Haar duim ligt stil op zijn knokkel. De stilte tussen hen is niet leeg — hij is vol, zwaar als de lucht voor een onweer, en hij vult de ruimte onder de berken met iets dat op antwoord wacht. Zijn tranen drogen op zijn wangen, zout dat trekt op zijn huid, en hij ademt door zijn mond, oppervlakkig, hortend, alsof zijn longen vergeten zijn hoe het diep moet.
Lies kijkt naar hem. Niet naar zijn ogen — naar zijn mond, alsof ze de woorden die hij net heeft uitgesproken nog wil proeven, ze wil wegen op haar tong. Haar vingers knijpen een keer, licht, in de zijne. Dan leunt ze achterover, een halve handbreed, en de beweging trekt een lijn door de lucht tussen hen alsof ze een gordijn openschuift.
"Ik sliep niet."
De woorden vallen als stenen in stil water. Hij knippert. Zijn mond opent, sluit weer. Zijn greep op haar hand verstrakt.
"Die nachten," zegt ze, en haar stem is laag, vlak, alsof ze een instructie voorleest uit een handleiding die ze al jaren in haar hoofd heeft, "dat ik daar lag. Dat jij in de deuropening stond. Ik sliep niet. Vaak niet. Meestal niet.
Niet een keer of twee. Bijna nooit."
Hij hoort het niet meteen. De woorden bereiken zijn oren, maar zijn hersenen weigeren ze te rangschikken, alsof ze in een taal zijn gesproken die hij herkent maar niet begrijpt. Hij staart naar haar gezicht, naar de donkere veeg op haar wang, naar de krab die op haar handpalm droogt, naar haar mond die deze woorden vormt.
"Ik lag te wachten," zegt ze. "Op jou."
Zijn ruggengraat wordt koud. Een rilling trekt van zijn nek naar zijn staartbeen, en zijn vingers verslappen in de hare, niet omdat hij los wil laten maar omdat zijn lichaam de controle verliest over de kleine dingen — de spieren die spanning vasthouden, de pezen die knijpen. Hij slikt. Zijn keel is droog, ruw, en het geluid dat hij maakt is iets tussen een adem en een schor geluid.
"Wachten," herhaalt hij. Het is geen vraag.
Lies trekt haar hand niet terug. Ze laat hem daar, in de zijne, en haar duim hervindt zijn beweging over zijn knokkels, langzaam, ritmisch, alsof ze een hartslag kalmeert die niet van haar is. Ze kijkt hem aan, haar blauwe ogen helder en onverbiddelijk, en haar kaak staat strak maar niet hard — eerder alsof ze haar tanden op elkaar zet om iets vast te houden dat anders door haar mond naar buiten zou stromen.
"Ik hoorde je voetstappen op de overloop," zegt ze. "Die kraak bij de derde trede. Dan wist ik het. Dan ging ik op mijn zij liggen, mijn nachtpon wat omhoog, mijn gezicht naar de muur maar mijn ogen open. En dan stond je daar. In de deuropening. En je keek."
Zijn lul klopt in zijn broek, een stomp ritme dat zijn ademhaling overneemt, en hij voelt het bloed naar zijn kruis stromen alsof zijn lichaam een antwoord geeft op een vraag die hij niet heeft gesteld. Zijn wangen branden. De tranen die daar zaten voelen nu heet, alsof ze niet van verdriet zijn maar van iets anders — schaamte, misschien, of de hitte van iets dat te lang onder druk heeft gestaan.
"Dus je zag het wel," zegt hij, en zijn stem breekt op de tweede lettergreep. "Mijn... ik kon het niet verbergen. Hij stond in mijn broek. Elke keer."
"Ik weet het." Haar stem is nu zachter — niet zoekend, niet aftastend. Het is het zacht van iemand die iets loslaat, een touw dat door haar vingers glijdt na jaren vasthouden. "Ik zag het. Elke keer. Die stijve in je broek, groeiend wanneer je naar me keek. Je lul, hard, soms uit je broek stekend, die geile, glanzende eikel waar ik elke keer zo verlangend op wachtte." Ze spreekt langzaam, zorgvuldig, alsof ze de woorden voor het eerst uitspreekt — en tegelijk al jaren in haar mond hebben gezeten, opgesloten, klaar om bevrijd te worden. Haar ogen vinden de zijne. "Ik vond het..."
