
Op school is het vreemd. Niet luid vreemd. Stil vreemd. De conciërges kijken. Niet gek en niet voor het eerst. Hun blik blijft een tel langer dan een groet nodig heeft, en dan groeten ze me gewoon, zoals altijd, alsof er niets tussen hun ogen en mijn gezicht zit dat er niet horen mag. Ik groet terug. Mijn stem is normaal. Mijn gezicht is normaal. Alleen van binnen schuift er iets dat niet bij de gang hoort. Zij weten wie ik ben. Of kan zijn.
Van Weelden is de hele dag druk met van alles en nog wat. Behalve mij. Hij loopt, praat, wijst, heeft handen vol papieren en mensen die iets van hem willen, en zijn blik gaat overal naartoe behalve de plek waar ik sta. Dat is een soort rust. En een soort belediging. Ik weet niet welke van de twee zwaarder weegt.
Tijdens die lunch zit ik al met een paar collega’s. Tafeltje, bekers, dat gewone geklets dat nergens over gaat en toch de pauze vult. Ik hoef even niet te doen alsof ik normaal ben. Mark komt erbij zitten. Hij schuift een stoel, pakt zijn broodtrommeltje, en kletst gewoon mee. Over iets kleins. Over een leerling die wat uitgehaald had. Over de week. Niet eens een blik. Geen mondhoek. Geen seconde waarin hij mij apart zet van de rest. Ik kijk naar mijn eten en bijna twijfel ik of het wel echt gebeurd is. Het afgelopen weekend. Hij, en de rest, daarvoor nog. Dat andere, wat alweer weken speelt. Alsof mijn lijf iets onthoudt wat de kantine weigert te bevestigen. Ik ben niet normaal.
En na die lunch, het zien van Mark, en de herinneringen aan wat ik nog geen 4 dagen terug gigantisch heb laten escaleren, voel ik het alweer. Ik mis iets. En da hoeft niet. Ik begin te rekenen. Niet aan tafel. Later. In mijn hoofd, waar cijfers veiliger zijn dan blikken. Mo, Luc en Jayden hebben alle drie acht vakken. Drie keer acht. Vierentwintig cijfers per week om te belonen als het goed gaat volgens de oude methode. De nieuwe methode blijft een optie. Die zin schuift er tussendoor, koel, praktisch. Beide methodes betekent ook vierentwintig keer rapporteren. Belonen en rapporteren. Twee kolommen. Ik zet ze naast elkaar en de som komt vanzelf.
Het zou zo kunnen zijn dat ik in een week achtenveertig keer seks heb. Echte seks. Als zij de cijfers halen. Achtenveertig keer mij laten penetreren totdat ze klaarkomen. Waarom schrik ik daar niet van? Omdat ik weet dat de kans te klein is? Of omdat dit allerminst de eerste keer is dat ik aan zoiets denk.
Ik realiseer me dat pas als ik voor de klas sta. Bord achter me. Stoelen voor me. Een zin half af die ik af moet maken. Achtenveertig. Het getal is te groot voor een lokaal. Ik kan het weten. Beangstigend, omdat het kan. Uitdagend, omdat het ook een keuze is die ik nog niet hardop heb gemaakt. Mijn stem gaat gewoon door. Mijn hoofd niet.
Maar de realiteit haalt me al snel in. Deze week kunnen ze echter maar twee voldoendes halen. Er wordt niet meer getoetst.
Nu echt een 'rustige' week. Het rooster geeft weinig weg, de toetsen nog minder. Alleen Jayden en Luc hebben allebei een enkele voldoende, en elk voor het andere vak. Twee jongens. Twee cijfers. Niet tegelijk. Niet Mo. Niet de hele rij. Alleen dat. In mijn hoofd wordt de som ineens klein, bijna teleurstellend klein na dat andere getal.
Woensdagochtend, half zeven in de ochtend. Ik sta bij de muur, ingedrukt tegen het koele steen naast de nooduitgang in de achterste hal, alsof de muur zelf me een plek gunt die niemand anders ziet. Achter me ligt het trappengat stil; geen voetstap, geen deur, alleen die holte van beton die geluid opslokt. Door het glas kijk ik naar buiten. Het is nog nacht, zo donker dat de parkeerplaats eerder een vlak is dan een plek. Mijn adem slaat tegen het glas en blijft even hangen, een vage witte waas die meteen weer krimpt. Ik ben er vroeg. Te vroeg, denk ik, en dat denk ik niet hardop.
