78.915 Gratis Sexverhalen
A+ - a-

πŸŽƒπŸ§‘πŸ‘» De Zeven Deuren Van Heksenbosch πŸŽƒπŸ§‘πŸ‘»

Door: Elite_12

Datum: 31-10-2026 | Cijfer: 9.5 | Gelezen: 106
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 47 minuten | Lezers Online: 5
Trefwoord(en): Feest, Halloween,

De herfstwind blaast droge bladeren over de stoep van de Bloemstraat terwijl Tom de ritssluiting van zijn geleende overall tot onder zijn kin optrekt. Het ding ruikt naar andermans kast β€” naftaleen en iets chemisch, wasverzachter van een merk dat hij niet herkent. Op zijn borst zit een geprint logo: Ghostbusters, met een slordig geverfd protonpack op zijn rug dat hij die ochtend in elkaar heeft geflanst met stukken karton en zilverkleurige tape. Het wiebelt met elke stap. Saskia staat naast hem bij de voordeur van hun etage, haar vlecht β€” die ze die middag zelf heeft gevlochten, strak en dik als een touw β€” hangt over haar linkerschouder. Ze draagt een groene jurk die ze bij de kringloop heeft gekocht, te kort, te wijd, en een hoofdband met twee kartonnen oren die ze met eyeliner heeft gespot. Catwoman, zegt ze. Katwoman, verbetert ze. Het maakt niet uit. Het is Halloween en alles mag.

"We zijn te laat," zegt Tom. Hij kijkt op zijn telefoon. Het scherm licht op β€” 22:17. Het feest bij Daan en Lieke begon om negenen en de route die Maps voorstelt is achttien minuten lopen door wijken die ze niet kennen.

Saskia trekt haar jas aan over het kostuum, wat het hele effect ruΓ―neert, maar het is acht graden en ze is niet van plan te bevriezen voor een themafeest. "Dan zijn we te laat. Het is een feest, geen trein."

"Waar is het ook alweer?"

"Slachthuisstraat. Nee β€” Slagthuyslaan. Zoiets." Ze tuurt op haar eigen telefoon, tikt met haar duim, draait het scherm naar hem. "Hier. Achttien minuten."

Tom stopt zijn telefoon in de borstzak van zijn overall en trekt de riem van zijn protonpack aan. Het karton kraakt. "OkΓ©. Gaan."

Ze lopen. De straten van de binnenstad zijn vol met kostuums β€” zombies met sjofele pakken en te veel nepbloed, een groepje verpleegsters met bloedvlekken op hun witte jurken, een man in een bananenkostuum die tegen een lantaarnpaal leunt en een sigaret rookt. Ergens vandaan klinkt muziek, gedempt door bakstenen muren. De lucht ruikt naar bier en gebrande suiker en de scherpe, chemische geur van rookbommen die iemand eerder heeft afgestoken. Saskia's hakken β€” geleende, te hoog, zwart glanzend β€” klikken op de kinderkopjes. Ze houdt Toms arm vast, niet uit genegenheid maar omdat de stenen ongelijk zijn en haar enkels het dreigen op te geven.

"Linksaf hier," zegt Tom. Hij kijkt naar zijn telefoon, dan naar de straatnaam op de geel oplichtende straatnaambord. "Kloosterstraat. Dan rechtdoor."

Maar de Kloosterstraat splitst zich na honderd meter β€” een T-kruising zonder duidelijke markering, de straatnaambordjes bedekt met Halloween-stickers en graffiti. Tom tikt op zijn scherm. De kaart laadt niet. De wifi-indicator knippert, verdwijnt, verschijnt weer. "Ik heb geen bereik hier."

"Ik ook niet," zegt Saskia. Ze draait haar telefoon in haar hand, houdt hem omhoog als een kaars. EΓ©n streepje, dan niks. "Gewoon rechtdoor toch? Dat moet uitkomen op de Slagthuyslaan."

Ze kiezen rechts. De straat wordt smaller. De huizen hier zijn ouder β€” zeventiende-eeuwse gevels met trapgevels en zware eikenhouten deuren waar de verf afbladdert. Lantaarns branden, maar het licht is orangerig en zwak, alsof de lampen zelf moe zijn. Er hangt mist β€” niet dicht, niet dun, precies genoeg om de randen van de gebouwen te vervagen en de afstand te laten lijken alsof de straat langer is dan hij kan zijn. Ergens blaft een hond, één keer, en dan stilte.

"Hier is het stil," zegt Saskia. Ze laat Toms arm los. Haar handen gaan naar de revers van haar jas en ze trekt die strakker om zich heen. De groene jurk eronder is nu nauwelijks zichtbaar. Alleen de kartonnen oren steken boven haar hoofdband uit.

Tom kijkt achterom. De straat die ze net hebben verlaten is er nog, maar de bocht lijkt scherper dan hij was, alsof de gevels zich een fractie hebben gedraaid. "Het is Halloween. Iedereen is binnen."

Ze lopen door. De straatnaambordjes zijn onleesbaar β€” niet besmeurd, maar de letters zijn in een lettertype dat ze niet herkent, of een taal die ze niet kunnen plaatsen. Het Nederlands lijkt erop, maar de letters buigen op manieren die niet kloppen. "Helleweg," leest Saskia hardop. "Is dat een naam of een waarschuwing?"

"Een straatnaam, Saskia. Het is gewoon een straatnaam."