Ze stopt. Haar ogen gaan naar zijn kruis, een fractie van een seconde, en terug naar zijn gezicht. De beweging is snel, bijna onzichtbaar, maar hij vangt hem — hij ziet haar blik naar beneden schieten en terugkomen als een vis die naar het oppervlak springt en weer duikt. Zijn buik trekt samen.
"Ik vond het opwindend," zegt ze. De woorden komen eruit als een uitademing, alsof ze iets uitstoot dat te lang in haar longen heeft gezeten. "Die stijve lul van je, elke keer als je daar stond, elke keer als ik door mijn wimpers keek en je zag staan met je hand langs je zij en die stijve in je broek... Ik lag daar bijna naakt en ik werd zo ontzettend geil van jou."
Hij maakt een geluid. Het komt van diep in zijn borst, een schor, gebroken kreun die hij niet bedoelt te maken, die gewoon naar buiten komt als lucht die uit een ballon ontsnapt. Zijn vingers knellen om de hare, hard, en hij voelt de droge korst op haar handpalm tegen zijn huid schuren.
"En dan stuurde ik je weg," zegt ze. "Omdat je mijn broer bent. Dan zei ik: doe niet zo stom. Ga weg. En je ging. Elke keer ging je. En dan lag ik daar. Alleen. En dan..." Ze stopt, haar lippen persen samen, en hij ziet haar keel bewegen als ze slikt. "Dan deed ik het zelf. Met mijn vingers. Met de deur open. Omdat ik hoopte dat je op de overloop stond. Dat je me misschien kon horen."
Zijn hoofd tolt. De berken boven hem bewegen, hun bladeren ritselen in een wind die hij niet voelt, en het gefilterde licht valt op haar gezicht in stukken — haar voorhoofd in schaduw, haar wang in licht, de krab op haar handpalm verborgen nu omdat hun handen verstrengeld zijn. Hij ademt in, en de lucht ruikt naar berkenblad, naar beton dat warm is geweest, naar haar — zweet, stof, warmte.
"Dus je zag me wel," zegt hij. Het is geen beschuldiging. Het is het geluid van iets dat op zijn plek valt, een puzzelstuk dat na jaren eindelijk de juiste vorm vindt. "Je zag me daar staan." "Ja."
"En je stuurde me weg."
"Ja."
"En dan..."
"Dan hielp ik mezelf met mijn vingers en dacht aan jou, aan jouw lul die in je broek stond, of naakt, voor mij om te zien. Terwijl je naar me keek." Haar stem is nu niet zacht meer. Het is hard, scherp, de rand van een mes dat door papier snijdt, en haar ogen zijn wijd, haar pupillen donker in het gefilterde licht, en hij ziet haar borstkas bewegen onder het bevuilde jasje, sneller dan daarnet, de stof spannen en ontspannen met elke ademhaling.
Hij zit stil. Zijn hele lichaam is een gespannen snaar, elke spier vastgezet, zijn lul kloppend tegen de stof van zijn broek met een ritme dat pijn doet, en zijn hand in de hare is het enige dat beweegt — zijn duim die over haar knokkels gaat, langzaam, het spiegelbeeld van wat zij bij hem deed. Hij voelt de korst op haar handpalm, de ruwheid van haar huid, de warmte die doorheen straalt.
"Waarom," zegt hij, en zijn stem is hees, gebroken, een instrument dat lang niet is bespeeld, "waarom zei je niets? Waarom liet je me daar staan, elke nacht, en stuurde je me weg, en deed je... dat, in plaats van..."
"In plaats van wat?" Haar vraag is scherp, maar niet wreed. Het is de scherpte van iemand die het antwoord al weet maar het wil horen, die de woorden in zijn mond wil leggen zodat hij ze moet uitspreken, net zoals zij net de hare heeft uitgesproken.
"In plaats van me binnen te laten. Me aan te raken. Me te... laten zien dat je het ook wilde."
Lies kijkt hem lang aan. De seconden rekken zich uit als kauwgom, als honing die van een lepel druipt. Haar mond opent, sluit, opent weer. Ze brengt haar vrije hand naar haar gezicht, wrijft met de rug over de donkere veeg op haar wang, alsof ze iets weg wil vegen dat er niet meer is, en laat hem dan zakken.
