78.242 Gratis Sexverhalen
Lekker Anoniem Webcammen!
A+ - a-

Joffrey - 2

Door: Jefferson

Datum: 30-09-2026 | Cijfer: 8 | Gelezen: 207
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 37 minuten | Lezers Online: 7

Vervolg op: Joffrey - 1: Van Haar

De Haven Meester

Een paar dagen later staan we in de haven.

De lucht is zout en koud en hangt laag over het water, zo dicht dat het tegen mijn gezicht blijft plakken en de smaak van ijzer en zeewier in mijn keel zet. Touw piept ergens boven ons, langzaam, alsof het onder een gewicht doorzakt dat ik niet zie. Iets slaat tegen een romp, een doffe klap buiten het licht, en daarna is het weer alleen water tegen hout.

Zij loopt voor me uit over de natte planken. Haar hakken vinden de naden zonder te zoeken. Haar jas zit dik om haar schouders, zwaar van de wol, en bij de borst is hij open, alsof de kou haar niet aangaat. De rand van de stof beweegt als ze stapt. Daaronder is de huid van haar hals zichtbaar, bleek in het lantaarnlicht, en ik kijk daarheen omdat ik niet weet waar ik anders heen moet kijken.

De vlecht zit strak in haar nek. Elke haar is op zijn plek gehouden. Haar make-up is zorgvuldig. Te zorgvuldig voor een nacht die officieel over hout en graan gaat. De lijn onder haar oog is recht. Haar mond is mat. Het ziet eruit alsof iemand haar heeft klaargemaakt voor iets dat niet op de kade thuishoort, en ik slik dat weg voordat het een gedachte wordt die ik hardop zou kunnen maken.

Eerst zegt ze weinig over waar we naartoe gaan.

“Meelopen, Joffrey.”

Meer niet. Haar stem is de zachte van het vertrek, met de baas eronder, dezelfde toon waarmee ze een deur achter zich sluit en verwacht dat ik hem niet open doe. Ik ken mijn plek. Ik volg. De planken zijn glad onder mijn zolen. Elke stap houdt me op de afstand die ze al heeft uitgezet.

In mijn onderbuik trekt iets, laag, hetzelfde trekken als toen haar vingers over nat linnen gingen. Het komt zonder dat ik het roep. Ik wil het wegzetten, het terugduwen naar de kamer waar het thuishoort, naar het linnen en de stoel en het moment dat al voorbij is. Het zet zich vast. Het blijft zitten terwijl ik achter haar aanloop, alsof mijn lijf nog steeds op die vingers wacht.

Dan moet ze wel wat prijsgeven.

Ze blijft staan waar het licht van een lantaarn stopt en de kade donkerder wordt. De rand van de lichtcirkel valt over haar schoenen en houdt daar op. Haar kin gaat naar mij, niet naar de schepen. Haar ogen zijn helder in het halfdonker. Ze kijkt alsof ze nagaat of ik al weet wat ik nog niet mag weten.

“De Bold Duchess mag de haven niet uit tot ík persoonlijk een ladingszegel teken.”

Ze legt het uit zonder het groter te maken. Officieel is het hout en graan voor Storm’s Wake. Onder de planken zit kruit. Ashvane-resten. Ze willen het naar een eiland voor de kust brengen. Als het schip zonder zegel vertrekt, heeft ze een schandaal. Als ze het in de Raad aankaart, krijgt ze een proces van drie weken en een lek dat ze niet meer dicht. Haar stem blijft gelijk. Alleen haar adem is zichtbaar, een dunne wolk die tussen ons hangt en weer verdwijnt.

“Ik wil het vannacht rond hebben.”

Een korte stilte. Het water slaat nog eens tegen iets dat ik niet zie. Haar jas blijft open. De vlecht beweegt niet.

“Op mijn manier.”

Ik knik. Te snel. Mijn mond is droog. De zoutlucht helpt niet. Ik denk aan de stoel. Aan haar tong door de stof. Aan meer verwachten. Ik zeg het niet. Ik hou mijn handen stil langs mijn lijf en kijk naar haar kin, omdat haar mond te dichtbij is om veilig te zijn, en omdat “op mijn manier” al genoeg ruimte inneemt om de rest van de nacht te vullen.

