Door: Leen
Datum: 18-03-2026 | Cijfer: 8.5 | Gelezen: 245
Lengte: Lang | Leestijd: 21 minuten | Lezers Online: 5
Trefwoord(en): Dagboek, Gebruikt, Pijn, Verkracht,
Lengte: Lang | Leestijd: 21 minuten | Lezers Online: 5
Trefwoord(en): Dagboek, Gebruikt, Pijn, Verkracht,
Onderstaande teksten dateren uit de periode van het dagelijkse geweld door mijn ex-man Wouter. Ik publiceer deze dagboeknotities zonder enige behoefte aan medelijden. De woorden dienen louter als getuigenis van een identiteit die in totale afzondering oplost. Hopelijk dwingt deze inkijk de lezer tot een moment van stilte bij de onzichtbare muren van misbruik en het sluipende proces van het innerlijk verdwijnen.
2 oktober
Mensen halen "alleen zijn" en "eenzaamheid" vaak door elkaar. Ze gebruiken het als synoniemen, maar dat zijn het niet. Alleen zijn is een fysieke staat. Je kunt alleen zijn in een kamer en je prima voelen. Je kunt alleen zijn en genieten van de stilte, van de rust, van een boek. Alleen zijn kan een luxe zijn.
Eenzaamheid is iets anders. Eenzaamheid is een ziekte. Een kanker die je van binnenuit opeet. Het gaat er niet om dat er niemand in de kamer is. Het gaat om het verpletterende besef dat er niemand is voor jou. Dat er op de hele wereld, met zijn miljarden zielen, niet één persoon is die op dit moment aan je denkt. Niemand die zich afvraagt of je al gegeten hebt. Niemand die je mist. Niemand die, als je telefoon nu zou overgaan, aan de andere kant van de lijn zou zijn om te vragen hoe je dag was. (Mijn telefoon gaat nooit over. Hij ligt daar maar, een dood stuk plastic op tafel, een stille getuige van mijn irrelevantie.)
Eenzaamheid is de stilte die zo hard wordt dat hij pijn doet aan je oren. Een suis die overgaat in een gil. Het maakt je wanhopig. Het drijft je tot dingen die je vroeger voor gek had verklaard.
4 oktober
Voor de badkamerspiegel bestudeer ik de schade. Vlak onder mijn jukbeen bloeit een paars-gele vlek. Met trillende vingers klop ik een dikke laag foundation over de bloeduitstorting heen. Het dekt nauwelijks.
Maar zelfs als ik die plek niet zou maskeren, dan nog zou de caissière straks in de supermarkt gegarandeerd langs me heen kijken. Mensen kijken altijd weg van het ongemak. Dat is de ongeschreven regel van het fatsoen. Je kunt bont en blauw over straat lopen, zolang je weigert te gillen, doet de rest van de wereld alsof er niets aan de hand is.
6 oktober
Wouter komt laat thuis. Hij gooit zijn sleutels op het aanrecht en kijkt dwars door me heen. Zijn blik glijdt met afkeer over mijn lichaam, over mijn zware borsten en brede heupen, alsof ik een meubelstuk ben dat in de weg staat.
"Heb je weer de hele dag lopen niksen?" vraagt hij. Zijn stem is koud. Ik zwijg. Antwoorden heeft geen zin. Elke reactie lokt een uitbarsting uit. Hij pakt een biertje uit de koelkast en loopt naar de woonkamer. In zijn nabijheid ben ik nog eenzamer dan wanneer het huis leeg is. Hij ontneemt me de ruimte om te ademen. Ik ben een schim in mijn eigen leven geworden. Hij sloeg me gisteren weer. Een doffe klap tegen de zijkant van mijn hoofd. De pijn in mijn kaak klopt zachtjes na, een ritmische herinnering aan mijn waardeloosheid.
Ik zocht naar een leven, een hartslag, een zucht, een gat in de muur als een haastige vlucht. De stilte wordt scherp en de lucht is van steen, met z'n tweeën in huis, ben ik dubbel alleen.
9 oktober
Hij duwt me achterover op het matras. De veren van het bed kraken onder ons gewicht. Mijn heupen vangen de stoten op. Ik staar naar het plafond, naar een groezelige vochtplek in de hoek van de kamer. Tijdens deze momenten verlaat mijn geest mijn lichaam. Ik zweef ergens vlak onder de lamp en kijk toe hoe een man een gebruiksvoorwerp hanteert.
Hij zweet, druppels vallen op mijn sleutelbeenderen. Mijn haar plakt in slierten aan mijn gezicht. Het voelt alsof er rioolwater door mijn aderen stroomt. Na afloop rolt hij zwijgend van me af en valt hij in slaap. Ik sluip naar de badkamer. Onder de hete douche schrob ik mijn huid met een harde spons tot ze vuurrood kleurt. Het water kolkt door het putje, maar de stank van zijn lust blijft in mijn poriën hangen.
Het water brandt, de zeep bijt in mijn vel, mijn lichaam is een huis, mijn geest de stille hel. Hij breekt telkens in, neemt wat hij begeert, terwijl mijn dode blik de vochtplek bestudeert.
11 oktober
Ik begin de wanhoop in mij te sussen door te zoeken naar iets levends. Iets dat ademt of op zijn minst beweegt. Vandaag vond ik een gewone huisspin. Hij heeft een stevig web gesponnen in de bovenhoek van het raamkozijn. Vroeger pakte ik resoluut de stofzuiger. Vandaag keek ik ernaar met een vreemd soort dankbaarheid.