Ik zoek hem in het donker. Licht nerveus, toch wel, een zeurende onrust in mijn buik die niet bij de kou hoort en ook niet helemaal bij het wachten. Ik wiebel van de ene heup naar de andere. De vloer is koud door mijn schoenen heen. Mijn jas houdt weinig tegen. Het is ook koud omdat ik nog niet weet of ik het bij zijn beloning wil houden, of dat die beloning al een deur is die ik half open heb laten staan.
Dan komt hij. Donkere kleding, een silhouet dat zich klein maakt tegen de gevel, stiekem aangelopen alsof de nacht zelf hem kan verklappen. Zijn blik hangt gespannen op de grond, niet op het glas, niet op mij. Ik doe de deur open. De nachtlucht valt naar binnen. Hij stapt over de drempel zonder dat er een woord tussen ons hoeft.
Hij mag zich alleen aftrekken. Dan had hij maar beter zijn best moeten doen. Die zin zit al klaar achter mijn tanden, maar ik zeg hem niet. Ik deel de teleurstelling, voel hem als een droge rand, en tegelijk is het makkelijk zo: geen extra belofte, geen extra hand.
Ik hurk voor hem neer. De vloer komt dichterbij, mijn knieën vinden hun plek, mijn rug blijft recht genoeg om hem nog te zien. Ik hoor zijn rits. Het metaal gaat open in één korte trek. Zijn rug zoekt de muur, vindt steen, blijft daar. Hij haalt hem erbij, al hard, karamelkleurig in het schrale licht van de hal, en zijn vuist sluit eromheen alsof hij geen tijd te verliezen heeft.
Hij begint. De pomp is snel. Sneller dan moet. De huid schuift, de kop komt telkens even vrij en verdwijnt weer in zijn vuist, en de lucht tussen ons krijgt die warme, vette geur van iemand die zichzelf geen pauze gunt. Niemand komt ons storen. Dat weet hij niet. Ik wel. Die zekerheid ligt stil in mijn borst terwijl ik hem aankijk.
Mijn ogen blijven op hem. Haar naar achteren, uit mijn gezicht, zodat er niets tussen mijn blik en zijn gezicht zit. Mijn handen liggen op zijn dijen, de stof onder mijn palmen, de spanning in het spierweefsel elke keer dat zijn vuist omhoogschiet. Mijn kleding zit nog netjes. Blouse, rok, alles waar het horen moet. Ik verander daar niets aan.
Hij komt. Ik blijf hem aankijken. Eerst is het alleen die extra stijfheid onder zijn vuist, die korte hapering, en dan is het er. Ik open mijn mond. Niet wijd, niet uitnodigend als een gebaar dat ik hem cadeau doe, gewoon open, lippen uit elkaar, zodat er een plek is.
Zijn hand landt ruw op mijn hoofd. Vingers in mijn haar, druk naar voren, niet vriendelijk, niet vragend. Hij brengt zijn eikel naar mijn mond. Ik laat het gebeuren. De warme, gladde kop drukt tegen mijn lippen, zoekt de spleet die ik hem geef, en blijft daar even hangen alsof ook hij nog een seconde nodig heeft.
Dan schieten de stralen. Hard, kort op elkaar, warm en zout de mond in, tegen mijn tong, tegen het gehemelte. Hij staat te schudden voor me, heupen die niet stil kunnen, adem die stukgaat. Ik blijf hem aankijken. Ogen open. Mond open. De pulsen blijven komen. Het hele klaarkomen duurt bijna langer dan zijn getrek, een reeks die niet meteen ophoudt als je denkt dat hij klaar is.
Eén straal mist mijn mond. Raakt mijn neus. Warm, dik, een enkel spoor dat blijft liggen waar het landt. De smaak vult mijn mond helemaal, ligt zwaar op mijn tong, en ik slik niet meteen. Ik houd het. Ik kijk. Hij schudt nog.
Ik lach als ik overeind kom. De lach is klein en zit eerst alleen in mijn keel, dan in mijn mondhoek. Ik laat hem weer net zo snel naar buiten. Deur open, nachtlucht, zijn donkere rug die de drempel overgaat alsof de hal hem nooit heeft gehad.
Mijn tong speelt nog met zijn zaad. Verschuift het, proeft het opnieuw, houdt het tegen mijn gehemelte zonder haast. Stil lachend kijk ik hem na, tot hij kleiner wordt in het donker. Te snel. Te snel weg, te snel klaar, te snel die beloning die geen beloning was.
Mijn vinger wipt het van mijn neus. Het spoor laat los, blijft even aan mijn vingertop hangen, en verdwijnt in mijn mond. Ik sluit mijn lippen eromheen. De deur valt in het slot. Achter me is het trappengat weer stil.
