemaal in goede banen worden geleid: roosters, tentamens, zaalverdeling, inschrijvingen, contacturen, docentenwissels. Dat is wat we onderwijslogistiek noemen. Het is het onzichtbare werk waardoor het onderwijs draait.”
Ik knikte langzaam. “En Tesselaar coördineert dat?”
“Voor een groot deel, ja. Ze zit niet in het bestuur, maar weet precies wie waar over gaat. Ze heeft overzicht én invloed. En, belangrijker nog: ze werkt al jaren met BOS.
“En haar relatie tot BOS?”
“Ambivalent. Ze werkt ermee, maar vertrouwt het niet. Ze houdt alles dubbel bij, op papier én in een zelfgebouwd rekenblad. Als er iemand is die weet waar de knelpunten zitten, is zij het.”
Ik noteerde haar naam. “Heeft u iets tegen als ik haar naam gebruik als referentie?”
“Zeker niet. Ze weet dat dit speelt. En ik denk dat ze het prettig vindt als iemand haar eindelijk eens serieus neemt.”
Ik bedankte Strengholt voor haar tijd en de informatie. Buiten was de lucht inmiddels betrokken geraakt en de wind trok strakker langs de gevels van het complex. Terwijl ik mijn jas dichtritste en de singel weer overstak, dacht ik na over wat ze had gezegd. Geen directe tegenwerking, maar ook geen steunstructuur. Alleen losse schakels, veel afhankelijkheden en hier en daar een persoon die méér wist dan ze liet merken.
Op weg naar het gebouw van Letteren, een statig pand aan de Doelensteeg, met hoge ramen en trappen die klonken onder je schoenen, voelde ik een lichte spanning. Niet zakelijk, maar persoonlijk. De naam Eva Tesselaar was blijven hangen. Iemand met overzicht en invloed, maar zonder formele macht. Dat soort mensen kende ik. Ze trokken aan touwtjes die niet zichtbaar waren, maar wel degelijk gespannen stonden.
Ik meldde me bij de receptie met de vraag of mevrouw Tesselaar beschikbaar was voor een kort gesprek. De baliemedewerkster knikte, pakte de telefoon en gaf mijn naam door. Daarna gebaarde ze naar een bankje tegen de muur. “Ze komt u zo halen.”
Ik knikte, nam plaats, legde mijn tas naast me neer, en keek even naar buiten. Er waaide een blad tegen het raam, bleef even kleven en viel toen weg.
Een paar minuten later hoorde ik voetstappen op de gang. Rechte tred, geen haast. De vrouw die om de hoek verscheen had halflang donkerblond haar dat licht glansde in het kunstlicht. Ze droeg een wollen rok tot op de kuit, hoge leren laarzen en een getailleerde coltrui die haar slanke bovenlichaam en borsten benadrukte. Haar bril had een modieus hoornen montuur, net als haar gelaatstrekken: helder, geconcentreerd, maar niet hard. Ze had een soepel lichaam en bewoog met een vanzelfsprekende balans, alsof alles precies op zijn plek zat.
Ze keek me aan. Geen glimlach, maar wel een blik die bleef hangen, alsof ze me opnam én op waarde schatte.
“Meneer van Dongen?”
“Dat ben ik.”
“Komt u maar mee.”
Ze draaide zich om zonder op antwoord te wachten. Ik stond op, pakte mijn tas, en volgde haar. Haar tred was beslist. Geen opsmuk, maar ook niets terughoudends. Haar heupen wiegden subtiel bij elke stap, niet overdreven, maar precies genoeg om iets in mij wakker te maken.
Alleen richting. Maar wél een richting die mijn aandacht had.
Ze leidde me door een smalle gang, waar de geur van koffie en papier bleef hangen. Haar kantoor lag aan de binnenzijde van het gebouw, met uitzicht op een binnentuin waar het blad zich ophoopte onder een kale boom. Binnen stond een houten bureau met ordners in twee nette stapels, een typemachine op een verrijdbaar tafeltje en een grote landkaart van het oude Europa aan de muur.
“Gaat u zitten,” zei ze, terwijl ze zelf achter het bureau plaatsnam. “Ik neem aan dat u komt voor BOS.”
“Inderdaad,” zei ik. “Ik ben gevraagd om de bestuurlijke inbedding en de functionele afhankelijkheden in kaart te brengen. Uw naam werd genoemd als iemand die weet hoe het systeem daadwerkelijk wordt gebruikt.”
Ze trok haar wenkbrauwen kort op, alsof ze die formulering op waarde probeerde te schatten. “In gebruik, ja. Of liever: in bedrijf. Gebruik suggereert controle.”
Ik glimlachte. “U bedoelt dat het systeem soms zijn eigen logica volgt?”
“Precies. Roosteren met BOS is als dammen met regenwater. Het past zich niet aan, het zoekt zijn weg.”
Ze boog iets naar voren en vouwde haar handen op het bureau. “Ik houd alles dubbel bij. Op papier en in eigen tabellen. Omdat BOS me nog nooit heeft verrast op een manier die ik wenselijk vond.”
Ik knikte langzaam. “En toch blijft u ermee werken.”
Ze keek even naar het raam, toen terug naar mij. “Omdat het werkt. Met haken en ogen, maar het werkt. En omdat we nooit echt hebben overwogen om het los te laten.”
“Nu misschien wel?”
“Dat weet ik niet. Wat ik wél weet, is dat niemand precies overziet wat er verdwijnt als we het afschrijven.”
Er viel een korte stilte. Ik zag hoe ze een potlood tussen haar vingers ronddraaide.
“U bent niet zoals de anderen,” zei ze uiteindelijk. “Die komen kijken, nemen notities, stellen vragen die al tien keer zijn gesteld. U wacht.”
“Dat doe ik vaker.”
Ze keek me strak aan, maar zonder wantrouwen. “Dan kunt u net zo goed nog een keer langskomen. Er valt veel te laten zien. Maar niet in één keer.”
Ik boog mijn hoofd. “Ik kom graag terug.”
We zaten samen in haar werkruimte, een vierkante kamer met een groot bureau, houten kasten vol ordners, en een laag raam dat uitkeek op de binnenplaats. De zon was al achter de gevels gezakt, het licht in de kamer was zacht, bijna zijdelings. Eva had twee kopjes thee gezet en haar schoenen uitgeschopt; haar benen lagen onder haar stoel, haar houding ontspannen.
