
Eerst drupte het alleen van de dakrand. Toen zakte de sneeuw in elkaar tot grijze pap. De Lena ging open met knallen die tot in de hut te horen waren. Op een ochtend hoefden ze de vachten niet meer tot hun kinnen te trekken. De kachel brandde nog, maar de hoeken van de kamer waren niet langer vijandig.
Die nacht lag Lars een tijd wakker met zijn rug een handbreed van de hare. Hij kon wegschuiven. Het bed was breed genoeg geworden nu de kou geen derde slaper meer was. Hij en Galina draaiden zich om. Ze zocht hem met haar knie, en schoof dichterbij alsof de min vijftig nog in de planken zat. Haar zachte buik tegen zijn lendenen. Haar borst tegen zijn schouderblad. Geen noodzaak. Een besluit. Hij trok haar zachte rondingen tegen zich aan en kuste haar wachtende lippen, genietend. Hongerig trok ze zijn lekkere jonge lijf tegen zich aan, voelde hem hard worden tegen haar. Ze speelden met elkaars tong tot ze in slaap vielen.
Ze vreeën die week twee keer.
De eerste keer bij daglicht, wat nieuw was. Het raam stond op een kier. Er kwam een lucht binnen die naar natte aarde rook in plaats van naar ijzer. Zij lag op haar rug, nachthemd tot de middel, knieën opgetrokken zover de stijve heupen het toelieten. Hij deed het oude ritueel: kus tot haar mond natter werd, hand op de zware borst tot de tepel dik was, dan speeksel en vet tussen haar benen. Haar schaamlippen waren warmer dan in januari, minder dicht. Toen hij naar binnen schoof, brandde het nog, maar korter. Zij ademde uit tegen zijn mond. Hij bewoog traag, diep, de vacht tot hun heupen, de rest van hen bloot in het grijze licht. Haar buik lag zacht tussen hen. Hij voelde elke centimeter: de nauwe ring van haar opening, de hitte daarbinnen, het vet dat langzaam dunner werd van hun bewegen. Ze kwam niet. Hij wel, met zijn voorhoofd tegen haar sleutelbeen, haar handen plat op zijn rug. Daarna bleef hij in haar liggen tot hij week werd. Uit haar vandaan komen voelde die middag voor het eerst als een keuze, niet als een vlucht voor de vorst.
De tweede keer nam zij hem.
Ze duwde hem op zijn rug — haar ademhaling was zwaar van de inspanning, niet van opwinding — en ging wijdbeens over hem heen zitten. Ze moest zich met een hand op zijn borst steunen. Met de andere leidde ze hem. Het duurde even voor ze hem kwijt was; dan zakte ze, langzaam, tot haar zachte kont op zijn buik rustte en ze vol was. Ze bewoog weinig. Kleine maalbewegingen, haar borsten hangend, de huid van haar buik die in plooien over de zijne schoof. Hij hield haar heupen vast, duimen in het warme vet, en liet haar het tempo bepalen. Toen het schuurde stopte ze, spuugde op haar vingers, streek het tussen hen waar ze verbonden waren, en ging door. Ze kwam dit keer wel, kort, een trilling om zijn lul, een geluid dat ze weg beet tegen haar tanden. Daarna tilde ze zich van hem af voor hij klaar was. Hij eindigde in haar vuist, tegen de binnenkant van haar dij. Ze veegde hen af, ging liggen en zei, in dat kromme Engels van haar: „Good.” Hij kuste nog nagenietend haar oude lippen. Een aangename warmte doorgloeide hem.
Die lente kneedde ze zijn dijen en voerde hem stukjes vlees en vis. "Jij - mager. Moet eten. Jij dik, komende winter. Mij warmhouden." Hij lachte, kuste haar. Ze werkten koortsachtig om de wintervoorraad aan te vullen. Hun kelder naast de hut, uitgegraven in de eeuwig bevroren permafrost, was bijna leeggeraakt in de lange winter en moest weer aangevuld worden met knollen, eetbare planten, vlees en vis. Ze maakten de kelder groter - een jonge, grote hongerige man had meer voedsel nodig dan een oude weduwe alleen. Ze kneep na afloop waarderend in zijn gespierde kont. Niet alleen verwende hij haar in bed, hij nam haar ook veel werk uit handen wat ze eigenlijk niet meer aan kon. En ademde sterk en zeker naast haar, als ze in het donker lag. Haar leven was veel beter geworden sinds ze haar jonge geliefde uit de kou had gered.
Buiten kwam het leven terug op een manier die hen niet vroeg of ze er klaar voor waren.
