78.372 Gratis Sexverhalen
Houd jij ook van een beetje kinky?
A+ - a-

Angel, De Duivelse Engel - 1

Door: Elite_12

Datum: 05-10-2026 | Cijfer: 8 | Gelezen: 141
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 35 minuten | Lezers Online: 12
Trefwoord(en): Fantasy, Neuken,

De klok op de vensterbank tikt half één 's nachts wanneer de lucht in Angels slaapkamer veranderd is. Niet geleidelijk, niet als een tochtvlaag die onder de deur door kruipt — nee, het is een plotselinge, massale verschuiving, alsof de moleculen zelf herschikt worden. De geur van zwavel, mengend met iets ouders, iets zoeters als gedroogde rozen en verkoold hout, vult de ruimte. De gordijnen, die ze zorgvuldig gesloten heeft, bewegen niet, maar de lucht trilt alsof er een onzichtbare hand doorheen glijdt.

Angel ligt op haar bed, haar rug tegen de kussens, haar lange rode vlecht over haar schouder gedrapeerd als een slang van koperdraad. Ze draagt een oversized wit t-shirt dat van één schouder glijdt en een katoenen broekje dat strak om haar heupen zit. Haar laptop staat open op haar bovenbenen, maar het scherm is gedimd en haar ogen zijn gericht op het plafond, waar de schaduwen zich verdichten tot vormen die er een seconde eerder niet waren. Ze tikt met haar vingertoppen op de rand van de laptop — een ritme dat ze zelf niet doorheeft, een onbewuste hartslag die sneller gaat dan ze wil toegeven.

De schaduw lost op. In de hoek van de kamer, naast de eikenhouten klerenkast, staat een man.

Nee — niet een man. Iets dat zich voordoet als een man.

Hij is lang, langer dan de deurpost die hij zogenaamd gepasseerd moet zijn. Zijn jas is zwart, van een materiaal dat tegelijkertijd leer en iets anders lijkt — het vangt het licht van de straatlantaarn buiten en houdt het vast, geeft het niet terug. Zijn gezicht is hoekig, de jukbeenderen te scherp, de kaaklijn te strak, alsof het door een kunstenaar gesneden is die de menselijke anatomie bestudeerd heeft maar niet helemaal begrepen. Zijn ogen — en hier knijpt Angel haar eigen ogen samen, hier buigt ze iets naar voren op het bed — zijn niet één kleur. Ze schuiven, als olie op water, tussen goud en rood en iets dat op het zwart van de lege ruimte achter de sterren lijkt.

Ze zegt niets. Haar handen stoppen met tikken. De laptop glijdt een centimeter naar beneden op haar dijen.

De man — het wezen — glimlacht. Het is een glimlach die te veel tanden laat zien. Niet dreigend, niet direct, maar er zitten meer tanden in zijn mond dan een menselijk gebit kan bevatten, en ze zijn allemaal wit en gelijkmatig en perfect.

"Angel," zegt hij. Zijn stem is een octaaf lager dan prettig, en hij resoneert in haar borstkas alsof ze een tweede hartslag krijgt. "Wat een ongewone naam voor een gewoon meisje in een gewoon bed in een wereld vol saaie, stervende mensen."

Ze slikt. Haar keel is droog. Haar vingers krullen om de rand van de laptop, knokkels bleek.

"Wie ben jij?" Haar stem klinkt vast genoeg. Haar blik is direct, en dat is geen kleine prestatie, want elk instinct in haar lichaam schreeuwt dat ze moet vluchten, moet gillen, moet doen wat elk dier doet wanneer het in een ruimte opgesloten zit met iets dat het niet begrijpt. Maar Angel is niet een meisje dat vlucht. Ze is altijd al eigenzinnig geweest, koppig, en misschien is het dat — die harde kern van koppigheid, die weigering om klein te zijn — dat hem naar haar kamer gebracht heeft.

De man buigt zijn hoofd iets naar links. Een gebaar dat tegelijkertijd bestuderend en geamuseerd is. "Ik heb vele namen gehad. De meeste zijn bijnamen die jullie me gegeven hebben omdat jullie niet tegen de waarheid kunnen. De duivel. Lucifer. De Heerser der Duisternis." Hij haalt zijn schouder op, en de beweging is zo menselijk, zo alledaags, dat het verontrustender is dan alles wat hij tot nu toe gedaan heeft. "Maar voor jou — noem me Lucien."

