Via Wekerom reden we naar Ede. Joline was eerst nogal zwijgzaam. Pas iets voorbij Wekerom begon ze te praten. Nou ja, te vragen in feite. “Heb jij jezelf een beetje vermaakt, Kees?” Ik humde. “Ja. Niet alleen tijdens het schieten, maar gisteravond ook. Met de hele meute een paar uur in ‘Echo’s’ gezeten en daar wat meer kennisgemaakt met de anderen. Een veelheid van beroepen en achtergronden. Sommige collega’s die als dienstplichtig officier hebben gediend en langzaam maar zeker de rangen hebben beklommen… Met de nadruk op ‘langzaam’, want een reserve-officier werd vroeger niet zo snel bevorderd als nu, en zéker niet naar aanleiding van zijn beroep. Anderen die pas sinds een paar jaar reservist zijn geworden, sommigen op dezelfde manier als Fred en ik…”
Ik moest even sarcastisch lachen. “En van een collega uit de eerste categorie, die nog in de dienstplichttijd had gediend, kreeg ik te horen dat ik nogal arrogant was voor iemand die nét majoor was.” Joline keek ondeugend opzij. “”Wát een mensenkennis! Goed zeg, met hem moet ik eens praten…AU!” Ik had in een been geknepen. “En ik kwam een andere kennis tegen: die kapitein die ik in Oirschot, tijdens het pistoolschieten zo op z’n flikker had gegeven. Die werkt nu ook bij CIMIC… Volgens mij in het netwerk Economics. Zou dus een toekomstig collega van je kunnen worden.” Joline dacht na. “Die vent die zo ongeveer een pistool op jou richtte? En hoe gedroeg hij zich nu?”
“Tijdens de theorieles Colt zat hij in mijn klasje en op een gegeven moment viel het kwartje bij mij. Waar ik hem van kende. Hij keek nogal schichtig. Maar heeft niet gerefereerd aan dat incident, dus ik ook niet. Ik heb op de schietbaan hem wél met een schuin oog in de gaten gehouden; soms lag hij naast me achter de Colt. Maar hij haalde geen gekke grappen uit, dus geen probleem. En als hij wél stomme dingen had gedaan had hij een snauw gekregen van Jolanda, die vrouwelijke sergeant eerste klas.” Joline knikte. “Ja, dat lijkt me een dame die iemand aardig op zijn plek kan zetten. Wel een leuke meid om te zien, zelfs in gevechtspak. En mooie krullen.”
Ik knikte. “En een prima instructeur. Als die op een middelbare school les zou geven, in zo’n klas vol pubers, zou het doodstil zijn, denk ik.”
Joline snoof. “Vanuit de mannelijke helft van de klas zeker. Die zitten zich dan voor te bereiden op een nachtje solo-werk, met sergeant der eerste klasse Jolanda in gedachten. De smeerlapjes…”
Ondertussen reden we Ede in. Een paar slingers, de weg richting Bennekom op, spoor en snelweg over en een stuk vierbaansweg richting Wageningen. Uitkijken, Kees… Hier geen honderd rijden, want dan ben je de sigaar… Dat bleek even later: er stond een flitspaal die bij een paar mede-weggebruikers duidelijk bekend was. Lui die met net hadden ingehaald, gingen even later vol op de rem, even 50 rijden om daarna de gasplank weer diep in te trappen. Vlak voor Wageningen vroeg Joline: “En het schieten, Kees? Voor het eerst sinds al die jaren weer op de Accuracy? Geen flashbacks?” “Eentje, schat. Na de eerste oefening. Drie doelen binnen 3 seconden omgelegd, en toen was ik weer even terug in Bosnië bij een inval waarbij er drie kerels op een dak bij een zware mitrailleur stonden. Vlak voor een inval. En even later waren ze alle drie gestopt met roken. En nu even geen vragen meer, schat. Dit grijze ding wil ik zonder krassen door Wageningen loodsen. Enfin, er fietsen nu ten minste geen studenten kriskras over straat, dat scheelt.”
Vijf minuten later parkeerde ik de Volvo achter Joline’s Mini, voor de flat van Mel en Claar. “Zo. En nu een bakje koffie bij tante Melissa…” Ik liet de autodeur nog even dicht. “Compleet vergeten te vragen, schat… Hoe heb jij het gisteren en vannacht bij Mel gehad?” Ze glimlachte. “Prima, Kees. We zijn even Wageningen in geweest, hebben heerlijk met elkaar zitten kletsen, soms bloedserieus, soms enorm melig… Gisteravond om elf uur in bed gekropen, ik bij haar en daar nog een tijd liggen kletsen. En toen in slaap gedonderd. En nee, we hebben lekker tegen elkaar aangelegen, met soms een zoentje, maar dat was het, Kees. Mel, Claar en ik hadden elkaar iets beloofd.” Ik knikte. “Prima schat. Fred en ik hebben ook weer naast elkaar geslapen en hebben elkaar fysiek ook met rust gelaten. Zelfs geen nachtzoentje gegeven.”
Ze schoot in de lach en deed het portier open. “Idioot… Kom, naar boven, dan mag je een zoentje van de zuster in ontvangst nemen.” Mel en Claar woonden op de 3e, bovenste verdieping van een flat uit de jaren ’70. Ja, redelijk ruime flats met drie slaapkamers, maar ondertussen aardig op leeftijd. En twee van die flats waren omgebouwd tot studentenwoningen. Geen lift, dus traplopen. Nou ja, 3 hele verdiepingen… Op de 2e verdieping stond een jonge vent in een deuropening.
“Hé, is dit een inval?” Wij zijn hier niet zo gesteld op soldaten!” Hij klonk vrij agressief en zo keek hij ook. Ik stopte even. “Knul: ‘Hé’ is de afkorting van ‘Hengst’ en die gebruikt men bij de Cavalerie. Ten tweede: ik ben geen ‘soldaat’, maar majoor. En ten derde: het zal me een biet zijn waar jij op gesteld bent; wij hebben aangebeld bij een van de bewoonsters van de bovenste verdieping en waren daar wél welkom. Als jij vindt dat ik hier niet thuis hoor: prima, bel 112 en veel succes met het betalen van de boete voor een valse melding. Da’s geen goedkope grap; tegenwoordig geloof ik zo’n 6.500 Euro. Da’s aardig wat maanden studiefinanciering, denk ik. Fijne avond!”