“Wat me verbaast,” zei ik, “is dat de registratie van studielast nergens structureel gekoppeld is aan de roostering. Terwijl het wel in BOS zit.”
Ze knikte. “Maar niemand vertrouwt dat veld. Dus maken we zelf weer een aparte sheet. Daarin zetten we wat écht klopt. En dat blijft dan weer buiten het officiële systeem.”
“Dus er is formeel beheer, maar het échte beheer zit bij mensen zoals jij.”
Ze lachte kort, zonder triomf. “Zo zou je het kunnen zeggen, ja. Maar niemand noemt dat zo.”
Ik noteerde iets, legde mijn pen neer. “Weet je wat het is?” zei ik. “Ik kom hier binnen als externe. Maar jullie weten allang waar het knelt. Alleen is er niemand die dat overzicht opschrijft.”
Ze keek op, een tikje verbaasd. “Dat klopt. En eerlijk gezegd… het is voor het eerst dat iemand het zo zegt.”
Ik haalde mijn schouders op. “Misschien komt het doordat ik nergens bij hoor. Dan zie je meer.”
Ze zweeg even, haar blik gleed naar mijn hand, naar mijn aantekeningen, toen weer naar mijn gezicht. “Ik vind het prettig dat je luistert. Zonder oordeel.”
Ik knikte. “Ik luister graag. Zeker als er iets te horen valt.”
Ze stond op, liep naar het raam, leunde met haar schouder tegen het kozijn en keek naar buiten. “Het is laat,” zei ze. “Veel mensen zullen binnen het uur naar huis gaan.”
“Wil je stoppen?”
Ze draaide zich om. “Neen. Ik wil juist nog iets laten zien. Maar dan moet ik wel even wat ophalen. Wacht je hier?”
“Uiteraard.”
Ze glimlachte klein, en liep de kamer uit. Ik bleef zitten, haar theekop nog warm in mijn hand. De stilte in de kamer vulde zich op met één vraag: hoe konden zoveel slimme mensen zo’n onbeheersbare situatie laten voortbestaan. Het is werkelijk onbegrijpelijk.
Ze kwam terug met een multomap onder haar arm, sloot de deur achter zich met een korte heupbeweging en liep naar haar bureau.
“Dit is de offline waarheid,” zei ze terwijl ze ging zitten. “Met potloodcorrecties en koffievlekken.”
Ik lachte. “Dan geloof ik het meteen. Alles met koffievlekken is waar.”
Ze glimlachte terug en sloeg de map open, bladerde een paar tabbladen door. “Deze tabellen zijn van twee jaar terug. We hebben ze sindsdien driemaal herzien, zonder dat de centrale database is aangepast.”
“En waarom eigenlijk niet?”
Ze keek op. “Omdat het niemand interesseert. Tot het fout gaat. En dan vragen ze mij hoe dat kon.”
“En dan zeg jij…”
“…dat ze beter hadden moeten luisteren,” zei ze droog. “Wat ik uiteraard niet zeg.”
Ik glimlachte. “Je hebt een elegante manier van jezelf onmisbaar maken.”
Ze grijnsde. “Dat is geen kunst, dat is overleven. En een beetje toneel.”
“Je zou er bijna een handboek van kunnen maken.”
“Waarom denk je dat ik het allemaal documenteer?” Ze tikte op de map. “Stel dat ik ooit spoorloos verdwijn, dan weet iemand ten minste nog hoe de boel werkte.”
“Of hoe je het liet werken.”
Ze boog zich iets naar voren, haar ellebogen op het bureau. “Jij hebt ook zo’n map, vermoed ik.”
“Meerdere. Maar zonder koffievlekken.”
Ze keek me aan, nu wat langer, de blik net iets rustiger dan daarvoor. “Dat komt nog. Je mist alleen nog een fatsoenlijke bureaulade, een onwillige printer en drie collega’s die in de war raken als je iets nieuws probeert.”
Ik lachte. “En een mapbeheerder met gevoel voor ironie.”
Ze tikte met haar pen op de rand van de map. “Ik ben niet ironisch. Ik ben realistisch met een glimlach.”
We keken elkaar aan, een tel langer dan strikt noodzakelijk. Toen boog ze zich weer over de papieren. “Goed. Terug naar de praktijk. Zie je dit veld hier?”
Ze boog zich weer over de papieren en liet haar vinger langs een kolom glijden. “Hier zie je de mismatch tussen roostering en ruimtecapaciteit. Wordt al jaren genegeerd, maar op piekmomenten knelt het.”
Ik maakte aantekeningen. “Duidelijk. En jij bent de enige die dat zichtbaar maakt?”
“Niet per se,” zei ze. “Maar wel de enige die het blijft zeggen.”
Ik keek op. “Dank je voor je tijd, Eva. Dit helpt echt.”
Ze knikte. “Graag gedaan. En als je slim bent, spreek je vandaag ook nog met Anneleen Evers. Die kijkt weer met een heel andere bril.”
“Mag ik haar jouw naam noemen als referentie?”
“Liever wel. Dan weet ze dat het serieus is.”
Ik stond op, klapte mijn schrijfblok dicht. “Is ze makkelijk te vinden?”
Eva glimlachte. “Ze zit op Bestuurskunde. Kamer 3.21, als ze ten minste niet op een overleg is. Zeg maar dat ik je gestuurd heb. Ze zal er nog wel zijn, die werkt vaak langer door.”
Ik reikte haar de hand. “Tot overmorgen?”
“Graag. Dan laat ik je mijn koffievlekken op de nieuwe jaarplanning zien.”
Ik lachte, knikte, en liep de kamer uit. Terwijl de deur achter me dichtviel, voelde ik een lichte spanning in mijn schouders, geen vermoeidheid, maar anticipatie.
Op naar kamer 3.21.
Op de gang was het stil. Slechts het zachte zoemen van TL-buizen en het getik van een enkele hak op linoleum. Kamer 3.21 bevond zich aan het einde van de westvleugel, met uitzicht op de parkeerplaats en de fietsenrekken. Ik klopte aan, hoorde een gedempt “ja?”, en opende de deur.
Drs. Anneleen Evers zat aan een bureau vol papierbundels, in een verder sobere kamer. Ze had haar haar los en droeg een smalle blouse onder een donkergrijs vest, haar bril bovenop een stapel dossiers gelegd. Ze keek op, scherp en met een lichte frons, alsof ze nog niet besloten had of dit een goed moment was.