"Lucien," herhaalt Angel. Het woord voelt zwaar in haar mond, als een steen die ze inslikt. Ze zet de laptop naast zich op het matras en trekt haar benen op, haar knieën gebogen, haar rug recht. Het gebaar is defensief, maar ook uitdagend — ze maakt zich klein maar ze kijkt naar hem op als een kat die in een hoek gedreven is en besloten heeft dat ze niet van plan is om prooi te zijn.

Lucien loopt naar het raam. Zijn voeten maken geen geluid op de laminaatvloer. De gordijnen bewegen nog steeds niet, maar de lucht om hem heen golft, en de geur van zwavel en rozen wordt sterker, bijna verstikkend. Hij staat met zijn rug naar haar toe en kijkt naar buiten, naar de straat drie verdiepingen beneden, waar een eenzame flikkerende lantaarn de stoep verlicht.

"Weet je waarom ik hier ben?" vraagt hij zonder zich om te draaien.

"Nee."

"Omdat je anders bent." Hij draait zich om, en nu pas ziet ze het — de manier waarop zijn ogen haar opnemen, niet als een man die een vrouw bekijkt, maar als een kunstenaar die een voltooid werk inspecteert. Zijn blik glijdt van haar vlecht naar haar gezicht, langs haar hals, over de welving van haar borsten onder het oversized shirt, langs haar blote bovenbenen waar het shirt niet lang genoeg voor is. "Niet op de manier waarop mensen zichzelf anders noemen omdat ze een andere muzieksmaak hebben of omdat ze zich niet begrepen voelen door hun ouders. Je bent anders omdat er iets in je zit dat ouder is dan jij. Een honger. Een hitte. Een verlangen dat niet in een achttienjarig lichaam thuishoort."

Angel voelt haar wangen warm worden. Niet van angst — of niet alleen van angst. Er is iets in de manier waarop hij spreekt, in de cadans van zijn stem, die een snaar in haar raakt die ze niet kende. Ze schuift iets naar achteren op het bed, haar rug tegen het hoofdeinde, en trekt het shirt recht over haar borsten, een gebaar dat ze onmiddellijk haat omdat het een bekentenis is.

"Ik weet niet waar je het over hebt," zegt ze.

Lucien glimlacht weer. Diezelfde glimlach met diezelfde te veel tanden. "Je weet het wel. Je masturbeert drie keer per dag en het is nooit genoeg. Je kijkt naar mannen op straat en je stelt je voor hoe ze eruitzien onder hun kleren, hoe ze bewegen, hoe ze klinken. Je kijkt naar vrouwen en je vraagt je af hoe hun huid voelt, hoe ze ruiken, hoe ze smaken. Je fantaseert over dingen die je niet hardop durft uit te spreken. Je lichaam is een instrument dat nooit gespeeld wordt op de manier waarop het gespeeld zou moeten worden, en het maakt je gek."

Ze opent haar mond. Sluit hem weer. Haar handen, die op haar bovenbenen liggen, trillen.

"Hoe—" begint ze, maar Lucien steekt een hand op. Zijn vingers zijn lang, de nagels perfect gemanicuurd, maar er is iets mis met de schaduw die ze werpen — het zijn niet de schaduwen van een mensenhand.

"Ik zie alles, Angel. Dat is wat ik doe. Ik observeer, en ik zoek, en soms — zelden, maar soms — vind ik iemand zoals jij." Hij loopt naar het bed. Niet snel, niet dreigend, maar met een zekerheid die zegt dat de afstand tussen hem en haar geen obstakel is maar een keuze. Hij blijft staan aan het voeteneinde, en zijn blik houdt de hare vast. "Ik kom je een contract aanbieden."