De Helleweg leidt naar een plein dat ze niet kent. Het is niet groot β€” misschien twintig meter in doorsnee β€” maar het is geplaveid met donkere stenen die glimmen alsof ze nat zijn, hoewel het niet heeft geregend. In het midden staat een fontein die niet stroomt. Het water staat stil, zwart, en er drijven bladeren in die niet van deze herfst lijken β€” te groot, te donker, de nerven verkeerd. Aan de randen van het plein staan huizen met dichte luiken, maar op de eerste verdieping brandt overal licht. Oranje licht. Hetzelfde oranje als de lantaarns, maar intenser, warmer, alsof achter de ramen vuren branden.

Er staat een bordje bij de fontein. HOUTEN letters op een zwart bord: WELKOM IN HEKSENBOSCH.

"Heksenbosch?" Tom draait zich om, langzaam, een volle driehonderdzestig graden. De straat waar ze vandaan kwamen is er nog. De huizen kijken op hen neer. "Dat is hier niet. Dat is in Brabant of zo."

"Of het is een themawijk," zegt Saskia. Ze loopt naar de fontein, buigt voorover, kijkt naar haar eigen spiegelbeeld in het stille water. Haar vlecht hangt naar voren en raakt het wateroppervlak. Ze trekt snel terug. Het water klotst β€” een geluid dat te luid is voor zo'n kleine aanraking, alsof er iets onder het oppervlak is weggedoken. "Iemand heeft hier een hele wijk in Halloween-stijl ingericht. Dat doen ze in Amerika ook. Hallo, saai, maar okΓ©."

Tom haalt zijn schouders op. Het protonpack kraakt. "We vragen de weg. Er moet hier iemand zijn."

Ze steken het plein over. Aan de overkant is een cafΓ© β€” of iets dat op een cafΓ© lijkt. De gevel is donker hout met een uithangbord dat een heks voorstelt, maar de heks is niet lelijk. Ze is jong, lang haar, en ze vliegt niet. Ze staat. Haar ogen zijn geschilderd in een kleur groen die precies overeenkomt met de jurk die Saskia draagt. Boven de deur staat: DE GROENE HEKS.

"Binnen," zegt Tom. Hij duwt de deur open.

De lucht binnen is warm, te warm, als een bad dat net te lang heeft gelopen. Het ruikt naar kruidnagel en appel en iets anders β€” iets muskusachtigs dat onder de zoetheid door glipt als een dier dat zich verbergt onder dekens. Het cafΓ© is klein. Zes tafels, een bar van donker hout, een barkruk met een kussen dat ooit groen was. Aan de muren hangen maskers β€” geen Halloween-maskers, maar echte, van leer en hout, met gezichten die niet menselijk zijn en niet dierlijk, iets ertussenin. Achter de bar staat een vrouw.

Ze is niet jong en niet oud. Haar haar is donker, bijna zwart, en het hangt los tot op haar schouders. Haar huid is bleek, niet op een ziekelijke manier maar op de manier van marmer β€” glad, koud, alsof licht erop valt en blijft liggen zonder warmte. Haar ogen zijn groen. Niet de groen van Saskia's jurk β€” een dieper, donkerder groen, het groen van mos in een bos waar de zon nooit komt. Ze draagt een jurk die niet bij de tijd past: zwart, hooggesloten, met mouwen die tot haar polsen reiken en een rok die de vloer raakt. Om haar nek hangt een ketting met een steen die hetzelfde groen heeft als haar ogen.

"Twee verdwaalde zielen," zegt de vrouw. Haar stem is laag en kalm, als een cellosnaar die net is gestreken. "Of zoeken jullie iets specifieks?"

"Wij zoeken de Slagthuyslaan," zegt Tom. "We zijn op weg naar een feest."

De vrouw glimlacht. Haar tanden zijn wit en gelijk, maar de hoektanden β€” de hoektanden zijn iets langer dan normaal, net genoeg om op te vallen als je kijkt, niet genoeg om te benoemen. "De Slagthuyslaan is niet hier. Maar jullie zijn hier, en het is Heksenacht." Ze schenkt iets in uit een fles die donker glas heeft. De vloeistof is rood β€” niet helderrood, niet nepbloed-rood, maar de diepe, bijna zwarte rood van jonge wijn. "Jullie mogen blijven."

"We moeten eigenlijkβ€”" begint Saskia.

"EΓ©n drankje." De vrouw zet twee glazen op de bar. "Voor de weg. Jullie hebben de weg nodig, en de weg heeft jullie nodig."

Tom en Saskia kijken elkaar aan. Het is een blik die ze kennen β€” de blik van zes jaar samen, drie jaar samenwonen, de taal van ogen die zegt: dit is gek, maar we zijn moe en het is koud en één drankje kan geen kwaad. Tom haalt zijn schouders op. Saskia knikt.

Ze gaan zitten. De barkrukken zijn warmer dan ze zouden moeten zijn, alsof iemand net is opgestaan. Tom pakt het glas. De drank ruikt naar kruidnagel en framboos en iets scherps eronder β€” alcohol, maar ook iets anders, iets dat zijn neus laat rimpelen. Saskia neemt een slokje. De drank is zoet, dan zuur, dan warm β€” een warmte die vanuit haar mond naar haar keel glijdt en daar blijft hangen, zwaar en vol, als een hand die op haar borst wordt gelegd.

"Lekker," zegt ze. Ze neemt nog een slok.

Tom drinkt ook. De warmte verspreidt zich door zijn borst, zijn armen, zijn vingers. Zijn schouders ontspannen. Het protonpack voelt lichter. De lucht in het cafΓ© lijkt dichter te worden, niet benauwd maar voller, alsof de ruimte zich vult met iets dat hij niet kan zien maar wel voelt β€” een druk, een trilling, als de lucht vlak voor een onweer.