"Goeiemorgen," fluister ik tegen hem, terwijl ik de warme mok koffie met beide handen vasthoud. "Heb je nog vliegen gevangen vannacht?" Ik klets over de pijn in mijn rug en de grijze wolken buiten. Ik stel me voor dat het lichte trillen van zijn web een reactie is. Hij is nu mijn huisgenoot. Zolang hij in die hoek blijft zitten, deel ik deze beklemmende ruimte ten minste met iets anders.
13 oktober
Vanachter het raam observeer ik de buurvrouw. Ze veegt de bladeren van haar oprit. De herfstzon weerspiegelt op de natte straatstenen. Ze ziet er gelukkig uit. De wereld daarbuiten draait onverstoorbaar door.
Jarenlang klemde ik me vast aan de hoop dat iemand me zou komen redden. Een oplettende arts, een buurman die het gedempte gebonk door de muren heen hoort. De realiteit is stukken kouder. Misbruik gedijt uitstekend in stilte. Mensen sluiten hun oren voor andermans ellende. Zolang we zondags glimlachend samen de voordeur uitstappen, houdt iedereen zijn geweten schoon. De illusie van een gelukkig stel is belangrijker dan de gekneusde ribben onder de trui.
15 oktober
Een spin praat uiteraard nooit terug. Het dier snapt niets van kou of verdriet. Ik zak dieper de modder in.
17 oktober
Tegenwoordig voer ik gesprekken met mijn eigen schaduw. Zolang de lampen branden, beweegt die keurig met me mee. Hij doet precies wat ik doe en vult een stukje van de blinde muur. Ik vertel het donkere silhouet dat we ons er wel doorheen slaan. Samen houden we stand. Maar de schaduw blijkt een vreselijke verrader te zijn. Zodra de avond valt en het licht uitsterft, verdwijnt hij zonder waarschuwing. In het aardedonker trekt zelfs je eigen omtrek zich van je terug.
18 oktober
Vanochtend was de koffie te koud. Hij smeet de volle mok tegen de muur naast de keukendeur. De donkere vloeistof druipt nu langzaam over het witte stucwerk naar beneden.
Hij schreeuwde dat ik hem opzettelijk provoceer. Dat ik hem tot waanzin drijf met mijn waardeloze gedrag. Na een kwartier begon ik zijn woorden over te nemen. Misschien had ik de knop van het apparaat inderdaad eerder in moeten drukken. Mijn hersenen kronkelen in de raarste bochten om hem gelijk te geven. Een dader wint pas echt wanneer het slachtoffer de schuld vrijwillig op zich neemt om de vrede te bewaren. Er ontstaat een ziek soort logica in je hoofd. Een overlevingsmechanisme dat je eigen realiteit opvreet.
De muren huilen koffie, scherven op de vloer,
ik slik de harde woorden, ik ben de stomme hoer.
Het is mijn eigen fout, zo fluistert het venijn,
om in zijn kille wereld de boksbal te mogen zijn.
21 oktober
Na de stilte volgt de waanzin. Je begint tegen jezelf te praten. Dat gebeurt hardop in de lege kamer, in plaats van veilig weggestopt in je eigen gedachten. Het vormt een volwaardige dialoog. Je splitst jezelf op in twee helften. Aan de ene kant staat de 'Ik' die het lijden ondergaat, daartegenover ontstaat een 'Stemmetje' dat de rol van een ander persoon aanneemt. Een fictieve huisgenoot die wél luistert.
"Het komt wel goed," zegt de Stem met een kalmte die ik zelf mis.
"Nee, het gaat helemaal fout," snauw ik terug tegen de muur. "Hou je bek, je weet totaal niet waar je over praat."
"Rustig maar. Ga gewoon slapen. Morgen is er weer een dag."
Het voelt troostend en angstaanjagend tegelijk. Je bent je eigen gezelschap geworden, simpelweg omdat de rest van de wereld je heeft uitgespuugd. Je creëert je eigen hallucinaties om de stilte buiten te houden.
23 oktober
In het donker staar ik naar een foto van vroeger en bestudeer de persoon die ik ooit was. De persoon op de foto kijkt de wereld onbevangen en vol vuur aan. Haar donkere ogen fixeren de lens met een blik die weigert zich te verontschuldigen voor haar aanwezigheid. Het lichte, koperblonde haar valt nonchalant in een zijscheiding over haar sleutelbeenderen. Ze lacht de ontspannen lach van iemand die nog gelooft dat de wereld een veilige plek is.
Ik mis haar tot in het diepst van mijn botten.
24 oktober
Vermoeidheid zit inmiddels diep in mijn merg. Elke stap door het huis kost moeite. In de spiegel zie ik een vrouw met indringende, donkere ogen die ik nauwelijks herken. Ik draag de gestalte van een volwassen, sensuele vrouw, mijn rondingen ademen vrouwelijkheid uit. Binnenin rest er slechts een verpulverd wezen.
De voortdurende hyperalertheid zuigt de laatste druppels energie uit mijn spieren. Zodra ik zijn sleutel in het slot hoor draaien, stopt mijn ademhaling een seconde. Mijn schouders trekken onwillekeurig op. Een lichaam onthoudt de klappen beter dan het geheugen. Je bent een waakhond in je eigen kooi geworden.
26 oktober
Het is stil in de slaapkamer. De enige geluiden zijn het tikken van de regen tegen het raam en de zware, tevreden ademhaling van de man naast me. Hij slaapt. Hij heeft genomen wat hij wilde, zich omgedraaid en is vertrokken naar dromenland.
