Houd jij ook van een beetje kinky?
Donkere Modus
Door: Leen
Datum: 26-01-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 395
Lengte: Gemiddeld | Leestijd: 10 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Dagboek, Gebruikt, Verkracht,
Ik zweef tegen het plafond, ergens in de hoek van de kamer waar het pleisterwerk scheurtjes vertoont als de rimpels in een stervend gezicht. Vanuit die ijle, kille hoogte kijk ik neer op het bed, waar een hoopje mens verstrikt ligt in lakens die ruiken naar klam zweet en de muffe, doordringende geur van een angst die nooit hardop mag worden uitgesproken. Ik ben dood; dat is de enige conclusie die mijn verstand nog kan trekken in deze ijle lucht. Mijn ziel is al lang geleden vertrokken, gevlucht via een openstaand raam of een nauwelijks zichtbare kier in de deur, ver weg uit dit besmette, onveilige huis waar de muren de adem uit je longen persen. Mijn geest heeft de handdoek in de ring gegooid en is opgelost in het niets, waardoor ik slechts een lege huls ben geworden, een houten pop die is achtergebleven op het slagveld van een uitgehold huwelijk. Er is geen licht meer achter mijn ogen, alleen de grijze as van wat ooit een persoonlijkheid was. Ik kijk naar die vrouw beneden me en ik herken haar niet. Ze is een vreemde, een figurant in een film waar ik de regie over kwijt ben. Ik ben ontzield: de essentie van wie ik was, is door hem uit mijn borstkas gerukt en als trofee aan zijn uniform gehangen. Wat daar ligt, is de restafval van zijn macht.

​Maar mijn hart, dat verdomde, verraderlijke orgaan in mijn borstkas, weigert de witte vlag te zwaaien en blijft kloppen met een mechanische wreedheid die ik niet kan bevatten. Boem-boem. Boem-boem. Ik haat dat geluid met een passie die grenst aan razernij; het dreunt door in mijn oren als een constante herinnering aan mijn eigen gevangenschap in dit vlees. Het is de grootste belediging die het universum mij kan aandoen. Een lijk heeft immers recht op de grote stilte, op de genade van de afwezigheid. Een lijk mag koud worden, mag stijf worden, mag langzaam één worden met de zwarte, vochtige aarde waar wormen hun werk doen in de anonieme rust van de vergetelheid. Een lijk hoeft niet meer te anticiperen op de zware tred op de trap of de ijzige klik van de sleutel in het slot. Mij is dat recht echter ontzegd; ik ben een kadaver dat gedwongen wordt om te doen alsof de zon nog warmte geeft, een geest die gevangen zit in een kloppend weefsel dat weigert op te geven. Mijn lichaam is een object geworden, een meubelstuk in zijn huis dat hij kan verplaatsen, gebruiken of beschadigen naar eigen goeddunken. Ik ben een ding met een hartslag.

​Wanneer de wekker gaat, begint de dagelijkse marteling van de wederopstanding, een proces zonder genade of hoop. Er is geen troost in het ochtendlicht; het onthult slechts de contouren van mijn eigen ondergang. Ik moet opstaan, ik moet ademen, terwijl elke teug zuurstof voelt alsof ik een mengsel van vloeibaar lood en vlijmscherpe glasscherven inhaleer. Mijn luchtwegen worden bij elke ademhaling opnieuw opengeschraapt, een fysiologische herinnering aan het feit dat ik nog steeds deel uitmaak van de levenden, tegen mijn wil in. Ik zwaai mijn benen over de rand van het bed en ze voelen aan als holle rietjes, broos en fragiel, die onder het gewicht van mijn fantoompijn elk moment kunnen knappen. Er is een breuk ontstaan tussen mijn hoofd en mijn ledenmaten, een psychische dwarslaesie die elke beweging een onmogelijke opgave maakt. De signalen van mijn brein bereiken mijn spieren niet meer; ze moeten door een dikke laag as en beton. Ik commandeer mijn handen om zich te sluiten, maar ze blijven liggen als dode vissen op de lakens. De gang naar de badkamer is een tocht door een vagevuur van spiegels waarin ik mijn eigen gezicht niet meer herken. Ik trek een masker aan, een groteske grimas van porselein die door moet gaan voor tevredenheid, voor een vrouw die haar leven op orde heeft. Ik plamuur de barsten in mijn ziel dicht met concealer en poeder, maar ik weet dat de scherven eronder nog steeds snijden bij elke glimlach die ik dwingend op mijn gezicht schilder.