Donderdagmiddag, na mijn laatste les. Het voelt te vertrouwd. Ik kijk hem aan terwijl de stoelen nog schuiven, dat laatste geschuif van mensen die hun tas zoeken en hun stoel onder het bureau duwen alsof de les hen nog een seconde vasthoudt. Hij blijft staan. Tas nog in de hand, vingers om het hengsel, keel zichtbaar boven de kraag, die strook huid die te kaal is voor hoe stil hij doet. De zaal ruikt naar droge lucht en whiteboardstiften die niemand meer gebruikt, een chemische rest die in het linoleum hangt.
Ik doe niets met mijn stem. Alleen mijn blik blijft hangen, te lang voor toevallig, te vast voor een vraag die je hardop stelt. Zijn mondhoek trekt. Niet tot een lach. Tot iets dat hij binnen wil houden, een spiertrek die hij te laat vangt. Achter hem staat de deur nog open. Iemand lacht op de gang. Dat geluid hoort niet bij ons en komt toch binnen, helder, verkeerd, en blijft even tussen de stoelen hangen voordat het weer wegebt.
Ik zie hun ruggen. Jassen, tassen, een schouder die zich omdraait alsof iemand nog iets vergeten is en het dan laat, besluit dat het lokaal hem niets meer verschuldigd is. De drempel neemt ze. Mo en Jayden blijven niet. Ik wil Luc alleen. Die zin zit niet in mijn mond. Hij zit in hoe ik blijven staan.
De klik van de deur is klein. Metaal op metaal, te netjes voor wat er daarna mag. Tussen ons blijft de kou van het lokaal, die vlakte van linoleum die te hard klinkt als je te vroeg beweegt. Ik stap in. Niet ver. Mijn heup vindt de rand van het bureau, het hout koud door de stof, een punt om me aan vast te houden zonder dat het een omhelzing wordt.
Zijn adem raakt mijn haarlijn. Te warm voor de afstand die we nog spelen. Op zijn gezicht zit diezelfde spanning als toen hij nog deed alsof hij alleen maar meeliep met de rest, die strakke mond, die ogen die te veel weten en te weinig durven. In de gang sterft een voetstap uit. Niemand draait terug.
Ik kijk omhoog vanaf de knieën. Het linoleum is koud door de kous, een platte kou die in mijn scheenbeen gaat zitten en blijft. Zijn rits gaat open onder mijn vingers. Metaal, kort, een geluid dat in een lege zaal groter is dan het mag zijn. Hij is al zwaar in mijn hand, huid warm, te dik voor hoe stil de zaal is, gewicht dat mijn vingers dwingt zich te spreiden.
De typische kromming voelt vertrouwd, die lijn die ik al ken, de eikel naar boven gebogen alsof hij zelf de richting zoekt. Ik neem de kop in mijn mond. Nat. Zout van hem, niet van de dag, een smaak die meteen tegen mijn tong ligt. Mijn lippen sluiten erom. Tong plat ertegenaan. Ik zuig één keer hard genoeg om zijn adem te laten breken, die korte hapering boven me die hij niet had willen geven.
Zijn gezicht gaat dicht. Mond open zonder geluid. Een frons alsof hij het niet mag, alsof het lokaal hem nog steeds ziet. Mijn hand blijft op zijn heup, duim in de stof, de rand van zijn broek, terwijl de deur achter ons op slot zit en toch geen slot is.
Ik houd zijn blik vast terwijl ik hem dieper neem. Speeksel loopt warm langs de schacht, een dunne lijn die mijn kin zoekt en haar niet haalt. Mijn lippen schuiven traag, terug tot alleen de kop nog tussen mijn lippen zit, weer naar voren tot hij tegen mijn gehemelte stoot. Geen haast die van hem komt. De haast is van mij.
Mijn kaken doen pijn op een manier die ik opzoek, die doffe rek aan de zijkant die zegt dat hij te groot is voor hoe lang ik blijf. Het gehemelte krijgt hem telkens. Mijn keel sluit en laat weer, een reflex die ik niet wegdruk. Op zijn gezicht staat het bijna: de schaamte dat hij hier nog staat, in dit lokaal, na deze les, en de lust dat ik niet ophoud.
Mijn hand gaat naar beneden, onder mijn rok, tussen mijn eigen nattigheid, vingers die vinden wat ik al voelde toen de stoelen nog schoven. Ik zuig verder alsof zijn lul de enige plek is waar die onrust uit de week nog heen kan. In de gang is het stil. Te stil. Iemand kán terugkomen. Ik slik hem niet. Nog niet.