Muggen. Modder. De stank van ontdooiend afval achter de hut. Vis die niet meer bevroor als je hem vergat. Galina zette hem aan het werk alsof de lente een schuldeiser was: netten herstellen, het dak waar de vorst een naad had opengetrokken, een kuil voor aardappelen die ze van iemand in de nederzetting hoopte te ruilen.
De nederzetting.
Na drie weken dooi gingen ze. Niet samen op de slee zoals in zijn hoofd. Zij voorop, hij achter de vracht. Een paar uur lopen over een pad dat nog ijs in de schaduw had. Het dorp was een handvol huizen, een winkel die drie dagen per week open was, honden, rook, mensen die hen aankeken.
Een man zei iets tegen Galina en knikte naar Lars. Zij antwoordde kort. Lars verstond het woord voor jongen, het woord voor winter, verder niets. Een vrouw van Galina’s leeftijd keek naar zijn mond, naar haar hand die even zijn mouw aanraakte, en keek toen weg. Niemand zei het. Iedereen had het gezien. Een jonge, knappe vrouw keek lang naar hem. Hij keek even terug. Galina zag het.
Op de terugweg zwegen ze tot de hut weer tussen de bomen stond. Binnen zette ze de aardappelen weg. Toen pakte ze zijn gezicht, ruwe handen, en kuste hem harder dan anders, bezitterig, alsof het dorp van haar mond af moest.
Die nacht was haar lichaam minder geduldig.
Niet ruwer. Wel beslister. Ze wilde hem in zich, meteen, met vet en weinig voorspel, op haar zij onder de lichtere deken die ze nu gebruikten. Hij schoof naar binnen en vond haar toegankelijker dan in februari, alsof de dooi ook daar iets had losgemaakt. Hij nam haar met korte, diepe stoten, een hand om haar voorste borst, zijn mond tegen haar schouderblad. Zij duwde terug. Het bed kraakte. Toen ze „wacht” zei, wachtte hij. Toen ze haar kut tegen hem aandrukte, ging hij door. Hij kwam in haar. Zij niet. Daarna bleef zijn lul in haar tot de pulsen weg waren, zijn hand op haar buik, haar vingers tussen de zijne.
„Ze praten,” zei ze later, in het donker, in het Russisch eerst, toen, zoekend: „Gossip. Village.”
„Ik weet het.”
„Jij jong.”
„Ik blijf.”
Ze knikte tegen zijn arm. Haar lijf zei hetzelfde: ze schoof haar dij tussen de zijne en hield hem daar tot ze sliep.
De zomer in Jakoetië is kort en onbeschaamd. Licht tot diep in de nacht. Hitte die overdag in de hut ging staan. ’s Nachts sliepen ze soms bovenop het laken, naakt, omdat zweten erger was dan gezien worden door niemand.
Naakt zien was nieuw.
Overdag had hij haar altijd in lagen gekend. Nu zag hij de volle hang van haar borsten als ze zich waste bij de emmer, het net van aderen, de bruine tepels, de plooi onder de buik, de brede, bleke billen, het donkere haar tussen haar benen dat grijs doorschemerde. Zij zag hem: de slankheid die de winter niet had weggehaald, de lul die in zijn rust tegen zijn dij lag en zich ophief als zij alleen maar de waskom neerzette. "Jij mooi." zei ze terwijl ze hem verkende met haar eeltige handen.
"Jij ook." Hij kuste haar lekkere lijf van top tot teen.
Soms waste ze hem. Soms waste hij haar. Haar huid naar zeep en rivierwater. Zijn vingers tussen haar schaamlippen, niet om haar klaar te maken, alleen om de dag eraf te halen. Als haar adem dan veranderde, stopte hij of ging hij door, naar wat zij die avond toestond.
Ze vreeën minder vaak dan de winter hen had gedwongen dicht te zijn, en vaker uit zin. Haar lichaam bleef de baas: droogte die om vet vroeg, knieën die een stand weigerden, een rug die na het land werk geen gewicht bovenop wilde. Wat overbleef was preciezer. Zijn mond tussen haar benen in de schemer, tot ze haar vingers in zijn haar zette en hem stil hield op de plek die zij kende. Hij in haar, op haar zij, tot ze vol was en hij niet meer bewoog, alleen maar klopte van binnen. Zij over hem heen, steunend, klein malend, tot een van hen klaar was.
De korte zomer had geen geduld, en die middag zij ook niet.
Tussen de berken was de lucht dik van opgewarmde bast, gekneusde bloemen en hun eigen zweet. Gele en paarse koppen stonden tot hun kuiten. Elke beweging maakte de geur zoeter, stoffiger, alsof het bos meedeed. Galina zette de bijl weg met een gebaar dat geen overleg meer was. Zij pakte Lars’ gezicht, ruwe palmen, en kuste hem open, nat, hongerig, haar tong traag en zeker tot hij tegen de stam ademde.