Eén verdieping boven ons klonk de stem van Mel. “Ruudje Dekker: laat mijn bezoek met rust. Mijn zus en ik hebben geen bodyguards nodig, volgens mij ben je daar al een keertje achter gekomen. Anders help ík je nog wel een keertje herinneren. Maar dan met mijn naaldhakken.” De knul verdween achter een voordeur en die knálde dicht. Joline giebelde, ik ook en we liepen de resterende trappen op. “Naaldhakken, Mel? Daar wil ik natuurlijk alles van weten… Hoi zussie.” Ik gaf haar een knuffel en we liepen naar binnen.
Daar stond Mocca, helemaal dol dat hij Joline en mij weer zag. Kwispels, piepjes, springen… Ik ging door m’n knieën en knuffelde de hond even lekker. Hij snuffelde overal aan mijn gevechtspak. Rook natuurlijk allerlei onbekende geuren… Toen vond ik het wel gezegend. “Mocca, klaar.” De hond ging netjes zitten. “Heeft ons bruine monster zich een beetje gedragen, Mel?” Ze knikte. “Ja hoor. Ik liet hem even mijn naaldhakken zien en toen begreep hij het wel. Zó makkelijk… Dan weten kerels meteen wie de scepter in huis zwaait.” Een vals lachje volgde. “Volgens mij weet jouw benedenbuurman dat ook wel, geloof ik?”
Het valse lachje werd breder. “Ruud Dekker? Een voormalig vriendje van die klootzak die onze vriendin vorig jaar terroriseerde. Woont hier sinds september en dacht mij en Claar in te kunnen palmen. Kwam regelmatig aan de deur voor ‘een kopje suiker’ of een andere lulsmoes. Totdat hij op een gegeven moment recht tegenover Ton stond. Ook in gevechtspak. Daarna hielden de bezoekjes nogal abrupt op.” “Ik schat zo in dat hij nog geluk had, Mel”, zei ik. “Als hij tegenover Rob gestaan had, had hij misschien wel kennisgemaakt met een ringsleutel 35. Overigens: fijn dat je Rob de deur uit hebt getrapt en dat Jo je gezelschap mocht houden.” Ze lachte. “Meneer mijn machinist vond daar vanochtend via de telefoon het nodige van… Enfin, ik heb hem maar gerustgesteld dat ik vanavond naar Berg en Dal kom. Dus: over uiterlijk een uurtje wil ik weg, jongens.” “Arme Rob…” mompelde ik.
Melissa was ondertussen de keuken ingelopen. “Koffie? Daar zullen jullie wel aan toe zijn, na zo’n tijdje buiten.” “Lekker, Mel”, zei Joline. “Ehh… Mevrouw Jonkman, aangetrouwde editie: u heeft deze middag voor het grootste deel doorgebracht in een verwarmde toren op baan India, in het gezelschap van een onderofficier met een thermosfles warme koffie.” Joline keek smerig. “Ja. Niet te zuipen. Het spul van Rob was lekker, vergeleken met dat bocht. Oploskoffie, van de meest goedkope fabriek volgens mij.” En slap, met gewone melk.” Mel kwam weer binnen. “Koffie waarbij vergeleken de koffie van mijn liefje als ‘lekker’ wordt omschreven? Dat moet dan wel een exclusief bakje zijn geweest, Jo.” Die keek nogal smerig. “Dan liever jouw koffie, Melissa. Dank je wel.” Mel keek mij aan. “Ik heb gehoord dat jij met je lange-afstandsgeweer zou mogen schieten, Kees? Hoe beviel dat?”
“Prima, Mel. En voor je het vraagt: op één momentje na geen flashbacks gehad. Voor de rest was het gewoon heerlijk om te doen. Ik ben m’n vaardigheden nog niet verleerd en mag op de AX, zo heet dat ding tegenwoordig, aan de schietwedstrijd meedoen. Tegen jongens van een verkenningseskadron, die regelmatig met dat ding op de baan liggen.” Joline zei: “En ik heb vanuit de controletoren gezien hoe Kees Fred weer eens te snel af was…” Ze beschreef de laatste oefening en zei: “Die sergeant-majoor op de toren, Stephan, zei daarna tegen mij: “Die echtgenoot van u kan best wel met dat lompe ding overweg, mevrouw. Dit heb ik nog niet zo vaak gezien hier.”
“Hmm… Maar Fred maakte een fout, Jolien. Dát was mijn kans. Bij zijn eerste salvo had hij zijn vizier nog op 600 meter staan, in plaats van op 800. Daardoor schoot hij te laag, stofwolk voor die doelen, dus niet te zien, hij moest zijn vizier verstellen, opnieuw richten en daardoor kon ik een paar van zijn doelen afsnoepen.” Mel keek vragend en ik legde de oefening even uit. “Niks voor mij dat lawaaigedoe, Kees. Laat mij maar bezig met plantjes. Veel interessanter.”
Ik knikte braaf. “Túúrlijk Mel… Hoe is het ondertussen met je vriendje uit de Hortus? Zo te ruiken ben je al een tijdje niet langs geweest…” Ze keek me lang en vuil aan. “Rotzak. Het is dat Jolien zo’n lieve vriendin van me is, anders zou ik naar de Hortus zijn gegaan op het moment dat die Penisplant in bloei stond en een stukje van de bloem afknippen, in een zak doen en op jouw flat het zakje openmaken. Eens kijken of je dan nog zo’n grote bek hebt.” Joline lachte. “Kan ik dan een weekje hier logeren, schat? Als dat ding in bloei staat? Na een week is die stank toch wel weggetrokken?” Mel trok haar naar zich toe. “Jij mag hier altijd logeren, Jo.” En met een blik op mij: “Het was gisteren en vannacht heel gezellig hier, Kees.” “Uit betrouwbare bron had ik al zoiets vernomen, zussie. En da’s prima. Ik ben enorm blij dat jullie, en daar bedoel ik ook Claar mee, zo goed met elkaar kunnen opschieten.” Een half uurtje later namen we afscheid. “Doe de groeten aan die olieboer van je, Mel. We zien elkaar maandag weer, op de bruiloft van Greet!” Ze knikte. “Ja. En even serieus, Kees: dat wordt een hele mooie dag, dat weet ik zeker.” “Ja. Twee hele mooie mensen die elkaar gevonden hebben, ondanks allerlei tegenwerking vanuit de maatschappij. We gaan het volop vieren, samen met hen, Mel.” Met een lieve knuffel namen we afscheid en liepen we de trap af.