Ik lig op mijn rug. Mijn ogen staren naar een scheur in het plafond die ik in het donker onmogelijk kan zien. Toch weet ik exact waar hij zich bevindt.
Ik lijk alleen. Of nee. Dat ben ik allang niet meer. "Sta op," zegt de stem. Ze klinkt helder. Hard. Als glas dat breekt op een tegelvloer. Het is mijn eigen stem, ontdaan van trilling of angst.
"Ik kan het niet," antwoord ik zonder mijn lippen te bewegen. We praten via de echo in mijn schedel.
"Je moet. Je stinkt. Je zit onder zijn zweet en zijn zaad. Het is walgelijk. Je bent een open riool."
"Laat me liggen," smeek ik. "Alles doet pijn. Mijn heupen. Mijn buik. Zodra ik beweeg, breek ik."
Ik voel hoe Zij – de andere ik, de sterke ik, de gemene ik – zich losmaakt van mijn ruggengraat. Ik zie haar voor me, in gedachten. Ze zit op de rand van het bed en kijkt op me neer. Ze draagt een harnas van woede in plaats van een nachthemd. "Je breekt totaal niet," snauwt ze. "Je bent al gebroken. Er valt niets meer te slopen. Sta op en was jezelf. Spoel hem weg."
"Het heeft geen zin," fluister ik in het donker. "Morgen doet hij het weer. Waarom zou ik me wassen zolang ik al bevuild ben?"
Zij buigt zich over me heen. Haar gezicht deelt mijn trekken, al staren haar ogen zwart en leeg naar me terug. "Precies. Je bent een gebruiksvoorwerp. Een dweil. En dweilen moet je uitwringen. Ga naar de badkamer."
"Nee."
"Lafaard."
"Ik ben moe."
"Je bent zwak. Daarom doet hij dit. Omdat je het toelaat. Omdat je er gewoon bij ligt als een dood dier langs de kant van de weg. Denk je dat hij zou stoppen als je terugvocht?"
Ik huiver. "Zodra ik vecht, maakt hij me dood."
Zij lacht. Het klinkt als een koud, metalen geluid. "En wat is dit dan? Noem je dit een leven? Je hart klopt, ja. Bravo. Vanbinnen is er wezenlijk niemand thuis. Je bent gereduceerd tot een leeg huis waar de krakers de boel hebben vernield." Ze staat op en loopt door de kamer. Ik volg haar met mijn geestesoog. Ze stopt bij het nachtkastje. "Kijk," zegt ze. "Kijk eens wat daar staat."
"Een asbak."
"Nee, idioot. Een wapen."
Mijn adem stokt. "Nee."
"Jawel. Het is simpel. Hij slaapt. Hij snurkt. Zijn keel ligt bloot. Eén harde klap op zijn slaap. Of op zijn strottehoofd. Krak. Einde verhaal."
"Dat kan ik niet," jank ik vanbinnen. "Ik ben een mens, geen moordenaar."
"Hij vermoordt jou elke dag een beetje!" schreeuwt ze nu. Het galmt tussen mijn oren. "Hij sloopt je ziel, stukje bij beetje, en jij jankt over moraal? Pak die asbak. Doe het. Verlos ons."
"Ik durf niet. Stel dat hij wakker wordt..."
"Dan is het voorbij. Dan maakt hij ons af. Daarna hebben we ten minste rust. Is dat niet wat je wilde? Rust?"
Ik kijk naar de rug van Wouter. Naar de brede schouders die rustig op en neer gaan. Mijn hand trilt onder de deken. De Andere Ik trekt aan mijn arm en probeert met alle macht mijn spieren te besturen. Pak het. Pak het. Pak het.
Ik verzet me heftig. Ik klem mijn hand strak onder mijn been. "Nee," antwoord ik vastbesloten. "Ik doe het niet."
De Andere Ik spuugt op de grond. "Zielig hoopje ellende. Dan niet. Dan blijf je maar liggen in je eigen vuil. Dan wacht je maar tot hij morgenochtend wakker wordt en weer zin heeft."
Ze gaat weer op de rand van het bed zitten en wiebelt met haar benen. "Weet je wat het grappige is?" vraagt ze, ineens op een fluistertoon die nog enger klinkt dan het geschreeuw.
"Wat?"
"Dat je denkt dat ik de gekke ben. Dat je denkt dat deze stem in je hoofd niet klopt." Ze leunt dichtbij. "Toch ben ik de enige die nog over is. De rest van jou... die lieve Leen, die zachte Leen... die stierf allang onder zijn gewicht. Ik ben het enige wat je bezit. Ik ben je haat. Haat is het enige dat ons nog overeind houdt."
Ik sluit mijn ogen en druk mijn handen tegen mijn oren. Haar stem zit helaas aan de binnenkant.
"Ik ga nergens heen," zingt ze vrolijk als een kinderliedje. "We blijven hier samen. In het donker. Tot we allebei gek zijn."
Terwijl de man naast me doorslaapt, lig ik daar ruziënd met mezelf, in afwachting van de waanzin die me hopelijk genadig overneemt. Langzaam beginnen we samen te zingen. Eerst zacht, als een fluistering in de echoput van mijn schedel, waarna het aanzwelt tot een duet van pure wanhoop.
Slaap kindje slaap,
Daarbuiten loopt een schaap.
Een schaap met witte voetjes,
Die drinkt zijn melk zo zoetjes.
Maar hierbinnen zit een wolf,
Die wacht tot ik verzwolg.