Een contract. Het woord hangt tussen hen in als rook. Angel zit stil, haar ademhaling oppervlakkig, haar hartslag hoorbaar in haar eigen oren. Ze kijkt naar hem op, en ze neemt details in zich op die haar tevoren ontgaan — de manier waarop zijn haar, dat pikzwart is, niet beweegt in de luchtstroom die er zou moeten zijn, de manier waarop zijn jas geen naden heeft, geen knopen, geen rits, alsof het niet gemaakt is maar gegroeid. Ze kijkt naar zijn handen, en ze ziet dat de ring aan zijn linkerwijsvinger niet van metaal is maar van iets dat pulseert, als een hart.

"Wat voor contract?" vraagt ze.

Lucien leunt met één hand op de bedstijl. Het hout kraakt niet onder zijn gewicht, maar de lucht om hem heen comprimeert, alsof de ruimte zelf zich aan hem aanpast. "Een transactie. Een uitruil. Ik geef je dingen — buitengewone dingen, dingen die je niet kunt bevatten — en in ruil ben je van mij. Niet als slavin, niet als gevangene. Als iets anders. Iets dat de menselijke taal niet goed kan vatten."

"Ik ben van niemand."

"Nu niet, nee." Hij trekt een wenkbrauw op. "Maar 'van niemand zijn' betekent ook 'door niemand bemind worden'. Door niemand bezeten worden. Door niemand genomen worden op de manier waarop je genomen wilt worden."

Er gaat een rilling door Angels lichaam die niets met angst te maken heeft. Ze haat het. Ze haat het omdat ze voelt dat hij gelijk heeft, en ze haat het omdat ze niet wil dat hij gelijk heeft, en ze haat het vooral omdat haar lichaam — dat verraderlijke, wellustige lichaam van haar — al reageert op zijn nabijheid, op zijn stem, op de belofte in zijn woorden. Ze voelt het tussen haar benen, die vertrouwde warmte, dat kloppen dat begint als een fluistering en uitgroeit tot een roep.

"Wat geef je me?" vraagt ze, en haar stem is schor.

Lucien gaat op de rand van het bed zitten. Het matras zakt niet in onder zijn gewicht — alsof hij niet echt zit, alsof gewicht een concept is dat hij kan kiezen. Hij is dichtbij nu, zo dichtbij dat ze de warmte van zijn lichaam kan voelen, en die warmte is niet menselijk. Mensen zijn warm op 37 graden. Lucien is warmer. Veel warmer. Alsof er onder zijn huid een oven brandt.

"Ten eerste," zegt hij, en hij steekt een vinger op, "alle mannen zullen je aanbidden. Niet flirten, niet begeren — aanbidden. Elke man die je ziet zal je willen, zal je nodig hebben, zal je als een godin zien. Je loopt een kamer binnen en ze vallen voor je neer. Je spreekt en ze luisteren alsof je woorden gewicht hebben. Je bent geen vrouw voor hen — je bent een kracht."

Hij steekt een tweede vinger op. "Ten tweede: je zult nooit eigendom zijn van een man. Geen enkele man kan je claimen, je bezitten, je vasthouden. Je bent vrij, altijd, in elke relatie, elke ontmoeting, elke bedpartner. Je komt en gaat zoals je wilt."

Een derde vinger. "Behalve van mij."

De woorden vallen in de stilte als stenen in diep water. Angel kijkt hem aan, en ze zoekt in zijn ogen — die verschuivende, olieachtige ogen — naar iets dat haar vertelt of dit een dreigement is of een belofte. Ze vindt beide.

"Van mij," herhaalt Lucien, en zijn stem daalt naar een register dat haar botten laat trillen. "Ik ben de enige die je kan bezitten. Ik neuk je zoals geen man dat kan. Ik neuk je met een lul die je niet kunt bevatten — letterlijk niet, want je hebt er nog nooit een gezien die zo groot is, en als je hem voelt zul je begrijpen dat je hele leven tot dit moment een voorspel was."

Angel slikt. Haar mond is droog, haar keel dichtgeknepen. Haar handen liggen op haar bovenbenen en haar vingers krullen in de stof van haar broekje, knokkels wit, maar niet van angst. Niet meer.