Op de 2e verdieping snoof Joline even. “Het stinkt hier nogal, Kees…” Ze had gelijk. En het contrast tussen het trappenhuis en de flat van Claar en Mel kon niet groter zijn. Het trappenhuis: kaal beton, vlekken op de muren, inderdaad een vage stank… De flat van de zussen: netjes, fris, vrolijk aangekleed, planten, huiselijk… kortom: gezellig. En vanuit de woonkamer een mooi uitzicht over een volkstuincomplex aan de overzijde van de Diedenweg, in de verte een bosrand… De enige twee storende dingen waren inderdaad het trappenhuis en de Diedenweg zelf; in feite het verlengde van de N781, de weg vanuit Ede naar Wageningen. Druk, met op de hoek verkeerslichten waar deze weg de N225 kruiste: de oude weg van Arnhem naar Utrecht. Maar goed; ik had het vermoeden dat Mel en Claar hier niet al te lang meer zouden wonen. Met hun studie afgerond, zouden ze wel snel elders gaan wonen. En wellicht wel samen met een luitenant der Infanterie en een maritiem ingenieur van DT…
Op de stoep voor de flat namen we met een kort zoentje afscheid: Joline stapte met Mocca samen in de Mini en ik in de Volvo. Gezellig was anders, maar dat compenseerden we vanavond of morgen wel… Ik zette mijn playlist maar weer op: ditmaal de ‘Messiah’ van Georg Fiedric Händel, uitgevoerd door The English Concert en Voces 8. Een ‘kamermuziek-versie’. Apart, niet zo massaal, maar heerlijk om naar te luisteren. Joline reed de N225 richting Renkum op. En bij Wolfheze rechtsaf, de A50. Achtereenvolgens staken we de Rijn, de Waal en de Maas over en passeerden we Herpen. De kop van de Labrador was vaag zichtbaar op het gebouw. Ja, Moccaatje… dat wordt binnenkort je nieuwe huis! Wel gezellig, met andere honden in de kennel en hele goeie verzorgers… Misschien wel beter voor je dan bij Joline en Kees. Hoewel: de hond had het bij ons ook prima. Genoeg beweging, genoeg aanspraak, genoeg afwisseling; gesocialiseerd was Mocca écht wel! In gedachten reed ik achter Joline aan; die reed ook op de cruisecontrol: constant 105. Af en toe inhalend, maar meestal op de rechterbaan.
Een klein uurtje later reden we Veldhoven in en even daarna stonden beide auto’s weer in de garagebox. Héhé, weer thuis. Ik pakte mijn militaire spullen, Joline nam Mocca onder haar hoede en we gingen naar boven. Lekker om weer thuis te zijn! In de huiskamer trok ik Joline tegen me aan. “Hé mooie vrouw… Weet je dat ik blij ben om je nu weer ongegeneerd te kunnen zoenen?” Ze keek preuts. “Zoenen? Majoor, wilt u zich gedragen?” “Dat doe ik. Ik gedraag me als een vent die iets meer dan een half jaar geleden een bloedmooie en slimme vrouw heb getrouwd en daar nog steeds dolverliefd op is.” “Nou vooruit dan maar weer… En de magazijnen zijn zeker weer vol hé?” “Ja, schat. Fred had niet zo’n zin gisteravond. Ondanks dat onze bedjes tien centimeter uit elkaar stonden.” Ze duwde me iets weg. “Wát?” “Onze bedjes had ik vlak bij elkaar gesleept. De reden: als meneer van Laar de motorkettingzaag zou laten loeien, kon ik hem ten minste een por geven zonder mijn bed uit te hoeven.” “Nou, de rest zal wel gedacht hebben…” Ik grinnikte. “Er werden wat wenkbrauwen opgetrokken toen ik ermee bezig was, ja. Maar toen ik het uitlegde keek men begrijpend. Maar ik moet eerlijk zeggen: ik heb Fred nauwelijks gehoord vannacht.” “Dan zul je wel een paar borrels op hebben gehad, zuipschuit!” Ik schudde mijn hoofd. “Nee. Twee biertjes en een Icetea. Dat was het wel. En ja, ik heb gisteravond én vanmorgen mijn tanden grondig gepoetst.”
Ze draaide me om. “Mooi, dan weet je hoe het moet. Douchen jij, want je stinkt nog wel naar kruitdamp. En als je toch in de badkamer bent: scheren mag ook en voor alle zekerheid mag je ook je tanden poetsen. En daarna trek je aan wat ik voor klaar leg. Húp!” Een tik op mijn billen volgde. Gevechtspak leegmaken… Smartcard, noodverband, portefeuille, mijn ‘boekje pienter’ voor de schutter lange afstand met alle correcties voor wind, temperatuur en zelfs de draaiing van de aardas… Dat laatste had ik nog nooit nodig gehad, dat was voor schoten op meer dan een mijl. In Irak hadden de Amerikaanse en Britse collega’s die wél nodig gehad, soms. In Nederland praktisch niet mogelijk; er was altijd wel een mogelijkheid om ongezien dichterbij te komen dan 1.600 meter. Herkenningsplaatje af… Hé, de ketting daarvan was nogal smerig. Nog maar even om laten en onder de douche even met shampoo te grazen nemen. Anders zou je last kunnen krijgen van uitslag. In je nek. Niet fijn.
Ondergoed uit en onder de douche. Niet koud, lekker warm. Ondanks alles was het best fris geweest vandaag. Vijf minuten later kwam ik schoon onder de douche uit. Lekker. Schoon ondergoed aan en eens kijken wat mevrouw Jonkman had klaargelegd. Ik nam mijn ‘militaire spullen’ mee naar de slaapkamer en borg het handeltje op in de onderste la van mijn nachtkastje. Het gevechtspak in de wasmand… Nee. Ik rook even: het uniform stonk inderdaad behoorlijk naar kruitdamp. Even een nachtje laten weken. Terug naar de badkamer, het pak in het bad, wat wasmiddel erbij en de lauwe kraan er op. Vanavond en vannacht geen geile, natte badspelletjes, Kees. Het is niet anders. Een nette broek, wit overhemd met stropdas en een colbertje lagen op bed. Zwarte schoenen en sokken. Nounou, mevrouw wilde blijkbaar een nette vent naast zich. Even een verschil met die ‘soldaat’, zoals dat studentje in Wageningen me had genoemd.
Wát een knul… Verschoten T-shirt, vale broek en blote voeten op slippers. Maar blijkbaar vond hij zichzelf een hele bikkel door de portier van Mel en Claar uit te hangen. Haha… Zoals Claar zou zeggen: ‘Daar moet wel een vént voor komen. En geen gevulde koek!’ Misschien had ze het wel eens tegen ‘m gezegd. Op dat venijnige toontje van haar, als ze pissed-off was… Al mijmerend gingen mijn kleren aan. Oh ja, ook nog tanden poetsen en scheren. Voor de stropdas en het jasje aan gingen, anders kwam er wellicht een klodder tweedehands tandpasta of gebruikt scheerschuim op m’n goeie goed, en waren de rapen gaar. Ook nog maar wat aftershave op doen; wellicht kreeg ik mevrouw Jonkman dan in een goed humeur… Netjes uitgedost liep ik de woonkamer in. Joline zat op de bank; die had zich ook omgekleed!
