Sometimes it's like someone took a knife, baby, edgy and dull
and cut a six-inch valley through the middle of my soul.
Only you can cool my desire.
Oh, I'm on fire.
De middagzon schijnt door de stoffige ramen van mijn kot. Buiten op straat hoor ik het vertrouwde, zorgeloze gerinkel van fietsbellen en flarden van lachende studenten die richting Groenplaats of de Meir trekken, maar die wereld voelt onwerkelijk voor mij. De hitte in mijn kleine kamer is drukkend, de lucht staat stil, maar de echte hitte zit nog altijd in mijn eigen lijf. Een koortsachtige gloed die weigert te zakken. Elke ademhaling, beweging die ik maak op mijn bureaustoel, is een scherpe, fysieke herinnering aan vannacht.
Mijn billen gloeien nog na van de harde klappen van zijn hand, een doffe, pulserende pijn die me vreemd genoeg constant doet glimlachen. Het is geen pijn die me afschrikt; het is een stempel. Een bewijs van zijn aandacht. Wanneer ik mijn hand onder de stof van mijn shortje laat glijden en zachtjes over mijn heupen wrijf, voel ik de lichte beursheid. Precies daar waar zijn grote, eeltige vingers me vannacht zo hardhandig hebben vastgegrepen om me tegen zich aan te trekken. Het ritme van zijn heupen, de donkere, rauwe klank van zijn stem toen hij me dwong hem aan te kijken… de beelden spelen zich in een eindeloze, bedwelmende loop af achter mijn oogleden.
Ik ben bezeten. Er is geen ander woord voor te bedenken. Mijn vriendinnen zouden me voor gek verklaren, mijn ouders zouden waarschijnlijk in huilen uitbarsten als ze wisten wat zich allemaal afspeelt, maar het kan me niets schelen. Wouter heeft me over grenzen heen getrokken waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Hij heeft een donkere, ongetemde kant in me wakker gemaakt, en het enige wat ik wil, is méér. Ik wil geconsumeerd worden.
De zware boeken voor mijn naderende examens liggen wijd open opgeslagen op mijn krappe bureau. De markeerstiften liggen er werkloos naast. Cursussen vol theorieën, wetten en casussen staren me beschuldigend aan, maar de letters dansen als betekenisloze zwarte beestjes voor mijn ogen. Ik probeer de paragrafen te lezen, maar mijn brein weigert de droge academische stof te verwerken. Mijn gedachten dwalen constant af naar hem. Naar de manier waarop zijn borstkas op en neer ging in het donker, naar zijn dwingende, ijskoude blauwe ogen die altijd dwars door me heen lijken te kijken, en bovenal naar de geur. De geur van houtrook, zwaar zweet en een vleugje aftershave die nog urenlang op mijn kussen en in mijn haren blijft hangen, lang nadat hij in de vroege ochtend is vertrokken.
Het is een verslaving. Een toxische chemie die mijn zenuwstelsel gijzelt. Rond vier uur in de namiddag trek ik de stilte van mijn kot niet meer. De muren komen op me af. Wouter heeft vandaag een shift van twaalf uur op de kazerne. Hij had me vanochtend nog gezegd dat het druk zou zijn, dat er veel onderhoud gepland stond en dat ik hem moest laten werken. “Focus jij je maar op je boeken, pop,” had hij gezegd met die typische, bevelende toon die geen tegenspraak duldde. Maar de drang om hem te zien, is te sterk. Het overstemt mijn verstand. Ik maak mezelf wijs dat ik hem alleen maar even gedag wil zeggen. Gewoon een korte glimp. Ik wil hem zien. Ik wil de man die me vannacht claimde, zien in zijn rol als de stoere brandweerman die mensen helpt en levens redt. Misschien, denk ik ergens in een donker hoekje van mijn onderbewustzijn, zoek ik onbewust naar bevestiging. Bevestiging dat de man die me zo hardhandig bezit, ook de man is die voor mensen kan zorgen. Dat het monster in bed een engel op straat is.