Ik kijk omhoog terwijl hij het niet meer tegenhoudt. Zijn hand zit in mijn haar, niet sturend, vast, alsof hij anders wegzakt tegen het bureau, vingers die mijn schedel zoeken zonder te duwen. De zaal is nog steeds die droge kou, maar zijn huid is nat tot aan mijn kin, speeksel dat afdruipt op linoleum dat het niet hoort te krijgen, een donkere stip die niemand later mag zien.
Ik zuig hem erdoorheen. Eerst de stoten, warm, zout, te veel voor mijn mond, slikken omdat er geen andere kant op is, keel die meewerkt omdat ik het wil. Zijn gezicht trekt open. Mond zonder stem. Ogen halfdicht alsof kijken te veel is.
Ik ga niet van hem af.
De kop is te gevoelig nu. Hij probeert terug, heup die weg wil, lul die nog hard is en toch pijn doet van elk trekken van mijn lippen. Ik houd hem vast bij de basis, duim tegen het natte vel, mond die blijft, tong die de spleet blijft zoeken alsof er nog iets in zit. Hij hijgt mijn naam bijna. Slikt het in. Op zijn gezicht zit het: klaar, klaar, en toch die gretigheid van mij die hem niet laat stoppen.
Achter de deur blijft de gang leeg. Zijn knieën geven bij. Ik zuig door tot hij niets meer geeft dan een schok en een geluid dat te luid is voor een lokaal.
Het rapporteren gebeurt dezelfde middagen erna. Volgens afspraak. Woensdag sta ik met twee minuten weer buiten.
Eerst is er zijn kantoor. De deur valt in het slot achter mijn rug, niet hard, net genoeg om de gang weg te knippen. Ik doe mijn vestje open. Niet wijd. Alleen de knopen, stof die opzij valt, en daaronder het topje dat de buitenwereld nog steeds niet gezien had. Hij kijkt. Eerst naar de stof, dan naar wat de stof niet meer helemaal bedekt.
Hij complimenteert mijn kledingkeuze. Trots, dat ik naar hem geluisterd heb en leer. In laagjes werkt. Mooi en behouden voor wie op de gang loopt, maar onder het bloesje zit het anders, warmer, dichter op mijn huid. Ik zeg niets terug. Mijn handen weten al waar ze heen moeten.
Ik ga zitten op de bank in de hoek. Het leer is koel door mijn rok. Mijn knieën blijven bij elkaar tot hij voor me staat, en dan ook nog. Mijn handen op mijn schoot, palmen omhoog alsof ze niets zoeken. Mijn mond open. Niet wijd als een gebaar. Gewoon open, lippen uit elkaar, tong stil, zodat er een plek is.
Voor de rest wordt er geen woord gezegd. Niets gevraagd over eerder. Niet over de nooduitgang. Niet over wie er vanochtend in het donker stond. Gewoon aftrekken. Niet meer. Niet minder.
Zijn rits. Zijn hand. Hij is al hard als hij eruit komt, en zijn vuist sluit eromheen alsof de minuten zelf hem opjagen. Ik kijk naar de beweging, niet naar zijn gezicht. De schacht schuift door zijn vingers, de kop komt telkens even vrij, glanst, verdwijnt weer. De lucht tussen ons wordt kort en warm. Mijn mond blijft open. Er loopt al een draad speeksel naar mijn onderlip die ik niet wegveeg.
Hij komt zonder aankondiging. Eén extra ruk, een hapering, en dan vult hij me. Warm, zout, te veel ineens voor hoe stil het kantoor is. Ik houd het. Slik niet. De smaak legt zich zwaar op mijn tong, tegen mijn gehemelte, en blijft daar terwijl hij nog een keer pulst en de laatste druppel op mijn lip zet.
Dan is het klaar. Ik sta op. Vestje nog open. Mond nog vol. De deur, de gang, het gewone licht. Buiten pas, als mijn vingers de knopen weer sluiten en de stof weer doet alsof er niets onder zit, slik ik weg. Eén keer. Droog bijna, van hoe lang ik het heb vastgehouden.
Drie minuten max. De makkelijke week, zover.
Maar de donderdag is anders.
Nadat ik Luc heb afgezogen maak ik me netjes. Lippen langs elkaar, kin droog, rok recht, alsof het lokaal niets heeft gezien. Ik pak mijn spullen bij elkaar, tas over mijn schouder, en zet koers naar boven, naar de hal die naar het kantoor van Van Weelden leidt. De trap telt niet. Alleen de gedachte dat het rapporteren dezelfde middag nog hoort, volgens afspraak, dezelfde mond, een ander gezicht.