Haar haren in de bekende dikke staart, asymmetrisch op haar hoofd en over haar linkerschouder hangend. Subtiel opgemaakt. Een witte blouse, rood rokje en haar lange benen in nylon. Schoentjes die ik niet kende, maar wel kon waarderen: een soort pumps, maar met open teen en hoge, spitse hak. “Hé schoonheid… Wat zie jij er weer prachtig uit. Vanwaar deze schitterende outfit?” Ze klopte op de bank naast zich. “Kom eens hier jij…” Ik ging naast haar zitten en ze kroop op mijn schoot. “Vanwaar deze outfit? Omdat ik meer dan smoorverliefd ben op mijn eigen vent. Een vent waar ik gisteren van Mel weer eens wat andere verhalen over hoorde en een vent die ik vandaag bezig heb gezien met één van de dingen waar hij enorm goed in is.” Ze keek me ondeugend aan. “En een vent die ik vanavond graag bezig zie en voel met een van de andere dingen waar hij enorm goed in is: Jolientje verwennen.” Ze kuste me lang en intiem, toen liet ze los. “Toen ik uit die toren naar beneden wilde gaan, na het schieten, en die sergeantmajoor Stephan een hand gaf zei hij nog: ‘Mevrouw… Ik doe dit werk nu ruim drie jaar hier. En ik heb aardig wat schutters langs zien komen. Klunzen, lui die bang waren, macho’s die de wereld wel eens een poepie zouden laten ruiken, en ‘stille Willies’: lui die weinig zeggen, maar enorm goed schieten. Uw man valt in de laatste categorie. Zelden een vent gezien die zó met een AX om kan gaan. En hij is nog wel reservist… Geef hem uit mijn naam een enorm compliment.’ En toen glimlachte hij even en zei: ‘Maar daar zult u uw eigen maniertjes wel voor hebben, denk ik…’ Daarna kon ik even niks zinnigs meer uitbrengen en hij moest ook lachen. Dus bij deze: een enorm compliment van sergeant-majoor Stephan.”
Ze kuste me weer en haar tong drong in mijn mond. Even later, toen ze me losliet zei ze: “Ik geloof dat jij wel blij bent dat Stephan je die complimenten niet zelf gaf, Kees.” Ik knikte. “Inderdaad. Want dan had ik wellicht óók die smerige koffie van hem geproefd. Geen trek in, schat.” Ze keek smerig en zuchtte. “Mánnen…” Even zaten we nog te vrijen, maar toen liet mijn maag luidruchtig weten dat hij nogal leeg was. “Ehh… schat: hoorde jij wat ik hoorde?” Ze knikte. “Ja. Een rommelende maag. Was dat broodje worst niet voldoende?” “Voor toen wel, schoonheid, maar ondertussen zijn we bijna vijf uren verder. Ik heb trek.” Joline stond op. “Dan ga ik eens koken. ten slotte heb ik alleen maar met Mel zitten beppen en voor de rest met mijn derriere op een stoel in een toren gezeten en getracht een kop smerige koffie weg te werken. Zin in pasta?” Ik knikte. “Lekker!” “Mooi. Dan mag jij even ontspannen. Over een half uurtje is het eten klaar.” Ik pakte het kleine stapeltje post en keek het door. Een bankafschrift, het tijdschrift ‘De Ingenieur’ en de ‘Checkpoint’, het maandblad voor Veteranen. Eerst het bankafschrift maar… Het salaris was gestort, maar dat wist ik al.
De premies voor de zorgverzekering waren ook al afgeschreven; alsof meneer Univé het wist: die afschrijvingen kwamen altijd 2 of 3 dagen na het salaris. Ik had jaren lang nogal lopen mopperen op de zorgverzekering. Ik had nauwelijks zorg nodig gehad in de afgelopen jaren. Ja, één keertje na een ongevalletje tijdens de verbouwing was ik naar de huisarts geweest. Die had de wond ontsmet, er een verband omheen gedraaid en gezegd: ‘Als de huid rondom rood wordt, houdt dat een infectie in, meneer Jonkman. Dan verwacht ik u hier terug. Als dat niet het geval is: om de dag het verband vernieuwen, dat kunt u nu zelf en als de wond dicht is, mag het verband er af.’ En na tien minuten hinkte ik weer naar buiten… Voor de rest: geen medische zorg nodig gehad. En toch schreef Univé elke maand ruim 200 Euro af. En toen Joline en ik getrouwd waren ruim 400 euro. Verdomme…
Die attitude bleef totdat wij Rogier ontmoetten en een diepere kijk kregen in de wondere wereld van een ziekenhuis. En beseften dat het systeem van ziektekostenverzekering uitging van het ‘loyaliteits-beginsel’. Iedereen betaalt mee, of je nou gezond bent of niet. En ja, dat hakt er bij gezinnen die van een minimumloon moeten rondkomen hárd in. Zeker als je dure medicijnen nodig hebt, waardoor je elk jaar ook nog eens je eigen risico op moet hoesten. Maar als je kijkt naar wat je er voor terugkrijgt, mócht je een ongeval krijgen of ernstig ziek worden… Nederland had nog steeds een van de betere ziektekostensystemen in de wereld. Kijk naar de USA; ondanks Obamacare werd je financieel gewoon uitgekleed als je in een ziekenhuis terecht kwam. Mensen gingen failliet aan ziektekosten. Recent hadden we een verhaal gelezen over een man die een ongeval had gehad, was opgelapt in een ziekenhuis, de rekening daarvan kreeg en prompt zelfmoord pleegde. Niet bepaald een reclame voor het geneeskundig systeem in de USA…
Maar goed, genoeg gefilosofeerd over ziektekostenverzekeringen; op het afschrift stonden ook de hypotheek, afrekeningen van de supermarkt, Joline haar collegegeld, tankbeurten van zowel de Volvo als de Mini, overschrijving naar de spaarrekening… En uiteindelijk bleef er onder aan de streep nog voldoende over om van te leven. In redelijke luxe te leven zelfs. Ik keek even voor me uit en besefte weer eens dat Joline en ik het in materieel opzicht zéér goed hadden. Per maand kwam er nu iets meer dan elfduizend euro binnen. Toen ik nog alleen woonde was dat 6.500 euro, maar nu met Joline’s salaris erbij… Op de spaarrekening stond nu bijna 100.000 euro, de hypotheek was voor bijna de helft afbetaald en als we ons appartement nu zouden verkopen, zouden we een enorme winst boeken, dankzij twee jaar hard buffelen om van een ‘onverklaarbaar bewoonde woning’ en fatsoenlijk appartement te maken. Maar ja… Dan moest er wel een ander huis voor in de plaats komen, en die waren ook niet goedkoop… Genoeg financieel gemijmer, Kees! Ik borg het afschrift op in het bankmapje en maakte ‘De Ingenieur’ open.