“Van Dongen, adviesbureau,” zei ik. “Ik spreek u op aanraden van Eva Tesselaar.”
De frons verdween niet helemaal, maar haar blik verzachtte. “Ah, als Eva u stuurt, dan moet het wel ergens over gaan,” zei ze, terwijl ze opstond. “Kom binnen en gaat u zitten.”
Ik nam plaats tegenover haar, legde mijn schrijfblok op schoot en wachtte even. Ze keek me aan, met een mengeling van mild wantrouwen en gerichte interesse.
“U doet onderzoek naar BOS?”
Ik knikte. “Naar de organisatie eromheen. Niet naar de techniek zelf.”
“Gelukkig,” zei ze droog. “Want als u dat wel deed, had ik u meteen verwezen naar onze afdeling automatisering. En dan had u niets zinnigs meer gehoord.”
Ik glimlachte. “Ik kreeg al de indruk dat u hier anders tegenaan kijkt.”
Ze leunde achterover, kruiste haar benen. “Ik kijk nergens ‘anders’ tegenaan. Ik kijk zoals het is. En BOS is een tijdbom. Je weet alleen niet wanneer hij afgaat.”
“U werkt er zelf nog mee?”
“Dat wil zeggen: ik werk erlangs. Mijn secretaresse voert de gegevens in. Zelf houd ik alles bij in parallelle systemen. Als BOS uitvalt, verlies ik een halve dag. Geen week.”
Ik noteerde kort en keek haar aan. “Dat klinkt voorbereid.”
Ze haalde haar schouders op. “Overlevingsstrategie. En een vorm van luiheid: ik wil niet afhankelijk zijn van mensen die zeggen dat ze alles onder controle hebben, maar geen idee hebben wat er in het veld gebeurt.”
Ze boog zich iets naar voren, haar blik helderder. “Maar goed. U bent hier waarschijnlijk niet uitsluitend voor mijn meningen. Wat wilt u precies van me weten?”
Ik aarzelde kort, maar besloot recht op mijn doel af te gaan. “Ik probeer zicht te krijgen op de werkelijke afhankelijkheden. Niet wat er op papier staat, maar hoe processen in de praktijk lopen. Waar men op leunt zonder dat het zo geadministreerd is. En waar het al misging zonder dat iemand er een melding van maakte.”
Ze knikte langzaam. “Dus u probeert bloot te leggen wat formeel niet benoemd wordt, maar wel alles draaiende houdt.”
“Precies.”
Ze schoof een stapel papieren opzij. “Dan bent u al verder dan de meeste mensen die hier komen.” Even bleef ze stil, alsof ze woog of ze verder wilde gaan. Toen: “Ik zal u vertellen hoe het bij ons gaat. In theorie ondersteunt BOS de onderwijscyclus, maar in de praktijk is het systeem afgestemd op hoe het ooit wás, niet op hoe het nu is.”
“Kunt u een voorbeeld geven?”
Ze boog zich iets naar rechts, trok een multomap uit een kastje. “Roosters. Officieel worden ze gegenereerd op basis van de input van vakcoördinatoren, maar in werkelijkheid controleren we elk rooster tegen onze eigen planning en passen die handmatig aan. Omdat BOS de uitzonderingen niet aan kan. Die moet je handmatig corrigeren.
Ze legde een vel voor me neer, vol met handgeschreven aanpassingen en rode pijlen. “Dit is wat er overblijft nadat BOS heeft gedaan wat het denkt te moeten doen.”
Ik keek aandachtig, zag hoe docentinitialen waren verplaatst, zalen verwisseld, tijdsloten verschoven. “En dit gebeurt voor elk semester?”
“Ja. En bij elk studiejaar, elke opleiding. BOS weet niet wat een gastdocent is, of een deeltijdwerkgroep. Het systeem denkt in blokken van negentien bij zes.”
Ze keek me aan. “En tóch durft men niet los te laten. Want er is niemand die het alternatief durft te ontwerpen.”
Ik zweeg even, toen vroeg ik: “En u?”
Ze glimlachte. “Ik ben bestuurskundige. Wij ontwerpen niks. Wij signaleren, benoemen en adviseren. En af en toe trekken we de stekker uit iets dat al dood is.”
Ik knikte, niet alleen uit instemming, maar ook omdat haar formulering precies weergaf wat ik zelf vaker dacht. Niet alles hoeft gered, soms is het erkennen van het einde het begin van iets beters.
“En denkt u dat dat hier aan de orde is?” vroeg ik.
Ze leunde iets achterover. “BOS is niet dood. Maar het heeft een zwakke pols. En niemand hier durft de hartslag écht te meten.”
Ik glimlachte. “Misschien moet iemand het protocol schrijven voor reanimatie. Of euthanasie.”
“Of beide.” Haar blik bleef even hangen. “Ik heb vrijdagmiddag een uurtje over. Dan laat ik u zien hoe wij het hier écht gebruiken, de formules, de omwegen, de werkelijke afhankelijkheden.”
“Ik ben van de partij.”
Ze stond op en reikte me haar hand. “Tot vrijdag dan. En breng stevige schoenen mee. Dan krijgt u de versie die niet in de notulen komt.”
Het was woensdag tegen vijven toen ik opnieuw aanbelde bij het pand aan de Doelensteeg voor mijn afspraak met Eva Tesselaar. De gang was stil en het licht in de glazen kappen gedempt. De meeste mensen waren immers, als modelambtenaren, alweer naar huis. In de binnenplaats dwarrelde een laatste blad over de stenen. Ik klopte aan op haar deur.
Eva liet me zonder omhaal binnen, niet zo zakelijk als de eerste keer, maar nog steeds een tikkeltje formeel. Haar kantoor was nauwelijks veranderd, al lagen er nu enkele nieuwe tabbladen op haar bureau en stond er een extra stoel klaar. De thee was al gezet.
“Fijn dat u er weer bent,” zei ze terwijl ze me een kop aanreikte. “Ik heb wat materiaal geselecteerd dat aansluit bij ons vorige gesprek.”
“Dank u. En bedankt dat u er tijd voor vrijmaakt.”
Ze knikte, zonder bescheidenheid, maar ook zonder pose. “U stelde de juiste vragen. Dat gebeurt niet zo vaak.”