We hebben een afspraak met Havenmeester Corl. Zij noemt hem bij naam alsof dat hem kleiner houdt, Corl, plat, zonder titel ervoor, alsof de kade hem al heeft teruggebracht tot een man die ze kan aanspreken zonder op te kijken. Een man die in de zaal buigt en in het pakhuis prijzen verzint. Dat weet ik van haar toon, niet van iets dat ik heb gezien. Hij neemt twee getuigen mee, zodat hij later kan zeggen dat Lady niets tekende onder dwang: een Gilneese kadebaas, Worgen, en een draenei van een alliantieschip dat toevallig aan dezelfde kade ligt. Toevallig. Het woord ligt verkeerd in de lucht. Het blijft hangen tussen het piepen van het touw en het slaan tegen de romp, te glad, te netjes uitgelegd. Geen namen. Wel getuigen.

Het is stiekem. Te stiekem. Te afgelegen. Te donker. Niet zuiver. De planken onder mijn laarzen zijn glad, nat tot in de naden, en elke stap vraagt om aandacht die ik liever aan haar zou geven. Haar jas beweegt open als ze zich omdraait, een korte wending op de kade, en er valt een strook huid bij haar borst, bleek tegen de donkere wol, warm in een lucht die dat niet verdient. De vlecht zit strak daarboven. Daaronder de mond die vannacht een zegel gaat zetten. Ik zie de lijn van haar lippen in het laatste licht van de lantaarn en denk aan inkt, aan een stempel, aan hoe die mond eerder iets anders deed, en ik houd dat vast zonder het te noemen.

Ze heeft dit nodig. Het zegel. En zwijgen. Niet de Raad. Niet de Tidepriesters. Een handtekening. Een manifest dat klopt. Corl die begrijpt dat Kul Tiras háár haven blijft. Ze zegt dat niet opnieuw. Het zit al in hoe ze staat, kin nog een fractie naar mij, jas open alsof de nacht haar geen recht heeft om haar te sluiten.

Iets trekt harder in mijn onderbuik. Het is hetzelfde trekken als bij het natte linnen, alleen dichter nu, alsof de kade het heeft opgepakt en lager heeft gezet. Ergens wil ik niet dat ze het zó doet. Niet hier. Niet met een man die buigt en twee getuigen die kijken om later te kunnen zwijgen. Tegelijkertijd wil ik het zien. Haar jas open. Haar manier. Hoe Lady het rondkrijgt als de kade te donker is voor de titel. Hoe ze een havenmeester kleiner houdt dan het hout onder onze voeten.

Ik wil het zijn. De gedachte komt zonder toestemming. Ik wil de plek zijn waar ze vannacht iets rondkrijgt. Niet Corl. Niet de Worgen. Niet de draenei die toevallig aanlegt. Ik. Mijn broek zit te strak voor een havenwind. De stof trekt over mij heen, te zichtbaar als ik stilsta, en ik verschuif de mantel over mijn arm alsof dat helpt, alsof extra stof een lijn kan breken die mijn lijf al heeft getrokken. Het helpt niet. Het blijft.

Zij loopt alweer. Haar hakken op nat hout, kort, zeker, zonder te kijken of ik nog volg. Ik volg, knaap van de admiraal, een stap achter haar open jas, met in mijn lijf de wetenschap dat ik vannacht ga kijken naar wat ik zelf wil geven.

Het lijkt simpel. Achterste loods, noordkade Boralus, na de laatste bel. Officieel een late inspectie. De woorden zijn schoon. Ze passen op een manifest. Ze passen niet bij haar jas die openblijft en bij de mond die een zegel gaat zetten.

Het laatste stukje loopt ze alleen. Ik hou de wacht. En ik weet dat ik dat ook echt moet doen. Anders hebben we pas echt een schandaal. Mijn plek is hier, in de kou, op de planken waar het licht ophoudt. Niet bij de deur. Niet erachter. Ik zet mijn laarzen vast alsof de kade zelf me kan betrappen als ik een stap te ver zet.

In de verre, dikke mist zie ik haar verdwijnen. Eerst de vlecht. Dan de open jas. Dan alleen beweging die de nevel inneemt. Met de havenmeester die haar al opwachtte. Hij staat waar de mist dunner is, alsof hij dat van tevoren heeft uitgezocht. Ik zie zijn blik over haar heen gaan, te lang voor een inspectie, en daarna naar mij. Vragen worden gesteld. Zijn mond beweegt. De Worgen achter hem verschuift zijn gewicht. Zij sust ze. Haar hand gaat een keer omhoog, klein, precies genoeg. Ik hoor niks. De mist slikt het. Ik zie niks van wat ze zegt. Alleen dat hij knikt, te snel, zoals ik eerder knikte.