"Omdat ik niet durfde," zegt ze. "Je bent, verdomme, mijn broer. En ik was zo verlegen. Zo jong nog. Ik durfde niet." Ze zwijgt, en haar blik gaat naar hun verstrengelde handen, naar zijn duim die over haar knokkels gaat, en haar lippen trillen, een haast onzichtbare beweging die hij bijna mist. "En ik was bang. Dat als ik het had laten gebeuren, dat het daarna voorbij zou zijn. Dat je dan niet meer in die deuropening zou staan."
De woorden hangen tussen hen, zwaar en warm, en hij voelt ze op zijn huid, als lucht die te vochtig is, als een hand die op zijn borst rust. Hij kijkt naar haar gezicht, naar de lijn van haar kaak, naar de manier waarop haar mondhoeken naar beneden trekken, en hij ziet iets dat hij niet eerder heeft gezien — niet de scherpte, niet de vastberadenheid, maar het daaronder, het ding dat ze al die jaren onder de scherpte heeft verborgen zoals hij zijn verlangen onder schaamte had begraven.
"Ik kwam elke nacht terug," zegt hij. "Elke nacht. Omdat ik niet anders kon. Omdat ik aan je dacht zodra het donker werd en ik wist dat je daar lag, en ik wilde... ik wilde gewoon bij je zijn. Ik wilde je zien. In de buurt. Zelfs als het alleen maar was om naar je te kijken. En ik bleef hopen op meer"
"Ik weet het," zegt ze. "Ik wist het. Elke keer als ik je voetstappen hoorde, die kraak op de derde trede, wist ik dat je terugkwam. En ik ging op mijn zij liggen en trok mijn nachtpon omhoog en wachtte tot je daar stond. En dan keek ik door mijn wimpers en dan zag ik die stijve pik in je broek en dan werd ik … Ik wilde jou ook."
Haar stem breekt op het laatste woord, en hij ziet het — een barst in het glas, een lijn die over haar gezicht trekt, niet zichtbaar maar voelbaar, de scherpte die wegvalt als een masker dat van een haak glijdt. Haar ogen zijn vochtig, niet huilend maar glanzend, en haar mond is open, haar ademhaling hoorbaar nu, een zacht raspend geluid dat door de stilte onder de berken snijdt.
Hij brengt zijn vrije hand omhoog. Langzaam. Zijn vingers trillen, en hij voelt elke millimeter van de beweging als een eeuw. Zijn hand nadert haar gezicht, en hij raakt de donkere veeg op haar wang aan, heel licht, met de toppen van zijn vingertoppen. De stof van haar jasje voelt ruw onder zijn pols. Haar huid is warm, warmer dan hij had verwacht, en hij voelt de spieren onder haar huid bewegen, zich spannen, zich ontspannen.
Ze sluit haar ogen. Een seconde, twee. Haar wimpers trillen. Dan opent ze haar ogen weer en kijkt hem aan, en de blik die ze hem geeft is niet scherp en niet zacht — het is naakt, ontdaan van alles, en hij voelt het in zijn borst. Als een tedere hand die zich om iets sluit. Iets onbekends, iets breekbaars.
"Denk je nog wel eens aan me?" vraagt hij.
De vraag valt in de stilte, en hij hoort hem zelf alsof iemand anders hem heeft gesteld, alsof de woorden niet van hem zijn maar van een jongen die jaren geleden in een deuropening stond en niet durfde.
Lies kijkt hem aan. Haar ogen gaan niet naar zijn mond, niet naar zijn kruis, niet naar de bomen of het grindpad. Ze houden de zijne vast, vast en onbeweeglijk, en hij ziet iets in ze veranderen — niet groter of kleiner maar dieper, als water dat donkerder wordt naarmate je verder kijkt, en de blauwe kleur verandert van iets lichts naar iets dat geen naam heeft.
"Waarom denk je.. ," zegt ze, en haar stem is laag, bijna fluisterend, en ze leunt naar voren, een fractie, haar gezicht nu dichter bij het zijne dan het de hele middag is geweest, haar adem warm op zijn kin, haar vingers die zich in de zijne sluiten tot de knokkels wit zijn, "… dat ik hier ben?"