"En dat is niet alles," gaat Lucien verder. Hij leunt naar voren, en de afstand tussen hen sluit tot iets dat bijna intiem is. Ze ruikt hem nu — zwavel, rozen, en iets anders, iets dat ze niet kan benoemen maar dat haar clit laat kloppen als een tweede hart. "Ik geef je een gave die geen mens ooit gehad heeft. Je kunt kiezen. Kut of pik. Vrouw of she-male. Met een gedachte, een wil, een schakel — je verandert. Je hebt een kut als je die wilt hebben, en je hebt een pik als je die wilt hebben. En die pik — die is niet menselijk. Die is duivels. Groot, hard, altijd klaar, altijd kloppend met een hitte die brandt."

Ze staart hem aan. Ze weet niet wat ze moet zeggen. De logica in haar zegt dat dit onmogelijk is, dat dit een droom is, een hallucinatie, een of andere koortsfantasie. Maar er is een ander deel van haar — het deel dat drie keer per dag masturbeert en nog steeds niet verzadigd is, het deel dat naar mannen en vrouwen kijkt met een honger die grenst aan wanhoop — dat luistert, dat gelooft, dat al ja zegt voordat de vraag afgemaakt is.

"Waarom ik?" vraagt ze, en haar stem is niet meer dan een fluistering.

Lucien leunt terug. "Omdat je klaar bent. Omdat je genoeg geleden hebt onder de beperkingen van dit lichaam, van deze wereld, van deze eindige, saaie, onbevredigende manier van bestaan. Omdat je iets verdient dat meer is." Hij zweeg even. "En omdat ik je wil. Dat is de waarheid, Angel. Ik wil je. En ik krijg wat ik wil."

Er gaat een moment voorbij — een moment waarin de kamer lijkt in te houden met ademen, waarin de lucht stil staat en de schaduwen niet bewegen en de wereld buiten het raam niet bestaat. Angel kijkt naar Lucien, en ze denkt: dit is het punt waarop ik nee moet zeggen. Dit is het punt waarop ik hem moet vragen weg te gaan, of moet gillen, of iets — iets menselijks, iets verstandigs.

Maar ze zegt niets. Ze zit op haar bed, haar knieën opgetrokken, haar vlecht over haar schouder, haar borsten rijzend en dalend onder haar shirt met elke ademhaling, en ze kijkt naar de duivel die op haar bed zit en ze zegt niets, en de stilte is een antwoord.

Lucien staat op. Hij loopt om het bed heen, en zijn bewegingen zijn als vloeistof, als schaduw die vloeit. Hij staat nu achter haar, en ze voelt zijn warmte in haar rug, door het dunne katoen van haar shirt. Zijn hand — de hand met de pulserende ring — komt omhoog en hij raakt haar vlecht aan. Trekt niet, hij grijpt niet — raakt aan. Zijn vingers volgen de lengte van de vlecht, van haar kruin tot waar hij op haar schouder eindigt, en de aanraking is als een stroomdraad. Er gaat een schok door haar lichaam, een golf van hitte die van haar hoofdhuid naar haar tenen gaat en terug, en ze voelt haar kut reageren — niet langzaam, niet geleidelijk, maar als een deur die opengaat, een golf van vocht die haar broekje doorweekt.

"Er is meer," zegt hij, en zijn stem is nu vlak bij haar oor, zijn adem warm op haar huid. "Mannen die je neukt — ze worden jouw harem. Jouw verzameling. Jouw speeltjes. Je neukt ze, je gebruikt ze, je speelt met ze, en ze zijn van jou. Maar als een man je niet bevalt — als hij niet goed genoeg is, als hij niet voldoet — stuur je hem naar mij. Naar de hel. Daar wacht een orgie die eeuwig duurt, en hij zal geneukt worden door duivels en demonen tot hij verbrandt. Tot er niets meer van hem over is dan as en schaduw."

Angel ademt in. De lucht ruikt naar hem, naar zwavel en rozen en hitte, en ze proeft het op haar tong, en het smaakt naar meer. "En mannen die ik neuk — die blijven normaal?"

Lucien lacht. Het is een geluid dat de ramen laat trillen. "Nee. Mannen die je neukt krijgen een lul die twee keer zo groot is als normaal. Ze groeien. Ze veranderen. Ze worden wezens van lust, net als jij. Hun lul wordt groter, hun uithoudingsvermogen wordt grenzeloos, hun verlangen naar jou wordt een obsessie."