Ik schuif mijn boeken aan de kant en sta op. De keuze van mijn kleding is snel gemaakt, gedreven door een onweerstaanbare drang om hem te behagen, om hem uit te dagen. Ik trek mijn strakke zwartlederen broek weer aan — dezelfde broek die ik aanhad tijdens onze eerste date in tapasbar El Viandel, de broek waarvan hij zei dat hij hem op de parkeerplaats af had willen scheuren. Het leer spant strak om mijn dijen en billen, de beurse plekken protesteren zachtjes bij de wrijving, maar het gevoel geeft me een vreemde, perverse rilling van macht. Erop draag ik een simpel, wit topje dat net genoeg blootgeeft zonder ordinair te zijn. Mijn lange haar, normaal in een praktische staart, gooi ik los zodat het wild over mijn schouders valt.
Ik werk mijn make-up bij, spuit een wolkje van het parfum op waarvan ik weet dat het hem gek maakt, en loop dan mijn kot uit. De wandeling door de straten van Antwerpen gaat in een roes. Toeristen slenteren langs de monumenten, studenten drinken biertjes op de terrassen, maar ik zie ze nauwelijks. Met een bonkend hart en droge lippen nader ik de grote brandweerkazerne aan de rand van het centrum. Wanneer ik het geasfalteerde terrein op loop, voelt het direct alsof ik een onzichtbare grens oversteek en een totaal andere wereld betreed. De sfeer hier is beladen met testosteron, het is een imposante, rauwe plek. Een enorm complex van beton, baksteen en staal. Grote, rode garagepoorten staan halfopen om de zomerhitte te laten ontsnappen. Zodra ik dichterbij kom, slaat de specifieke geur van deze plek me in het gezicht: een dikke melange van scherpe diesel, nat canvas, zware rubberen banden, schoonmaakmiddel en een vage, penetrante zweem van oud roet die diep in de muren lijkt te zitten.
Het is een mannelijk bastion. Binnen, in de half duistere remise, zie ik de glanzende rode reuzen staan: de autopompen, de ladderwagens, de materiaalwagens. Ze stralen een brute, sluimerende kracht uit. Een paar brandweermannen in donkerblauwe werkbroeken met fluorescerende strepen en strakke T-shirts staan bij de open cabine van een van de gigantische autopompen. Ze leunen relaxed tegen het chromen chassis, lachen luidruchtig en praten over iets wat ik niet kan verstaan.
Wanneer ze mij opmerken, valt het gesprek abrupt stil. Hun hoofden draaien zich bijna synchroon naar me toe. Ik voel hoe hun blikken als fysieke entiteiten over me heen glijden. Ze scannen me van top tot teen. Ze bekijken het strakke leer van mijn broek, de ronding van mijn heupen, mijn benen, en blijven dan ongegeneerd hangen bij mijn borsten. Er klinkt een zacht gefluit, onmiddellijk gevolgd door een gedempt gelach en het stoten van ellebogen. De manier waarop ze kijken is rauw, evaluerend, alsof ze zich afvragen wat een meisje zoals ik in hun territorium komt doen. Ik voel het schaamrood naar mijn wangen stijgen en voel me plotseling heel klein.
"Kan ik je ergens mee helpen, meiske?" Ik draai me zo abrupt om dat ik bijna mijn evenwicht verlies. Achter me, schuin in de deuropening van het administratieve gedeelte, staat een oudere man. Hij is groot, met een breedgeschouderd postuur dat ondanks zijn leeftijd geen enkele vorm van zwakte vertoont. Zijn grijze haar is militair kort geknipt. Zijn gezicht is getekend door de jaren; diepe, gegroefde rimpels waaieren uit rond zijn ogen en mond. Maar ondanks zijn strenge voorkomen, is zijn blik verrassend rustig en vaderlijk. Op de schouders van zijn onberispelijk gestreken, donkerblauwe uniform glimmen zilveren distinctieven die zijn hoge rang verraden. Dit is niet zomaar een collega of een luidruchtige spuitgast; dit is de commandant.
"Ik… euh, ik zoek Wouter," stotter ik. Instinctief sla ik mijn armen over mijn borsten, in een wanhopige poging om de aandacht van de mannen van me af te schudden. De commandant kijkt me een paar seconden zwijgend aan. Zijn scherpe, intelligente ogen lijken me te taxeren, maar dringen veel dieper door. Het is alsof hij in één oogopslag probeert te begrijpen wie ik ben, wat mijn achtergrond is, en wat in hemelsnaam een jonge griet in een leren broek daar komt zoeken. Dan verzacht de harde lijn van zijn mond iets, al verdwijnt de professionele, autoritaire afstand niet helemaal. "Wouter is momenteel niet op de kazerne," zegt hij met een zware, resonerende stem. "Ze zijn een paar uur geleden uitgerukt voor een interventie. Een uitslaande brand."