De vrouw achter de bar kijkt naar hen. Ze beweegt niet, maar ze is bezig β€” haar ogen gaan van Tom naar Saskia en terug, en haar vingers, die op de bar rusten, bewegen in een ritme dat geen muziek volgt. "Jullie zijn een mooi stel," zegt ze. "Lang samen?"

"Zes jaar," zegt Tom.

"Lang." De vrouw zegt het alsof het een diagnose is. "In zes jaar leer je iemand kennen. Elke kier, elke hoek. Maar ook β€” elke grens."

Saskia zet haar glas neer. Het is leeg en ze herinnert zich niet dat ze het heeft uitgedronken. "Wat bedoelt u?"

"Ik bedoel niets. Ik schenk bij." De vrouw pakt de fles. De drank stroomt in Saskia's glas, donker en langzaam, als honing. Maar ze schenkt Toms glas niet bij. "Jij niet," zegt ze tegen Tom. "Jij moet straks lopen."

"Wij moeten allebei lopen," zegt Tom.

"Jij eerst." De vrouw kijkt hem aan. Haar groene ogen zijn donkerder nu, bijna zwart in het midden. "Er is een deur achterin. Die brengt je waar je moet zijn."

Tom draait zich om. Achterin het cafΓ©, naast de toiletdeur, is een deur die hij niet had gezien toen ze binnenkwamen. Het hout is donkerder dan de rest van het interieur, bijna zwart, en de klink is van messing dat niet glanst maar absorbeert β€” alsof het licht dat erop valt wordt opgeslokt. Op de deur staat geen tekst. Maar er is een symbool: een cirkel met een opening, als een oog dat niet kijkt.

"Ik ga niet door een vreemde deur in een vreemd cafΓ© in een vreemde wijk," zegt Tom.

"NatΓΊΓΊrlijk ga je dat." De vrouw glimlacht weer. De hoektanden. "Iedereen gaat door de deur. Dat is wat deuren zijn β€” openingen. Je kunt eromheen, maar dan kom je nergens."

Saskia staat op. De barkruk kraakt. De drank heeft haar wangen kleur gegeven β€” niet rood, niet roze, maar een warme gloed die haar huid laat lijken alsof ze van binnenuit wordt verlicht. "Ik voel me..." Ze maakt de zin niet af. Ze kijkt naar haar handen. Haar vingers zijn lang en slank en ze bewegen trager dan normaal, alsof ze door water glijden. De warmte in haar borst is naar beneden gezakt, heeft haar buik gevuld, zit nu lager β€” een zwaarte, een druk, een kloppend gevoel dat ze herkent maar niet had verwacht, niet hier, niet nu.

"Saskia?" Tom staat op. Zijn hoofd is licht β€” niet duizelig, maar licht, alsof zijn gedachten door heldere lucht glijden zonder wrijving. Hij kijkt naar Saskia en ziet haar β€” echt ziet haar β€” op een manier die hij in maanden niet heeft gezien. De vlecht die over haar schouder hangt, de losse plukken haar bij haar slaap, de manier waarop de groene jurk β€” nu zichtbaar omdat ze de jas heeft opengeknoopt β€” haar borsten omsluit, niet strak maar aanwezig, de stof die met elke ademhaling op- en neergaat.

"Ik ga even...," zegt Saskia. Ze wijst naar de deur achterin. Niet de zwarte deur. De toiletdeur ernaast. "Ik moet even."

Ze loopt naar achteren. Haar heupen bewegen anders dan normaal β€” niet overdreven, niet bewust, maar vloeiender, alsof de drank haar gewrichten heeft gesmeerd. Tom kijkt haar na. Zijn ogen volgen de lijn van haar rug naar beneden, naar de plek waar de jurk ophoudt en haar blote benen beginnen, en hij voelt iets β€” een trekken, een strakken, een reactie die hij niet zoekt maar die er is, laag en zwaar, als een hand die hem naar beneden trekt.

Hij draait zich terug naar de bar. De vrouw staat er nog. Haar glimlach is smaller nu, kennisig, als iemand die een kaart leest die hij zelf heeft geschreven. "De drank," zegt ze. "Het is geen drank. Het is een opening."

"Wat opent het?"

"Jullie." Ze pakt een doek en wrijft de bar schoon, hoewel er niets is gemorst. "Niet elk op dezelfde manier. Niet elk tegelijk. Maar vannacht β€” vannacht is Heksenacht, en op Heksenacht gaat alles open wat dicht is."

Tom wil vragen wat ze bedoelt, maar op dat moment hoort hij iets. Het komt van achter de zwarte deur β€” een geluid, laag en ritmisch, als ademhaling maar dieper, als het geluid dat een huis maakt als het leeft. De deur trilt. Het messing van de klink gloeit niet, maar het is warmer β€” hij voelt het vanuit waar hij staat, een straling die op zijn borst valt als een spotlight.

"Wat is daarbinnen?"

"Wat je zoekt." De vrouw zet de fles terug onder de bar. "Of wat je vreest. Op Heksenacht zijn die hetzelfde."

Tom loopt naar de deur. Zijn hand gaat naar de klink. Het messing is warm, niet heet, als de hand van iemand die net een kop thee heeft vastgehouden. Hij aarzelt. Achter hem is het cafΓ© stil β€” de vrouw zegt niets meer, en het enige geluid is het zachte kraken van de barkruk waar Saskia's glas nog staat, leeg, met een druppel rode drank die langs de binnenkant naar beneden glijdt.

Hij opent de deur.