Boven het trappenhuis uit is het aan de ene kant al volledig donker. Donkerder dan normaal op dit tijdstip, al is het laat. De andere kant brandt wel wat licht, maar ook niet veel, een schrale baan die de vloer half laat zien en de rest laat liggen. Achterin niks. Was Van Weelden al bezig? Die vraag schuift door me heen zonder stem.
Dan zie ik hem pas.
Hij heeft een bezem naast zich staan tegen de muur. Eén zool plat ernaast. Armen over elkaar. Werkoverall. Zwart petje. Rond brilletje. Jorrel staat er. Alsof hij de wacht houdt. Niet alsof hij toevallig veegt. Alsof de hal hem een plek heeft gegeven en hij die niet meer afstaat.
Ik loop hem wat nerveus voorbij en knik maar. Een knik die te snel is voor beleefd en te klein voor een begroeting. Hij kauwt op kauwgom en kijkt me alleen na. Het gekauw is nat, traag, het enige geluid dat de hal toelaat. Altijd wel een vreemd mannetje geweest, vond ik. Maar niet gek dat hij hier staat, aangezien ik daar verwacht word.
De deur is dicht. Op slot. Ik buig naar de spleet. Geen Rayenne in het donker met Van Weelden. Geen beweging. Niemand. Alleen de hoek van een bureau die ik al ken en een kamer die leeg is op een manier die geen uitstel is, alleen afwezigheid. Ik twijfel kort. Mijn hand blijft een seconde op de klink die niet beweegt. Dan draai ik me om.
Ik had voor hem dezelfde outfit aangetrokken. Kon best, aangezien ik me deze week nog niet had hoeven omkleden op school. Laagjes. Vest. Bloes. Wat de buitenwereld mag zien, en wat daaronder anders zit. Het zit er nog. Luc heeft er niets aan veranderd. Alleen mijn mond weet het nog.
Ik loop weer terug door de bovenste hal met te weinig licht. Jorrel staat daar nog steeds. Bezem. Zool. Armen. Gekauw. Ik kijk hem niet aan. Niet meteen. Terwijl ik wel blijf staan als ik hem passeer. Mijn voeten stoppen eerder dan mijn besluit. Ik hoor zijn gekauw. Zijn ademhaling. De overall die een beetje kraakt als hij niks doet.
Ik ben blijven staan omdat ik het begrijp. Of denk te begrijpen.
Langzaam draai ik me naar hem om tot ik voor hem sta. Dichterbij ruikt hij naar schoonmaak en kauwgom, naar een gang die de hele dag leerlingen heeft gehad en nu alleen ons overheeft. Het rapporteren gaat wel door. Die zin zegt zichzelf. Niet Van Weelden. Deze hal. Deze man.
“Hier?” klinkt mijn stem zacht, maar hol door de gang.
Ik geloof dat er niemand is. En als er al iemand is, dan vast iemand die het al wist voordat ik het wist. Jorrel knikt alleen. En blijft staan. Armen nog over elkaar. Bezem nog tegen de muur. Een test? Nee. Niet meer. Tests zijn vragen. Dit is een plek.
Ik kijk om me heen. In deze gang loop ik overdag tussen leerlingen en collega’s. Hier was het altijd net iets minder druk op deze school, een zijtak waar je sneller alleen bent dan je doorhebt. En nu staat alleen hij daar. En ik. Met een simpele opdracht. Mond. Handen. Geen woord extra. Niet meer. Niet minder. Alleen het tijdstip dat anders is, en het licht dat te weinig is, en hij die niet opzij gaat.
Hij blijft gewoon staan. Bijna te nonchalant. Alsof de hal van hem is en ik alleen even langskom. De contouren in zijn overall zijn vaag in het schrale licht, maar mij duidelijk genoeg: die verdikking bij zijn kruis, die lijn die het stugge materiaal niet helemaal wegdrukt. Ik slik. Kijk nog eens om me heen. Achter me lege ruimte. Naast me lege ruimte. De gang die overdag leerlingen draagt, nu alleen vloer en schaduw.
Met al die leegte voel ik me open en bloot terwijl ik mijn bloesje strakker om me heen trek en toch een stap dichterbij doe. De stof komt dichter op mijn borst, een netjes gebaar dat niets netjes houdt. Ik zeg ook niks. Dit is geen gesprek. Zijn gekauw gaat door. Zijn armen blijven over elkaar tot ze dat niet meer hoeven.
In zijn overall zit ook gewoon een rits bij zijn kruis. Ik vind hem. Het materiaal is iets stugger dan een broek, grover onder mijn vingers, en gehurkt zit ik voor deze conciërge als ik hem eruit krijg. De vloer komt koud door mijn kous. Mijn knieën vinden hun plek. Hij komt vrij in mijn hand, zwaar, al hard, en de lucht tussen ons verandert meteen.
