
Niet als soldaat. Niet als raadgever. Als knecht. Haar assistent, als het ware, het woord dat ze zelf gebruikte toen ze me aannam, alsof het daarmee kleiner werd. Ik volg haar over Azeroth. Dat is de hele functie. Koffers. Kaarten. De mantel als de wind hem optilt. De staf als ze hem even kwijt is tussen twee zinnen.
Voor de wereld is ze Lady Jaina Proudmoore. Slim. Dapper. De leidster die een stad overeind houdt met een stem die niet trilt. Ik zie die kant ook. Ik zie hem eerst.
Dan zie ik de andere.
Ze loopt voor me uit over het dek, of over een pad van opgedroogde modder, of door een gang waar haar hakken te hard klinken voor hoe zacht ze praat als er niemand luistert. Haar blonde haar zit strak, tot het dat niet meer is. Een lok komt los bij haar wang. Ze duwt hem weg met de rug van haar hand, een beweging die ze zelf niet meetelt. Ik tel hem wel.
De stof van haar gewaad volgt haar heup als ze een hoek omgaat. Niet uitdagend. Gewoon omdat stof dat doet als er een lichaam onder zit dat beweegt. Ik kijk ernaar omdat ik achter haar loop. Omdat dat mijn plek is geworden. Omdat ik nog niet weet waar ik anders moet kijken zonder dat het een keuze wordt.
Ik denk: dit is de vrouw die vloten commandeert.
Ik denk het niet hardop.
Ze blijft staan. Draait half. Haar blik gaat over me heen alsof ze controleert of ik er nog ben, niet of ik kijk.
“Joffrey.”
“Lady.”
Meer is het niet. Mijn stem komt te snel. De hare niet. Ze knikt alweer vooruit, en ik loop weer, een halve pas te dicht, dan te ver, tot de afstand weer die van een knecht is.
Onderweg leer ik haar anders kennen. Niet in een grote onthulling. In het moment dat ze haar handschoenen uittrekt en haar vingers even rood zijn van de kou. In de manier waarop ze haar schouder zet als niemand haar hoeft te zien. In de adem die ze laat gaan als de deur achter ons dicht is en Azeroth even ophoudt te kijken.
Ik draag wat zij niet draagt. Ik loop waar zij loopt. En terwijl ik dat doe, schuift het beeld van de slimme, dappere leidster een centimeter opzij, net genoeg om te voelen dat er iemand onder zit die warm is, die moe wordt, die een lok van haar gezicht wegduwt zonder te weten dat ik die beweging bewaar.
Een vrouw. Die soms gewoon wil wat alle vrouwen willen.
Eerst is het alleen geluid.
Ik sta waar een knecht hoort te staan. Achter een deur die niet helemaal sluit. Achter een gordijn dat te kort is. In een gang die te stil is voor wat er aan de andere kant gebeurt. De afspraak met de ambassadeur is voorbij. Officieel. Er is geen stem meer die over grenzen praat. Er is iets anders.
Een stoot. Stof die meeschuift. Haar adem die te laat komt, alsof ze hem inhield tot ze dacht dat niemand telde.
Ik durfde toen niet te kijken. Mijn hand bleef op de kofferriem. Mijn blik op de vloer. Ik hoorde hoe ze hem binnenliet op een plek waar het niet hoort: tegen een tafel die nog vol kaarten lag, in een nis waar wachters langs moesten kunnen, met haar mantel nog half om alsof dat het kleiner maakte. Ik hoorde hem in haar stoten. Kort. Nat. Het geluid van huid die huid zoekt en vindt. Ik dacht: Lady. En ik dacht het hard, alsof de titel het geluid kon tegenhouden.
Nu zoek ik het op.
Ik weet welke deuren ze niet dichtdoet. Ik weet hoe laat de ambassadeur blijft hangen als de rest al weg is. Ik zet me waar ik haar kan zien en waar zij denkt dat ze alleen is.
Ze staat half voorover. Haar hand plat op iets hards. Haar gewaad opgetrokken tot het geen gewaad meer is, tot haar billen bloot zijn in het licht dat daar niet voor bedoeld is. Hij staat achter haar. Een man die zojuist nog boog. Nu heeft hij haar bij de heup. Zijn vingers liggen in de stof die hij opzij heeft geschoven. Hij stoot in haar. Diep genoeg dat haar schouder meegaat. Dat haar mond openblijft zonder dat er een woord uitkomt.