Aan de andere kant is geen cafΓ©. Er is een gang β€” lang, smal, met muren van ruwe steen die vochtig zijn. Het licht komt van nergens en overal, een diffuus gouden schijnsel dat geen bron heeft. De lucht ruikt hier anders β€” niet meer kruidnagel en appel, maar aarde, natte aarde, en daar doorheen iets bladachtigs, groen, het groen van een kas waar planten te dicht op elkaar staan. De vloer is klinkers, oneffen, en Toms schoenen β€” gewone sneakers, niet onderdeel van het kostuum β€” maken een geluid dat echoot alsof de gang breder is dan hij lijkt.

Hij loopt. De gang buigt β€” niet scherp, maar geleidelijk, een boog die hem naar links voert en dan naar rechts, en als hij omkijkt is de deur er nog maar hij is verder weg dan hij zou moeten zijn, alsof de gang hem heeft opgeslokt en langzaam verteert. Er zijn deuren in de muur β€” niet één, maar meerdere, aan beide kanten, op onregelmatige afstanden. Ze zijn allemaal verschillend. De eerste is van glad hout met een messing klink. De tweede is van metaal, als een kluisdeur. De derde is van glas, maar er is niets doorheen te zien β€” het glas is donker als een spiegel. De vierde is van stof β€” letterlijk stof, een gordijn van donker fluweel dat in de tocht beweegt.

Tom stopt bij het gordijn. Erachter klinkt iets β€” niet het ademende geluid van de zwarte deur, maar iets anders. Muziek. Laag, intiem, een cello en iets percussiefs, een hartslagritme dat langzaam en zwaar is. De lucht bij het gordijn is warmer. Hij voelt het op zijn gezicht, op zijn hals, op de plek waar de ritssluiting van zijn overall begint.

Hij raakt het fluweel aan. Het is zacht β€” te zacht, als huid, als de binnenkant van een pols. Zijn vingers glijden eroverheen en het gordijn beweegt, opent zich een fractie, en door de opening ziet hij iets.

Een kamer. Klein, rond, als een torenkamer. De muren zijn bedekt met donkerrood textiel β€” geen behang, maar stof, in plooien, als een gordijn dat de hele kamer omhult. In het midden staat een bank, laag, met kussens die dezelfde rode kleur hebben. Op de bank zit iemand.

Het is een vrouw. Niet de vrouw van het cafΓ© β€” iemand anders. Haar huid is donker, niet bruin maar donker op een manier die licht absorbeert, als koffie die te lang heeft getrokken. Haar haar is kort, bijna geschoren, en het glinstert alsof het nat is. Ze draagt niets β€” niets dan een lint om haar hals, zwart, en een masker dat haar ogen bedekt. Het masker is van goud, glad, zonder gaten β€” ze kan er niet doorheen kijken, maar haar hoofd is naar Tom gekeerd, alsof ze hem ziet.

Tom stapt terug. Zijn hak raakt de klinker en het geluid echoot. De vrouw op de bank beweegt β€” niet naar hem, maar naar zichzelf. Haar hand gaat naar haar borst, langzaam, en haar vingers β€” lang, met nagels die donkerrood zijn β€” raken haar huid. Ze glijden naar beneden, over de welving van haar borst, over haar ribben, naar de plek waar haar dijen beginnen. Ze opent haar benen. Niet snel, niet theatraal β€” langzaam, als een bloem die zich ontvouwt in de ochtend, en Tom ziet haar β€” ziet alles, de donkere plooi van haar schaamlippen, de glans die er al is, de vochtigheid die niet nieuw is maar die er was voordat hij kwam, alsof ze hier al uren zit, wachtend.

Hij kan niet bewegen. Zijn voeten zijn op de klinkers vastgezet, niet door magie maar door zijn eigen bloed, dat naar beneden stroomt, dat zijn hoofd leegt en zijn liezen vult, en hij voelt zichzelf hard worden β€” niet langzaam, niet geleidelijk, maar als een schakelaar die wordt omgezet, een ruk, een strakken dat door de stof van zijn overall pijnlijk en onmiskenbaar is.

De vrouw op de bank beweegt haar hand. Haar vingers glijden tussen haar schaamlippen β€” niet diep, niet snel, maar langs de rand, de buitenste rand, en ze maakt een geluid. Niet een kreun. Een zucht, maar dan vanuit haar borst, een geluid dat de lucht in de kamer doet trillen. Tom voelt het in zijn eigen borst, als een tweede hartslag.

Hij moet weg. Hij draait zich om. De gang is er, met zijn deuren, zijn diffuus gouden licht, zijn vochtige muren. Hij loopt β€” niet weg van het gordijn maar naar de volgende deur, de deur van glas, de donkere spiegel. Zijn hand raakt het glas. Het is koud β€” schrikwekkend koud na de warmte van het gordijn β€” en in het glas ziet hij niet zijn eigen spiegelbeeld. Hij ziet Saskia.

Ze is in het cafΓ©. Nee β€” ze is niet in het cafΓ©. Ze is in een kamer die hij niet herkent, een kamer met witte muren en een bed dat te hoog is, en ze zit op de rand van het bed en haar jas is uit en haar jurk is omhoog β€” nee, haar jurk is uit, ze draagt hem niet meer, ze draagt alleen haar ondergoed, en haar handen zijn op haar schoot, en haar vingers β€” haar vingers bewegen.

Tom kijkt. Zijn mond is open. Zijn adem condenseert op het glas β€” het is koud, het glas is koud, maar zijn adem is warm β€” en de condens maakt de beelding waziger, maar hij ziet het. Saskia's vingers, die onder de rand van haar slipje glijden, die de stof opzijschuiven, die de plek raken die hij kent β€” die hij zes jaar kent β€” maar die ze hier, in dit glas, op een manier raken die hij niet herkent. Niet de manier waarop ze het doet in bed, 's avonds, als ze denkt dat hij slaapt of als ze het samen doen. Langzamer. Bewuster. Met een ritme dat niet het zijne is, dat niet op hem is afgestemd, dat iets anders volgt β€” de muziek die hij niet kan horen, of de drank die hij niet meer voelt, of iets in deze nacht dat haar heeft losgekoppeld van alles wat ze is en haar heeft verbonden met iets anders.