Slaap kindje slaap,
Je bent al lang geen schaap.
28 oktober
En dan, midden in zo'n gesprek met de leegte, stopt de tijd opeens. De realiteit slaat in als een bom. Het besef. Het kille, naakte, verschrikkelijke feit: Er is niemand.
Niemand zal ooit nog tegen me praten. Mijn stem heeft geen enkel doel meer. Als ik hier nu doodval op dit koude laminaat, merkt de rest van de wereld daar niks van. Er breekt nergens paniek uit. Er rinkelt geen telefoon. Een begrafenis met bloemen, tranen en mooie muziek blijft uit. Niemand rouwt. Niemand zegt ooit: "Ik ga haar missen," simpelweg omdat niemand weet dat ik er was. Ik zal gewoon... stoppen.
Mensen vinden me uiteindelijk pas terug zodra de buren klagen over de stank in het trappenhuis. Van enig gemis is dan totaal geen sprake. Ik ben opgehouden een mens te zijn. Ik vorm hooguit een toekomstig administratief probleem voor de gemeente.
Verdriet dekt de lading allang niet meer. Dit is een wanhoop die zo diep zit dat je botten ervan verpulveren. Dat is het absolute nulpunt van het bestaan. Dan, en pas dan, begrijp je hoe echte eenzaamheid voelt.
29 oktober
De grenzen van deze woonkamer knellen steeds strakker om mijn keel. Mijn ademhaling klinkt te luid in de stilte. Er is geen ontsnapping meer mogelijk aan mezelf.
Mijn telefoon zwijgt, een dood stuk plastic op tafel, geen bericht, geen geluid, alleen mijn eigen gerafel. Niemand vraagt: Eet je? Niemand vraagt: Leef je? De wereld draait door en vergeet dat je beefde.
30 oktober
Een spiegel onthoudt uiteindelijk enkel het meubilair.
Het silhouet op de voorgrond is geruisloos weggesleten door een overvloed aan nabijheid.
De stilte eist steevast de zwaarste stoel op.
Ze registreert de stugge cadans van een polsslag, terwijl de wanden hun adem inhouden.
Een eigennaam klinkt als een uitgestorven dialect.
Iets wat ooit naadloos paste, glijdt nu ongemerkt van de schouders af.
Afstanden laten zich zelden in stappen vangen.
Tussen ademhalingen die exact dezelfde ruimte delen, schuift onopgemerkt een onbegaanbaar continent.
De oversteek eindigt bij die ene millimeter waar twee levens elkaar rakelings missen.
Hier vindt de eenzaamheid haar voltooiing.
Zij wist de getuige uit, tot de leegte geen eigenaar meer behoeft.
De afgrond bezit nu enkel zichzelf.
31 oktober
IK: De klok slaat dertien keer vannacht. Ik heb te lang op niets gewacht. Mijn korset van ribben staat te strak, Ik ben een porseleinen pop in een vuilniszak. De lucht is dik, het bed is steen, Waarom laten de stemmen mij alleen?
DE ANDERE: Rug recht, meisje. Kin omhoog. Veeg die tranen uit je oog. Een dame huilt zelden, een dame zwijgt, Ook als ze de strop om haar nekje krijgt. Glimlach naar de meneer, doe wat hij wil. Wees mooi, wees braaf, en vooral: wees stil.
DE RAT: Luister verdomme naar dat wijf! Zet je nagels in je eigen lijf! Je bent geen dame, je bent een lijk in de lift. Pak het mes, pak de scherf, pak de speld. Laat het bloeden. Bloed is het enige dat nog telt!
DE SPIN: Woutertje, Woutertje, zat op de troon, Gaf het meisje een klap als loon. Woutertje, Woutertje, brak haar been, Nu is het meisje voor altijd alleen...
IEDEREEN: Verstop je hart! Maak het zwart! Je bent schuldig. Je bent vies. Dood of levend? Vlees of glas? Vergeet wie je vroeger was! Rot. Kapot. Rot. Kapot.
IK: Zwijg! Ik wil slapen! Ik wil dat het stopt!
WOUTER: Lig je nou weer te janken? Jezus. Je bent echt gestoord, weet je dat? Hou je bek en ga slapen. Ik moet morgen werken.
1 november
Uitholling.
Ik stol.
Wit in de diepte.
Zwaarte aan de ribben.
Koperblond.
Koud.
Naam als vergeten dialect.
De spiegel ontkent mijn aanwezigheid.
Mijn huid fungeert als een grens.
Donkere ogen fixeren het nulpunt.
De eenzaamheid wist mijn omtrek uit.
Mijn bestaan is de prijs voor de stilte.
4 november
Het daglicht trekt zich ongemerkt terug uit de woonkamer. De naderende schemering slokt de wereld een voor een op. Ik kijk zwijgend toe hoe alles om me heen haar scherpe randen verliest. De duisternis vormt een troostende sluier. Fysiek neem ik onmiskenbaar ruimte in, met een hartspier die stug bloed rondpompt. Binnenin heerst inmiddels een volmaakte windstilte.
De stemmen in mijn schedel hebben hun ruzies gestaakt. Ze beseffen vermoedelijk dat er in dit uitgeholde omhulsel niets meer te halen valt. Straks draait de sleutel in het slot van de voordeur. Hij stapt dan binnen en brengt de kou van buiten mee. Zijn blik zal over me heen glijden alsof ik transparant ben, zonder enige hapering of herkenning. De vrouw en de echtgenote zijn dan geruisloos uit dit lichaam vertrokken. Er rest slechts een object van vlees en bloed dat toevallig zuurstof verbruikt.