Achter hem twee silhouetten die groter zijn. Ik had nog nooit een draenei in het echt gezien. Het formaat klopt niet met wat ik dacht te weten; hij vult de mist als hij meeloopt, hoorns en schouders die de nevel opzij duwen alsof die ruimte hem toekomt. Worgens kende ik van de verhalen uit een vroegere tijd. Nu is het een tweede vorm, lager dan de eerste, breder in de schouders, die achter hen aan de planken opgaat. Zijn treden zijn zwaarder dan de hare. Het hout geeft onder hem.

Ik hoor de deur dichtslaan.

Een korte, dichte klap. Daarna niets. De haven lijkt verlaten. Het water slaat ergens tegen een romp. De mist hangt laag en blijft hangen. Ik in de kou. De zoutlucht bijt in mijn gezicht. Mijn handen zitten in mijn mouwen alsof dat de trek in mijn onderbuik kan tegenhouden. Het kan dat niet.

Terwijl ik weet hoe heet het daar binnen moet worden. Niet omdat ik het zie. Omdat ik haar ken. Omdat haar jas openbleef tot de mist haar nam. Omdat “op mijn manier” geen late inspectie is. Het is een keuze die ze al gemaakt heeft. Haar keuze. Omdat zij het nodig acht.

Nog geen vijf minuten. Toen kon ik niet meer wachten. De kou deed het niet. De bel die al geweest was ook niet. Iets in mijn buik trok harder dan de opdracht om te blijven.

Ik sloop dichterbij over de houten planken. Elke plank gaf een beetje. Ik zette mijn gewicht op de naden, hield de adem in bij een kraak, liet hem pas los als het weer stil was. Ik wilde het zien met mijn eigen ogen. Niet het slaan van de deur. Het zelf.

Vaal licht schijnt door een vies raam.

Het glas is troebel, gestreept van zout en stof. Binnen beweegt iets. Te onscherp. Ik doe mijn mouw in een kom en veeg een stuk vuil weg, een cirkel zo groot als mijn hand. De ruit wordt koud onder mijn palm. Daarna helderder.

Zij zit al op de grond. Midden in de onderhandeling. Statig op haar knieën. Haar rug is recht, van de vlecht tot de plek waar haar jas openvalt, alsof knielen voor haar geen dalen is. Haar kin is niet laag. Ze houdt hem waar ze hem op de kade hield, naar voren, naar het werk.

Borst in de aanbieding. Het decolleté is open genoeg dat ik de binnenkant van haar huid zie, bleek en warm in het schaarse licht van de loods, de kuil daartussen die dieper wordt als ze ademt. Tussen haar borsten ligt hij. De eikel van Corl, de havenmeester, donkerder dan haar vel, glanzend, te groot voor de spleet die hem vasthoudt. De huid van haar borsten sluit eromheen zonder hem te verbergen. Hij glimt waar hij haar raakt.

Ik zie net hoe ze spuugt. Alsof het een handdruk is. Haar mond gaat open, klein, doelgericht. Het komt van haar onderlip, een korte, natte draad, en landt op die kop. Speeksel dat zich verdeelt over de eikel, een glans over een glans, en wegglijdt de spleet tussen haar borsten in, langzaam, de warmte van haar huid in. Zij blijft zitten zoals ze zat. Rug recht. Kin niet laag. Alsof het hoort bij hoe zij dit doet. Ik sta waar ik sta en kijk. Mijn broek is nog strakker dan op de kade. Ik zeg niets. De trek in mijn onderbuik zet zich vast op die draad speeksel, op de eikel die donkerder is dan zij, op de manier waarop Lady een zegel zet zonder inkt.

Mijn mond valt open. Koude lucht erin. Geen geluid eruit. Alleen het raam, het vale licht, en Lady op haar knieën met zijn lul tussen haar borsten, nat van haar spuug.

Hij zegt iets tegen haar. Ik hoor het niet. Alleen de vorm van zijn mond, een korte zin, te zacht voor het glas. Zij grijnst. Zegt iets terug. Aan haar blik zie ik dat het uitdagend is. Haar kin blijft omhoog. Ze geeft zich niet zomaar over.

Ik weet dat ze al heeft wat ze wil. En dat ging om meer dan alleen een zegel. Het zit in hoe ze daar knielt zonder klein te zijn. In hoe haar mond al klaar is voor het volgende woord.

Dan mijn blik op een krat achter hen.

Beweging. De worgen met de brede rug komt los van de schaduw, schuift langs het hout, buigt voorover naar haar toe. Zijn schouders vullen het vale licht. Hij zegt ook iets. Zijn muil beweegt dicht bij haar haar.