"Oh," mompel ik teleurgesteld. Mijn schouders zakken. De anticlimax is als een koude douche. Ik voel me plotseling dom omdat ik impulsief hierheen ben gelopen. "Dan kom ik een andere keer wel terug. Excuus voor het storen." Ik draai me al half om, wanneer zijn stem me tegenhoudt. "Je mag best even wachten in de kantine, of hier op de binnenkoer in de zon als je dat liever hebt," stelt hij voor, terwijl hij met een groot handgebaar naar een paar verweerde houten banken wijst die naast het kantoortje van de dispatch staan opgesteld. "Het zou niet lang meer moeten duren. Ik ben Commandant De Backer. En jij bent?"
"Leen," zeg ik zacht, een beetje geïntimideerd door zijn aanwezigheid. "Ah, Leen." Er flitst een heel subtiele, haast onmerkbare verandering over zijn getekende gezicht. Hij knikt langzaam, alsof er ergens in zijn hoofd een puzzelstukje met een zachte klik op zijn plaats valt. "Wouter heeft je wel eens genoemd. Maar hij is niet bepaald mededeelzaam over zijn privéleven. Hij houdt de zaken graag gescheiden." Ik weet niet wat zeggen. De commandant kijkt me zwijgend aan. “Wil je koffie?” vraagt hij dan. Ik knik. “Kom maar mee.” Hij loopt op zijn gemak naar binnen, ik volg hem. Hij stopt bij een koffieautomaat in de hoek van de hal en tapt twee plastic bekertjes met dikke, gitzwarte koffie. Hij reikt er één aan mij aan. Ik neem het dankbaar aan. Mijn vingers trillen zo hevig dat de hete koffie bijna over de plastic rand klotst. Hij leunt op zijn gemak met zijn brede schouder tegen de muur en neemt een grote slok.
"Dus," begint hij, met een toon die ogenschijnlijk gemoedelijk klinkt. "Jij bent het meisje dat onze jonge god uit zijn concentratie haalt?" Er zit een lichte lach in zijn stem, maar de grijze ogen die me strak aankijken hebben een scherp randje dat me waarschuwt dat dit geen oppervlakkig praatje over koetjes en kalfjes is. "We kennen elkaar nog niet zo heel lang," zeg ik verlegen, in een poging om zijn aftastende blik te ontwijken. Ik richt mijn ogen strak op mijn plastic bekertje. "Wouter is een bijzondere gast," vervolgt De Backer bedachtzaam. "De beste, meest gedreven brandweerman die ik in lange jaren onder mijn hoede heb gehad. Hij kent geen angst. Het ontbreekt hem aan dat natuurlijke overlevingsinstinct dat normale mensen hebben. Hij stormt overal zonder nadenken naar binnen. Hij was het die vorige maand nog dat zesjarige kind uit een brandende, met rook gevulde kelder heeft gesleurd toen de rest van de ploeg moest terugtrekken. Het is een echte held. ‘t Stad mag haar beide pollekes kussen dat we mannen zoals hem hebben."
Terwijl de commandant praat, welt er een intens, bijna overweldigend gevoel van trots op in mijn borst. Het vult mijn longen, maakt me groter. Zie je wel, schreeuwt een triomfantelijke stem in mijn hoofd. Hij is een goed mens. Hij redt levens. Maar dan, totaal onverwacht, valt er een zware stilte. Een stilte die me koud en onvoorbereid overvalt. De commandant neemt nog een trage slok van zijn koffie. Zijn gezicht betrekt; de gemoedelijke glimlach verdwijnt als sneeuw voor de zon. Hij komt iets dichterbij staan. Zijn stem daalt tot een zacht, indringend, bijna fluisterend volume, duidelijk alleen voor mijn oren bestemd.
"Maar luister héél goed naar me, Leen," zegt hij. De vaderlijke warmte in zijn stem is volledig verdampt en heeft plaatsgemaakt voor een ijzingwekkende, bloedserieuze ernst. Het is de toon van een man die gruwelijke ongelukken heeft gezien en probeert er eentje te voorkomen. "Mannen die zó dicht bij het vuur leven… die elke dag met de dood en absolute vernietiging flirten… die hebben de adrenaline nodig om zich levend te voelen. Die intensiteit, de geur van gevaar, het is als een harddrugs voor hen. Ze raken eraan verslaafd. Maar het grote probleem met dat soort onverschrokken mannen is dat ze die extreme hitte niet altijd in hun kluisje op de kazerne kunnen achterlaten als hun shift erop zit."