De woorden raken hem. Raken hem alsof ze de jongen van toen schreeuwend tot leven wekken. Het is als een knal in zijn oor. Hij buigt naar voren, niet met zijn mond naar de hare maar met zijn voorhoofd, en hij laat het tegen het hare rusten, het bot tegen het bot door de huid heen, en hij voelt haar adem op zijn lippen, voelt de warmte van haar gezicht tegen het zijne, en hij sluit zijn ogen. Zijn lul klopt in zijn broek, onophoudelijk, en zijn hand — de vrije, die op haar wang lag — glijdt naar haar nek, zijn vingers in haar haar, en hij houdt haar daar, niet vast maar aanwezig, zijn handpalm tegen haar huid, de haartjes in haar nek kietelend.
Ze ademt uit. Een lange, trillende uitademing die zijn bovenlip raakt. Haar neus raakt de zijne. De berken ritselen boven hen, en ergens achter de bomen rijdt een auto over het grind, en geen van beiden beweegt.
Lies schuift naar voren. Haar knie raakt de zijne, dan haar hele zij tegen hem aan — denim tegen stof, warme huid door de stof heen. Ze is dichterbij dan daarnet, dichterbij dan ooit, en haar gewicht leunt tegen hem aan alsof ze niet meer op haar eigen benen wil vertrouwen. De berken ritselen boven hen, een auto rijdt over het grind in de verte, en hij rukt haar geur op — zweet, stof, iets zoets onder de wasmiddelen van haar jas.
Ze pakt zijn linkerhand. Niet snel, niet aarzelend — met een rustige vastheid die haar vingers om de zijne sluit alsof ze precies weet wat ze doet. Ze tilt zijn hand op van zijn knie en legt hem op haar buik. De warmte slaat door de stof van haar bloesje heen meteen in zijn handpalm. Haar buik gaat op en neer onder zijn hand, ademhaling snel en ondiep, en hij voelt de spieren onder haar huid spannen als ze inademt. Ze houdt zijn hand daar, even, en haar vingers drukken de zijne steviger aan.
Haar hand op de zijne. Ze leidt hem omhoog. Langzaam, over de ribbel van haar ribben, over de stof die kreukt onder zijn vingers, omhoog naar haar borst. Zijn handpalm sluit om de ronding van haar borst en ze maakt een geluid — een klein, scherp geluidje achter in haar keel, bijna een snik. Haar tepel is hard door de stof heen, een kleine harde knop tegen zijn handpalm. Ze duwt zijn hand niet weg. Ze duwt hem steviger aan, haar vingers verstrengeld met de zijne, en haar heupen bewegen een fractie naar voren.
Hij masseert haar borst door de stof heen. Zijn vingers vinden de contouren van haar cup, de naad van haar bh, de warme welving eronder. Ze leunt haar hoofd achterover, haar ogen dicht, haar mond een stukje open. Het geluid dat ze maakt is niet meer een snik — het is een zucht die van diep komt, uit haar buik, uit dezelfde plek waar zijn hand lag.
Dan drukt ze haar mond op de zijne.
Het is zacht. Haar lippen zijn droog en warm, een beetje ruw waar de zon ze heeft gebrand, en ze proeft naar zout en stof en iets onder dat — iets van haarzelf dat hij zich herinnert van jaren geleden, een smaak die hij niet kan benoemen maar die zijn ruggengraat laat schokken. Ze zoent hem alsof ze het voorzichtig probeert, alsof ze test of het mag, of hij niet weg zal trekken.
Hij trekt niet weg. Zijn rechterhand, nog steeds in haar haar, trekt haar hoofd dichter naar hem toe. Zijn linkerhand kneedt haar borst, duim over haar tepel door de stof, en ze opent haar mond.
Haar tong raakt zijn lippen. Een warme, vochtige streling die zijn mond open dwingt. Hij opent en haar tong glijdt naar binnen, gretig, draait om de zijne heen met een honger die ze niet eerder liet zien. Ze likt langs zijn tanden, langs de binnenkant van zijn lip, en dan draait haar tong om de zijne in een snelle, natte cirkel die zijn lul laat kloppen in zijn broek — een harde, pijnlijke stoot die zijn heupen naar voren duwt.
Hij doet hetzelfde bij haar. Zijn tong in haar mond, langs haar gehemelte, langs de rand van haar tanden, en ze maakt een geluid dat hij door haar borst heen voelt trillen. Haar vingers grijpen zijn pols, nagels in zijn huid, en ze houdt hem op haar borst terwijl ze hem zoent alsof ze hem wil opeten — tong diep in zijn mond, lippen nat, ademhaling gejaagd door haar neus.