Jaina grijnst nog steeds. Maar de beweging in haar rug zegt mij meer. Een kleine golf, van haar schouders naar haar heup, alsof iets haar van achteren raakt of ze zich ertegenaan zet. Het raam houdt het onscherp. Haar gezicht blijft hetzelfde. Haar rug niet.

Een andere stem, holler en zwaarder, kan ik wel horen, maar niet verstaan.

Hij staat aan mijn kant. Rug naar mij toe. De draenei. Wat een lichaam. Te lang voor de loods. De lijn van zijn rug is één stuk, breed, stil, tot hij een stapje dichterbij doet en die lijn zich verplaatst tussen mij en haar.

Kon ik ze maar horen. Mijn adem slaat tegen het schone stukje ruit en maakt het even blind. Ik durf niet meer te vegen. Binnen grijnst zij. Drie mannen om haar heen. En ik buiten, met alleen dat holle geluid en de beweging in haar rug.

Ik kijk nog even om. Niemand op de steigers. Alleen mist en het tikken van water. Mijn schouders zakken een slag. Dan weer naar het raam.

Ik wrijf het glas weer helder. Mijn mouw maakt een natte waaier. Het helpt een seconde. Dan begin ik te hijgen door wat ik dan zie en beslaat het meteen, een melkachtige waas van mijn eigen adem. Ik blaas opzij. Wrijf opnieuw, kleiner dit keer. Sneller. Even kijk ik weg...

Ze heeft de ene nog tussen haar borsten. De havenmeester glijdt daar, nat, heen en weer in de spleet die zij hem houdt. Zijn eikel komt voor, glanzend van haar speeksel, verdwijnt weer tussen het bleke vel, komt terug. Elke haal is kort. De kuil tussen haar borsten is nat tot in de huid.

Haar handen duwen haar borsten tegen zijn schacht. Duim en vingers in haar eigen vlees, de druk precies genoeg om hem vast te zetten zonder hem tegen te houden. De schacht schuurt warm door die spleet. Zij houdt hem zo.

Haar nek is weggedraaid. Niet naar hem. Naar de worgen. De vlecht volgt de wending. Haar kin blijft omhoog, alleen de andere kant op, alsof de man tussen haar borsten het werk is en de muil naast haar haar de rest.

Hij is verder keurig gekleed. Maar zijn knoop hangt open. Door zijn gulp staat een erectie. Niet iets wat ik eerder gezien heb. Ik moet goed kijken. Het raam, de waas, de afstand. Vuurrood. Lang. Te lang voor hoe hij voorover hangt. De kop is donkerder, nat, en zit al in haar mond.

Terwijl de ene tussen haar borsten glijdt, zuigt ze de ander af. Hij schuift nat door de spleet die zij hem houdt, vooruit tot de kop tussen haar vel uitkomt, terug tot alleen de schacht nog warm tussen haar handen zit. In diezelfde haal heeft zij de andere al achter haar lippen. Haar mond sluit om de kop, trekt hem dieper, laat hem een stuk, trekt weer. Speeksel maakt het gebaar klein. Haar wangen gaan holler als ze zuigt, haar borsten blijven de andere schacht klemmen. Twee lijnen door haar heen, zonder dat ze haar knieën verzet. Mijn focus glijdt naar haar lippen, om die toch wat vreemde penis.

Niet menselijk. De vorm klopt niet met wat ik ken, te rood, te lang waar hij uit haar mond komt. Maar het maakt haar niet uit. Haar lippen sluiten om die rode schacht, niet voorzichtig. Ze nemen hem. De rand van haar mond ligt strak om hem heen, nat, zonder ruimte.

Haar wangen zijn hol. Ogen op hem gericht. Ze kijkt omhoog in de muil die boven haar hangt, kin nog steeds die kant op, alsof de man tussen haar borsten er niet is. Hij heeft een klauw ergens in haar haar. Het licht maakt het onzeker: of hij haar vlecht vasthoudt, of alleen rust in de strakke lijn van haar nek. Haar keel beweegt zichtbaar, gulzig. Een slik. Nog een. De schacht schuift dieper en komt terug glanzend.

De havenmeester stoot door in haar decolleté alsof hij de beurt niet kwijt wil. Nat, kort, tussen het vel dat haar handen nog steeds tegen hem aanduwen. Hem laat ze stoten. Haar borsten nemen de stoot. Haar mond neemt de andere. De Worgen is nog aan haar tempo overgeleverd: zij zuigt, hij volgt, de klauw in haar haar beweegt mee zonder haar ritme over te nemen.