Terwijl de dusternis de woonkamer overneemt, sluit ik mijn ogen. De overgang tussen mijn huid en de kille lucht in de kamer vervaagt. Het voelt als een zachte, genadige overgave aan het niets. Elke herinnering aan de persoon die ik ooit was, sijpelt via de vloerplanken weg. Ik haal nog één keer diep adem, en blaas mezelf langzaam uit.
2 oktober
Mensen halen "alleen zijn" en "eenzaamheid" vaak door elkaar. Ze gebruiken het als synoniemen, maar dat zijn het niet. Alleen zijn is een fysieke staat. Je kunt alleen zijn in een kamer en je prima voelen. Je kunt alleen zijn en genieten van de stilte, van de rust, van een boek. Alleen zijn kan een luxe zijn.
Eenzaamheid is iets anders. Eenzaamheid is een ziekte. Een kanker die je van binnenuit opeet. Het gaat er niet om dat er niemand in de kamer is. Het gaat om het verpletterende besef dat er niemand is voor jou. Dat er op de hele wereld, met zijn miljarden zielen, niet één persoon is die op dit moment aan je denkt. Niemand die zich afvraagt of je al gegeten hebt. Niemand die je mist. Niemand die, als je telefoon nu zou overgaan, aan de andere kant van de lijn zou zijn om te vragen hoe je dag was. (Mijn telefoon gaat nooit over. Hij ligt daar maar, een dood stuk plastic op tafel, een stille getuige van mijn irrelevantie.)
Eenzaamheid is de stilte die zo hard wordt dat hij pijn doet aan je oren. Een suis die overgaat in een gil. Het maakt je wanhopig. Het drijft je tot dingen die je vroeger voor gek had verklaard.
4 oktober
Voor de badkamerspiegel bestudeer ik de schade. Vlak onder mijn jukbeen bloeit een paars-gele vlek. Met trillende vingers klop ik een dikke laag foundation over de bloeduitstorting heen. Het dekt nauwelijks.
Maar zelfs als ik die plek niet zou maskeren, dan nog zou de caissière straks in de supermarkt gegarandeerd langs me heen kijken. Mensen kijken altijd weg van het ongemak. Dat is de ongeschreven regel van het fatsoen. Je kunt bont en blauw over straat lopen, zolang je weigert te gillen, doet de rest van de wereld alsof er niets aan de hand is.
6 oktober
Wouter komt laat thuis. Hij gooit zijn sleutels op het aanrecht en kijkt dwars door me heen. Zijn blik glijdt met afkeer over mijn lichaam, over mijn zware borsten en brede heupen, alsof ik een meubelstuk ben dat in de weg staat.
"Heb je weer de hele dag lopen niksen?" vraagt hij. Zijn stem is koud. Ik zwijg. Antwoorden heeft geen zin. Elke reactie lokt een uitbarsting uit. Hij pakt een biertje uit de koelkast en loopt naar de woonkamer. In zijn nabijheid ben ik nog eenzamer dan wanneer het huis leeg is. Hij ontneemt me de ruimte om te ademen. Ik ben een schim in mijn eigen leven geworden. Hij sloeg me gisteren weer. Een doffe klap tegen de zijkant van mijn hoofd. De pijn in mijn kaak klopt zachtjes na, een ritmische herinnering aan mijn waardeloosheid.
Ik zocht naar een leven, een hartslag, een zucht, een gat in de muur als een haastige vlucht. De stilte wordt scherp en de lucht is van steen, met z'n tweeën in huis, ben ik dubbel alleen.
9 oktober
Hij duwt me achterover op het matras. De veren van het bed kraken onder ons gewicht. Mijn heupen vangen de stoten op. Ik staar naar het plafond, naar een groezelige vochtplek in de hoek van de kamer. Tijdens deze momenten verlaat mijn geest mijn lichaam. Ik zweef ergens vlak onder de lamp en kijk toe hoe een man een gebruiksvoorwerp hanteert.
Hij zweet, druppels vallen op mijn sleutelbeenderen. Mijn haar plakt in slierten aan mijn gezicht. Het voelt alsof er rioolwater door mijn aderen stroomt. Na afloop rolt hij zwijgend van me af en valt hij in slaap. Ik sluip naar de badkamer. Onder de hete douche schrob ik mijn huid met een harde spons tot ze vuurrood kleurt. Het water kolkt door het putje, maar de stank van zijn lust blijft in mijn poriën hangen.
Het water brandt, de zeep bijt in mijn vel, mijn lichaam is een huis, mijn geest de stille hel. Hij breekt telkens in, neemt wat hij begeert, terwijl mijn dode blik de vochtplek bestudeert.
11 oktober
Ik begin de wanhoop in mij te sussen door te zoeken naar iets levends. Iets dat ademt of op zijn minst beweegt. Vandaag vond ik een gewone huisspin. Hij heeft een stevig web gesponnen in de bovenhoek van het raamkozijn. Vroeger pakte ik resoluut de stofzuiger. Vandaag keek ik ernaar met een vreemd soort dankbaarheid.
"Goeiemorgen," fluister ik tegen hem, terwijl ik de warme mok koffie met beide handen vasthoud. "Heb je nog vliegen gevangen vannacht?" Ik klets over de pijn in mijn rug en de grijze wolken buiten. Ik stel me voor dat het lichte trillen van zijn web een reactie is. Hij is nu mijn huisgenoot. Zolang hij in die hoek blijft zitten, deel ik deze beklemmende ruimte ten minste met iets anders.