Ik ging zitten. Ze nam plaats aan de overkant, iets dichter bij de rand van het bureau dan de vorige keer.
“Waar wilt u beginnen?” vroeg ik.
“Zullen we, voordat we beginnen, afspreken dat we elkaar in het vervolg tutoyeren?” vroeg ze, “als we in de toekomst meer met elkaar samenwerken, zal dat het alleen maar een stuk soepeler maken.”
“Met alle plezier,” zei ik, “noem mij dan ook maar bij mijn voornaam: Mucike. Dat is ook wel zo gemakkelijk.”
“Dan ben ik Eva voor je,” zei ze met een brede glimlach.
Ze sloeg een map open. “Laten we opnieuw bij de roosters beginnen. Maar nu met de onderliggende berekeningen erbij. Ik wil je laten zien waar het écht spaak loopt. En waar we het elke keer handmatig moeten bijstellen.”
Ze bladerde naar een pagina met gekleurde markeringen en kolommen handschrift. “Hier bijvoorbeeld. Dit lijkt keurig volgens protocol, maar in werkelijkheid klopt het niet met de capaciteit van de ruimtes. Daarom corrigeer ik dit elke keer in een eigen bestand.”
Ik boog me iets naar voren. “Is dat bestand formeel onderdeel van het proces?”
“Neen. Maar de uitkomst ervan wel. Die wordt verwerkt in de definitieve versie, zonder bronvermelding.”
Ze keek op. “Ik geloof niet dat iemand dat ooit als probleem heeft gezien. Tot nu dan, de vragen die je stelt zetten mij in ieder geval tot denken aan.”
Ik glimlachte. “Ik ben niet gekomen om problemen te zoeken. Alleen om te begrijpen hoe het werkt.”
“Precies dat is wat me tot denken brengt.” Ze keek een moment naar mijn gezicht, toen weer naar de map. “En ik heb niets te verbergen.”
De rest van het gesprek verliep vloeiend. Ze was minder terughoudend dan de eerste keer, toonde meer, vertelde vrijer. Soms liet ze stiltes vallen die uitnodigend werkten, niet ongemakkelijk, maar open. Ik merkte dat ze meer en meer fysieke toenadering zocht, soms met een simpele toevallige aanraking en soms legde ze even haar hand op mijn onderarm.
Ik keek naar de kolommen, velden, rode pennenstreken. “En dit alles is nergens geformaliseerd?”
Ze schudde haar hoofd. “Het is een ritueel. We weten wat er moet gebeuren, maar niemand legt het vast. Omdat het dan een precedent zou worden. En niemand wil verantwoordelijk zijn voor iets wat op papier wél fout kan zijn.”
Ik knikte, bladerde traag verder. “Maar jij doet het wel.”
Ze haalde haar schouders op. “Ik geloof in voortgang en niet in gelijk krijgen.”
Even bleef het stil. Het tikken van de klok op haar plank werd hoorbaar. Buiten klonk vaag het geratel van een passerende fiets.
“Wil je thee?” vroeg ze. “Of liever iets anders?”
“Ik ben eigenlijk na zo’n lange dag met koffie en thee aan iets sterkers toe. Maar je zult waarschijnlijk wel niets alcoholisch op kantoor hebben staan.”
“Neen, dat heb ik niet. Maar als je je niet bezwaard voelt, kunnen we, als we klaar zijn, samen naar De Bonte Koe lopen, dat is hier niet zo ver van vandaan. Je kunt daar wat drinken èn eten als je dat wilt.”
“Lijkt me een uitstekend idee, Eva!”
Ze stond op, liep naar het kastje bij het raam om de laatste map te pakken. Haar bewegingen waren soepel, traag, zonder haast. Een oplettende kijker zou zien dat er in die ietwat formele kleding een heerlijk lichaam verborgen zat. Toen ze terugkwam, liet ze zich op de rand van haar bureau zakken, handen steunend achter zich.
“Ben je altijd zo observerend?” vroeg ze.
“Alleen als er iets te zien valt.”
Ze keek me aan, haar hoofd een fractie schuin. “Ik weet niet of dat een compliment is.”
“Je kunt ervan uitgaan dat het zo bedoeld is en dat ik niet vaak complimenten geef.”
Ze lachte zacht. “Nou, dan wil ik je voor het compliment danken, hoewel ik niet precies weet waarvoor je mij complimenteert.”
“De avond is nog lang, Eva,” zei ik met een knipoog.
Weer lachte ze zachtjes. “Oké, laten we dan maar snel door het zakelijke gedeelte heen gaan. Des te eerder zijn bij De Bonte Koe!”
Ze liet me de inhoud van de map zien en wees op een aantal opvallende zaken. Het was duidelijk dat het BOS op meerdere fronten zeer te kort schoot. Ik maakte snel een aantal uitgebreide aantekeningen die ik kater in mijn verslag zou gaan verwerken.
“Je bent anders dan de anderen,” zei ze. “Niet alleen omdat je luistert. Maar omdat je het opslaat. Je doet iets met wat je hoort.”
Ik zei niets, liet haar woorden bezinken.
“En,” vervolgde ze, “ik ben niet zo goed in het doseren van vertrouwen. Het is er, of het is er niet.”
Ik keek haar aan, de lichtval op haar gezicht, de zachte schaduw onder haar ogen, het begin van een glimlach. Ik legde mijn hand op de hare, ze trok zich niet terug. “Dan ben ik blij dat je me vertrouwt.”
Ze keek me even aan, vanonder haar wimpers. ‘Ik ook,’ zei ze.
“Ik ga dit rapport met zorg schrijven,” zei ik terwijl ik mijn hand weer terugtrok. “Niet voor de vorm, maar omdat het ertoe doet. Jij laat zien waarom.”
Ze boog iets voorover, haar hand raakte mijn onderarm, even maar. Haar vingers licht, zonder druk.
“Ik ben blij dat jij deze opdracht doet,” zei ze. “En dat je niet blijft steken in afstand.”
Haar hand gleed terug, maar haar blik bleef. Geen uitnodiging of verlegenheid, alleen aandacht.
“Dan denk ik dat we voor vandaag wel klaar zijn,” zei ik, “wat mij betreft kunnen we naar De Bonte Koe.”