Ik kijk geschrokken op. Mijn hart slaat een pijnlijke slag over. "Wat bedoelt u daarmee?" De Backer werpt even een snelle blik over zijn schouder naar de luidruchtige groep mannen op de binnenkoer, om zeker te zijn dat niemand luistert, en fixeert dan zijn doordringende grijze ogen weer onvermurwbaar op mij. "Wouter functioneert het allerbeste als er totale chaos heerst," legt hij langzaam uit, waarbij hij elk woord weegt. "Als alles om hem heen in brand staat. Dán is hij briljant. Maar… in de alledaagse stilte van het normale leven… daar kan hij niet goed tegen. De leegte maakt hem onrustig. Het is een patroon dat we vaker zien bij jongens zoals hij. Als er geen vuur is om te blussen, dan creëert hij er soms zelf een. Begrijp je? Om die donkere kick te voelen. Om de controle weer met beide handen terug te grijpen."
Zijn woorden voelen als een ijskoude hand die zich traag maar zeker om mijn keel sluit. In een flits schieten mijn gedachten terug naar de gebeurtenissen van een paar dagen geleden. Naar zijn plotselinge, onverklaarbare, laaiende woede over een banale stommiteit. Was dat zijn manier om brand te stichten? Om de chaos op te zoeken? "Pas verdomd goed op dat je je niet aan hem verbrandt, meiske," fluistert de commandant indringend. "Hij is een absolute held in de kazerne, ja. Maar hij laat daarbuiten niemand, helemaal níémand, écht achter zijn schild kijken. Zorg dat jij niet zijn volgende vuurhaard wordt. Want als Wouter brandt, brandt alles om hem heen mee tot de grond toe af."
Ik open mijn mond om me te verdedigen, om hem te vertellen dat hij zich vergist, dat Wouter lief voor me is, dat hij me op handen draagt—maar de woorden sterven in mijn droge keel. Voor ik ook maar iets kan reageren, klinkt er in de verte een aanhoudend, huilend geluid. Het jankt door de stilte van de warme zomermiddag. Sirenes. Ze komen snel dichterbij, zwellen aan tot een oorverdovend kabaal dat trilt in mijn botten.De sfeer op de koer slaat onmiddellijk om. De andere mannen stoppen abrupt met praten en komen in beweging met de getrainde souplesse van een goed geoliede machine. Ze lopen snel naar hun posten. De enorme, zware metalen rolluiken van de andere garagepoorten ratelen met een hels lawaai omhoog.
"Ze zijn terug," zegt De Backer. De emotie verdwijnt in een oogwenk uit zijn gezicht. Het is alsof hij een masker opzet en direct weer in zijn ondoordringbare rol als commandant stapt. Een paar seconden later draait een reusachtige rode autopomp met sissende remmen de kazerne binnen. De enorme dieselmotor bromt zwaar, de walm van de uitlaatgassen slaat me direct op de longen. De deuren van de cabine vliegen open nog voordat de wagen helemaal stilstaat. Er stappen mannen uit die zwaar getekend zijn door de interventie. Ze zien er uitgeput uit, druipend van het zweet in hun dikke beschermende kleding. Hun gezichten zijn zwart van het roet. De stank die van hen afkomt is overweldigend: een bittere, scherpe mix van verbrande chemische stoffen, gesmolten plastic, natte, verkoolde as en verschroeid rubber.
En dan zie ik hem. Wouter springt met een atletische zwaai uit de verhoogde cabine. Zijn zware, met reflecterende strepen beklede vuurbestendige jas hangt open, zijn zware, zwarte brandweerhelm heeft hij in zijn linkerhand geklemd. Zijn blonde haren plakken nat en warrig tegen zijn voorhoofd. Zijn anders zo knappe gezicht zit vol harde, zwarte vegen roet, wat zijn jukbeenderen scherper doet lijken. Hij ziet er in één woord angstaanjagend aantrekkelijk uit. Rauw, primitief, krachtig, nog volledig badend in de roes van de adrenaline en de overwinning op het vuur. Mijn hele lichaam, elke cel in mijn weefsel, reageert direct en onvoorwaardelijk op zijn fysieke aanwezigheid; de vertrouwde, diepe tinteling van verlangen schiet brandend door mijn onderbuik.