13 oktober
Vanachter het raam observeer ik de buurvrouw. Ze veegt de bladeren van haar oprit. De herfstzon weerspiegelt op de natte straatstenen. Ze ziet er gelukkig uit. De wereld daarbuiten draait onverstoorbaar door.
Jarenlang klemde ik me vast aan de hoop dat iemand me zou komen redden. Een oplettende arts, een buurman die het gedempte gebonk door de muren heen hoort. De realiteit is stukken kouder. Misbruik gedijt uitstekend in stilte. Mensen sluiten hun oren voor andermans ellende. Zolang we zondags glimlachend samen de voordeur uitstappen, houdt iedereen zijn geweten schoon. De illusie van een gelukkig stel is belangrijker dan de gekneusde ribben onder de trui.
15 oktober
Een spin praat uiteraard nooit terug. Het dier snapt niets van kou of verdriet. Ik zak dieper de modder in.
17 oktober
Tegenwoordig voer ik gesprekken met mijn eigen schaduw. Zolang de lampen branden, beweegt die keurig met me mee. Hij doet precies wat ik doe en vult een stukje van de blinde muur. Ik vertel het donkere silhouet dat we ons er wel doorheen slaan. Samen houden we stand. Maar de schaduw blijkt een vreselijke verrader te zijn. Zodra de avond valt en het licht uitsterft, verdwijnt hij zonder waarschuwing. In het aardedonker trekt zelfs je eigen omtrek zich van je terug.
18 oktober
Vanochtend was de koffie te koud. Hij smeet de volle mok tegen de muur naast de keukendeur. De donkere vloeistof druipt nu langzaam over het witte stucwerk naar beneden.
Hij schreeuwde dat ik hem opzettelijk provoceer. Dat ik hem tot waanzin drijf met mijn waardeloze gedrag. Na een kwartier begon ik zijn woorden over te nemen. Misschien had ik de knop van het apparaat inderdaad eerder in moeten drukken. Mijn hersenen kronkelen in de raarste bochten om hem gelijk te geven. Een dader wint pas echt wanneer het slachtoffer de schuld vrijwillig op zich neemt om de vrede te bewaren. Er ontstaat een ziek soort logica in je hoofd. Een overlevingsmechanisme dat je eigen realiteit opvreet.
De muren huilen koffie, scherven op de vloer,
ik slik de harde woorden, ik ben de stomme hoer.
Het is mijn eigen fout, zo fluistert het venijn,
om in zijn kille wereld de boksbal te mogen zijn.
21 oktober
Na de stilte volgt de waanzin. Je begint tegen jezelf te praten. Dat gebeurt hardop in de lege kamer, in plaats van veilig weggestopt in je eigen gedachten. Het vormt een volwaardige dialoog. Je splitst jezelf op in twee helften. Aan de ene kant staat de 'Ik' die het lijden ondergaat, daartegenover ontstaat een 'Stemmetje' dat de rol van een ander persoon aanneemt. Een fictieve huisgenoot die wél luistert.
"Het komt wel goed," zegt de Stem met een kalmte die ik zelf mis.
"Nee, het gaat helemaal fout," snauw ik terug tegen de muur. "Hou je bek, je weet totaal niet waar je over praat."
"Rustig maar. Ga gewoon slapen. Morgen is er weer een dag."
Het voelt troostend en angstaanjagend tegelijk. Je bent je eigen gezelschap geworden, simpelweg omdat de rest van de wereld je heeft uitgespuugd. Je creëert je eigen hallucinaties om de stilte buiten te houden.
23 oktober
In het donker staar ik naar een foto van vroeger en bestudeer de persoon die ik ooit was. De persoon op de foto kijkt de wereld onbevangen en vol vuur aan. Haar donkere ogen fixeren de lens met een blik die weigert zich te verontschuldigen voor haar aanwezigheid. Het lichte, koperblonde haar valt nonchalant in een zijscheiding over haar sleutelbeenderen. Ze lacht de ontspannen lach van iemand die nog gelooft dat de wereld een veilige plek is.
Ik mis haar tot in het diepst van mijn botten.
24 oktober
Vermoeidheid zit inmiddels diep in mijn merg. Elke stap door het huis kost moeite. In de spiegel zie ik een vrouw met indringende, donkere ogen die ik nauwelijks herken. Ik draag de gestalte van een volwassen, sensuele vrouw, mijn rondingen ademen vrouwelijkheid uit. Binnenin rest er slechts een verpulverd wezen.
De voortdurende hyperalertheid zuigt de laatste druppels energie uit mijn spieren. Zodra ik zijn sleutel in het slot hoor draaien, stopt mijn ademhaling een seconde. Mijn schouders trekken onwillekeurig op. Een lichaam onthoudt de klappen beter dan het geheugen. Je bent een waakhond in je eigen kooi geworden.
26 oktober
Het is stil in de slaapkamer. De enige geluiden zijn het tikken van de regen tegen het raam en de zware, tevreden ademhaling van de man naast me. Hij slaapt. Hij heeft genomen wat hij wilde, zich omgedraaid en is vertrokken naar dromenland.
Ik lig op mijn rug. Mijn ogen staren naar een scheur in het plafond die ik in het donker onmogelijk kan zien. Toch weet ik exact waar hij zich bevindt.
Ik lijk alleen. Of nee. Dat ben ik allang niet meer. "Sta op," zegt de stem. Ze klinkt helder. Hard. Als glas dat breekt op een tegelvloer. Het is mijn eigen stem, ontdaan van trilling of angst.