Hij kijkt weg. Het glas is beslagen. Zijn handdruk staat erin β€” een afdruk van vijf vingers die verdwijnt. Hij leunt met zijn rug tegen het glas en sluit zijn ogen. Zijn erectie drukt tegen de overall. De stof is strak en het karton van het protonpack kraakt tegen de muur achter hem. Zijn ademhaling gaat te snel. Hij denkt: dit is niet echt. Hij denkt: ik heb te veel gedronken. Hij denkt: de drank was geen drank.

Hij opent zijn ogen. De gang is veranderd β€” niet structureel, maar in sfeer. Het gouden licht is warmer, dichter, en de lucht ruikt niet meer naar aarde maar naar bloemen β€” jasmijn, iets zoets, en daar doorheen de muskus die hij in het cafΓ© rook. De deuren zijn er nog, maar ze zijn dichterbij, alsof de gang is gekrompen. De deur van metaal staat open. Erachter is een trap die naar beneden voert.

Hij gaat naar beneden. De trap is steil en smal en de treden zijn van steen die glad is gesleten door voeten die hij niet kan zien. De muren zijn hier niet van steen maar van baksteen β€” rood, oud, met voegen die zwart zijn uitgeslagen. Het licht komt van kaarsen die in nissen staan, echte kaarsen, met vlammen die niet flakkeren maar stil branden, alsof de lucht hier niet beweegt.

Onderaan de trap is een kelder. Het plafond is laag β€” Tom moet bukken β€” en de ruimte is vol. Vol met wat? Hij ziet het niet meteen. Het is donker hier, donkerder dan de gang, en de kaarsen verlichten alleen de plek waar hij staat. Maar hij hoort het. Ademhaling. Niet één, maar meerdere β€” een ritme van in- en uitademen dat als een golf door de ruimte gaat. En daar doorheen, eronder, een ander geluid: het natte, ritmische geluid van vingers op huid, van huid op huid, van lichamen die bewegen.

Zijn ogen wennen. De kelder is niet leeg. Er zijn mensen β€” of vormen die op mensen lijken. Ze liggen op matrassen die op de vloer liggen, en ze bewegen, langzaam, als in een dans die geen choreografie volgt maar iets anders β€” iets ouds, iets dat het lichaam kent zonder dat het hoofd het begrijpt. Hij ziet een rug β€” naakt, vrouwelijk, met een wervelkolom die als een keten van knopen naar beneden loopt. Hij ziet een hand die op die rug ligt, en de hand is mannelijk β€” breed, met vingers die in de spieren drukken. Hij ziet de vrouw haar hoofd oprichten en haar haren β€” lang, donker β€” achterover werpen, en haar gezicht is niet zichtbaar maar haar mond is open en het geluid dat ze maakt is laag en lang en het gaat door Toms borst als een trilling.

Hij leunt tegen de muur. De baksteen is koud door zijn overall. Zijn erectie is er nog β€” niet zo hard als bij het gordijn, maar aanwezig, een kloppen dat met zijn hartslag meegaat. Hij kijkt en hij weet dat hij niet zou moeten kijken, maar hij kan niet weg. Niet omdat hij vastzit, maar omdat het beeld hem vasthoudt β€” de beweging, de geluiden, de geur die hier hangt, de geur van seks, niet subtiel, niet verhuld, maar open en zwaar als een deken.

De vrouw op de matras draait zich om. Haar borsten zijn klein en donker en haar tepels zijn hard β€” niet van de kou, de lucht is warm hier, maar van iets anders. De man boven haar β€” hij is niet jong, niet oud, zijn lichaam is mager en gespierd op een manier die functionaliteit suggereert, geen esthetiek β€” buigt voorover en zijn mond gaat naar haar borst. Hij likt. Tom ziet de tong β€” roze, nat β€” die over de donkere tepel glijdt, en de vrouw maakt weer dat geluid, dat lage, lange geluid, en haar hand gaat naar zijn hoofd en haar vingers grijpen zijn haar en ze trekt hem dichterbij.

Tom's hand gaat naar zijn eigen lichaam. Niet bewust β€” het is een reflex, een reactie, een beweging die zijn lichaam maakt voordat zijn hoofd kan ingrijpen. Zijn vingers raken de stof van zijn overall, daar waar zijn erectie drukt, en hij raakt zichzelf aan β€” niet lang, niet met intentie, maar het contact is er en het stuurt een schok door zijn lijf die hem doet happen naar adem.

Hij trekt zijn hand terug. Hij draait zich om. De trap is er, met zijn kaarsen en zijn gladde treden. Hij gaat naar boven β€” sneller dan hij naar beneden kwam, zijn voeten glijden op het steen, zijn hart bonst in zijn keel. Bovenaan is de gang, met zijn deuren. Het gordijn van fluweel hangt stil β€” erachter is het stil, de muziek is gestopt. Het glas van de spiegeldeur is helder β€” hij kijkt er niet in. Hij loopt.

De gang wordt breder. Het licht wordt feller. De lucht wordt koeler, schoner, en dan is er een deur β€” een gewone deur, van hout, met een gewone klink β€” en hij opent hem en hij is buiten.