Ze sluit haar ogen. Ze voelt zijn vingers nog steeds in haar vlecht, en de aanraking is als een brandmerk, als een claim die haar lichaam al accepteert voordat haar hoofd kan protesteren. "En als ik als she-male een vrouw neuk?"

"Dan kies je." Zijn stem is nu zo dicht dat ze zijn lippen bijna op haar hals voelt. "Je neemt haar op in je harem. Je maakt van haar een duivelse vrouw — zoals jij zult zijn. Een wezen van lust en macht en eeuwigheid. Of je stuurt haar naar de hel, waar ze geneukt zal worden tot ze oplost in de hitte, tot haar lichaam verdwijnt in een zee van zweet en sperma en vuur."

Angel opent haar ogen. Ze kijkt naar het raam, naar de straat beneden, naar de wereld die ze kent — haar kleine kamer, haar gewone bed, haar gewone leven met zijn gewone beperkingen en zijn gewone frustraties. En ze denkt aan de andere wereld die Lucien beschrijft — een wereld van macht en lust en oneindige mogelijkheden, een wereld waarin zij geen achttienjarig meisje meer is dat zich drie keer per dag bevredigt en nog steeds leeg is, maar iets anders, iets groters, iets dat brandt.

"En ik kan overal komen," zegt ze. Het is geen vraag.

"Overal. Elke kamer, elke ruimte, elk slot. Helse telepoorting — je stapt door muren, door deuren, door dimensies. Niets is gesloten voor je. Niets is onbereikbaar."

"En ik blijf — ik blijf er zo uitzien?"

Lucien trekt zijn hand terug van haar vlecht. Ze voelt het verlies als een steek, als een kou die door de hitte heen breekt. Hij loopt om het bed heen en gaat voor haar staan, en hij kijkt op haar neer met die olieachtige ogen, en zijn glimlach is nu anders — zachter, bijna teder, en die tederheid is verontrustender dan alles wat hij tot nu toe gedaan heeft.

"Je wordt mooier. Je wordt de mooiste versie van jezelf, en je blijft zo. Eeuwig jong, eeuwig stralend, eeuwig onweerstaanbaar. Voor mannen. Voor vrouwen. Voor she-males. Voor alles dat begeerte kent. Ze zullen je zien en ze zullen je willen, en ze zullen niet weten waarom, en dat is goed, want het waarom ben ik."

Angel staat op van het bed. Ze staat nu tegenover hem, en het hoogteverschil is aanzienlijk — hij torent boven haar uit, en ze moet haar hoofd in haar nek leggen om hem aan te kijken. Haar vlecht hangt nu op haar rug, en het oversized shirt glijdt verder van haar schouder, en ze weet dat hij haar borsten kan zien door de halsopening, de ronding van de linkertepel die tegen het katoen drukt, en ze trekt het niet recht. Ze laat het zakken.

"Wat is de prijs?" vraagt ze.

"De prijs is het contract zelf. Je bent van mij. Als ik je roep, kom je. Als ik je neem, geef je je. Als ik je vul, neem je me. De rest — de harem, de macht, de gaven — dat is allemaal speelgoed. Maar jij — jij bent niet speelgoed. Jij bent mijn bezitting. Mijn enige."

Ze likt haar lippen. "En als ik weiger?"

Lucien haalt zijn schouders op. "Dan loop ik weg. Dan blijf je hier, in deze kamer, in dit leven, en dan masturbeer je morgen weer drie keer en de dag erna ook, en dan word je ouder en de honger wordt niet minder, en op een dag — over twintig jaar, over dertig — kijk je terug en wou je dat je ja gezegd had."

De stilte die volgt is anders dan de vorige. Het is geen stilte van twijfel. Het is een stilte van herkenning — van het moment waarop een mens begrijpt dat de keuze die ze maakt niet teruggenomen kan worden, en dat ze hem toch gaat maken.

"Oké," zegt Angel. Het woord komt eruit als een uitademing, als iets dat al die tijd in haar longen gezeten heeft en nu pas loslaat. "Oké. Ja."

Lucien glimlacht, en deze keer is het geen glimlach met te veel tanden. Het is een glimlach die de kamer vult met licht dat geen bron heeft, die de schaduwen verdrijft en de lucht laat zingen. Hij steekt zijn hand uit — niet voor een handslag, maar met de palm naar boven, als een uitnodiging, als een offer.