De draenei kijkt slechts toe. Ik weet niet waarom. Hoef op een krat. Het hout buigt zichtbaar onder hem. Zijn gewicht daar, rustig, het holle van zijn lijf naar hen gekeerd. Zijn staart hangt rustig. Hij zegt niets. Hij staat alleen maar, groot, en kijkt hoe Lady twee mannen tegelijk houdt: één glijdend tussen haar borsten, één vuurrood in haar mond.

Mijn adem maakt het glas weer blind. De waas komt precies over haar lippen. Dus wrijf ik weer snel, met de zijde van mijn hand, om niets te missen. Het glas is even schoon. Haar wangen zijn nog hol. Corl stoot nog. De keel beweegt nog.

Corl neemt meer initiatief. Hij neemt haar decolleté over in zijn gretige handen. Zijn vingers liggen waar haar vingers lagen, duwen haar borsten dichter tegen elkaar, maken de spleet smaller. Hij duwt zijn pik er net zo gretig tussen, korter, natter, de eikel die steeds weer tevoorschijn komt tussen haar vel en weer verdwijnt. Nat van haar speeksel, nat van de kuil. Zijn heup bepaalt het ritme. Haar lijf gaat mee omdat hij het zo zet. Desondanks blijft ze recht zitten. Alsof zij bepaalt. Ik vraag het me af. Ik zie de rondingen bewegen, haar lijf niet. Haar rug blijft de rechte lijn van het knielen. Alleen haar borsten gaan, omdat hij ze laat gaan.

Boven haar hoofd zit die klauw. Strakker nu. Worgen. Harig tot over de vingers, nagels die haar vlecht niet respecteren. Hij legt die klauw op haar hoofd en laat haar dieper pijpen. Niet een vraag. Een duw. Dat initiatief is ze nu duidelijk kwijt. Het deert haar niet. Haar mond schuift over de vuurrode schacht tot haar lippen verder zijn dan daarnet, tot haar keel zichtbaar werkt. Een slik die haar hals smaller maakt. Een mond vol. Haar ogen blijven op hem. Waterig. Open. Ik zorg dat ik het zie. Mijn hand gaat weer over het glas voor de waas haar ogen wegneemt.

Dan valt me iets op. Iets wat er net niet leek te zitten. Bij de basis van de schacht, dikker, een ring van vlees die haar lippen nog niet voorbij is. Een soort knobbel, net zo rood als de schacht en de eikel. Ik moet ernaar kijken om te begrijpen wat ik zie. Ik weet niet wat het is. Maar haar hand vindt die knobbel. Streelt. Duim en vingers om die verdikking, nat van speeksel, op en neer alsof ze weet hoe dat moet. Alsof dat daar geen verrassing is. Alsof dit niet de eerste keer is.

Ik geloof het meteen, zoals ze zich door de twee laat gebruiken.

En het is niet de zak van de Worgen. Die hangt er nu duidelijk onder. Ook uit zijn broek gehaald. Groot en rond, en omhuld door donkere vacht. Ze houdt de knobbel. Hij houdt haar hoofd. Corl houdt haar borsten. Zij blijft recht zitten terwijl haar mond voller is dan daarvoor.

De havenmeester mompelt dan iets. Te zacht voor het glas. Alleen zijn mond die beweegt, dicht bij haar haar. Jaina stopt met pijpen. Ze moet zich losschudden uit de greep van de worgen. Haar hoofd gaat tegen de klauw in tot de klauw toegeeft. De vuurrode schacht glijdt uit haar lippen, nat, een draad speeksel eraan die even blijft hangen en dan breekt. Haar gezicht is nog naar de worgen, tot ze het omdraait.

Ze sneert iets terug. Kort. Duidelijk. Haar mondhoek staat scherp. Uitdagend, niet klein. Er is daar van alles gaande. Een duidelijke machtsstrijd onder bizarre omstandigheden. Corl heeft haar borsten nog in zijn handen. De worgen heeft de lucht waar haar mond zat. Zij heeft de zin.

Dan buigt ze voorover. Naar hem toe. Naar de man tussen haar borsten. Haar vlecht valt langs haar wang. Ze neemt zijn eikel in haar mond, actief, zelf, alsof het sneer nog in haar keel zit en ze hem daarmee afmaakt. Haar lippen sluiten om de kop die zojuist nog tussen haar vel uitkwam. Tegelijk duwt ze haar borsten zelf weer tegen zijn schacht. Haar handen houden het vel strak om hem heen. Terwijl haar mond de kop zuigt, wrijft de rest van hem door die warme spleet, nat van speeksel en van haar huid.