Buiten is het de straat. Niet de Helleweg, niet het plein met de fontein. Een straat die hij herkent β€” de Bloemstraat, hun straat, maar het is niet hun straat. De huizen zijn hetzelfde, de bomen zijn hetzelfde, maar de lucht is anders β€” donkerder, en de maan is te groot, en de schaduwen vallen in de verkeerde richting. En er is geluid. Muziek, van dichtbij, en stemmen, en lachen.

Hij loopt naar het geluid. Zijn overall is vochtig onder zijn armen β€” zweet β€” en het protonpack hangt scheef. Hij bereikt een deur die open staat. Erachter is licht, warmte, muziek. Het is een feest. Het feest. Daan en Lieke.

Hij gaat naar binnen. De kamer is vol met mensen in kostuum. Een vampier, twee spoken, een man met een paardenhoofd, drie vrouwen in identieke rode jurken. Daan β€” verkleed als dokter, met een stethoscoop om zijn nek β€” komt naar hem toe. "Tom! Eindelijk! Waar is Saskia?"

Tom kijkt om zich heen. Saskia is er niet. Hij pakt zijn telefoon. Geen bereik. Hij kijkt op het scherm β€” 23:43. Het is bijna middernacht. Hij is meer dan een uur kwijt.

"Ik weet het niet," zegt hij. "Ze was β€” we zijn verdwaald."

"Verdwaald? Van hier naar hier?" Daan lacht. "Het is drie straten."

Tom schudt zijn hoofd. Hij kan het niet uitleggen. De drank, de gang, de deuren, het gordijn, het glas, de kelder β€” het is al aan het vervagen, als een droom die oplost in de ochtend. Maar zijn lichaam herinnert het zich. Zijn erectie is weg maar de echo is er β€” een zwaarte in zijn liezen, een spanning die niet is ontladen.

Hij loopt naar de bar die Daan heeft geΓ―mproviseerd op de eettafel. Hij pakt een bierflesje. Het is koud. De condens op het glas maakt zijn vingers nat. Hij drinkt β€” lang, diep, het bier is bitter en precies wat hij nodig heeft, iets echts, iets dat smaakt naar hop en gist en geen magie.



Saskia staat in het cafΓ©. De vrouw achter de bar is weg. De ruimte is leeg β€” geen andere gasten, geen geluid, alleen het zachte knetteren van een kaars die ergens brandt. Haar glas staat op de bar, leeg. De rode druppel is naar de bodem gezakt en heeft een vlek gemaakt op het hout.

Ze kijkt naar haar handen. Ze beven β€” niet van kou, niet van angst, maar van iets anders. De warmte die de drank heeft gebracht zit nog in haar lichaam, maar het is verplaatst. Het zit niet meer in haar borst. Het zit lager β€” tussen haar dijen, in de zachte plek die ze kent, die ze zes jaar met Tom deelt, maar die nu niet van Tom is. Die van haar is. Die van de nacht is.

Ze draait zich om. De zwarte deur staat open β€” Tom is erdoorheen gegaan, ze heeft het gezien, ze heeft hem zien weglopen terwijl zij op de barkruk zat en de drank door haar aderen stroomde. Maar er is nog een deur β€” een deur die ze niet eerder zag. Die is aan de andere kant van het cafΓ©, naast het raam dat op het plein uitkijkt. Het is een gewone deur, wit, met een gewone klink. Maar er hangt iets aan β€” een lint, groen, hetzelfde groen als haar jurk.

Ze loopt ernaartoe. Haar hakken klikken niet meer β€” de stilte is te vol, te zwaar, het geluid wordt opgeslokt. Ze pakt de klink. Het metaal is koel, normaal, niet warm zoals de zwarte deur. Ze opent hem.

Achter de deur is een tuin. Niet een tuin in de stad β€” een tuin die nergens thuishoort. Het is er nacht, maar de hemel is niet zwart maar diepblauw, het blauw van het laatste licht voor de duisternis valt. Er staan bomen β€” oude bomen, met stammen die zo dik zijn dat drie mensen ze niet kunnen omarmen. De bladeren zijn donkerrood, niet de kleur van herfst maar de kleur van bloed dat oud is, en ze bewegen, al is er geen wind. Het gras onder haar voeten is lang, tot haar enkels, en het is nat β€” niet van regen maar van dauw die zwaar is, bijna olieachtig, en het doorweekt haar schoenen.

In het midden van de tuin is een bank. Van steen, overwoekerd met mos. Er zit iemand.

Het is een man. Hij is niet jong β€” niet oud, maar ergens tussenin, de leeftijd waarop het lichaam niet meer jeugdig is maar nog niet begint te breken. Zijn haar is grijs aan de slapen, donker daarboven. Zijn gezicht is hoekig, met een kaak die scherp is en ogen die niet groen zijn en niet blauw maar iets ertussenin, de kleur van ijs dat in de schaduw ligt. Hij draagt een overhemd β€” wit, open bij de hals, en daaronder een broek die donker is. Zijn voeten zijn bloot. Op het mos.

Hij kijkt naar haar. Hij zegt niets. Zijn ogen gaan over haar lichaam β€” van haar gezicht naar haar vlecht, van haar vlecht naar haar schouders, van haar schouders naar de plek waar de groene jurk haar borsten omsluit, en lager, naar de plek waar de jurk eindigt en haar dijen beginnen. Het is geen begerige blik. Het is een aandachtige blik, als van iemand die een landschap bestudeert dat hij kent maar dat elke keer anders is.

Saskia staat in het gras. De dauw doorweekt haar schoenen, haar voeten worden koud, maar ze voelt het niet. De warmte tussen haar dijen is sterker geworden, een kloppen dat met haar hartslag meegaat, een druk die ze niet kan negeren. Ze kent dit gevoel β€” ze kent het van Tom, van avonden samen, van ochtenden waarop ze wakker worden en elkaar vinden. Maar dit is niet Tom. Dit is de nacht, de drank, de tuin, de man op de bank.