"Pak mijn hand," zegt hij.

Angel pakt zijn hand. Zijn huid is heet — niet warm, heet, alsof ze haar hand in een open vlam legt — maar het brandt niet. Het brandt niet op de manier waarop vuur brandt. Het brandt op de manier waarop verlangen brandt. Het vult haar hand, klimt langs haar arm omhoog, verspreidt zich door haar schouder, haar borst, haar buik, haar kut. Ze voelt het in haar clit, in haar lippen, in de wanden van haar vagina. Ze voelt het in haar tepels, die hard worden onder haar shirt, die tegen de stof drukken als knopen. Ze voelt het in haar hoofdhuid, in haar vingertoppen, in haar tenen.

En dan — de verandering.

Het begint in haar kut. Een gevoel alsof iets zich herschikt, alsof de cellen zelf hun structuur veranderen. Ze voelt haar clit groeien — niet langzaam, niet geleidelijk, maar met een golf van hitte en pijn en genot die haar naar adem doet happen. Ze kijkt naar beneden, en ze ziet het — haar broekje spant, de stof rekt, en onder het katoen vormt zich een bobbel die er tevoren niet was. Een pik. Haar pik. Groeiend, kloppend, hard wordend met elke hartslag, de eikel duwend tegen de stof, de schacht zich uitrekkend, de basis zwellend.

Ze brengt haar hand naar beneden. Ze raakt zichzelf aan door de stof heen, en de sensatie is overweldigend — elke zenuw in haar nieuwe pik vuurt tegelijk, en ze kreunt, een geluid dat ze niet kan inhouden, dat uit haar keel ontsnapt als iets dat bevrijd wordt.

"Voel het," zegt Lucien, en zijn stem is nu overal, in haar hoofd, in haar lichaam, in de lucht. "Dat is de schakel. Je kunt nu kiezen. Kut of pik. Vrouw of she-male. Het is een gedachte — een wil — en je verandert."

Ze concentreert zich. Ze denkt: kut. En ze voelt het — de pik trekt terug, de bobbel verdwijnt, en in de plaats komt de warme, natte opening terug, haar kut, haar lippen, haar clit die weer klein en hard is. Ze denkt: pik. En ze voelt hem groeien, de schacht zich uitrekkend, de eikel zwellend, de bobbel terug. Ze wisselt en wisselt, en elke keer is het als een golf die haar lichaam in en uit stroomt, en ze kreunt en ze hijgt en ze valt op haar knieën op het bed, en ze houdt de hand van de duivel nog steeds vast.

"Wat — wat gebeurt er met me?" hijgt ze.

"Je wordt wat je altijd al had moeten zijn," zegt Lucien. Hij knielt naast haar op het bed, en zijn gezicht is nu vlak bij het hare, en zijn ogen zijn niet meer olieachtig — ze zijn vast, goud, brandend als de kern van een ster. "Je bent nu een duivelse vrouw. Mijn duivelse vrouw. Je lichaam is een instrument van lust, en je kunt het bespelen zoals je wilt."

Hij brengt zijn hand naar haar gezicht. Zijn vingers raken haar wang aan, en de aanraking is als een brandmerk, als een handtekening, als een claim die dieper gaat dan de huid. Ze leunt in de aanraking, en ze haat zichzelf erom, en ze doet het toch.

"Je eerste missie," zegt hij, en zijn duim glijdt over haar onderlip, trekt hem naar beneden, opent haar mond iets. "Er is een man. Rijk. Ouder. Invloedrijk. Hij woont in een penthouse in het centrum van de stad, achter deuren die voor niemand opengaan. Maar voor jou — voor jou gaan ze open. Je teleporteert naar binnen, je verleidt hem, je neukt hem, en dan beslis je wat je met hem doet. Harem of hel. Jouw keuze."

Angel likt over haar lippen, en haar tong raakt zijn duim, en de smaak van zijn huid is zwavel en rozen en eeuwigheid. "En als ik hem neuk — wordt zijn lul groter?"

"Twee keer zo groot. Hij zal niet weten wat hem overkomt. Hij zal denken dat hij droomt, en hij zal niet willen ontwaken."