„Nu.”
Zij trok zijn hemd over zijn hoofd. Haar eigen hemd volgde. De zon lag op haar zware borsten, op de slappe warme buik, op de zilveren striemen. Hij nam een tepel in zijn mond als iemand die drinkt. Dik, al hard, zout van zweet. Zij gromde, duwde zijn hoofd dichter, haar vingers in zijn haar tot het pijn deed op de goede manier. Zijn hand kneedde de andere borst, het vlees dat over zijn vingers liep, de tepel die hij rolde tot zij haar knie tussen de zijne zette en zijn lul voelde, hard tegen haar dij.
Zij gingen liggen waar het gras het toeliet. Wortels, bloemen plat onder haar schouderbladen. De onderrok tot de oksels. Tussen haar benen de hitte die zij zelf voelde kloppen. Niet vanzelf overvloedig — haar lijf bleef haar lijf — maar zij was al open van de kus, van zijn mond, van de zomer die geen tijd verspilde. Het potje, het zachte vet, twee vingers die zij zelf in zich streek terwijl hij keek, glanzend, gretig, haar ogen in de zijne.
„Kijk niet alleen. Neem.”
Hij schoof in haar in één lange stoot die haar mond open joeg. De brand, dan de oven, nauw en heet en van hen. Zij sloeg haar benen om hem zover de heupen het gaven en duwde tegen, wilder dan de winter ooit toestond, haar gat dat in het gras klapte, bloemen die kneuzen onder hen. Het geluid was nat en dierlijk tussen de witte stammen. Zijn mond op haar mond, op haar hals, op de zoute plooi onder de borst. Zij krabde zijn rug. Hij beet haar schouder, niet hard genoeg voor bloed, hard genoeg om haar binnenste te laten klemmen.
„Harder.”
Hij ging harder. Diep. Het winterritme brak. Haar borsten slingerden. Haar buik klapte zacht en zwaar tegen de zijne. Zij lachte bijna, hees, verrast over zichzelf, en kuste hem alsof zij hem wilde opeten. Zijn duim vond haar clitoris, glad van vet en van hen, en wreef in de maat van de stoten. Zij kwam met een laag, gebroken geluid tegen zijn mond, golven om hem heen, nagels in zijn bil, haar lijf dat hem vasthield alsof de zomer op die ene plek moest blijven.
Nog niet klaar.
Zij duwde hem om, ademend, knieën knarsend, en nam hem. Zakte op hem tot zij vol was, haar zachte grot op zijn buik, en maalde, cirkelde, zwaar en hebberig, borsten boven zijn gezicht. Hij zoog, beet licht, handen vol van haar heupen. De berken boven hen. Een hommel. Haar gezicht nat, de mond open, genietend zonder schaamte. Zij kwam opnieuw, kleiner, trillend, en hield hem in zich terwijl hij omhoog stootte, wild nu, tot hij pulste diep in haar, haar naam een kreet tussen de stammen, haar binnenste dat hem uitmolk.
Zij bleef op hem zitten, zweet in de plooi onder haar borst, zijn zaad warm in haar, de geur van seks sterker dan de bloemen. Zij kuste hem lang, langzaam, nog gretig, nog vol. Zijn handen over haar rug, haar gat, haar haar.
Een mug stak zijn schouder. Zij sloeg die weg en lachte tegen zijn mond, laag, tevreden.
„Nog niet opstaan.”
Zij bleven liggen tot hun harten zakten, haar gewicht op hem, de platgetrapte bloemen zoet en gekneusd om hen heen, de korte zomer in hun huid gebrand als iets dat geen vorst meer kon uitvegen.
Op een avond in juli, met het raam wijd en een mug tegen het gaas, lag hij in haar en bleef hij in haar toen het voorbij was. Haar binnenste hield hem vast, nat van vet en van hem, niet van overvloed. Buiten was het licht als van een late middag. Binnen rook het naar zeep, vis en hun huid.
„Winter komt terug,” zei ze.
„Ik weet het.”
Haar hand ging naar zijn nek. Haar kut verschoof een centimeter om hem heen, een kleine, nuchtere beweging, geen belofte van meer dan dit.
„Dan weer vacht,” zei ze.
„En ons,” zei hij.
Ze sliepen zo, nog in elkaar, tot de muggen veranderden en de kachel in augustus weer moest worden aangestoken. De hut nam hen aan alsof hij nooit anders had geweten.