Zijn hand masseert haar borst. Hij kneedt de zachte welving, vindt de harde tepel, rolt hem tussen duim en wijsvinger door de stof. Ze kreunt in zijn mond, haar tong verstrikt met de zijne, en haar vrije hand grijpt de achterkant van zijn nek, nagels in zijn huid. Ze trekt hem dichter, haar hele lichaam tegen hem aan, en hij voelt haar hart bonken door haar ribben onder zijn handpalm.
De berken ritselen. Een merel fluit ergens achter de struiken. Het grind knerpt onder een fiets die voorbijrijdt op het pad, een eind verderop, maar Lies stopt niet. Haar mond blijft op de zijne, haar tong blijft draaien, en haar heupen bewegen in kleine cirkels alsof ze iets zoekt dat ze niet kan vinden met hem zittend zo.
Hij trekt haar tepel tussen duim en vinger, een zachte maar stevige trek, en ze snakt naar adem — haar mond los van de zijne, een seconde, haar voorhoofd tegen het zijne, haar ogen dicht. "Verdomme," zegt ze, en het woord is nauwelijks hoorbaar, meer een uitademing dan een woord. Dan drukt ze haar mond weer op de zijne en haar tong is weer in zijn mond, gretiger nu, sneller, en ze bijt zacht op zijn onderlip.
Zijn hand verplaatst zich van haar ene borst naar de andere, over de stof, en hij masseert haar terwijl hij haar terug zoent, zijn tong om de hare, proevend, likkend, zuigend. Ze trilt tegen hem aan, haar hele zij trillend als een snaar, en haar vingers in zijn nek knijpen hard genoeg om halvemaantjes in zijn huid achter te laten.
Ze stoppen. Niet omdat ze willen, maar omdat ze moeten ademen. Haar mond los van de zijne, een dun draadje speeksel tussen hun lippen dat breekt en op haar kin valt. Ze ademt zwaar, haar ogen halfopen, haar pupillen donker en groot. Ze kijkt hem aan — niet naar zijn mond dit keer, maar in zijn ogen, en haar blik is niet meer de blik van daarnet, niet meer de blik van iemand die iets bekent. Het is de blik van iemand die iets wil.
"Je fiets," zegt ze. “Laten we gaan”. Haar stem is schor, haar adem nog onregelmatig.
Hij knikt. Zijn lul klopt in zijn broek, hard en pijnlijk, en hij moet gaan staan. Hij doet het, langzaam, zijn benen stijf van het zitten, en hij steekt zijn hand naar haar uit. Ze pakt hem en trekt zichzelf omhoog, en ze staat dicht tegen hem aan, haar borst tegen zijn arm, haar gezicht naar hem opgericht.
Hij loopt naar de fiets die op het grind ligt, tilt hem op. Het stuur is een beetje verbogen maar het rijdt nog. Hij zet zich erop, en Lies klimt achterop. Haar armen om zijn middel, haar borsten tegen zijn rug, en hij voelt haar hart bonken tussen haar schouderbladen.
Hij trapt. Hard. Het grind knerpt onder de banden, dan asfalt, en de warme avondlucht slaat in zijn gezicht. De straten zijn bijna leeg — een man die zijn hond uitlaat, een vrouw met een boodschappentas, een tiener op een scooter die voorbijrijdt met een blik op Lies die op de bagagedrager zit.
Lies houdt hem stevig vast. Haar handen plat op zijn buik, vingers gespreid, en een van haar handen zakt lager — over zijn heup, over de band van zijn broek, en haar vingers strelen hem door de stof heen, net boven de bobbel die niet te verbergen is. Hij fietst sneller, de trappers draaiend, en ze leunt met haar hoofd tegen zijn rug, haar wang tegen het zweet op zijn shirt.
De stad schiet voorbij. Grachten, bakstenen gevels, een brug over waar het water oranje is van de ondergaande zon. Ze slaan een hoek, dan nog een, en het kraakpand doemt op aan het einde van de straat — een oud, vervallen gebouw met dichte luiken en graffiti op de gevel, een pand dat eruitziet alsof het elk moment kan instorten maar al jaren overeind staat.
Hij stopt. Springt van de fiets. Haar hand vindt de zijne meteen, hun vingers verstrengeld, en hij trekt haar mee naar de deur. De deur is niet op slot — dat is hij nooit — en hij duwt hem open met zijn schouder. De gang is koel en donker, ruikt naar vocht en oud stucwerk, en de vloer kraakt onder hun voeten.