Ze glimlacht. Voor het eerst sinds hij verscheen, glimlacht ze, en het is een glimlach die hem weerspiegelt — met te veel tanden, met te veel belofte, met te veel honger. "En hij zal me aanbidden?"

"Ze zullen je allemaal aanbidden."

Ze laat zijn hand los. Ze staat op van het bed, en ze voelt de kracht in haar lichaam — niet alleen de pik die ze nu heeft, of de kut die ze kan hebben, maar iets anders, iets diepers. Een hitte die in haar borst brandt, als een tweede hart dat pompt met een ritme dat niet menselijk is. Ze kijkt naar haar handen, en ze ziet dat haar huid glinstert, alsof er een laagje licht op ligt dat er tevoren niet was. Ze kijkt naar haar lichaam, en ze ziet dat haar borsten voller zijn, dat haar heupen ronder zijn, dat haar taille smaller is — alsof haar lichaam zich herschikt heeft naar haar ware vorm.

"Hoe zie ik eruit?" vraagt ze.

Lucien staat achter haar. Ze voelt zijn warmte in haar rug, en zijn handen — beide nu — komen op haar heupen. Zijn vingers strelen de blote huid tussen de rand van haar shirt en de band van haar broekje, en de aanraking is als vuur en ijs tegelijk. "Kijk in de spiegel," zegt hij.

Ze draait zich om en loopt naar de klerenkast, waar een lange spiegel aan de buitenkant hangt. Ze kijkt naar zichzelf, en ze herkent zichzelf bijna niet. Het meisje in de spiegel is zij — dezelfde rode vlecht, dezelfde groene ogen, dezelfde mond — maar alles is meer. Haar haar is glanzender, als koper dat gepolijst is. Haar huid is gaaf, smetteloos, alsof elke onvolmaaktheid weggebrand is. Haar borsten zijn voller, ronder, en haar tepels drukken hard tegen de stof van haar shirt, twee knobbels die zichtbaar zijn en die ze niet verbergt. Haar benen zijn langer, haar heupen zijn wijder, en in haar broekje — ze kijkt naar beneden, en ze ziet de bobbel van haar pik, die er nog steeds is, die hard is, die klopt.

Ze kijkt op, en in de spiegel ziet ze Lucien achter haar staan, en zijn handen liggen op haar heupen, en zijn hoofd is gebogen, en zijn lippen zijn vlak bij haar hals. Ze kijkt naar zichzelf in de spiegel, naar de duivel achter haar, naar de hitte tussen hen, en ze denkt: dit is wie ik ben. Dit is wie ik altijd al had moeten zijn.

"Wanneer?" vraagt ze. "Wanneer is de eerste missie?"

"Nu," zegt Lucien. Zijn lippen raken haar hals, en de kus is als een vonk, als een brandmerk, als een handtekening in vuur. "De man slaapt. Zijn penthouse is op de vijfenzestigste verdieping van de Blackwood Tower. De deur is op slot. De bewaking is zwaar. Maar voor jou — voor jou is het niets."

Ze sluit haar ogen. Ze denkt aan de ruimte — het penthouse, de vijfenzestigste verdieping, de gesloten deur. Ze stelt het zich voor, de kamer, het licht, het geluid, en ze voelt iets in zich trillen, een snaar die aangeslagen wordt, een resonantie die zegt: daar kun je zijn. Nu. Met een gedachte.

"Hoe?" vraagt ze.

"Denk. Voel. Wil. De ruimte is niet ver — niet voor jou. Afstand is een menselijk concept. Voor jou is elke ruimte hier. Elke deur open. Elke muur lucht."

Ze opent haar ogen. Ze kijkt in de spiegel, naar zichzelf, naar de duivelse vrouw die ze nu is, en ze knikt. Ze schakelt — ze voelt de pik terugtrekken, voelt de kut terugkeren, voelt de warme nattheid tussen haar benen die haar eraan herinnert dat ze nog steeds vrouw is, dat ze beide is, dat ze alles is — en ze stelt zich de kamer voor.