Mocca kwam op het geritsel van plastic af. “Hé brave hond… Denk jij dat er wat te vreten is? Mooi niet jochie…” Ik aaide hem even en met een zacht knorretje ging hij tegen mijn been aan liggen. Mooie hond… In ‘De Ingenieur’ stond een interessant artikel over de conservering van de ‘IJsselkogge’. Een middeleeuws zeilschip wat bij Kampen in de IJssel gevonden was en nu tentoongesteld was in Lelystad, bij de Batavia. Al lezend verwonderde ik me. Een ander scheepswrak was met PEG (Polyetyleenglysol) geconserveerd. En deze kogge hield men alleen maar nat? Vreemd… De Wasa, dat Zweedse oorlogsschip wat in Stockholm tentoon was gesteld, had men ook compleet met PEG geconserveerd. Waarom deze kogge dan niet? Uiteindelijk bleek dat men het schip onder gecontroleerde omstandigheden wilde drogen. Dus: regelmatig besproeien met water, maar in de loop van jaren het sproeien steeds iets verminderen. En sommige delen inderdaad met PEG conserveren… Een ander artikel: een interview met een Britse hoogleraar robotologie over het beslisvermogen van computers. Zijn stelling: laat de machine nooit cruciale beslissingen nemen. Als voorbeeld gebruikt hij een mijnenruimrobot in Irak versus een robotstofzuiger. De soldaten vonden het ‘zielig’ als de mijnenruimrobot tóch opgeblazen werd door een explosief. Ik had daar wel enigszins beeld bij: als militair hecht je je aan uitrustingsstukken. Mijn AX in Bosnië was inderdaad ‘mijn’ AX. Niemand anders mocht daar aan komen. Mijn YPR in Bosnië was ‘mijn’ bak. Als hij door een andere groep of chauffeur gebruikt werd, ging ik daarna het voertuig altijd inspecteren en desnoods helemaal schoonmaken. En als de andere chauffeur iets had gemold of een andere groep de YPR niet had opgeruimd, kon de dader of de daders rekenen op een onvervalste tirade van korporaal Jonkman. Meestal met daarna een uitbrander van de pelotonssergeant.
Nee, laat het nemen van belangrijke beslissingen alsjeblieft aan mensen over. Ook in het verkeer. Zelfrijdende auto’s… Zolang de hard- en software nog niet vrij van kinderziekten was: niet doen! Ja, elektronica reageerde sneller dan de mens en was in bepaalde opzichten bijzonder nuttig. Neem ABS als voorbeeld. Je wilt remmen, de wielen slippen door en de software schakelt ABS in. Prima. Maar een auto die zelf de beslissingen nam in gecompliceerde verkeerssituaties? Hoezeer ik ook de techniek een warm hart toedroeg: nee. De ‘adaptive cruisecontrol’ in de Volvo bleef bij mij uit. Té vaak zag ik de remlichten van de wat duurdere auto’s oplichten terwijl daar helemaal geen aanleiding voor was: de ACC greep in omdat een of andere chip in de auto iets gevaarlijk vond. Gevolg: de vent er achter trapt ook op z’n rem en die daarachter ook. Enzovoort. En voor je het weet heb je een ‘spookfile’. Of in ergere gevallen: een kettingbotsing…
“Kees! Waar zit je met je gedachten?” Ik keek op. Joline zat al aan de bar, twee dampende borden voor zich, mij vragend aankijkend. “Sorry schat… Technische bubbel.” Ik stond op en ging naast haar zitten. Na een moment stilte zei ze: “Eet smakelijk. Ik hoop die bubbel een beetje geknapt is, anders heb ik voor niks m’n best gedaan in de keuken.” Ik nam een hap macaroni. “Hiermee kun jij mijn bubbel erg snel doorbreken, schat. Lekker!” Ze keek tevreden. “Mooi. En waar zat jij over te prakkezeren?” Ik vertelde het haar, eindigend met de zelfrijdende auto.
“En dat vind jij niks? Als techneut? Sjonge, er is nog hoop voor de mensheid…” Ze lachte me, tussen twee happen door, uit. “Voor het geval het ooit in onze familie eens ter sprake komt: jouw grote broer Rob is het voor honderd procent met me eens.” Ze snifte. “Ja, logisch. Als er ooit een ‘zelfdenkende machinekamer’ komt, is hij zijn bestaansreden kwijt. Geen zuigerveren meer om te checken, geen injectoren die gekalibreerd moeten worden, geen schroefaslagers die nagelopen moeten worden of al die andere oh, zo belangwekkende zaken waar de 1e Machinist zijn aandacht aan moet wijden.”
Ik gniffelde. “Klopt. Dan kan hij zijn onverdeelde aandacht wijden aan de robotstofzuiger op de brug, die het plotseling niet meer doet, waardoor het brugpersoneel helemaal van de leg door gaat en de schuit te pletter dreigt te lopen op de rotsen van Land’s End… Héél belangrijk natuurlijk.” Een diepe zucht klonk er naast me. “Jouw technische fantasie gaat weer eens met je op de loop… Zal ik je eens vertellen waar Mel en ik ons mee bezig hebben gehouden, de afgelopen twee dagen?” “Nou, het gebeuren overdag boeit me niet zo veel; de avond en de nacht des te meer…”
Even keek ze me serieus aan. “Nee, daar hebben we ons niet mee bezig gehouden, meneer Jonkman! Ja, we hebben in bed lekker tegen elkaar aan gelegen en af en toe elkaar een knuffel gegeven, maar verder zijn we niet gegaan. Echt, Kees… Claar, Mel en ik hadden een afspraak. En daar houden we ons aan, goed begrepen?” Ze keek nu écht serieus. “Sorry schat. Ik zat je te plagen.” “Mel en ik hebben hele serieuze gesprekken gehad, schat. Over ons huwelijk, over haar relatie, over Claar en Ton…”
Iets in mij sloeg alarm. “Er is toch niks loos, hoop ik?” Joline schudde haar hoofd. “Nee schat, integendeel. Hun relatie is net als bij ons alleen maar dieper geworden. Alleen… Mel en Claar willen samen trouwen. Net als Fred, Wilma en wij. En de zussen Boogman. Maar Ton ligt een beetje dwars. Die wil in feite zo snel mogelijk trouwen, nog voordat Claar en Mel zijn afgestudeerd. De reden? Er zijn tekenen die erop wijzen dat zijn eenheid over een half jaar wordt uitgezonden naar Mali. En Ton wil trouwen voor hij uitgezonden wordt. Claar is daarop tegen, Mel en Rob ook. En dat gaf nogal wat fuzz tussen Rob en Ton. Kwam er deze week uit.”