Lies loopt snel de houten trap op. Het hout kraakt — dat specifieke, diepe, krakende geluid dat hij zich herinnert van jaren geleden, het geluid dat hij elke nacht hoorde als hij naar boven liep, het geluid dat hem uit bed deed komen en naar de overloop deed lopen waar hij in de deuropening stond met een lul die klopte in zijn broek.
Ze stopt. Ze hoeft niets te zeggen. Het gekraak van de tredes zeggen alles.
Hij staat onderaan de trap en kijkt naar haar, zijn hand nog steeds in de hare, en zijn lul is zo hard dat het pijn doet. Ze trekt hem mee, de trap op, en hun voeten laten elke trede kraken. Boven aan de trap is zijn deur van zijn kamer.
Hij duwt hem open. Zijn kamer is klein en rommelig — een matras op de vloer, kleren over een stoel, boeken opgestapeld langs de muur, een raam dat open staat en waar het avondlicht door naar binnen valt. Het ruikt naar hem, naar zweet en oud hout en iets chemisch van de verf die hij vorige week heeft gebruikt.
Lies stapt naar binnen. Ze laat zijn hand los en draait zich naar hem toe, en ze trekt haar denim jas uit en laat hem op de grond vallen. Daaronder draagt ze een dun t-shirt dat aan haar rug plakt van het zweet, en haar borsten zijn zichtbaar door de stof — de harde tepels, de contouren van haar bh, de welving die hij zojuist in zijn hand had onder de berken.
Ze kijkt hem aan. De kamer is stil op het geluid van hun ademhaling na, en het verkeer buiten, en de merel die nog steeds fluit ergens in de avond.
Lies draait zich om. De beweging is langzaam, bijna ceremonieel, en haar dunne t-shirt spant over haar rug terwijl ze hem aankijkt. Haar donkerblauwe ogen zijn bijna zwart geworden, de pupillen verwijd, de iris eromheen een smalle ring van kleur. Ze houdt zijn blik vast terwijl ze een halve stap naar hem toe doet. De lucht tussen hen in is zwaar, geladen, alsof er jaren van ongezegde woorden in samengeperst zitten. Haar mond opent, sluit, opent weer. Haar lippen zijn iets uiteen, vochtig, en hij kan de warmte van haar adem zien in de koele lucht van de kamer.
Haar handen grijpen de zoom van haar t-shirt. Ze trekt het omhoog in één beweging, de stof plakt even vast aan haar bezwete rug voordat deze loslaat, en ze gooit het op de grond naast haar spijkerjas. De beweging is snel, beslist, alsof het kledingstuk haar in de weg zat, alsof het een barrière was tussen haar en wat ze wilde. Haar buik is bloot, haar navel een ondiepe holte, haar ribben zichtbaar onder een laagje zweet dat het avondlicht vangt dat door het raam naar binnen valt. De spieren in haar buik trillen licht, een onwillekeurige reactie op de blootstelling, op de kwetsbaarheid van het moment. Ze staat daar in haar beha en haar korte spijkerbroekje, haar borsten op en neer gaand met haar ademhaling, de randen van haar beha donker tegen haar bleke huid, en ze brengt haar handen naar haar rug.
Ze draait zich om. Haar schouderbladen bewegen onder haar huid terwijl haar vingers naar de sluiting van haar beha zoeken, ze spannen en ontspannen als ze de haakjes proberen te vinden. De lijn van haar rug loopt naar beneden in een zachte welving, haar wervelkolom een ondiepe groef in het midden, haar huid glad en bleek met hier en daar een sproetje dat hij nooit eerder gezien heeft. Ze kijkt over haar schouder, haar ogen nog steeds op hem gericht, en haar stem is nauwelijks hoorbaar, meer een adem dan een vraag. "Maak je me los?"
De vraag is tegelijkertijd een uitnodiging en een overgave. Ze vraagt het niet met de stem van iemand die twijfelt, maar met de stem van iemand die al besloten heeft, die al jaren besloten heeft, en nu alleen nog wacht op het laatste stukje — zijn handen op haar huid, zijn vingers die de sluiting openen, het gebaar dat alles verzegelt. Haar vingers hangen bij de sluiting, wachtend, en de spieren in haar armen trillen licht van het vasthouden van de positie.