Nadat Eva de spullen weer netjes in de kasten had gezet en haar handtas en jas had gepakt, liepen we samen het gebouw uit. De frisse avondlucht in. De lucht was helder en ondanks de schemer was het nog behoorlijk licht. De stenen van de binnenplaats glansden na van een late schoonmaakbeurt, het blad lag in plukken langs de randen. Eva had haar jas aan, een lange donkerbruine mantel met een riem die haar taille net niet verraadde. We liepen zwijgend de Doelensteeg in, de stad klonk gedempt om ons heen.
“Het is eigenlijk zonde om op zo’n mooie avond nog achter een bureau te zitten,” zei ik.
Ze knikte. “Daarom vind ik het ook prettig om soms iemand mee te nemen naar buiten. Al is het maar voor een glas wijn.”
We staken de Langebrug over, de klinkers glommen in het schijnsel van een enkele straatlantaarn. Na een paar minuten kwamen we bij een smalle zijstraat uit, met een klein café aan de hoek, geel licht achter beslagen ramen, houten kozijnen, een handgeschreven menukaart achter het glas.
“De Bonte Koe,” zei ze. “Geen poespas, maar goed genoeg om even nergens te hoeven zijn.”
Ik hield de deur voor haar open. Binnen rook het naar hout en wijn, het geluid was zacht en ongedwongen, stemmen, bestek en het schuiven van stoelen. We vonden een tafeltje achterin, half beschut door een houten scheidingswand.
De ober bracht een karaf water en twee glazen. Eva bestelde een glas rode wijn, ik vroeg om een oude jenever. Het duurde even voor we weer spraken. Ze keek rond, niet als een bezoeker maar als iemand die hier eerder was geweest.
“Kom je hier vaak?” vroeg ik.
Ze schudde haar hoofd. “Nee, niet vaak, wel vaker. Maar ik weet wat ik hier kan verwachten. Geen gedoe of blikken. Gewoon een tafel, een stoel en een glas dat ik in alle rust kan leegdrinken.”
Ik knikte. “Soms is dat precies genoeg.”
Ze draaide haar glas een kwartslag. “Wat ik fijn vind aan dit soort plekken, is dat je niet hoeft te praten als je geen zin hebt. Maar ook niet hoeft te zwijgen als je iets wilt zeggen.”
Ik glimlachte. “En heb je iets te zeggen?”
Ze keek me aan, een fractie langer dan nodig en knikte.
De drank werd gebracht, we bedankten kort. De eerste slokken verbraken de spanning die nog in onze schouders zat. Ze zette haar glas neer, leunde iets naar voren.
“Ik vind het moeilijk om mensen toe te laten,” zei ze. “Dat is geen geheim. Maar het is ook geen gewoonte.”
Ik zei niets, wachtte.
Ze haalde haar schouders op. “Ik heb genoeg meegemaakt om te weten wat ik níet wil. Maar soms weet ik niet goed wat ik wél wil. En dan hoop ik dat de ander geduld heeft.”
Ik knikte weer, nu om aan te geven dat ik haar begreep en legde mijn hand naast de hare neer.
Ze keek me aan en draaide haar glas opnieuw. “Jij kijkt, maar je duwt niet en dat is nieuw voor me.” Ze verplaatste haar hand naar de mijne die ze met haar vingers aanraakte.
We zwegen een tijdje, maar keken elkaar wel aan. De warmte van het café trok in onze huid. Buiten werd het donkerder, binnen bleef het licht hetzelfde.
Ik draaide mijn hand om met de handpalm naar boven als een uitnodiging.
Ze legde haar hand in de mijne, glimlachte flauwtjes en vroeg: “Wil je straks eventueel nog mee naar mijn huis? Niet omdat het moet. Maar omdat ik je graag beter wil leren kennen.”
Ik keek haar aan, kneep zachtjes in haar hand en zei. “Natuurlijk wil ik dat, niets liever.”
Ze knikte. “Ik weet het nog niet zeker. Maar ik wil er wel over nadenken terwijl jij me nog één ding vertelt. Iets dat ik nog niet van je weet.”
Ik boog me iets naar voren. “Wat wil je weten?”
Ze haalde haar schouders op. “Iets wat je niet deelt met iedereen. Geen geheim, maar ook geen standaardantwoord.”
Ik keek even weg, alsof het antwoord ergens in het houtwerk zat, en keek toen weer naar haar. “Ik ben een mensenmens. Ik hou van mensen en vooral van vrouwen, in de zin dat ik me goed voel in hun gezelschap en dat ik graag geef in plaats van te ontvangen. Maar alleen als er chemie is en om dat te voelen, kijk en luister ik voordat ik iets zeg of doe.
Ze knikte langzaam. “Dat zie ik wel, denk ik. Je observeert. Je praat pas als het iets toevoegt.”
Ik glimlachte. “Het is geen pose. Het is gewoon hoe ik werk en mijn leven leidt.”
Ze draaide haar glas, nam nog een slok, zette het langzaam neer. “En hoe is het dan om zo te leven? Geeft het genoeg terug?”
“Dat hangt ervan af,” zei ik. “Soms. En soms zit er een vrouw tegenover me die iets vraagt wat niemand eerder vroeg. Dan weet ik weer waarom ik het zo doe.”
Ze keek naar onze handen, nog steeds in elkaar verstrengeld.
“Ik vind je prettig gezelschap,” zei ze. “Niet omdat je je inhoudt, maar omdat je je niet opdringt.”
“En ik ben graag in jouw gezelschap omdat je me intrigeert en dus niet louter en alleen om het werk.”
“Dat had ik al begrepen.”
Even viel het stil. De glazen waren bijna leeg, de warmte van de kamer was op onze huid gaan zitten.
Ze stond op, pakte haar jas van de kapstok naast het tafeltje. “Laten we gaan. Mijn huis is niet ver.”
Ik knikte, stond op, en hielp haar in haar jas. “Ik reken wel af,“ zei ik.
Ze keek me even aan, haar blik open, kwetsbaar, maar zonder twijfel. “En de rest zien we wel,” zei ze zacht.
Buiten rook het naar herfst en houtrook. We liepen naast elkaar, onze passen in hetzelfde ritme. Geen woorden meer. Alleen de nacht die zich voor ons opende.
Haar huis lag in een rustige straat, een rijtje middeleeuwse woningen met hoge voordeuren en smalle ramen. Eva haalde een sleutelbos uit haar jaszak, stak de sleutel in het slot en duwde de deur open.