“Fuzz? Ruzie dus?” Joline knikte. “Ja. Ze hebben elkaar niet de hersens ingeslagen, maar er zijn wel pittige woorden gevallen. Dusdanig pittig dat mijn broertjes nu even niet met elkaar communiceren. Rob heeft letterlijk tegen Ton gezegd dat hij een egoïstische eikel is. En dat wel of niet trouwen voordat hij op missie gaat geen lor uitmaakt. Maar Ton zei dat hij het fijn zou vinden als Claar zijn achternaam draagt als hij weg is. Als hij zou sneuvelen zou Claar in aanmerking komen voor een weduwenpensioen van Defensie.” Ik lepelde in gedachten mijn laatste happen macaroni naar binnen.
Toen keek ik Joline aan.
“Dat van die naam… daar kan ik me iets bij voorstellen. Maar van dat weduwenpensioen? Wat een kontverhaal. Sowieso is dat niet bepaald vetpot, ondanks dat Ton luitenant is, maar Claar is straks, met haar bul op zak méér dan in staat om goed voor zichzelf te zorgen. Er is gierende behoefte aan goeie biologen. En bovendien, en dat is natuurlijk wel héél ver in een donkere toekomst kijken: als Claar na een paar jaar een andere vent tegen het lijf zou lopen met wie het zo goed klikt dat ze gaat trouwen, is ze dat weduwenpensioen meteen kwijt. Defensie is niet helemaal gek, schat.” Joline speelde met het beetje macaroni op haar bord, zonder er van te eten.
“Daar hadden Mel en ik niet eens over nagedacht, Kees. Maar… Wat doen we er mee? Mel, Claar en Rob zijn het met elkaar eens; Ton heeft er veel moeite mee als Claar niet met hem wil trouwen zonder Mel en Rob.” Ik blies langzaam uit. “Wat een sukkel. Hij wéét toch dat die meiden aan elkaar hangen als dunne secondelijm?” “Ja, dat weet hij. Maar juist dat maakt het niet simpeler.” Ik dacht snel na. “Jolien… Claar en Ton zijn in Oirschot hé?” Ze knikte. “Dan bellen we ze op en nodigen hen vanavond hier uit om dit te bespreken. Desnoods met een vloekpartij, maar dit moet de wereld uit. Ton z’n argument van dat weduwenpensioen slaat nergens op.” Joline keek aarzelend. “Wil jij dat Ton en jij ook even niet meer met elkaar praten?” Ik schudde mijn hoofd. “Nee. Ik wil mijn zussen gelukkig zien. En Ton kan dat voor elkaar boksen. Als hij persé wil trouwen voor zijn vertrek… Dat wordt geen leuke bruiloft, Jolien.”
Ik pakte mijn telefoon en belde Ton.
Hij keek blijkbaar niet op zijn display, want hij nam op met: “Met Boogers.”
“Hé Ton, Kees hier. Bel ik gelegen?”
“We zijn aan ’t eten, Kees en die lasagne is nu nog warm.”
“Mooi, geniet er van. Korte vraag: kunnen jullie vanavond bij ons een bak koffie komen drinken? Volgens mij moet er wat uitgepraat worden tussen Rob en jou. En mijn lieve, onschuldige zusjes hebben er ook mee te maken.”
“Ik heb even geen behoefte om Rob te zien, Kees.”
“Dat snap ik, daar nodigen wij ook alleen maar jou en Claar uit. Geen zin om mijn huiskamer te veranderen in een boksring.”
Ondanks alles grinnikte hij. “Is goed. Hoe laat?”
“Zodra jullie de afwas klaar hebben. Zo veel zal het niet zijn.”
“Dan staan we met ongeveer drie kwartier op jullie bel te rammen, Kees.”
“Mooi. Dan hebben wij de koffie klaar. Tot zo.”
Ik verbrak de verbinding en keek Joline aan. Die giebelde even. “Het ging nog nét niet in de opdrachtsvorm, Kees. Het viel me mee dat je niet met je rang gesmeten hebt.” “Dat doe ik tegen hem alleen bij een geintje, Jolien, dat weet je ook wel.” Ze legde haar hoofd even op mijn schouder. “Ik hoop dat we hem kunnen overtuigen, schat.” “Daar kun jij volop aan meedoen, beauty. Jij hebt meer krediet bij hem dan ik. Ik wil je wel waarschuwen: bij Ton met je rokje spelen heeft waarschijnlijk een averechts effect. En Claar gaat daar ook iets van vinden, denk ik.” Ze giebelde. “Nou, als jouw argumenten niet helpen, ga ik het een keertje proberen, oké? Nee heb je, ja kun je krijgen.” We lepelden de laatste happen macaroni naar binnen, werkten de afwas weg en ik zette koffie. Wonder boven wonder hadden we nog een onaangebroken verpakking koekjes in huis.
Mocca drentelde om ons heen, in afwachting van zijn brokken. Toen die in zijn voer-labyrint lagen, kon hij ook eten. “Zo. En nu maar wachten op het jonge paar…” Dat duurde niet zo lang; 35 minuten na het telefoongesprek ging de bel en even later stonden ze binnen. Ton was op zijn hoede, dat was te zien. En Claar was ook niet in haar normale doen. Ik schonk de koffie in, Joline vertelde wat ik gedaan had de afgelopen dagen.
Ton keek me aan. “En? Was je nog een beetje current?” Joline gaf het antwoord, door de uitspraak van Stephan te herhalen. Ton stak z’n duim op. “Ik heb een paar maanden geleden ook een met een AX geschoten, maar ik bakte er boven de 600 meter niet zo veel van, Kees. Geef mij maar een Colt, daar kan ik prima mee overweg, maar zo AX… Veel te lang en te zwaar voor mij. Maar daar zitten we hier niet voor, volgens mij.” Hij keek me recht aan. Typisch Ton: meteen de koe bij de horens. Net als toen hij Claar om verkering vroeg...