Wouter zegt iets onverstaanbaars tegen een collega, lacht zijn witte tanden bloot en veegt met zijn mouw het zweet van zijn voorhoofd. Hij draait zich om richting de binnenplaats. En dan valt zijn blik op mij.De wereld lijkt even stil te staan. Even flitst er een blik van kinderlijke verrassing over zijn vermoeide gezicht, onmiddellijk gevolgd door een arrogante, triomfantelijke glimlach die speciaal voor mij is. Zijn meisje staat hem op te wachten. Maar de euforie duurt slechts een fractie van een seconde. Die glimlach sterft op zijn lippen en bevriest onmiddellijk wanneer hij zijn blik iets verschuift en Commandant De Backer vlak naast me ziet staan, die net bedaard het laatste restje van zijn plastic bekertje koffie in een prullenbak gooit. Ik zie de transformatie voor mijn ogen gebeuren. Wouters ogen vernauwen zich tot spleetjes. Zijn kaken klemmen zich zo strak op elkaar, met zo'n brute kracht, dat ik de pezen in zijn hals pijnlijk hard zie trekken. Zonder een woord te zeggen, beent hij met grote passen op ons af. "Hey Wout, is dat jouw meisje?" roept een van de brandweermannen met een vette, vuile grijns vanaf het achterste platform van de pomp. "Als je haar beu bent, dan wil ik ze wel!"
Een paar van de andere mannen schieten in de lach en stoten elkaar aan met hun ellebogen. Ik voel de rode blos onmiddellijk naar mijn wangen stijgen, een mix van schaamte en ongemak. Wouter reageert niet op de grap, maar zijn kaken spannen zich nóg strakker aan en zijn pas versnelt. Hij kijkt de grappenmaker niet eens aan; zijn blik blijft als een laser op mij en de commandant gericht.
"Commandant," zegt Wouter wanneer hij voor ons staat. Zijn stem klinkt gevaarlijk laag, afgemeten en strak beheerst. Hij knikt heel kort, puur uit militaire vormelijkheid, naar zijn baas. Maar zijn blik, de volle focus van de roofvogel, is op mij gefixeerd. Het is alsof hij me met zijn priemende ogen, daar in het felle zonlicht, dwars door de grond heen wil nagelen wegens insubordinatie.
"Wouter," zegt De Backer rustig. Hij legt even een stevige, vaderlijke hand op Wouters brede schouder en kijkt hem indringend aan. "We hebben net even kennisgemaakt. Een pracht van een meid, kerel. Je moet haar heel goed verzorgen, hoor. Anders krijg je het met mij te doen." De woorden klinken quasi-vriendelijk, maar de waarschuwing eronder hangt in de lucht. De commandant beschermt zijn mannen, maar hier trekt hij een heel duidelijke, morele grens. Wouter knikt uiterst stroef. "Ik weet heel goed wat ik in huis heb, commandant," antwoordt hij.
Voor ik kan reageren, schiet zijn arm naar voren. Hij grijpt me bij mijn linkerbovenarm. Zijn hand, ruw als schuurpapier en nog altijd diepzwart van de as en het chemische roet, sluit zich om mijn huid en zijn greep is allerminst zachtzinnig. Zijn stalen vingers knijpen veel en veel te hard in mijn vlees. Een gemene, scherpe pijnscheut trekt door de spieren van mijn arm, straalt uit naar mijn schouder. Ik hap hoorbaar naar adem, mijn ogen schieten vol tranen, maar ik dwing mezelf om geen krimp te geven, om niet in elkaar te duiken onder het strakke, analyserende toeziend oog van de commandant. "We moeten praten," snauwt Wouter. In één vloeiende, agressieve beweging draait hij zich om, trekt me hardhandig met zich mee en sleurt me letterlijk de kazerne uit. Mijn voeten slepen over de tegels. Ik word niet begeleid, ik word met geweld afgevoerd, weg van zijn collega's, richting de donkere hoek waar de geparkeerde privéauto's om de hoek van het grote gebouw staan.