"Wie ben je?" vraagt ze.

"Iemand die hier zit," zegt de man. Zijn stem is diep en rustig, als het geluid van water dat over stenen loopt. "En jij bent iemand die hier staat. De vraag is: kom je dichterbij?"

Saskia beweegt niet. Haar handen hangen langs haar zij. De groene jurk beweegt in een luchtstroom die er niet is β€” of die er is, maar die ze niet voelen kan. Ze kijkt naar de man en ze ziet details die ze niet zou moeten zien β€” de plek waar zijn overhemd open is en de huid eronder, bruin en glad met een litteken dat als een witte lijn over zijn sleutelbeen loopt. De spieren van zijn onderarmen, die niet gespierd zijn op een opvallende manier maar die er zijn, die de huid strak trekken over bot en pees. Zijn handen, die op zijn knieΓ«n liggen β€” groot, met vingers die lang zijn en nagels die kort en schoon zijn.

Ze neemt een stap. Het gras buigt onder haar voet. De dauw spat op, klein en koud op haar blote kuit. De man kijkt. Zijn ogen volgen haar voet, haar enkel, de beweging van haar been.

"Waarom ben je hier?" vraagt ze. Nog een stap. Ze is nu drie meter van de bank.

"Omdat het Heksenacht is," zegt hij. "En op Heksenacht komen degenen die zoeken. En degenen die gevonden willen worden."

"Ik zoek mijn vriend."

"Je vriend zoekt ook. Maar niet jou β€” niet nu. Nu zoekt hij iets anders. Net als jij."

Saskia staat stil. Ze is nu twee meter van de bank. Ze kan zijn geur ruiken β€” niet parfum, niet zweet, maar iets anders, iets dat lijkt op de geur van de lucht na een onweer, de geur van ozon en natte aarde en iets branderigs dat er niet meer is. Haar ademhaling gaat sneller. Haar borst gaat op en neer en de stof van de jurk spant zich om haar borsten en ze weet β€” ze weet met de zekerheid van iemand die zes jaar met dezelfde man is en die elke keer weet wanneer de begeerte komt β€” dat haar tepels hard zijn. Niet van de kou. Van dit.

De man steekt zijn hand uit. Niet naar haar β€” naar de bank, naast hem. Een uitnodiging. Zijn vingers zijn lang en de palm van zijn hand is naar boven gekeerd, open, als een kom die water opvangt.

Saskia gaat niet zitten. Ze staat en ze kijkt en de nacht om haar heen is stil β€” de bomen bewegen niet meer, de bladeren hangen stil, de hemel is diepblauw en de sterren staan er als spelden in een kaart die niemand kan lezen. De warmte tussen haar dijen is niet meer een kloppen maar een gloeiend, een branden dat zich verspreidt, dat haar buik vult, dat haar huid laat tintelen alsof duizend vingers haar raken, hoewel niemand haar aanraakt.

Ze gaat zitten. De bank is koud β€” steen en mos β€” maar ze voelt het niet. Ze voelt zijn nabijheid, de warmte die van zijn lichaam afstraalt, de lucht die tussen hen in hangt als een gordijn dat wacht om geopend. Zijn hand ligt nog naast haar, op de bank, niet rakend, niet zoekend, gewoon aanwezig.

"Ik moet terug," zegt ze. Maar ze staat niet op.

"Je moet nergens heen," zegt hij. "Je bent waar je bent."

Zijn hand beweegt. Langzaam β€” een millimeter, twee β€” en zijn vingertoppen raken de achterkant van haar hand. Het contact is licht, bijna niet bestaand, maar het gaat door haar heen als een stroom β€” een schok die vanuit haar hand naar haar arm gaat, naar haar schouder, naar haar borst, en dan naar beneden, naar de plek die al brandt. Haar adem stokt. Niet lang β€” een fractie, een hartslag β€” maar het is er, en hij hoort het, want zijn vingers bewegen weer, en nu liggen ze op haar hand, niet rakend maar rustend, en zijn huid is warm en droog en de aanraking is niet wat Tom doet β€” niet de greep van een man die zes jaar gewend is aan een lichaam β€” maar iets anders. Een ontdekking. Een eerste keer.

Ze draait haar hand. Haar palm raakt zijn palm. Hun vingers glijden ineen. Zijn hand is groot en sluit de hare volledig in, en de warmte die tussen hun handen ontstaat is niet menselijk warm maar meer dan dat β€” het is de warmte van de drank, van de gang, van de deuren, van alles wat deze nacht is.

Hij draait zich naar haar toe. Zijn vrije hand gaat naar haar gezicht β€” niet rakend, maar er vlakbij, en ze voelt de luchtverplaatsing op haar wang als een fluistering. Zijn vingers raken haar vlecht. Hij pakt hem β€” niet vast, niet trekkend, maar houdend, als iemand die een touw vastpakt om te weten of het hout. Hij laat hem door zijn vingers glijden, van boven naar beneden, en Saskia's hoofd gaat iets achterover, niet bewust, maar als een reactie, als een bloem die naar licht draait.

"Ik moet terug," zegt ze weer. Maar haar stem is lager nu, zachter, en het klinkt niet als een vertrek maar als een vraag.

De man buigt naar haar toe. Zijn gezicht is dichtbij β€” ze kan de poriΓ«n in zijn huid zien, de lijnen bij zijn ogen, de plek waar zijn baard zou groeien als hij het niet schoor. Zijn mond is dichtbij. Zijn adem is warm en ruikt naar niets β€” niet naar drank, niet naar eten, naar niets, als lucht die nog nooit is ingeademd.