“Ton, Mel heeft Jo verteld van jullie dilemma. En Jo heeft het een uurtje geleden aan mij verteld… Dus ik heb het uit de tweede en derde hand. Vertel jij nu eens waarom je nog voor een eventuele missie met Claar wil trouwen. Recht voor z’n raap, Ton.” Hij keek eerst naar Clara en knipoogde. Zij lachte lief terug. Gelukkig; het zat tussen die twee goed. “Nou, in feite drie redenen, Kees en Jolien. Allereerst: ik ben helemaal gek op Claar. Maar dat wisten jullie al lang…” “Ja, ongeveer vanaf het moment dat je een schaal met hapjes uit je handen liet vallen, op drie pas afstand van waar je nu zit… Ga door!” Clara giebelde. “Bengel was er blij mee, Kees.”
“Ten tweede: ik zou het heel fijn vinden als Claar mijn achternaam draagt als ik weg ben. Dan voel ik me zekerder.
En ten derde: mocht ik sneuvelen, dan krijgt Claar ten minste een weduwenpensioen van Defensie en staat ze niet met lege handen. Dát zijn mijn beweegredenen, Jolien en Kees.
En toen ik die in Berg en Dal aan Rob vertelde heeft hij me uitgevloekt en gezegd dat ik een enorm egocentrische klootzak was. En een minuut later was ik wég. Woedend.” Hij zuchtte. “Niet de beste reactie, maar als ik gebleven was, was het een vechtpartij geworden, Kees.” Ik knikte. “Verstandige beslissing, dat ten eerste. Maar Ton… Vanaf het moment dat Jo en ik onze trouwplannen bekend maakten, zeiden Mel en Claar dat zij op dezelfde manier wilden trouwen als Fred, Wilma, Jolien en mij: met z’n vieren. Hoe het overigens met de bruidssuites zou zitten bij jullie, dat is nooit een discussiepunt geweest waar wij bij waren…”
Clara keek me donker aan. “Gaat je ook niks aan, broertje!” Ton gniffelde kort, werd toen weer serieus. “Ja, dat wist ik. En dat was nooit zo’n issue, totdat ik twee weken geleden hoorde dat mijn compagnie wel eens in Juni richting Mali zou moeten gaan. We zijn dan opgewerkt. Toen werd het voor mij wat tastbaarder, zeg maar. En die afspraak over met z’n vieren trouwen… Kijk, en dat weet jij net zo goed als ik, Kees: op het moment dat je voor een missie staat, moeten er dingen verschoven worden. Wijken. Overgaan op plan B. Dit dus ook. Ik was er ook niet blij mee, maar rationeel en financieel gezien is het voor Claar het beste.”
Ik keek naar Clara. “Rationeel en financieel wel ja. Maar emotioneel? Claar?” Die ontweek mijn ogen en zweeg. Joline ging naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen. “Hé zus… Zeg eens hoe jij er over denkt…”
Claar keek Ton aan. “Je hebt het me nooit gevraagd, schat. Je kwam op een gegeven moment thuis en dumpte het tijdens het eten. En vlak daarna moest ik weg naar Wageningen. En die avond heb ik een uur lang op bed liggen janken…” Hij schrok. “Dat heb je me nooit verteld! Waarom?” Nu keek Clara hem recht aan. “Omdat je hiermee een heel mooi gebaar de vernieling in hielp. Een gebaar wat wij als zussen hadden besloten. Je gooide het gewoon opzij, walste er overheen alsof het een grap was van twee pubermeiden… Ton: Mel en ik zijn hier bloedserieus over. Wij zijn altijd bij elkaar geweest. Vanaf onze geboorte tot nu toe. Hebben vanaf de middelbare school bijna nooit ruzie gehad. We deden dingen sámen. En dat willen we met ons trouwen bestendigen. Sámen trouwen. Met twee enorm fijne mannen. Rob net zo goed als jij. Het zou voor mij, voor Mel én voor Rob een enorme domper zijn als je dit plan door wil zetten…”
Ze aarzelde even, maar tilde haar kin op en zei: “Ik denk niet dat ik op die bruiloft aanwezig zal zijn, Ton.” Hij werd wit. “Maar Claar… Je hebt gezegd dat je met me wilde trouwen! En nu…” Clara had duidelijk zichzelf herpakt. “Ja. En dat wil ik nog steeds, Ton. Maar niet omdat ik er dan financieel ‘beter voor sta’. Dat zal me een zorg zijn. Mel en ik gaan samen trouwen, net als die vier gekken daar aan de muur…” Ze wees naar de foto van Wilma, Fred, Joline en mij. “Als jij dat anders wilt, wordt er niét getrouwd, luitenant.”
Ton ademde diep in. “Je zet me zo wel zwaar onder druk, Claar…” Haar stem werd scherper. “Degene die begon te pushen ben jij, schat. Jij dropte dit voorstel en gaf me nauwelijks gelegenheid om te reageren. Je deed het vlak voor ik weg moest en dat wist je. En dat vond ik een kutstreek, dat mag je best weten. Ik hou van je, ik wil dolgraag met je trouwen, maar houd alsjeblieft rekening met mijn wensen. En die van Mel. En als jij in Mali bent, of waar dan ook ter wereld: het maakt mij geen drol uit of ik al dan niet met je getrouwd ben. Jij bent van mij, ik ben van jou. Daar doet een trouwring niet aan af.”
Ton keek mij aan. “Jij bent dit circus begonnen, Kees. Zeg jij er eens iets van.” “Nee makker. JIJ bent dit circus begonnen. En om even rationeel te zijn: Dat weduwenpensioen wat Claar zou krijgen als jij Mali zou sneuvelen… Denk je dat ze daarop zit te wachten? Hou toch op. Da’s gebaseerd op je rang en je dienstjaren, NA je aanstelling als officier. En hoelang is het geleden dat je op de appélplaats van de KMA je baret de lucht in gooide? 3 jaar? 4 jaar? Dan levert het Claar een paar honderd euro in de maand op. Meer niet. Niet de moeite om zoiets belangrijks als een pracht bruiloft met 2 broers en twee zussen aan op te offeren, vriend.