"Ik kan het niet," antwoord ik zonder mijn lippen te bewegen. We praten via de echo in mijn schedel.
"Je moet. Je stinkt. Je zit onder zijn zweet en zijn zaad. Het is walgelijk. Je bent een open riool."
"Laat me liggen," smeek ik. "Alles doet pijn. Mijn heupen. Mijn buik. Zodra ik beweeg, breek ik."
Ik voel hoe Zij – de andere ik, de sterke ik, de gemene ik – zich losmaakt van mijn ruggengraat. Ik zie haar voor me, in gedachten. Ze zit op de rand van het bed en kijkt op me neer. Ze draagt een harnas van woede in plaats van een nachthemd. "Je breekt totaal niet," snauwt ze. "Je bent al gebroken. Er valt niets meer te slopen. Sta op en was jezelf. Spoel hem weg."
"Het heeft geen zin," fluister ik in het donker. "Morgen doet hij het weer. Waarom zou ik me wassen zolang ik al bevuild ben?"
Zij buigt zich over me heen. Haar gezicht deelt mijn trekken, al staren haar ogen zwart en leeg naar me terug. "Precies. Je bent een gebruiksvoorwerp. Een dweil. En dweilen moet je uitwringen. Ga naar de badkamer."
"Nee."
"Lafaard."
"Ik ben moe."
"Je bent zwak. Daarom doet hij dit. Omdat je het toelaat. Omdat je er gewoon bij ligt als een dood dier langs de kant van de weg. Denk je dat hij zou stoppen als je terugvocht?"
Ik huiver. "Zodra ik vecht, maakt hij me dood."
Zij lacht. Het klinkt als een koud, metalen geluid. "En wat is dit dan? Noem je dit een leven? Je hart klopt, ja. Bravo. Vanbinnen is er wezenlijk niemand thuis. Je bent gereduceerd tot een leeg huis waar de krakers de boel hebben vernield." Ze staat op en loopt door de kamer. Ik volg haar met mijn geestesoog. Ze stopt bij het nachtkastje. "Kijk," zegt ze. "Kijk eens wat daar staat."
"Een asbak."
"Nee, idioot. Een wapen."
Mijn adem stokt. "Nee."
"Jawel. Het is simpel. Hij slaapt. Hij snurkt. Zijn keel ligt bloot. Eén harde klap op zijn slaap. Of op zijn strottehoofd. Krak. Einde verhaal."
"Dat kan ik niet," jank ik vanbinnen. "Ik ben een mens, geen moordenaar."
"Hij vermoordt jou elke dag een beetje!" schreeuwt ze nu. Het galmt tussen mijn oren. "Hij sloopt je ziel, stukje bij beetje, en jij jankt over moraal? Pak die asbak. Doe het. Verlos ons."
"Ik durf niet. Stel dat hij wakker wordt..."
"Dan is het voorbij. Dan maakt hij ons af. Daarna hebben we ten minste rust. Is dat niet wat je wilde? Rust?"
Ik kijk naar de rug van Wouter. Naar de brede schouders die rustig op en neer gaan. Mijn hand trilt onder de deken. De Andere Ik trekt aan mijn arm en probeert met alle macht mijn spieren te besturen. Pak het. Pak het. Pak het.
Ik verzet me heftig. Ik klem mijn hand strak onder mijn been. "Nee," antwoord ik vastbesloten. "Ik doe het niet."
De Andere Ik spuugt op de grond. "Zielig hoopje ellende. Dan niet. Dan blijf je maar liggen in je eigen vuil. Dan wacht je maar tot hij morgenochtend wakker wordt en weer zin heeft."
Ze gaat weer op de rand van het bed zitten en wiebelt met haar benen. "Weet je wat het grappige is?" vraagt ze, ineens op een fluistertoon die nog enger klinkt dan het geschreeuw.
"Wat?"
"Dat je denkt dat ik de gekke ben. Dat je denkt dat deze stem in je hoofd niet klopt." Ze leunt dichtbij. "Toch ben ik de enige die nog over is. De rest van jou... die lieve Leen, die zachte Leen... die stierf allang onder zijn gewicht. Ik ben het enige wat je bezit. Ik ben je haat. Haat is het enige dat ons nog overeind houdt."
Ik sluit mijn ogen en druk mijn handen tegen mijn oren. Haar stem zit helaas aan de binnenkant.
"Ik ga nergens heen," zingt ze vrolijk als een kinderliedje. "We blijven hier samen. In het donker. Tot we allebei gek zijn."
Terwijl de man naast me doorslaapt, lig ik daar ruziënd met mezelf, in afwachting van de waanzin die me hopelijk genadig overneemt. Langzaam beginnen we samen te zingen. Eerst zacht, als een fluistering in de echoput van mijn schedel, waarna het aanzwelt tot een duet van pure wanhoop.
Slaap kindje slaap,
Daarbuiten loopt een schaap.
Een schaap met witte voetjes,
Die drinkt zijn melk zo zoetjes.
Maar hierbinnen zit een wolf,
Die wacht tot ik verzwolg.
Slaap kindje slaap,
Je bent al lang geen schaap.
28 oktober
En dan, midden in zo'n gesprek met de leegte, stopt de tijd opeens. De realiteit slaat in als een bom. Het besef. Het kille, naakte, verschrikkelijke feit: Er is niemand.