Ik zie hoe nat ze is aan hem. Hoe haar binnenste hem pakt als hij terugkomt. Hoe haar dij trilt, één keer, als hij erin blijft hangen en dan weer duwt.
Lady.
Dat woord past niet op wat ik zie. Het past op de vrouw die buiten deze seconde vloten stuurt. Hier laat ze zich nemen. Stiekem. Alsof stiekem hetzelfde is als niemand. Alsof ik er niet ben.
Ik adem door mijn mond omdat mijn neus te dicht zit. Mijn broek zit verkeerd. Ik verschuif mijn gewicht en hoor mijn eigen schoen, te luid, en bevries. Zij hoort het niet. Hij ook niet. Hij stoot door. Haar vingers krullen op het hout. Haar haar hangt losser dan toen de afspraak begon. Een lok kleeft tegen haar wang, nat van zweet of van iets anders.
Ik kijk naar de plek waar hij in haar verdwijnt. Naar hoe haar lijf hem binnenlaat op een plek waar het niet hoort. Naar hoe zij haar heup een fractie naar achteren zet, niet weg, naar hem toe, alsof ze het zelf nog steeds ontkent en het tegelijk afmaakt.
Ik denk: ze weet dat ik knecht ben.
Ik denk het niet hardop.
Hij mompelt iets tegen haar nek. Zij zegt alleen:
“Niet.”
Niet stoppen. Niet hier. Niet hard. Het is te kort om te weten. Hij stoot toch. Zij bijt op haar lip. Haar ogen zijn halfdicht, niet naar de deur, niet naar mij. Naar nergens. Alsof Lady even niemand is, behalve het lijf dat hem neemt terwijl ik kijk.
Later die week zoekt ze me op.
Ik sta met haar mantel over mijn arm, de stof nog warm van haar schouders, als haar schaduw over de vloer schuift. Ze komt niet aan als Lady die een zaal binnenloopt. Haar stappen zijn korter. Haar kin staat minder hoog. De zachtere stem is het eerste wat ik hoor, nog voor ik haar gezicht goed heb.
“Joffrey.”
Mijn naam, niet de functie. Het landt lager dan anders. Ik voel het in mijn keel, alsof ik moet slikken voor ik mag antwoorden. Ik doe het toch.
“Lady.”
Ze blijft dichterbij staan dan een gesprek nodig heeft. Dichtbij genoeg dat ik de geur van haar haar heb, zout en schoon, en daaronder iets dat aan de gang van eerder hangt. Haar ogen gaan over mijn gezicht, niet over mijn handen. Ze weet waar die geweest zijn. Achter deuren. Achter stof.
Ze is nog de baas. Dat zit in hoe ze haar schouder zet. In hoe ze wacht tot ik eerst kijk en dan wegkijk. In de stilte die zij laat vallen en die ik niet mag vullen.
“Ik weet dat je kijkt.”
Vier woorden. Geen vraag. Haar stem blijft zacht, bijna zorgvuldig, alsof ze een kaart neerlegt die al openlag. Ik voel warmte in mijn oren. In mijn kruis, te vroeg, te luid in mijn eigen lijf. Mijn vingers knijpen in de mantel. De voering glijdt een stukje.
Ik denk: ze heeft me gehoord. Die schoen.
Ik zeg het niet.
Zij ademt in, langzaam, en haar borst gaat mee onder het gewaad, een beweging die ze niet verbergt en niet aanbiedt. Haar mond is strak. Daaronder is ze niet hard. Alleen duidelijk.
Ik knik. Te klein. Te laat. Het voelt als toegeven en als blijven staan tegelijk.
Ze houdt mijn blik vast tot ik hem weer laat gaan, naar haar mond, naar de plek onder haar keel waar haar pols slaat. Dan is het gesprek dit: dat zij het weet, dat ik het gehoord heb, en dat de zachte stem niets afdoet aan wie hier nog bepaalt wat er daarna komt.
Dan zegt ze niks meer.
Ik blijf staan. Mijn handen nergens. Mijn adem te hoog in mijn borst. Voor haar gezicht staat het, strak in de broek, de stof al donkerder op de plek waar ik tegen de naad druk. Zij kijkt ernaar alsof ze tijd heeft. Alsof Azeroth even wacht.