"Wouter, je doet me pijn," fluister ik wanhopig en zo ongemerkt mogelijk, terwijl ik half struikel over mijn eigen voeten en mijn enkels verzwik in een wanhopige poging om zijn lange, moordende passen bij te houden. Mijn stem klinkt pathetisch, breekbaar. "Alsjeblieft, laat me los. Waar gaan we heen?" Hij reageert niet. Pas als we de hoek om zijn gelopen, stopt hij. Met een brute kracht slingert hij me los. Ik verlies mijn evenwicht en klap zowat in volle vaart met mijn schouderbladen tegen de ruwe, stenen bakstenen muur. Voor ik me kan oriënteren of mijn handen omhoog kan brengen, stapt hij naar voren. Hij plant zijn zware, zwarte handen aan weerszijden van mijn gezicht plat tegen de muur, waardoor hij me volledig insluit. "Wat dacht je verdomme?" briest hij. Zijn stem is geen luid geschreeuw. Dat is het meest angstaanjagende. Het is een laag, hees, bloedlink gegrom dat trilt van ingehouden woede, gevaarlijk dicht bij mijn oor. Zijn ogen spuwen letterlijk vuur; de irissen lijken haast te trillen van razernij. "Wie heeft jou in godsnaam toestemming gegeven om hierheen te komen, Leen? Wie heeft jou gezegd dat je zomaar hier kon opdagen?"
"Ik… ik wilde je gewoon verrassen," stamel ik, mijn hart klopt alsof het uit mijn borstkas wil breken. Ik probeer mezelf zo klein, plat en onzichtbaar mogelijk te maken. "Ik miste je. Ik kon me niet concentreren. Het spijt me." "Verdomme Leen!" Wouter haalt uit en slaat met zijn vlakke hand tegen de stenen muur, centimeters naast mijn linkeroor. Ik gil hardop van de schrik, trek mijn nek in en knijp mijn ogen stijf dicht, in afwachting van de klap die deze keer in mijn gezicht zal landen. "Je hebt hier verdomme helemaal niets te zoeken!" sist hij, de spetters speeksel raken mijn wang. "Niets! En al helemaal niet om met mijn commandant te staan smoesen! Wat heb je hem verteld, godverdomme? Wat heeft die oude zak tegen je gezegd?"
Zijn grote, met vies roet besmeurde vingers schieten plotseling naar voren en grijpen mijn kin en kaaklijn als een bankschroef vast. Hij dwingt mijn hoofd met brute kracht omhoog, zodat ik recht in zijn ogen moet kijken. Zijn vingertoppen graven zich pijnlijk hard in het vlees van mijn kaken. "Antwoordt, Leen!" dwingt hij me, zijn stem vol dreiging. "Kijk me aan als ik tegen je praat. Wat heeft De Backer tegen je gezegd?" "Niets! Helemaal niets!" lieg ik onmiddellijk in een paniekerige reflex. Mijn stem slaat over. Ik ben doodsbang. "Hij… hij… Hij vertelde me dat je de beste bent. Hij is trots op je, Wouter. Ik zweer het je!"
Wouter laat zijn grip niet los. Hij blijft me strak aanstaren. Zijn borstkas gaat wild en ongecontroleerd op en neer. Zijn warme adem striemt over mijn wangen. Hij zoekt koortsachtig, haast dwangmatig in mijn wijd opengesperde ogen naar een leugen, naar het kleinste sprankje verraad. En gedurende die lange, vreselijke seconden ben ik er heilig van overtuigd dat hij me hier, ter plekke in elkaar gaat slaan. De pure, primitieve angst die opborrelt is zo intens, zo koud en verlammend, dat mijn hele lichaam als een rietje begint te beven en mijn tanden op elkaar klapperen.
En dan, alsof er een onzichtbare schakelaar diep in zijn hersenpan met een klik wordt omgezet, verzacht zijn gezicht. Het is de meest beangstigende, onwerkelijke wending denkbaar. De paranoïde woede ebt als sneeuw voor de zon weg uit zijn felle ogen, de strakke spierspanning vloeit uit zijn kaken en wordt vlekkeloos vervangen door een intense, bijna breekbare en smekende bezorgdheid. Hij laat mijn gekneusde kin los, haalt diep adem. En dan streelt diezelfde zwarte, wrede hand plotseling zachtjes, teder, bijna liefdevol over mijn bleke wang, waarbij zijn vuile eeltige vingers een donker, grijs spoor van roet achterlaten op mijn huid. "Jezus, Leen… het spijt me," fluistert hij plotseling, zijn stem klinkt opeens schor, hees, gebroken. Het agressieve roofdier is getransformeerd in een gekwetste jongen. Hij sluit zijn ogen en laat zijn voorhoofd zwaar tegen het mijne rusten. "Het spijt me zo erg, pop. Ik… ik was gewoon doodsbang toen ik je daar opeens onverwacht op de koer zag staan."