Niemand zal ooit nog tegen me praten. Mijn stem heeft geen enkel doel meer. Als ik hier nu doodval op dit koude laminaat, merkt de rest van de wereld daar niks van. Er breekt nergens paniek uit. Er rinkelt geen telefoon. Een begrafenis met bloemen, tranen en mooie muziek blijft uit. Niemand rouwt. Niemand zegt ooit: "Ik ga haar missen," simpelweg omdat niemand weet dat ik er was. Ik zal gewoon... stoppen.
Mensen vinden me uiteindelijk pas terug zodra de buren klagen over de stank in het trappenhuis. Van enig gemis is dan totaal geen sprake. Ik ben opgehouden een mens te zijn. Ik vorm hooguit een toekomstig administratief probleem voor de gemeente.
Verdriet dekt de lading allang niet meer. Dit is een wanhoop die zo diep zit dat je botten ervan verpulveren. Dat is het absolute nulpunt van het bestaan. Dan, en pas dan, begrijp je hoe echte eenzaamheid voelt.
29 oktober
De grenzen van deze woonkamer knellen steeds strakker om mijn keel. Mijn ademhaling klinkt te luid in de stilte. Er is geen ontsnapping meer mogelijk aan mezelf.
Mijn telefoon zwijgt, een dood stuk plastic op tafel, geen bericht, geen geluid, alleen mijn eigen gerafel. Niemand vraagt: Eet je? Niemand vraagt: Leef je? De wereld draait door en vergeet dat je beefde.
30 oktober
Een spiegel onthoudt uiteindelijk enkel het meubilair.
Het silhouet op de voorgrond is geruisloos weggesleten door een overvloed aan nabijheid.
De stilte eist steevast de zwaarste stoel op.
Ze registreert de stugge cadans van een polsslag, terwijl de wanden hun adem inhouden.
Een eigennaam klinkt als een uitgestorven dialect.
Iets wat ooit naadloos paste, glijdt nu ongemerkt van de schouders af.
Afstanden laten zich zelden in stappen vangen.
Tussen ademhalingen die exact dezelfde ruimte delen, schuift onopgemerkt een onbegaanbaar continent.
De oversteek eindigt bij die ene millimeter waar twee levens elkaar rakelings missen.
Hier vindt de eenzaamheid haar voltooiing.
Zij wist de getuige uit, tot de leegte geen eigenaar meer behoeft.
De afgrond bezit nu enkel zichzelf.
31 oktober
IK: De klok slaat dertien keer vannacht. Ik heb te lang op niets gewacht. Mijn korset van ribben staat te strak, Ik ben een porseleinen pop in een vuilniszak. De lucht is dik, het bed is steen, Waarom laten de stemmen mij alleen?
DE ANDERE: Rug recht, meisje. Kin omhoog. Veeg die tranen uit je oog. Een dame huilt zelden, een dame zwijgt, Ook als ze de strop om haar nekje krijgt. Glimlach naar de meneer, doe wat hij wil. Wees mooi, wees braaf, en vooral: wees stil.
DE RAT: Luister verdomme naar dat wijf! Zet je nagels in je eigen lijf! Je bent geen dame, je bent een lijk in de lift. Pak het mes, pak de scherf, pak de speld. Laat het bloeden. Bloed is het enige dat nog telt!
DE SPIN: Woutertje, Woutertje, zat op de troon, Gaf het meisje een klap als loon. Woutertje, Woutertje, brak haar been, Nu is het meisje voor altijd alleen...
IEDEREEN: Verstop je hart! Maak het zwart! Je bent schuldig. Je bent vies. Dood of levend? Vlees of glas? Vergeet wie je vroeger was! Rot. Kapot. Rot. Kapot.
IK: Zwijg! Ik wil slapen! Ik wil dat het stopt!
WOUTER: Lig je nou weer te janken? Jezus. Je bent echt gestoord, weet je dat? Hou je bek en ga slapen. Ik moet morgen werken.
1 november
Uitholling.
Ik stol.
Wit in de diepte.
Zwaarte aan de ribben.
Koperblond.
Koud.
Naam als vergeten dialect.
De spiegel ontkent mijn aanwezigheid.
Mijn huid fungeert als een grens.
Donkere ogen fixeren het nulpunt.
De eenzaamheid wist mijn omtrek uit.
Mijn bestaan is de prijs voor de stilte.
4 november
Het daglicht trekt zich ongemerkt terug uit de woonkamer. De naderende schemering slokt de wereld een voor een op. Ik kijk zwijgend toe hoe alles om me heen haar scherpe randen verliest. De duisternis vormt een troostende sluier. Fysiek neem ik onmiskenbaar ruimte in, met een hartspier die stug bloed rondpompt. Binnenin heerst inmiddels een volmaakte windstilte.
De stemmen in mijn schedel hebben hun ruzies gestaakt. Ze beseffen vermoedelijk dat er in dit uitgeholde omhulsel niets meer te halen valt. Straks draait de sleutel in het slot van de voordeur. Hij stapt dan binnen en brengt de kou van buiten mee. Zijn blik zal over me heen glijden alsof ik transparant ben, zonder enige hapering of herkenning. De vrouw en de echtgenote zijn dan geruisloos uit dit lichaam vertrokken. Er rest slechts een object van vlees en bloed dat toevallig zuurstof verbruikt.
Terwijl de dusternis de woonkamer overneemt, sluit ik mijn ogen. De overgang tussen mijn huid en de kille lucht in de kamer vervaagt. Het voelt als een zachte, genadige overgave aan het niets. Elke herinnering aan de persoon die ik ooit was, sijpelt via de vloerplanken weg. Ik haal nog één keer diep adem, en blaas mezelf langzaam uit.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