Ze blijft dat doen. Alsof ze zich dient te bewijzen. Ze pakte de regie weer compleet terug, en dat is geil om te zien. De admiraal kan als geen ander pijpen. Ik had het vaker gezien. Maar zo in de minderheid is het helemaal een verschijnsel. Op en neer met haar mond. Samenknijpen met haar borsten. De eikel verdwijnt, komt glanzend terug, verdwijnt weer. Haar wangen gaan hol op hem zoals ze hol gingen op de andere.

Zijn heup stokt. Zijn hand zoekt haar schouder. Hij komt in haar mond. Ik zie het aan zijn rug, aan hoe hij zich naar voren zet, aan hoe haar keel een keer slikt en dan nog eens, terwijl ze hem niet loslaat. Haar lippen blijven om hem. Haar borsten blijven hem vangen. Zaad dat ze inneemt en dat langs haar mondhoek wil, tot ze het wegzuigt en doorgaat, alsof klaarkomen het werk niet stopt.

Hij is klaar. Zijn heup staat stil tussen haar borsten. De stoot is eruit. Zijn hand ligt nog op haar schouder, zwaar, zonder richting. Wat hij had, zit in haar mond. Haar keel heeft het al genomen. Een glans blijft in de hoek van haar lippen, tot ze die ook wegzuigt.

Zij houdt hem nog. Mond om de kop. Handen om het vel. Hij is klaar. Zij nog niet.

De rest nog niet. Even later is het beeld alweer verschoven. Sneller dan ik wil geloven. De ruit is schoon genoeg. Wat er net nog knielend was, is dit.

Zij staat voorovergebogen tegen een houten kist met leer. Haar handen plat op het deksel. Vingers gespreid, alsof het hout haar moet houden. Haar kleren liggen ergens buiten het vale licht. Volledig naakt. In haar volle glorie: de lijn van haar rug, recht nog steeds, van de vlecht tot de holte boven haar billen. Haar billen omhoog. Haar borsten los onder haar, zwaar in de buiging, de kuil daartussen leeg nu. Haar vlecht over één schouder, langs haar wang, naar het leer.

De worgen staat al bij haar billen. Dicht. Harig tot waar ik zijn broek niet meer zie. Zijn handen nog niet op haar, of wel, het licht laat het onzeker. Hij is daar. Zij is zo. De kist neemt haar gewicht. Ik slik en wrijf het glas niet, bang dat de waas dit beeld wegneemt voor ik het heb.

Zijn klauw gaat over haar huid. Krassend. Traag. Van haar heup naar de ronding, harig tot over de vingers, nagels die niet krabben, alleen wegen. De punt volgt de lijn van haar bil tot waar het vel warmer wordt.

Een nagel vindt haar iets lager. Streelt naar haar sterretje. Niet naar binnen. Langs. Rond. Alsof hij de plek markeert. De nagel is koud of droog, het licht laat het niet zien, alleen dat hij daar blijft en opnieuw de cirkel maakt.

Haar adem gaat zichtbaar zwaarder. Borst op en neer onder de buiging, los van de kist. Ze kijkt om, bijtend op haar lip. Verwachtingsvolle ogen. De vlecht hangt mee met de wending. Zij duwt haar heup niet weg. De nagel blijft langs het sterretje gaan en zij blijft staan zoals hij haar zette.

De havenmeester maakt de papieren in orde. Op een plank, inkt, een zegel, zijn broek nog open alsof dat bij het werk hoort. Hij kijkt niet de hele tijd. Hij tekent. Jaina blijft zich aanbieden. Rug hol. Billen naar de worgen. Naakt in het vuile licht, terwijl één man haar sterretje streelt en de andere haar haven op papier zet.

De draenei doet niks. Kijkt. Weegt. Net als ik dat doe, aan deze kant van het glas, met mijn adem die het beeld weer wil sluiten. Zijn voet blijft op de krat. Zijn lijf beweegt niet. Alleen zijn hoofd, een fractie, als het andere wel beweegt.

De worgen positioneert zich achter haar. Breed. Hij neemt een hoek zodat de rest het kan zien. En ik dus ook. Zijn penis is lang genoeg. Hard genoeg. Tegen haar billen, vuurrood op haar vel, de schacht die langs haar ronding ligt tot de kop lager komt.

Zijn klauw op haar heup houdt haar waar ze hol staat. De spitse eikel, rood en sponzig, ligt tegen haar ster. Klein punt tegen die samengetrokken plek. Moet branden van hitte en opwinding. Hij drukt. Niet in één keer. Een gewicht. Alsof hij zich erin laat vallen.