“Kom binnen,” zei ze, terwijl ze haar jas aan de kapstok hing. De gang rook naar hout en iets kruidigs, misschien wierook of gewoon haar geur. Ze deed het licht aan en een warme gloed verspreidde zich over het smalle looppad.
“De woonkamer is door die deur links,” zei ze. “Ik zet even wat muziek op.”
Ik liep naar binnen. Een zachte bank, boeken langs de muur, een leeslamp, een houten vloer met een verweerd kleed. Geen opsmuk, maar met zorg ingericht. Ik hoorde haar in de gang rommelen met de platen, toen klonk de eerste noot van een altviool, traag, melodisch, onopvallend mooi.
Ze kwam naast me staan, haar mantel inmiddels uit, een trui over haar blouse. Haar gezicht was ontspannen, haar ogen zacht. Ze keek me aan, zonder woorden, en kwam dichterbij. Ze pakte mijn bovenarm zachtjes vast.
“Ben je moe?” vroeg ze zacht.
“Neen, niet echt van wat op de dag allemaal is gebeurd,” zei ik terwijl ik mijn jas en tas op een stoel deponeerde. “Wel van het op m’n hoede zijn. Om toegang tot iedereen te blijven behouden is het zaak om zorgvuldig te blijven manoeuvreren.”
Ze knikte langzaam. “Dat kun je hier loslaten.”
“Uhuh,” humde ik ter bevestiging, “dat geloof ik ook.”
“Zal ik wat voor je inschenken?” vroeg ze, “wijn of iets anders?”
“Wat heb je open staan?”
“Ik heb gisteren een lekkere rode wijn open gemaakt.”
“Dan wil ik daar wel een glas van,” zei ik.
“Ga lekker zitten en doe alsof je thuis bent,” toen ze naar de keuken ging om wat in te schenken. Even later kwam ze binnen met twee glazen rode wijn. Ze gaf me er één aan en ging naast me zitten, niet tegen me aan, maar ook niet op afstand. We dronken in stilte. De wijn was warm en kruidig. Ze keek even opzij, haar ogen hielden me vast.
“Op je gezondheid” zei ze.
“Proost!”
Ze knikte en streek een lok haar achter haar oor. Daarna legde ze haar hand op mijn knie, rustig, zonder aarzeling. Ik legde mijn hand op de hare.
Ik keek haar aan en vroeg: “Weet jij wat mij in jou intrigeert?” terwijl ik mijn hand omhoog bracht en diezelfde lok nog eens achter haar oor streek.
Ze glimlachte vaag, alsof ze iets voelde zonder het al te snel te willen benoemen.
“Neen,” zei ze zacht. “Maar ik wil het graag horen.”
Ik liet mijn hand op haar wang rusten, mijn duim langs haar slaap. “Je bent op je hoede, maar niet gesloten. Daardoor ben je aanvankelijk niet zo benaderbaar, maar als je je geeft dan is het echt. Daar is niets onecht aan. Dat zie ik aan je en dat voel ik. En dat zorgt ervoor dat ik je wil leren kennen, ècht wil leren kennen. Niet alleen als de opleidingscoördinator Letteren, maar als Eva Tesselaar.”
Ze sloeg haar ogen even neer, maar keek daarna weer op. “Ik probeer mezelf niet te verliezen.”
“Dat doe je niet. Je houdt jezelf drijvende door je instelling en dat maakt het bijzonder.”
Ze keek me even aan en haar ogen werden ietwat vochtig waarna ze haar gezicht afwendde. Haar hand bleef op mijn knie liggen, de andere losjes om haar glas. We zeiden niets. Alleen de altviool vulde de kamer, langzaam, als een ademhaling.
Toen draaide ze haar hoofd weer naar mij toe, haar gezicht dicht bij het mijne. “En jij?” vroeg ze. “Hoe hou jij jezelf vast?”
Ik aarzelde, zocht haar blik. “Door me niet groter voor te doen dan ik ben. En authentiek te blijven in wat ik doe, of het nu professioneel is of in mijn persoonlijk leven. Mijn makke is dat ik oprecht van meerdere mensen tegelijkertijd kan houden, op een intense manier. En niet iedereen kan dat begrijpen.”
Ze draaide zich iets, haar benen nu onder zich gevouwen op de bank, haar gezicht naar mij toe. Haar hand gleed omhoog langs mijn arm, aarzelend, maar niet onzeker.
“Dus je kent geen exclusiviteit als het gaat om de liefde?” zei ze. “Begrijp ik dat zo goed?”
“Tot nu toe nog niet, neen. Exclusiviteit betekent beperkingen die je aan elkaar oplegt alleen omwille van wat de maatschappij je dicteert. Vroeger lagen er goede uitgangspunten aan ten grondslag: economische zekerheid, bescherming, zorg en ondersteuning èn een stabiele omgeving voor opgroeiende kinderen. Maar met de huidige opvattingen over de positie en economische status van de vrouw zijn die uitgangspunten niet langer meer in de volle breedte houdbaar.”
Ze keek me aan en vroeg: “Dus als wij iets zouden krijgen dan moet ik jou met een ander of zelfs met meerdere anderen delen?”
“Of ik jou!” antwoordde ik, “dit werkt alleen maar als het twee of meerdere kanten uitwerkt. Dus zeg maar wat je wilt, Eva”
Ze boog haar gezicht naar me toe, gaf een lichte zoen op mijn lippen en zei: “Ik ben niet heel ervaren,” fluisterde ze. “Maar ik wil je wel, op jouw voorwaarden.”
Ik antwoordde niet met woorden. Ik boog me naar haar toe, langzaam, gaf haar de ruimte om zich terug te trekken, maar ze bleef. Onze lippen raakten elkaar. Eerst zacht, zoekend, dan iets steviger, haar hand nu in mijn nek, mijn hand op haar heup.
Ze zuchtte kort, brak de kus af, keek me aan en zei zachtjes: “Ik weet niet waar ik in stap, maar wil op jou kunnen vertrouwen, Mucike.”
Ik streek met mijn hand langs haar hals. “Mijn vrienden noemen mij Moets.”
Ze knikte langzaam, haar ademhaling onregelmatig. “Dan moet jij mij Eefje noemen. Net zoals mijn vader dat deed.”
Toen stond ze op, nam mijn hand en leidde me zonder haast naar de slaapkamer.