Zijn lippen raken haar slaap. Niet haar mond β€” haar slaap, de plek waar de haargrens begint, de plek die gevoelig is en die Tom nooit kust, nooit, in zes jaar niet. De aanraking is droog en zacht en kort, maar Saskia's lichaam reageert alsof hij haar overal raakt β€” een rilling die van haar slaap naar haar nek gaat, naar haar ruggengraat, naar haar staartbeen, en dan naar voren, naar de plek die brandt, en ze maakt een geluid. Niet een kreun. Een inademing, scherp en kort, als iemand die in koud water stapt.

Hij trekt zich niet terug. Zijn lippen gaan van haar slaap naar haar wang β€” langzaam, over de huid die glad is en warm, en dan naar haar mondhoek, en daar stopt hij. Zijn mond is op de hoek van haar lippen, niet erop, en ze kan hem voelen β€” de warmte, de droogheid, de nabijheid van een mond die niet de hare is.

Saskia draait haar hoofd. Een fractie. Haar lippen glijden over de zijne β€” niet kussend, niet open, maar rakend, en het contact is als de deur in het cafΓ© β€” een opening, een drempel, een plek waar ze kan stoppen of doorheen kan gaan.

Ze gaat er niet doorheen. Ze opent haar mond niet. Maar ze gaat niet weg. Ze blijft β€” haar lippen op de zijne, haar hand in de zijne, haar lichaam dat brandt op een plek die niemand aanraakt β€” en de nacht om haar heen is stil en de sterren staan vast en de dauw doorweekt haar schoenen en de mosgeur stijgt op van de bank en ergens, in een straat die ze niet kan zien, loopt Tom met een leeg bierflesje in zijn hand en een gevoel in zijn lijf dat hij niet kan benoemen.

De man trekt zich terug. Niet ver β€” een centimeter. Zijn ogen zijn open en ze kijken naar haar ogen en ze zijn niet ijsblauw meer maar warmer, een kleur die ze niet kan plaatsen, de kleur van iets dat brandt zonder vuur.

"Heksenacht," zegt hij. "Wat opengaat, moet sluiten."

Saskia staat op. Haar benen trillen β€” niet van angst, niet van kou, maar van de spanning die in haar lichaam zit, de ontlading die niet is gekomen, de gloed die niet is geblust. Ze staat in het gras en de dauw raakt haar blote voeten β€” ze is haar schoenen kwijt, ze weet niet wanneer β€” en ze kijkt naar de man op de bank.

"De deur," zegt hij. "Achter je."

Ze draait zich om. De witte deur staat open. Erachter is het cafΓ©, leeg, donker. Ze loopt β€” niet snel, niet langzaam, maar met de passen van iemand die wakker wordt uit een droom die ze niet wil verlaten. Bij de deur draait ze zich om. De man zit nog op de bank. Hij steekt zijn hand niet meer uit. Hij kijkt.

Ze gaat naar binnen.



Het cafΓ© is leeg. De kaarsen zijn uit. De lucht is koud β€” niet de warme, kruidnagelgeurige lucht van eerder, maar de koude, stilstaande lucht van een ruimte die is achtergelaten. Saskia loopt naar de bar. Haar glas staat er nog, met de rode vlek. Ze pakt het op. Het is koud. Ze zet het terug.

Ze loopt naar de voordeur. Duwt hem open. Buiten is het de straat β€” de Bloemstraat, haar straat, maar nu is het haar straat. De huizen zijn normaal. De maan is normaal. De schaduwen vallen goed. De muziek van Daan en Lieke's feest klinkt van dichtbij β€” bas, lachen, een deur die open en dicht gaat.

Ze loopt naar het feest. Haar vlecht is losser dan hij was β€” er zijn plukken ontsnapt, en haar groene jurk is vochtig van de dauw, en haar voeten zijn bloot op de koude stoeptegels, en haar lippen tintelen nog van de aanraking die geen kus was.

Ze gaat naar binnen. Tom staat bij de geΓ―mproviseerde bar. Hij draait zich om als hij de deur hoort. Zijn gezicht is bleek, zijn ogen zijn groot, en hij kijkt naar haar β€” naar haar blote voeten, naar de dauw op haar jurk, naar de plukken haar die uit haar vlecht zijn ontsnapt β€” en hij weet het. Niet wat er is gebeurd. Niet waar ze was. Maar hij weet dat er iets is gebeurd, iets dat niet hier was, iets dat niet van hem is.

"Waar was je?" vraagt hij.

"Verdwaald," zegt ze.

Ze kijken elkaar aan. De ruimte tussen hen is niet groot β€” twee meter, misschien drie β€” maar het is de ruimte van een nacht die niet van hen was, een nacht die hen heeft opengemaakt en niet heeft gesloten. De muziek speelt. De kostuums bewegen. Iemand lacht. Daan roept iets over een drankje.

Saskia pakt een bierflesje van de tafel. Tom pakt het zijne. Ze kijken niet naar elkaar. Ze kijken naar de vloer, naar de muur, naar de mensen die bewegen en lachen en niet weten dat er een nacht is geweest die niet in deze kamer past.

Het is Halloween. Het is bijna middernacht. En ergens β€” in een cafΓ© dat er niet is, in een tuin die nergens thuishoort, in een gang met zeven deuren β€” staat een vrouw met groene ogen en een man met ijsblauw
Beschrijving:e ogen en ze kijken naar de deuren die gesloten zijn en ze wachten op de volgende Heksenacht
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Elite_12
Elsmey
Elsmey (26)
Houd jij van een spontane vrouw die openstaat voor spannende gesprekken?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 927 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net