​Terwijl ik beneden de koffie in de kopjes giet, mechanisch en gevoelloos, en "ja" en "amen" zeg tegen de man die mijn wereld in as heeft gelegd, voel ik de tonnen aarde op mijn borstkas drukken. Ik leef niet in een huis; ik leef begraven onder meters koud beton dat nooit uithardt. Ik ben dat beton: altijd nat, altijd zwaar, altijd langzaam zakkend in een bodemloze, zwarte put. Ik raak nooit tot aan de bodem, want dat zou de bevrijding van de definitieve impact betekenen, het einde van de val. In plaats daarvan blijf ik hangen in dit vloeibare vacuüm, een vloeibare gevangenis die bewaakt wordt door een duivel in een brandweeruniform. Hij, die buiten levens redt van het verterende vuur en door de buren wordt aanbeden als een held, is binnenshuis de pyromaan die mijn laatste sprankje menselijkheid heeft weggebrand tot er alleen roet overbleef. De geur van zijn uniform, die mix van rook en hypocrisie, vult mijn poriën tot ik erdoor verstik. De walging is een constante smaak achterin mijn keel, een besmetting die geen enkele douche kan wegwassen. Mijn huid voelt vies, niet door wat er op zit, maar door wie er naar kijkt en wie het aanraakt. Ik wil mijn eigen vlees van mijn botten pellen om eindelijk weer schoon te zijn.

​Er zit meer leven in een echte dode op het kerkhof dan in de schim die ik ben geworden. Die doden ondergaan ten minste een transformatie; ze worden voeding voor de diepe wortels van de bomen, ze worden deel van de eeuwige cyclus van de natuur en bewegen mee met de seizoenen van de ontbinding. Ik ben statisch, een bevroren schreeuw in een kamer zonder lucht. Ik ben een monument van pijn dat weigert om te vallen, een standbeeld van vlees dat gedwongen wordt om te blijven kijken naar zijn eigen vernietiging. Er is geen beweging in mijn bestaan, alleen het eindeloze herkauwen van de angst, de smaak van gal die constant achterin mijn keel blijft hangen. Mijn emotionele zekeringen zijn doorgebrand; ik ben verdoofd om niet te hoeven sterven van de pijn, maar die verdoving is de koudste vorm van de dood. Ik wil gillen tot mijn stembanden scheuren, ik wil mijn mond openen en een geluid maken dat zo hard is dat de ruiten van deze gouden kooi naar buiten klappen en de fundering van dit huis verpulvert. Ik wil dat de wereld stopt met draaien en dat de tijd eindelijk tot stilstand komt.

​Soms wil ik mijn eigen huid openrijten, laag voor laag, als de vellen van een rotte ui, om de zwarte etter van de vijftienjarige angst eruit te laten lopen. Ik wil leeglopen, ik wil bloeden tot er niets meer over is dan de zuivere, witte stilte van de dood, een leegte zonder herinneringen aan laarzen op de vloer of handen die niet van mij waren. Maar ik ben te laf, te moe, te diep gebroken om zelfs maar een vinger op te tillen tegen mijn eigen ondergang. Hij is vrij; hij loopt door de wereld met de borst vooruit, een held in de ogen van de onwetenden, de man die "alles voor haar over heeft". En ik? Ik ben veroordeeld tot de zwaarste, meest wrede en meest onmenselijke straf die er bestaat in dit duistere universum. Erger dan de hel, erger dan de donkerste martelkamers van de geschiedenis, omdat er geen einde in zicht is. Dit is het absolute nulpunt van de hoop: het besef dat ik een deel van mezelf kwijt ben dat nooit meer terugkomt. Hij heeft mijn ziel als een stuk oud papier verkreukeld en in de as gegooid. Ik heb geen recht op het niets, ik heb geen recht op de zwarte, diepe rust waar ik zo naar hunkers. Ik ben een zombie met een hartslag, een lijk dat elke ochtend opnieuw de koffie zet voor zijn eigen beul. Ik leef, en dat is mijn vonnis.

Find me before I disappear (eigen tekst)

The copper taste is filling up my mouth
My ribs are grinding when I try to move
He pulverized the spirit from the flesh
There is nothing left here to prove
I’m just a ruin made of meat and bone
A landscape painted in a violet bruise
He smashed the mirror and he broke the frame
I am the wreckage that he loves to use

The floor is cold against my cheek
My vision swims in shades of red
I try to crawl, I am too weak
I think I might be better dead...

The darkness settles like a heavy shroud
The world outside has simply ceased to be
I am an island in a sea of pain
And no one’s sending out a ship for me
I’m just a discarded and broken toy
Thrown in the corner when the game is done
The silence here is louder than a bomb
I am the lonely and forgotten one

Can anybody hear the silent scream?
Wake me up from this atrocious dream!
My throat is raw but not a sound comes out
I’m drowning in the fear and in the doubt!
Is there a hand? Is there a light?
Or am I swallowed by the night?

Please...
Find me.
Before I disappear.
Find me.
I am still...
I am still here.

It hurts, God it hurts...
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?