Ze liet mijn hand niet los toen we de slaapkamer binnenstapten. De ruimte was klein, sober ingericht, met een laag bed onder het raam, een wandrek met boeken, een oude kist in plaats van een kast. Ze deed het licht niet aan, alleen een schemerlamp op het nachtkastje. Warm, zijdelings licht.
Ze stond stil, draaide zich naar me toe. Ik streelde haar wang en gleed verder met mijn vingers langs haar hals en haar sleutelbeen. Ze sloot haar ogen.
“Ik wil dit,” zei ze zacht. “Maar help me even… langzaam.”
Ik knikte, trok haar voorzichtig dichterbij. Haar handen lagen op mijn borst, haar lippen vonden de mijne. Eerst nog met schroom, maar zodra ik haar omhelsde, verdween die aarzeling. Ze ademde diep in toen ik haar trui over haar hoofd trok. Haar huid was koel, haar tepels stijf onder de beha die ze zonder woorden losmaakte en naast zich op de kist legde.
Ik kuste haar hals, haar sleutelbeen en haar borsten. Ze hield me vast, niet stevig, maar met een soort hongerig zoeken. Toen ik haar broek losmaakte, hielp ze mee. Ze ging zitten op het bed, trok haar knieën op, haar voeten naast elkaar, haar lichaam open.
“Kom bij me,” zei ze.
Ik knielde voor haar, kuste haar dijen, haar heupen en de zachte huid tussen haar benen. Ze liet me begaan, kreunde kort en kroelde met haar haar hand in mijn haar. Haar geur was zuiver en haar vocht proefbaar.
Ze schoof achteruit op het bed, trok het dekbed weg en ging liggen, haar benen iets gespreid, haar hemd half opgerold tot net onder haar borsten. Haar tepels tekenden zich af onder de dunne stof. Ik liet mijn kleding vallen, ging naast haar liggen en kuste haar hals, haar sleutelbeen, het kuiltje onderaan haar keel. Mijn hand rustte op haar buik, mijn vingers bewogen langzaam naar beneden, over de rand van haar slip.
Ze sloot haar ogen. “Ik wil dat je me aanraakt. Maar rustig.”
Ik knikte en schoof haar slip omlaag. Haar schaamhaar was donkerblond en zacht, haar lippen vochtig, zichtbaar ontvankelijk. Ik kuste haar dijbeen, liet mijn tong kort langs haar zachte huid gaan en proefde haar geurig sap. Ze zuchtte diep en duwde haar bekken iets omhoog, als uitnodiging.
Met mijn mond verkende ik haar, voorzichtig eerst, dan doelgerichter. Mijn tong cirkelde om haar clitoris, mijn vingers gleden langzaam in haar, nat, warm en vragend. Ze kreunde, een rauw, opwellend geluid, haar heupen begonnen te bewegen.
Ik likte haar perineum en anale gedeelte, zachtjes drukte ik mijn tong af en toe in dat kleine gaatje, waardoor haar lichaam zich nog verder leek te openen, haar ademhaling dieper, haar heupen zoekend naar meer.
“Wat doe je met me, Moets? Je maakt me helemaal gek! Blijf… zo doorgaan, niet stoppen!” fluisterde ze hees. Haar hand vond mijn hoofd, niet duwend, wel aanwezig.
Ik voelde hoe ze spande, losliet en zich opnieuw spande. Toen ze begon te beven, intensiveerde ik mijn activiteiten. Ik likte en zoog alsof het mijn lust en leven was. Ze greep mijn arm, trok me omhoog, haar ademhaling gejaagd.
“Niet stoppen. Ik wil je… ik wil je helemaal! Oh, shit, ik kom, ik kòòòòmmm!”
Haar lichaam begon ongecontroleerd te bewegen, alsof het zelf de regie overnam. Haar adem sloeg over, haar benen spanden zich rond mijn hoofd tot ze losliet in een schok die alles stilzette.
Na een poosje kwam ze weer bij en streelde ze mijn borst en buik; haar vingers gleden naar mijn erectie, omsloten me, traag en stevig. Ze keek me aan, haar ogen donker, haar wangen rood. “Ik wil je in mij voelen.”
Toen ze dat zei, veranderde er iets in haar. Ze duwde me zacht maar resoluut achterover, tot ik zat, mijn rug tegen het bedframe. Ze stond op, schopte het slipje dat nog aan haar enkel bungelde van haar been en ging over me heen zitten, haar benen aan weerszijden van mijn dijen.
“Nu ik,” zei ze. “Neem me, nu. Ik wil je diep in me.”
Ze nam mijn stijve lul in haar hand, leidde hem naar zich toe en ging langzaam op me zitten, haar handen op mijn schouders, haar ogen strak op de mijne gericht. Ze begon te bewegen, traag eerst, dan steeds steviger. Haar ademhaling versnelde. Ze sloot haar ogen, haar hoofd in haar nek.
“Laat me, Moets,” hijgde ze. “Laat me alles nemen.”
Ik hield haar vast bij haar heupen, bewoog met haar mee, voelde hoe haar binnenste me volledig omsloot. Ze greep naar mijn nek, drukte zich tegen me aan en begon zich wild te bewegen, met een kracht en vastberadenheid die ik niet had zien aankomen. Haar haar tegen mijn gezicht, haar nagels in mijn schouderbladen. Ze schreeuwde het uit toen ze voor de tweede keer, maar nu samen met mij klaarkwam, haar hele lichaam trilde.
Pas daarna bleef ze stil liggen, haar voorhoofd tegen mijn borst, haar adem diep, heftig.
“Ik wist niet dat ik dit in me had,” fluisterde ze. “Ik dacht dat ik altijd voorzichtig moest zijn.”
Ik kuste haar kruin. “Je hoeft niets, Eefje. Je bent precies goed zoals je bent.”
Ze hield me nog steeds vast. Stil, warm, leeg en vol tegelijk.
Ze lag met haar hoofd op mijn schouder, haar ademhaling langzaam terugkerend naar rust. Onze lichamen plakten nog licht tegen elkaar, warm en loom, het laken half over ons heen geslagen. Buiten ruiste de stad op afstand, gedempt en ver weg.
Eefje streek met haar vingertoppen over mijn borstkas, traag en zonder patroon. Ze zei niets, maar ik voelde haar denken.
“Ik wist niet dat het zo kon,” zei ze uiteindelijk, zacht, bijna alsof ze het tegen zichzelf had.