Heel even kijk ik naar hem op. Met toch wel wat ontzag. Pet. Brilletje. Dat gezicht dat ik overdag groet alsof hij alleen deuren opent. Ik had Jorrel al hard gezien. Drukkend tegen mijn borsten. Dat was afgelopen vrijdag. Zwart, glanzend, en vooral lang. Dan pas dik. Die herinnering legt zich over wat ik nu vasthoud, en het klopt.
Ik slik nog een keer. Want dit doet nu eenmaal iets extra’s met me. Niet alleen de lengte. Niet alleen dat het Jorrel is. Het extra van een gang die niet op slot kan, van een man die niet vraagt, van een opdracht die ik zelf heb laten doorgaan.
Mijn hand probeert hem te omvatten. Lukt niet helemaal. De nog droge huid strijkt stroef langs mijn vingers, warm al, maar nog zonder speeksel, een weerstand die mijn palm dwingt trager te gaan. Eerst één hand. Duim langs de onderkant, vingers die de schacht zoeken en hem niet rond krijgen. Dan twee. Meer grip. Maar langzaam. Aftastend. Alsof haast hier erger zou zijn dan betrapt worden.
In een schoolgang in het halfdonker. Ik, de keurige biologielerares. En hij, een zwarte conciërge van in de vijftig. Die zin bestaat nog, ergens, tot ze ophoudt te bestaan.
Want ik vergeet alles als ik zijn hand op mijn hoofd voel.
Zwaar. Niet vriendelijk. Vingers tegen mijn schedel, druk naar voren die geen verzoek is. Mijn lippen vinden zijn eikel. Kussen hem. Warm, glad, een kop die te groot is voor hoe zacht dat eerste contact blijft. Wie we waren, waar we waren, hoe we eruitzagen, maakt dan niet meer uit. Alleen dat hij een harde pik heeft die ik moet pijpen.
Omdat ik dat wil.
Met zijn hand op mijn hoofd zet ik aan.
Niet omdat hij duwt. Omdat de druk er al is, zwaar in mijn haar, een gewicht dat mijn mond de richting geeft die ik zelf al zocht. Hij laat me nog even. Geen trek. Geen heup. Alleen die hand die blijft liggen alsof hij kijken wil hoe ver ik zelf kom.
Mijn lippen strekken zich over zijn eikel. De kop vult de voorkant van mijn mond eerst, glad, warm, te breed voor hoe netjes ik mijn mond nog dicht probeer te houden, en dan geeft de rek toe. Ik schuif verder. Schacht erachteraan. Huid die mijn lippen opent tot ze rond hem sluiten, een natte ring die hem neemt zonder haast.
Mijn mond is nat en warm. Speeksel komt vanzelf, te veel bijna, en legt zich tussen mijn tong en zijn huid tot alles glijdt wat daarnet nog stroef was. Ik zuig niet hard. Ik houd. Tong plat tegen de onderkant, lippen strak, adem langs mijn neus omdat mijn mond vol is.
Hij kreunt goedkeurend. Zachtjes. Een geluid dat in zijn borst blijft hangen en de hal bijna niet haalt, alsof ook hij weet dat deze gang geluid niet verdraagt. De hand in mijn haar beweegt niet. Alleen die kreun zegt dat het goed is.
Mijn handen liggen op zijn dijen. Overall onder mijn palmen, stug, de spanning in het spierweefsel elke keer dat mijn mond een stuk verder glijdt. Verder doe ik niets met ze. Geen vuist om hem heen. Geen hulp.
Alleen mijn mond die aan het werk is. Vooruit. Terug tot de eikel tussen mijn lippen blijft. Weer vooruit, natter, warmer, tot de smaak van hem mijn hele mond vult en de gang, het petje, het brilletje, de keurige lerares, allemaal buiten de seconde vallen.
Ik pijp dieper.
Niet in één keer tot het einde. Tot halverwege, tot mijn lippen die plek op zijn schacht vinden waar hij dikker wordt en mijn mond hem niet meer vanzelf neemt. Daar blijf ik even. Dan weer. Elke keer dezelfde diepte, alsof ik die grens eerst van mij wil maken.
Sneller heen en weer. De natte klank komt mee, klein, vies, te duidelijk voor een gang. Mijn haren bewegen mee. Onder zijn hand raken ze iets verwilderd, plukken die uit de nette lijn vallen en tegen mijn wangen plakken, tegen zijn overall, tegen de speekselrand bij mijn mondhoek.