Hij staat achter haar. Zijn handen beven. Hij brengt ze omhoog, zijn vingertoppen raken de warme huid van haar rug, en hij voelt hoe de haartjes in haar nek overeind gaan staan bij zijn aanraking. De aanraking is elektrisch, een vonk die overschreden wordt, en hij voelt het door zijn hele lichaam — een schok die van zijn vingertoppen naar zijn borst naar zijn buik naar zijn lul gaat, die al pijnlijk hard in zijn broek staat. De warmte van haar huid is overweldigend, zacht en glad en levend onder zijn vingers. De sluiting is een simpele haakjessluiting, twee stukjes metaal die in elkaar grijpen. Zijn vingers zijn onhandig, te groot, te ongeduldig. Het eerste haakje glipt los. Dan het tweede. De bandjes vallen langs haar armen naar beneden, en hij ziet hoe de stof loslaat van haar huid, hoe er een lichte afdruk achterblijft waar de bandjes zaten, twee rode lijnen op haar schouders.
Lies draait zich terug. Ze laat de beha van haar lichaam glijden, de bandjes glijden over haar bovenarmen, de cups laten haar huid los met een zacht zuiggeluidje, en de stof valt op de grond bij haar voeten. Haar borsten komen vrij — volle, ronde, stevige borsten die het avondlicht opvangen, de huid bleek waar de zon nooit kwam, de rondingen zwaar en zacht en perfect. Ze zijn groter dan hij zich had voorgesteld, voller, en ze bewegen met haar ademhaling, omhoog en omlaag, de zachte welvingen trillend bij elke uitademing. Haar tepels zijn hard, donkerroze, opgericht in de koele lucht van de kamer, de tepelhof is gerimpeld en strak getrokken, de knopjes stijf en uitdagend. Ze staat voor hem, haar borsten naakt, haar tepels hard en verwachtingsvol, en ze ademt diep in waardoor haar ribben uitzetten en haar tieten omhoog komen, de rondingen voller, de tepels nog scherper. Ze kijkt hem aan, en er is geen schaamte in haar blik, alleen verlangen, alleen de hitte van jaren wachten die nu een uitweg zoekt.
Ze pakt zijn hand. Haar vingers sluiten zich om zijn pols en ze leidt zijn handpalm naar haar borst, legt hem op de warme, zachte huid. Haar hart bonst onder zijn hand, snel en hard, de slagen roffelend tegen haar ribben, en hij voelt het door zijn handpalm heen, door zijn vingers, door zijn arm. Ze duwt zijn hand steviger aan, haar vingers over de zijne, drukkend, en ze sluit haar ogen. Een geluid ontsnapt haar — geen kreun, niet echt, meer een diepe uitademing die ergens vanuit haar buik komt, vanuit een plek dieper dan haar longen, een geluid van opluchting en begeerte tegelijk. Haar lippen wijken uiteen, haar tanden zichtbaar, en haar hoofd kantelt iets naar achteren.
Hij kneedt haar tieten. Zijn vingers zinken in het zachte vlees, de huid warm en glad onder zijn handpalmen, en hij voelt de hardheid van haar tepel tegen zijn handpalm drukken, een kleine stenen knop die in zijn huid snijdt. Het gewicht van haar tieten in zijn handen is overweldigend, zwaar en vol en zacht, en hij knijpt, zacht eerst, dan steviger, en de huid geeft mee onder zijn vingers, de rondingen vervormend en terugverend. Ze leunt naar voren, haar hoofd achterover, haar mond open, en ze pakt zijn andere hand en legt die op haar andere borst. Hij houdt haar nu met twee handen vast, kneedt, knijpt, voelt het gewicht, de warmte, de zachtheid. Haar tepels drukken als kleine stenen in zijn handpalmen, hard en heet, en hij rolt ze onder zijn duimen, heen en weer, en ze kreunt, een laag, nat geluid dat haar keel vult.
"Lekker," zegt ze. Het woord is nat en zwaar, druppend van verlangen. "Je handen. Eindelijk."
Het woord 'eindelijk' raakt iets in hem. Eindelijk. Alsof dit moment altijd al onvermijdelijk was, alsof elke blik door die ventilatieopening, elke keer dat ze haar deur openliet, elke keer dat hij haar naam hoorde roepen in de flat boven hem, een stap was naar dit moment — zijn handen op haar tieten, haar adem op zijn huid, haar hartslag onder zijn vingers.