En zij opent langzaam. Het sterretje wijkt een fractie onder de kop. De kop wil naar binnen en komt niet verder dan de rand. Haar vel sluit eromheen zonder hem te nemen.

Zij houdt hem nog buiten. Haar hand is ergens op het leer. Haar rug wordt strakker. Een trilling in haar dij. Te groot? Het past zo niet. Die knot aan de basis maakt het erger om naar te kijken: wat nog moet volgen is dikker dan wat nu al tegen haar ster duwt. Moet dat erin? Dat past nooit. Die lengte gaat al niet.

Zij ademt uit. Hij blijft drukken. Zij blijft hem tegenhouden, naakt over de kist, terwijl twee paar ogen het wegen en niemand iets zegt dat ik versta. Het is haar spel. De rand neemt alleen de punt. De rest wacht achter die lange schacht. Ik houd mijn adem in tot het glas weer waast, en veeg het weg omdat ik dit niet mag missen.

De havenmeester kijkt weer mee. De documenten liggen klaar. Ook al is de admiraal dat nog niet. Dit is bonus. Ik zie zijn grijns. Alsof ze hem verrast. Eerlijk gezegd is dat gevoel hier wel op z'n plaats. Op afstand. Zijn hand om zijn eigen schacht, traag trekkend, nat nog van haar mond. Hij staat waar de papieren liggen. Hij komt niet dichter.

De worgen glijdt dan verder in haar. Alleen de natte kop. Rood. Spits. Haar ster geeft mee, te strak, dan open om die ene eikel. Klauwen op haar heupen, klauwen die haar vasthouden zonder haar plat te duwen. verrassend voorzichtige bewegingen. Alsof het andersom is. Dat híj haar iets biedt.

Zijn heupen bewegen met gevoel. Klein. Naar binnen. Even stil. Weer een fractie. Hij vult haar met wat er nu in past, alleen die natte kop die haar openschuift. Ik hoor haar kreunen. Door het glas, dof, en toch raak. Ze moedigt hem aan. Kort. Hees. Hun contact is dat: hij die voelt, zij die meebeweegt, haar billen die een slag naar achteren komen als hij zich terugtrekt en weer in diezelfde voorzichtige diepte stoot.

Ik kijk ademloos toe. Mijn mond is droog. Mijn borst gaat te snel. De rest ook, geloof ik. In mijn broek een harde pik met een natte plek, waar ik haar vingers al voel. De draenei weegt nog steeds. De havenmeester trekt nog steeds. En Jaina, naakt over het leer, neemt die rode kop en kreunt alsof voorzichtig precies is wat ze vannacht wilde.

Ze komt klaar. Omkijkend en hijgend. Haar mond open tegen haar schouder, de vlecht in de weg, ogen nat naar hem. Haar borsten hangen te schudden onder de buiging. De trilling zit in haar dij en gaat omhoog tot haar ster.

De rode eikel glijdt in haar natte sterretje. De rand die hem tegenhield geeft mee, slijmerig nu, en de kop schuift naar binnen tot de sponzige punt verdwijnt en haar vel zich erom sluit. Zij blijft omkijken. Haar adem stoot. Haar hand krult op het leer. Hij houdt haar heup. Zij komt om die kop heen, naakt over de kist, terwijl de rest van hem nog buiten is.

Hij schuift daarna alleen maar dieper in haar, terwijl we allemaal kijken. Ze breekt, geeft meer toe dan ze van plan was. Haar lichaam veert omhoog, schrikt van zijn diepte. Zijn grip wordt steviger op haar en vanuit zijn heupen beweegt hij op z'n hondjes heen en weer, zijn rode schacht nu duidelijker dieper naar binnen. Ik hoort haar harder kreunen dan bij haar eigen orgasme. Ook nu moedigt ze hem weer aan. Terwijl de rest blijft kijken, ziet hoe ze dit ondergaat, hoe ze dit wil.

Ik hoor hem zelfs grommen. Als zijn stoten onregelmatiger worden. Hij trekt zich juist uit haar, als zijn orgasme begint. Misschien om te laten zien dat hij het is die onze Admiraal onderspuit. Eerst haar rug. Een golf die bij haar schouders begint en in haar heupen blijft hangen. Haar handen knijpen in het leer. Haar mond gaat open tegen het hout van opluchting. Mooi. Intens. Geen klein stuiptrekken. Lang. Dan zegt ze iets tegen hem. Fel. En hij weet niet hoe snel hij zijn nog spuitende eikel weer naar binnen moet drukken... Daar wil ze het. Haar binnenste pakt die rode kop en laat niet meer los. Haar dijen trillen en trillen opnieuw. Een kreun die overgaat in iets heser, natter, tot haar hele lijf meedoet en zij zich om hem heen sluit alsof kijken het sterker maakt. Ze komt verdomme gewoon opnieuw klaar...