Ik antwoordde niet. Ik wilde haar ruimte laten om het zelf te wegen.
Ze verschoof haar hoofd, keek naar me op. “Het is geen spel voor mij, Moets. Wat we deden, wat ik voelde. Dat was echt.”
“Voor mij ook,” zei ik.
Ze knikte, maar haar ogen weken even af. Ze legde haar hand op mijn buik, net boven mijn navel, liet haar duim een kleine cirkel beschrijven.
“Ik weet dat jij… anders in elkaar zit. Dat je niet kiest voor één. Dat je ruimte nodig hebt.”
Ik keek haar aan. “Dat klopt. Maar ruimte is geen afstand. En wat jij nu met me deelt, doet ertoe. Daar verandert niets aan.”
Ze slikte, nauwelijks zichtbaar. “Ik voel dat ook. Alleen… het blijft wel in me rondzingen.”
Ik legde mijn hand op de hare. “Dat mag. Je hoeft niets te forceren. Je hoeft het alleen niet te verstoppen. Het heeft bij mij ook wel even geduurd voordat ik kon benoemen wat ik voel, om meerdere personen te kunnen liefhebben.”
Ze knikte langzaam. “Denk je dat zoiets ook voor mij is weggelegd?”
“Dat kun je alleen weten als je in zo’n situatie terecht komt. Voor mij was het duidelijk toen ik in Rotterdam ging studeren en bij Hilde op kamers ging. Hilde was mijn hospita met wie ik ook een seksuele relatie onderhield, net zoals met haar nicht Nannie die in mijn jeugd bij ons in de straat woonde. Pas toen wist ik het, maar ik had al daarvoor ervaringen met polyamorie zonder te weten dat het dat was.”
“En hoe zijn jullie verder gegaan?” vroeg Eefje nieuwsgierig.
“We hebben met een aantal mensen een genootschap opgericht voor gelijkgestemden, Amor Omnia Vincit. Liefde overwint alles. En daar beleven we onze relaties onderling op de manier die we fijn vinden, zonder dwang, altijd op vrijwillige basis.”
“Nu nog?” vroeg ze.
“Nu nog,” zei ik. “Met tussenpozen. Niet iedereen komt altijd, maar iedereen komt terug. Maar het fundament is er nog steeds. En de kring is met de jaren hechter geworden en uitgebreid. Geen open huis, wel open harten.”
Eefje zweeg, haar blik gericht op het plafond, haar vingers nog steeds rustend op mijn buik.
“En moet je dan alles delen?” vroeg ze. “Elk contact, elke ervaring?”
“Neen,” zei ik. “Transparantie is belangrijk, maar niet alles hoeft gedeeld te worden. Zolang het maar eerlijk blijft. En veilig. Niemand wordt buitengesloten. Maar ook niemand wordt gedwongen tot iets wat niet klopt.”
Ze knikte traag. “Ik weet niet of ik dat al kan. Maar iets in mij wil het begrijpen. Niet alleen met mijn hoofd.”
Ik boog me iets naar haar toe, kuste haar slaap. “Dat is genoeg voor nu. Maar als je wilt, introduceer ik je graag bij het genootschap.”
Ze zuchtte, ontspannen, en kroop tegen me aan. Haar lichaam zocht vanzelf de welving van het mijne.
“Mag ik erover nadenken?” fluisterde ze.
“Altijd.”
Ze glimlachte zonder woorden, haar hand vond de mijne onder het laken.
Toen bleef het stil in de kamer. Geen spanning, geen vragen meer. Alleen haar ademhaling, die langzaam regelmatiger werd.
Ik bleef nog even wakker, keek naar het plafond dat langzaam donkerder werd. En dacht aan El. Aan Ien. Aan hoe verlangen niet opraakt, maar zich nestelt in vormen die je niet altijd kunt voorspellen.
De nacht was nog jong, maar alles wat gezegd moest worden, was voorlopig gezegd.
Ze sliep en ik zou niet veel later ook inslapen.
Het was nog vroeg toen ik wakker werd. Het licht in de kamer was diffuus, de gordijnen lieten vaag de contouren van de ochtend door. Eefje lag op haar zij, haar rug naar me toe, haar ademhaling gelijkmatig. Ik bleef even liggen, keek naar haar schouderbladen, de lijn van haar taille, het lichte dekbed dat tot halverwege haar heupen was gezakt.
Na een tijdje draaide ze zich om. Haar gezicht was nog een beetje slaperig, maar haar blik helder.
“Goed geslapen?” vroeg ze zacht.
“Als een blok.”
Ze rekte zich uit, raakte met haar tenen mijn been aan. “Heb je zin in ontbijt?”
Ik knikte. “Altijd.”
Ze stond op, trok haar ochtendjas aan en verdween richting keuken. Even later klonk het gerinkel van servies, de geur van koffie en warm brood. Ik kleedde me aan in hetzelfde ritme als de avond ervoor: rustig, zonder haast. Toen ik aan tafel kwam, stonden er twee borden, een pot thee, een glas sinaasappelsap en vers brood.
Ze keek me aan terwijl ik ging zitten. “We hoeven dit niet ingewikkeld te maken, hè?”
Ik schudde mijn hoofd. “Neen. Ik denk dat we allebei begrijpen waar we in zitten.”
Ze lachte kort, ontspannen. “Ik wil je graag blijven zien. Zonder claims. Maar ook niet als iets vrijblijvends.”
“Precies dat.”
Ze smeerde een boterham, gaf me de pot jam aan. “Een open relatie die meer omvat dat alleen vriendschap, dus. Vrijheid in gebondenheid.”
“Zeker, voor allebei,” zei ik.
Ze knikte, nuchter, maar niet kil. “En af en toe een ontbijt.”
Ik schonk thee in. “Net zoveel ontbijt als waar we behoefte aan hebben.”
Ze legde haar hand even op mijn pols. “We zijn niet elkaars bezit. Maar wel elkaars keuze.”
Ik nam haar hand vast en gaf er een kus op: “Ik beschouw jou vanaf nu gewoon als deel van mijn kring, ten minste als je dat wilt.”
“Niets liever,” zei ze met een glimlach.
Na het ontbijt hielp ik haar even met afruimen. Geen woorden over wat de nacht betekende, geen afscheid met omwegen. Gewoon een korte kus bij de deur, een blik die genoeg zei, en een vanzelfsprekende afspraak dat we elkaar snel weer zouden zien.