Haar mond komt eerst niet op mij. Op de kleding.
De tong vindt de contour. Nat door de stof. Warm. Ze volgt de lijn van de eikel waar die tegen het weefsel ligt, langzaam, van de kroon naar beneden, alsof ze hem inkaart en niet neemt. Ik voel de hitte niet huid-op-huid. Ik voel hem als een streep die natter wordt, die de broek tegen me plakt, die mijn lul laat tikken in het niets van de stof.
Ze hapert niet. Ze hapt. Tanden door het laken van de broek, niet hard genoeg om pijn te zijn, hard genoeg dat ik de druk voel op de schacht, een korte klem, dan weer de tong die het gladstrijkt. Het geluid is klein. Nat. Stof die tussen haar lippen schuift. Mijn knie wil zwichten. Ik zet hem vast.
Dit is geen onderdanigheid. Haar handen liggen op haar eigen dijen, of één komt omhoog en houdt mijn heup stil, niet smekend, bevelend. Blijf. Haar ogen zijn open. Lady, op de knieën, met mijn contour in haar mond door een laag kleding, en zij bepaalt hoelang de tong daar blijft, hoe diep de hap, wanneer ze even loslaat om adem te halen tegen de natte plek.
Ik denk: ze start zorgvuldig. Ik zeg het niet.
Zij doet het alsof we alle tijd hebben. Alsof een zorgvuldige start het enige is dat dit niet klein maakt. Haar tong gaat opnieuw over de eikel, nu natter, de stof donker en strak, mijn lul een duidelijke vorm in haar mondhoek. Ze zuigt niet eens. Ze proeft de druk. Ze pakt de controle in het tempo: traag, precies, door de kleding heen, tot ik voel dat ik in de broek sta te kloppen tegen haar lippen en zij dat laat gebeuren omdat zij het zo wil.
Haar hand zit ineens in mijn borst.
Niet hard. Wel genoeg. Ze duwt, en mijn knieën weten eerder dan ik waar de stoel staat. De rand raakt mijn kuiten. Ik zak. De zitting vangt me, te recht, te open. Mijn broek blijft strak. Voor haar gezicht blijft het staan, natte stof, de vorm erin getekend.
Zij komt mee. Niet omhoog. Over de vloer, tussen mijn knieën, alsof de stoel alleen mijn plek verandert en de hare niet. Haar mond is alweer op de contour.
Meer tong nu.
Nat. Breed. Ze legt haar lippen om de eikel door de broek, niet eromheen als huid, om de bult die de stof van me maakt. Haar mondhoek wordt glanzend. Speeksel trekt de naad donkerder. Ik voel de warmte als een kom die niet sluit, alleen zuigt aan wat ze nog niet pakt.
Ze beweegt.
Niet op en neer als werk. Over. Langs. Haar tong strijkt de schacht van wortel naar kroon, blijft hangen waar ik het dikst tegen de stof druk, komt terug. Haar lippen volgen, zacht en nat, een kus die geen kus is, een omhulsel van kleding en mond. Ik hoor het. Klein, wrijvend, vochtig.
Mijn handen grijpen de leuningen. Hout. Droog. Verkeerd naast hoe nat zij mijn kruis maakt. Ik wil mijn heup tillen. Ik doe het een centimeter. Zij duwt mijn been terug met haar schouder, zonder te kijken, controle in het gewicht.
Ik denk: ze heeft me gezet.
Ik zeg niets.
Haar tong gaat opnieuw om de contour, trager, alsof de stoel haar tijd geeft om hem af te lezen. Lippen die zich sluiten om de kop door de broek, even, een natte cirkel, dan weer open, een sleep van speeksel die koud wordt als ze hem laat. Mijn lul klopt tegen haar mond. De stof houdt hem. Zij ook. Lady, tussen mijn knieën, nog steeds gekleed tegen gekleed, en zij beweegt alsof dit de hele afspraak is: tong, lippen, nat om wat zij zelf nog niet heeft uitgehaald.
Ze komt omhoog tot haar mond bij mijn oor is, nog steeds tussen mijn knieën, nog steeds zonder mij uit de broek te halen.
“Ik ga de komende tijd meer van je verwachten.”