En natuurlijk: ik begrijp dat je het fijn zou vinden als die rooie naast je ‘Boogers’ van haar achternaam zou heten als jij in Verweggistan zit. Maar voegt dat fundamenteel iets toe aan jullie relatie? Eerlijk antwoorden, Ton.” Hij zweeg en Clara’s hand kroop in de zijne. Na een minuut keek Ton op. “Verdomme… Nee natuurlijk maakt dat niets uit. Wij horen bij elkaar, dat wist ik meteen al na die schaal hapjes… Kom hier, trut!” Hij trok Claar naar zich toe en kuste haar.
Joline wenkte me met haar ogen. Ik liep achter haar aan naar de slaapkamer en ze deed de deur dicht. “Even privacy voor die twee, Kees. Hebben ze nodig. Mocca waakt wel over Claar d’r maagdelijkheid. Dan kunnen wij ook een voorproefje nemen op vanavond.” Ze trok me tegen zich aan en kuste me. Toen ze losliet keek ik in twee zachte, blauwe ogen. “Mooie vent…” “Jij ook, schat. Jij was een grote steun voor Claar. Volgens mij heeft ze nooit tegen Ton durven zeggen dat, als hij zijn plannen doorduwde, er geen bruiloft plaats zou vinden. Nu, met jou naast zich, wel. Hartstikke goed van je.”
“Claar is ook mijn zus, Kees. Net als Mel. Die help ik.” Ze giebelde. “En als ik dat moet doen door m’n eigen broertje terecht te wijzen… Ach, dat heb ik al zo vaak moeten doen…” Ik schoot in de lach. “Je bent een arrogant krengetje, Jolientje. Wat denk je? Zullen we kijken of we de huiskamer weer kunnen betreden zonder een schoen naar ons hoofd te krijgen?” Ze knikte. “Nog één zoentje, lover…” Het werd een lange zoen. Totdat Joline me van zich afduwde. “Nu stoppen, schat. Anders horen we de voordeur dichtgaan en vinden we een briefje op tafel met de tekst: ‘Toen we allerlei kreuntjes uit de slaapkamer hoorden, zijn wij maar naar Oirschot gegaan… C&T.’
Ze klopte aan en Claar antwoorde. “Kom maar binnen hoor. Het is jullie huis.” Beiden zaten nog steeds op de bank, armen om elkaar heen. Ton keek ons aan. “Dank jullie wel. Voor het rationele deel, maar ook voor de steun aan Claar. Ik was een egoïstische eikel.” Clara zei niets, maar stond op en omarmde Joline. En daarna mij, terwijl Jolien Ton overeind trok en kuste. Als laatste gaf Ton mij een hand. “Dank, Kees.” “Geen dank, makker. Ik wilde even jouw zwagerschap veilig stellen.” Hij glimlachte. “Doe je goed aan. En nu ga ik mijn grote broer bellen.” Hij haalde zijn telefoon uit zijn zak.
“Rob? Ton hier…”
Rob klonk behoedzaam. “Dat zag ik al. Wat heb je op je lever?”
“Ik wilde je vertellen dat Claar en ik zojuist hebben besloten dat wij, jij, Mel, Claar en ik met z’n vieren gaan trouwen, broer. Op een datum en plaats waar we het allemaal over eens zijn.”
Rob had zijn telefoon ook op speaker staan, want op de achtergrond hoorden we een gil van Melissa. “Goed om te horen, Ton. De zuster doet hier een rondedansje in de kamer.” Misschien doen wij dat ook wel, broer. Ik zal Kees vragen om de Radetszkimars op te zetten. Kan ik mijn zusje weer eens in haar billen…”
Joline hief haar hand op. “Niks ervan, Ton Boogers! Dat doe je maar bij je eigen meisje.”
“Jullie zitten bij Jo en Kees?”
“Ja. Ik heb op een hele nette manier weer eens op m’n flikker gekregen.”
“Soms wel eens nodig bij jou… Luitenant!”
Mel’s stem kwam nogal duidelijk door, die zat nu ook vlakbij de telefoon.
“We wilden jullie dit meteen mededelen Rob. En Mel. Niet meer over piekeren; we gaan trouwen wanneer we er allemaal klaar voor zijn, oké?”
“Goed plan, Ton. En ik schat dat jullie zo dadelijk afscheid gaan nemen en dan als de wiedeweerga richting jouw flatje gaan?”
“Je brengt me op ideeën, Rob…”
“Dank voor dit telefoontje, Ton. Ik zat er best mee.”
“Wij ook, Rob. Maar nu niet meer. Doei!”
Hij verbrak de verbinding en keek ons aan. “Zo. Ook in Berg en Dal zijn er twee lui wat gelukkiger.” “Ook in Veldhoven, hoor”, zei Joline. “Nog een bak koffie?” Claar keek ondeugend. “Doe maar niet. Ik vond de suggestie van Rob wel een goeie: als de wiedeweerga naar Oirschot. En laat de buurvrouw maar de driedubbele touwtering krijgen. Als ze weer klachten heeft over lawaai ’s nachts, zal ik eens écht lawaai gaan maken…” Claar keek gemeen. “Midden in de nacht, zo rond een uur of drie het bed even laten schudden. Héél regelmatig…”
Ton pakte haar hand. “Mee jij. Ik wil wel meedoen om dat bed te laten schudden. Héél veel zin in, schatje.” Claar giebelde. “Dat zal best. De laatste twee weken is het er niet van gekomen.” Joline keek ondeugend. “Dus jij krijgt de productie van twee weken in één keer? Lekker, meid…” Ik trok aan haar staart. “Hé! Niet zo direct informeren naar… Nou ja, laat maar.”
Claar ging vlak voor me staan. “Kees… Hoe zie ik er uit?” Ik bekeek haar uitgebreid. “Ik zie een redelijk nette spijkerbroek, platte schoenen, een bloes met een stevige trui er overheen, mooie rode haren om een niet opgemaakt gezicht… Uiterst degelijk, Claar. Je valt me niks tegen. Ik heb je wel eens uitdagender gezien.” Ze kneep in mijn neus. “Dat gaat zo dadelijk veranderen, broertje.” “Goed zo, schat.” Ik kuste haar, gaf Ton een harde hand en duwde hen richting deur.
“Eruit jullie, anders hebben wij alsnog verdachte vlekken op het behang in de hal!” Joline trok een smerig gezicht. “Hé! Hou eens op met die vieze gedachtenkronkels van je…”
Even daarna zagen we de auto van Ton wegrijden van de parkeerplaats. “Pfff… Weer een inspannend dagje hoor. Zó lig je te schieten en even later ben je bezig als huwelijksmakelaar… Dát stond niet in de kleine lettertjes.” Naast me klonk: “De dag is nog niet om, Kees Jonkman…” Joline trok haar rokje iets op en ik kreunde. “Oh nee, ook dát nog…”