Hij houdt me nu af en toe iets tegen. Geen harde duw. Een vastzetten. Zijn hand in mijn haar die mijn ritme kort onderbreekt, me op de kop houdt, me daar laat wachten tot hij het toestaat. Hij rekt het. Ik laat hem. Mijn mond blijft vol terwijl hij de seconde langer maakt dan ik haar wilde hebben.
Als hij loslaat krult mijn tong langs zijn eikel. Plat eerst, dan een rand, die spleet, de kroon, nat en zout, en ik kijk hem aan terwijl ik hem afzuig. Omhoog, langs de overall, langs het brilletje, naar dat gezicht dat overdag deuren opent. Mijn ogen blijven. Mijn mond ook.
Mijn handen glijden naar zijn schacht. Die druipt van mijn speeksel, warm, glad, te glad om alleen met huid te houden. Als verlengstuk van mijn mond draaien ze tegen elkaar in. De ene zus, de andere zo, een draai die mijn lippen niet hoeven te doen, een wrijven dat hem dieper in de natheid duwt die ik al heb gemaakt.
Hij heeft meer moeite stil te staan. Stil te blijven. Een heup die meewil en zichzelf terugtrekt. Een knie die zachtjes veert. De bezem tegen de muur die niet meer het enige is dat recht blijft.
Ja. Ik kan wel wat. Die gedachte zeg ik niet. Ze zit in hoe ik hem niet loslaat, in de draai van mijn handen, in de blik die ik vasthoud terwijl mijn mond weer naar halverwege glijdt en het speeksel langs mijn kin zoekt.
Dan neemt hij het wel over.
Brommend en kreunend, een geluid dat eerst in zijn borst zit en dan lager komt, dichter bij mijn mond. Een vuist vol met mijn lange haren. Hij trekt me terug. Van zijn eikel af. Niet vriendelijk. Niet vragend. Gewoon weg, tot de kop mijn lippen verlaat en er een stevige brug van speeksel tussen ons blijft hangen, dik, glanzend, die niet meteen breekt.
Mijn mond blijft open. Hijgend. Koude ganglucht op mijn tong waar zijn huid zat. Ik vang zijn blik. En die zet me meteen in vuur en vlam. Niet omdat hij iets zegt. Omdat hij kijkt alsof mijn mond al van hem is. Ik snap dat ik op dit moment niks in te brengen heb, tenzij hij het wil. Net als met Van Weelden. Ze zien er alleen anders uit. Pet. Bril. Overall. Dezelfde greep.
Dan houdt hij mijn hoofd stil.
Mond open. Geen keuze daarin. Zijn glimmende eikel vindt mijn lippen weer en klotst de natte keel in als hij begint aan te zetten. Eerst de kop, dan meer, een stoot die mijn gehemelte voorbijgaat en mijn keel dwingt. Hij trekt aan mijn haren. Elke stoot een ruk, niet om te sturen, om me vast te zetten waar hij me hebben wil.
Speeksel klotst uit mijn mond. Niet alleen over mijn kin. Zelfs omhoog, tegen de druk in, een natte spat die mijn wang raakt, mijn neus, de lucht tussen zijn overall en mijn gezicht. Hij houdt me daar. Hij neemt mijn mond. Duwt verder dan ik zelf kon, voorbij dat halverwege waar ik was gebleven, tot mijn keel sluit en weer moet, tot er geen nette pijpbeurt meer over is.
Langzaam. Diep. Een seconde waarin ik hem allemaal voel. Dan weer snel. Kort, nat, de klank van speeksel en huid die de lege gangen vult, te luid voor een school die overdag fluisterde, precies luid genoeg voor een hal waarin niemand meer loopt.
Dan twee handen op mijn hoofd.
Niet één vuist meer. Allebei. Palmen tegen mijn schedel, vingers in mijn haar, mijn mond een vaste plek tussen zijn heupen. Zijn briesen vertelt mij alles. Kort. Zwaar. Te dichtbij. Hoe vaak hij mij al had gezien, en dit gewild. Op de gang. Bij de deuren. Als ik voorbijliep met een stapel na de les. Te vaak. Een gedachte die me drijfnat maakt, warm tussen mijn benen, een puls die niets te zoeken heeft in deze hal en er toch zit.
Mijn handen blijven op zijn dijen. Ik kan me er iets afzetten. Duimen in de overall, een kleine weerstand die niets terugduwt. Het heeft weinig zin. Hij is zwaarder dan die afzet. Harder dan mijn polsen.
Harde, lange stoten schuift hij naar binnen. Zijn heupen doen het werk. Mijn hoofd blijft waar zijn handen het houden. Elke halve seconde klotst zijn eikel in mijn keel, een natte stoot die mijn adem afsnijdt en weer een opening zoekt, te diep voor hoe ik zelf pijpte, precies diep genoeg voor hoe hij het nemen wil.