En wij maar kijken. De havenmeester met zijn hand stil op zijn schacht. Stom geslagen. De draenei onbeweeglijk op de krat. Ik tegen het glas, ademloos, met haar orgasme dat maar doorloopt, golf na golf, tot haar knieën willen zakken en de klauwen op haar heupen haar overeind houden.

De worgen lekt nog na. Hij trekt de natte kop uit haar ster. Rood. Glanzend. Zijn heup stokt. Een stuiptrekking in de vorm van een verlate lozing. Zaad over haar billen, warm, in strepen over haar huid, over de plek waar hij zo voorzichtig in haar was. Zij blijft voorover hangen, voorhoofd nu op haar onderarm, hijgend. Nog aan het nazinderen. Nat van hem aan de buitenkant en de binnenkant, terwijl haar lijf binnenin nog natrekt en niemand in de loods wegkijkt.

Ik laat mezelf met m'n rug tegen het natte hout vallen, onder het raam. Mijn mond open. Ik had wel wat dingen gezien, wist wie ze was en wat ze verlangde. Maar dat waren altijd mensen. Dat was vlugge seks over een grote tafel, of snel pijpen achter een gordijn als niemand het zag. Dit was... iets anders. Iets wat ik niet verwachtte. Dat havenmeester Corl een goeie avond tegemoet ging, had ik wel verwacht. Maar dit niet. En dan is er nog een derde. De grootste. Ik wil het eigenlijk niet zien.

Maar als ik mezelf weer bij elkaar wil rapen, zie ik de drie pratend over de steigers en de kade lopen. Weg van haar. Klaar?

De havenmeester eerst. De worgen en de draenei achter hem, het vale licht dat nu buiten valt. Stemmen. Geen woorden die ik vang. Iets van trots en ongeloof. Lady blijft achter. De deur van de loods is open genoeg dat ik haar nog zie, alleen, naakt in datzelfde vuile schijnsel. En gek genoeg voel ik ook iets wat lijkt op trots en ongeloof. Al overheerst het ongeloof, naakt als ze daar staat, het zaad glimmend op haar rug en billen, lekkend uit haar sterretje langs haar benen...

Ik blijf even kijken. Zolang als het kan. Ik zie haar overeind komen, haar kleding zoeken, zich netjes maken waar ze uitgebreid de tijd voor neemt. Zodat ze buiten weer staat als de statige admiraal. Pas als ze aangekleed de steigers overloopt, kom ik tevoorschijn. Gehaast uit een hoek die ze niet verwachtte. Ik zie de betrapping in haar ogen. Haar jas zit weer. Haar vlecht is opnieuw gedaan, niet helemaal. Net iets te strak. Make-up is niet meer hetzelfde. Maar netjes genoeg.

"Joffrey!'' snauwt ze zacht. Eng zacht. Ze is streng. Kwaad.

“Je hield geen wacht.” Want dat was mijn taak geweest. Het landt hard, ondanks hoe zacht haar stem eerder kon zijn. Ik weet dat ze gelijk heeft. Het schandaal. De mist. Mijn plek. Mijn mond gaat open.

“Ik—”

Meer komt er niet. Tussen haar borsten, in het open stuk van haar jas, loopt nog zaad. Vergeten? Niet helemaal. Een glanzende draad over haar huid, koud geworden, niet weggeveegd. Ik kijk. Te lang. Zij lacht. Kort. Niet vriendelijk, niet wreed. Alsof ze het ziet en het plaatst.

“Ik snap het.” Haar kin blijft hoog. ''Natuurlijk wilde je kijken.'' is ze begripvol. Weet ze meer dan ze toegeeft.

“Maar je moet wel luisteren.” Ik knik. De steiger is nat onder mijn laarzen. Zij loopt alweer, Lady, met zijn zaad nog tussen haar borsten en de opdracht in mijn oren, terwijl de drie mannen verderop al in de mist verdwijnen. Ze geeft mij de documenten. Ik weet niet meer waar dit goed voor was. Maar we konden nu verder.

-
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Jefferson
Veeriena
Veeriena (29)
Houd jij van vrouwen die open zijn over hun verlangens en fantasieën?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Durf jij met oma te flirten?
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 737 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net