Geen vraag. Een toefluister, warm tegen mijn huid, haar lippen bijna op mijn oorlel. Meer. Van mij. De woorden zakken de ruggengraat in, lager, naar waar haar hand al is.
Haar vingers liggen over de contour.
Niet aaien. Drukken. De natte linnen stof in de vorm van mijn lul, haar duim op de eikel, twee vingers langs de schacht, alsof ze hem door de kleding meet en vasthoudt. De druk is precies. Te precies. Mijn zaad zit al hoog. De gedachte doet de rest: meer verwachten, Lady die weet dat ik keek, Lady die dit tempo houdt.
Ik kom.
Niet met een kreet. Met een stoot in de stoel, mijn heup die tegen haar hand duwt, mijn lul die zich samentrekt in het linnen. Het eerste schiet in de stof. Warm. Dik. Het vindt het natte pad van haar speeksel en duwt zich erdoorheen, vlek naast vlek, tot het linnen het niet meer houdt en het donker en zwaar wordt tegen mijn buik, tegen haar vingers.
Zij drukt door.
Niet weg. Over de stoten heen. Haar hand volgt hoe ik leegkom, golf na golf, zaad dat in grote getalen door het natte linnen naar buiten wordt geduwd, tot het tussen haar vingers glanst en de broek klam tegen mijn balzak kleeft. Ik tril. Mijn adem stokt in mijn keel. Ik zie haar gezicht niet goed, alleen haar haar bij mijn kaak, haar fluister die nog in mijn oor hangt terwijl mijn kruis pulst en blijft geven.
Ik denk: dit is wat ze bedoelt met meer.
Ik zeg het niet.
Zij houdt de contour vast tot de laatste stoot klein is, tot het linnen doorweekt is en mijn zaad zichtbaar door de stof staat, en zij de baas blijft in hoe lang haar vingers daar liggen.
Haar vingers strijken over de stof.
Niet meer de druk van daarnet. Langs. Door het natte linnen, over de vlek die mijn zaad heeft gemaakt, over de contour die nog steeds staat, slomer, gevoelig. Elke streek trekt de klamme stof over mijn eikel. Te zacht. Te precies.
“Binnenkort maken we een reis.”
Tegen mijn oor, hetzelfde fluister als daarvoor. Haar adem is warm. De woorden zijn kalm. Haar ogen doen de rest. Dichtbij. Open. Ze zeggen wat ze niet uitspreekt: jij gaat mee. Je kijkt. Je houdt je mond. En onderweg is dit niet klaar.
Ik slik. Mijn broek kleeft. Mijn lul geeft een nawerking tegen haar vingers, een kleine stoot zonder zaad.
Dan zakt ze weer. Zelfde waardigheid. Knieën op de vloer tussen de mijne. Haar mond vindt de vlek.
Ze likt het zaad van mijn broek.
Haar tong is plat, breed, haalt het witte van het linnen in lange halen. Zout. Warm. Het geluid is natter dan daarnet. Ze krijgt het niet allemaal in één keer. Een draad blijft aan de stof, aan haar onderlip, tot ze die ook inneemt. Mijn heup wil omhoog. De stoel houdt me. Haar hand op mijn dij houdt me harder.
Dan zuigt ze. Op de contour, alsof er nog meer te halen valt. Lippen om de kop door de broek, een trekkende warmte, speeksel en wat er nog in de stof zit. Ze zuigt de naad naar binnen, laat los, neemt hem weer. Mijn lul, halfleeg, half hard, klopt tegen haar gehemelte met alleen linnen ertussen. Ik hoor mezelf ademen. Te luid. Zij niet. Zij werkt alsof de laatste druppel bij haar hoort. Ik zit nog in die stoel.
Later — hoe lang later weet ik niet, alleen dat mijn broek koud is geworden waar haar mond warm was — staat ze op. Haar gewaad valt terug alsof het nooit op de grond is geweest. Haar mond is glanzend. Ze kijkt eenmaal naar beneden, naar wat ze heeft achtergelaten, en dan naar de deur.
Ze verlaat het vertrek zonder mijn naam.
Ik blijf zitten. Handen aan de leuningen. Kruis nat. De smaak van haar fluister nog in mijn oor, en op mijn broek de plek waar Lady het eraf heeft gelikt.
-