Ik knipper verward met mijn betraande ogen, mijn zenuwstelsel maakt kortsluiting door deze bipolaire achtbaan van emoties. Ik durf niet te bewegen. "Doodsbang?" stamel ik. "Mijn werk is levensgevaarlijk, pop," zegt hij zacht, met een emotionele, rauwe trilling in zijn stem. Hij klinkt zó eerlijk, zó kwetsbaar. "Als ik me midden in een vuurzee bevind… dan hangt mijn leven letterlijk af van mijn focus. Eén seconde van afleiding, één kleine misrekening, en ik ben morsdood. Toen ik jou daar daarnet zag staan in de zon, met je haren los en die broek aan… toen werd ik me ineens zo pijnlijk bewust van de wereld buiten. Ik besefte plotseling hoeveel ik eigenlijk te verliezen heb. Snap je dat?"
Hij pakt met beide handen mijn schouders beet, deze keer niet om pijn te doen, maar om zich aan me vast te klampen alsof hij anders verdrinkt. "Jij bent mijn zwakke plek geworden, Leen," prevelt hij, zijn lippen raken de mijne haast. "Ik hield altijd alles onder controle, maar jij... ik verlies mezelf in jou. Ik kan me absoluut geen zwakke plekken of emoties veroorloven. Begrijp je dat dan echt niet, schatje? Ik reageerde net zo heftig uit paniek. Omdat ik zielsveel om je geef. Omdat de gedachte dat ik je pijn zou doen of zou verliezen me tot totale waanzin drijft."
Zijn woorden glijden als een warme, bedwelmende, verzachtende balsem over de rauwe wonden van mijn angst heen. Mijn paniek verdampt en maakt plaats voor opluchting. Mijn hart, dat zojuist nog bonsde van pure doodsangst, stroomt over door een dodelijke cocktail van giftige liefde, blinde toewijding en, het ergste van allemaal, een verpletterend schuldgevoel. Hij had gelijk. Het lag volledig aan mij. Ik, met mijn domme, egocentrische behoefte om hem te zien, had hem op het verkeerde moment afgeleid. "Het spijt me," fluister ik, de tranen stromen nu ongehinderd over mijn wangen. Zonder na te denken sla ik mijn armen strak om zijn brede, gespierde hals. De geur van rook en rubber die me zojuist nog verstikte, snuif ik nu wanhopig diep op alsof het zuurstof is. Ik begraaf mijn gezicht diep in de bocht van zijn bezwete nek, voel de harde spieren van zijn schouders onder de dikke brandweerjas. "Ik zal het echt nooit meer doen, Wouter. Ik zweer het. Beloofd."
Wouter gromt zachtjes. Hij slaat zijn armen om mijn middel en trekt me zo stevig tegen zijn borstkas aan dat ik de lucht uit mijn longen voel persen en bijna geen adem meer krijg. "Braaf meisje," fluistert hij hees, zijn lippen strijken over mijn oor. Het bezorgt me rillingen over mijn hele rug. "Jij bent van mij. Alleen van mij. En ik zorg verdomd goed voor wat van mij is, hoor je me? Vergeet dat nooit." Hij wacht niet op mijn instemming, maar trekt mijn gezicht naar zich toe. Terwijl hij zijn lippen dwingend, heet en met een onstuitbare urgentie op de mijne drukt, terwijl zijn tong teder maar ongekend bezitterig mijn mond proeft en opeist, sluit ik mijn ogen. Ik geef me over, laat mezelf verdrinken in zijn overweldigende hitte, in de waanzin van wat wij hebben. Ik verlies mezelf.
Maar ergens diep van binnen, weggestopt in een heel klein, koud hoekje van mijn vertroebelde geest, waar zijn vuur niet bij kan komen, weiger ik de echo van de oude commandant los te laten. Een echo die onverbiddelijk als een haperende sirene door mijn hoofd blijft spoken: Pas op dat je je niet aan hem verbrandt, meiske. Als er geen vuur is, dan creëert hij er zelf een.