Een paar keer onderbreekt hij zijn ritme.
Dan laat hij me even ademhalen. Kop terug tot mijn lippen. Lucht. Eén, twee happen die te hard klinken in de lege gang. Voor hij zijn machtige, glimmende, zwarte paal weer naar binnen werkt. Langzaam eerst, tot mijn keel hem weer neemt. Dan de stoot. Nat. Tot aan die plek waar ik sluit en toch open blijf omdat hij niet vraagt.
Mijn make-up is een rommeltje. Natte strepen, speeksel, wat er van mijn mondhoek naar mijn kin is gelopen. Mijn borst voelt nat van het speeksel op mijn kleding, bloes die kleeft, vest dat niets meer netjes houdt. En hij stopt niet. Heupen. Handen. Diezelfde diepte. Alsof de hal van hem is en mijn mond het enige is dat nog openstaat.
Net als ik me begin af te vragen of dit nog de hele avond zo doorgaat, ramt hij mijn keel zonder pauzes meer.
Geen ademhaling tussendoor. Geen kop die even terugkomt. Alleen die diepte, steeds opnieuw, zijn grip die steviger wordt tot mijn schedel vastzit tussen zijn handen en er geen kant meer op kan. Zijn lichaam kan niet meer recht staan. Een buiging naar voren, overall die mijn voorhoofd raakt, adem die in mijn haar valt.
Mijn keel maakt geluiden die ik niet kan verzinnen. Nat. Drukkend. Geluiden die uit mij komen zonder dat ik ze kies. Ik kan ze niet stoppen. Zijn dikke eikel blijft klotsten. Stevig en snel. Elke stoot dezelfde plek, dezelfde sluiting, dezelfde dwang om open te blijven.
Totdat hij mijn hoofd bijna fijnknijpt met zijn handen.
Zijn ritme in de heupen breekt. Geen stoot meer. Een vastzetten. Trillen. Mijn ogen schieten open als ik een ongelooflijke, dikke, lange straal zaad mijn mond voel inschieten. Warm. Zout. Te veel. Mijn mond vult in één keer, keel die moet slikken en het niet bijhoudt, tong die verdwijnt onder die eerste lading.
Hij houdt me vast als hij daarna zijn pik voor me laat bungelen.
Nog hard. Nat. De kop boven mijn open mond. De ene na de andere net zo krachtige en lange sliert vliegt eruit, nu uitspattend op mijn gezicht. Warm op mijn wang. Op mijn neus. Over mijn ooghoek. Dit kon ik mij niet herinneren van vrijdag. Vrijdag was tegen mijn borsten. Dit is mijn gezicht. Dit is meer.
Na de derde is het ook klaar.
Eén in de mond. Drie over mijn gezicht. Zijn grip verslapt. Vingers die mijn haar nog vasthouden en het dan laten. Ik zit in shock. Mond nog vol. Wangen nat. Hijgend. Op mijn plek. De gang weer te groot. Het petje ergens boven me. En ik die niet meteen beweeg, omdat bewegen zou betekenen dat ik het al weet, en ik het nog niet weet.
Ik zit daar nog als hij al weg is.
De overall is weg. Het petje is weg. Het gekauw is weg. Alleen de bezem staat nog tegen de muur, en ik, gehurkt op dezelfde plek, alsof hij mijn knieën heeft laten staan. Ik hijg. Te hard voor een lege gang. Elke adem haalt de smaak opnieuw naar voren, zout, dik, die ene straal die mijn mond nog vult omdat ik niet slik.
Ik druip.
Zaad en speeksel. Over mijn kin. Over mijn bloes. Over de plek bij mijn ooghoek die warm blijft. Een sliert die te langzaam beweegt om fatsoenlijk te zijn. Mijn handen liggen nog waar ze lagen, op niets nu, op mijn eigen knieën, alsof zijn dijen er nog onder zitten.
Dit was een rustige week?
Die zin komt te laat. Woensdag twee minuten. Van Weelden. Een mond vol die ik buiten wegslikte. Luc in het lokaal. En dit. Jorrel. Mijn gezicht. De gang.
Even dat getal weer. Achtenveertig.
Als was het maar achtenveertig keer dit. Niet netjes. Niet volgens methode. Dit: keel, grip, die stralen, die shock die nog in mij zit zit. Het getal is te groot. En tegelijk te klein, nu ik hier blijf zitten in het halfdonker, nat, hijgend, en de school doet alsof de gang leeg is.
-