De lucht verandert. De kamer om haar heen — haar slaapkamer, haar bed, haar klerenkast — vervaagt. Niet als een droom, niet als een illusie, maar als iets dat opzij geschoven wordt, als een gordijn dat opengaat. Ze voelt de hitte van Lucien verdwijnen, voelt de afstand groeien, voelt de ruimte zich verschuiven, en dan —

Ze staat in een andere kamer. De lucht is koeler, geuriger, met de geur van leer en sigaar en dure zeep. De vloer onder haar blote voeten is marmer, koud en glad. De muren zijn donker, paneelwerk van notenhout, en de ramen — vloer tot plafond, breed als bioscoopschermen — kijken uit over de lichtjes van de stad, een tapijt van goud en amber dat zich uitstrekt tot de horizon.

Het bed staat in het midden van de kamer, een platform van donker hout met lakens van zijde, en erin ligt een man.

Hij is ouder dan ze verwachtte — ergens eind veertig, begin vijftig, met grijs haar aan de slapen en een gezicht dat getekend is door jaren van macht en beslissingen. Zijn lichaam is fit, gespierd op een manier die zegt dat hij uren in de sportschool doorbrengt, maar niet strak — niet jong. Hij slaapt op zijn rug, het laken tot aan zijn heupen, zijn borst bloot, en zijn ademhaling is diep en regelmatig.

Angel staat aan het voeteneinde en kijkt naar hem. Ze neemt hem in — de breedte van zijn schouders, de lijn van zijn sleutelbeen, de schaduw van zijn borsthaar, de manier waarop zijn handen op het laken liggen, de gouden ring aan zijn linker ringvinger. Ze kijkt naar zijn gezicht, naar de lijnen bij zijn ogen, naar de mond die iets open is, naar de kaak die zich ontspant in de slaap.

Ze voelt haar kut kloppen. Ze voelt de nattheid langs haar dijen lopen. Ze voelt de hitte in haar borst, de duivelse hitte die Lucien haar gegeven heeft, en ze denkt: dit is het. Dit is wat ik ben. Dit is wat ik doe.

Ze loopt naar het bed. Haar blote voeten maken geen geluid op het marmer. Ze staat nu naast hem, en ze kijkt op hem neer, en ze voelt de macht — niet als een abstract concept, niet als een woord, maar als een fysieke kracht die door haar lichaam stroomt, die haar huid laat tintelen, die haar kut laat zwollen en haar tepels hard laat worden. Ze weet — zonder dat iemand het haar verteld heeft, zonder dat ze het hoeft te vragen — dat als hij haar ziet, als hij wakker wordt en zijn ogen opent, hij haar zal willen. Niet als een man een vrouw wil, niet als een mens een ander mens begeert, maar als een gelovige een godin aanbidt. Met overgave. Met wanhoop. Met totale, blinde, allesverterende overgave.

Ze steekt haar hand uit en raakt zijn schouder aan.

Zijn ogen gaan open. Grijs, helder, en ze focussen zich op haar gezicht, en ze ziet het — het moment van herkenning, het moment van ongeloof, het moment van overgave. Zijn pupillen verwijden zich. Zijn adem stokt. Zijn lippen wijken.

"Wie—" begint hij, maar ze legt een vinger op zijn lippen. Haar vinger. Warm. Druipend van haar eigen vocht, van de hitte die door haar lichaam stroomt.

"Stil," zegt ze, en haar stem is niet de stem van het achttienjarige meisje in de slaapkamer. Het is de stem van iets anders. Iets dat brandt.

De man kijkt naar haar op, en hij ziet haar — de rode vlecht, de groene ogen, de borsten die door het dunne shirt heen zichtbaar zijn, de harde tepels, de heupen, de dijen, de glans van haar huid in het maanlicht dat door de ramen valt. Hij ademt in. Zijn handen grijpen het laken. Zijn lul — ze voelt het, ze voelt het door de gave die Lucien haar gegeven heeft — begint te zwellen onder de zijde.

"Je bent — je bent—" stamelt hij, en zijn stem is schor, gebroken, als een man die bidt.

"Ik ben Angel," zegt ze. En ze glimlacht.
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Elite_12
RedAss
RedAss (31)
Zoek jij een meesteres die geniet van flirten en een tikje ondeugendheid?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 813 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net