78.086 Gratis Sexverhalen
Houd jij ook van een beetje kinky?
A+ - a-

Vuur - 10

Door: Leen

Datum: 19-09-2026 | Cijfer: 0 | Gelezen: 122
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 38 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Creampie, Douche, Dwang, Neuken, Studenten, Submission, Verlangen,

Vervolg op: Vuur - 9: I Am On Fire

Loving Him Was Never Easy

"He hurt me but it felt like true love...
Loving him was never easy,
but it's awful beautiful.”


Uren later zit ik met opgetrokken benen op bed. Mijn oversized pyjama voelt als een nutteloos stuk stof tegen de kou die van binnenuit omhoog kruipt. Buiten glijdt de stad langzaam de nacht in. Door het openstaande raam hoor ik het doffe gedreun van een passerende tram op de Leien en het schelle gelach van studenten die over het trottoir zwalken. Het zijn de gewone geluiden van een doordeweekse avond in Antwerpen, maar ze klinken gedempt, alsof er een dikke laag vilt tussen mij en de straat zit.

Ik staar naar de blinde muur tegenover me. Het is een kapotte filmspoel die weigert te stoppen—haperend, doordraaiend in het donker. Zijn ogen op de binnenkoer van de brandweerkazerne. Een dodelijke, ijskoude blik toen hij me naast de commandant zag staan. Eén meedogenloze ruk. Mijn schoenzolen schurend over het asfalt en meteen daarna de doffe klap van mijn schouderbladen tegen de muur. En dan die plotse knik. Zijn voorhoofd dat tegen het mijne valt. Zijn adem, scherp en bijtend, striemend over mijn lippen. 'Eén seconde afleiding in het vuur en ik ben dood.' Zijn stem hees van pure wanhoop, zijn vingers trillend op mijn kaak. En ik die me krampachtig aan zijn jas vastklem, smekend en kapot van berouw. Het spijt me. Het spijt me zo. God, ik had beter moeten weten.

Onder de mouw van mijn pyjama glijdt mijn hand naar mijn linkerarm. Mijn vingertoppen vinden de plek; het vlees is beurs en klopt dof onder mijn huid. Wanneer ik er zachtjes met de rand van mijn duim overheen glijd, schiet er een venijnige pijnscheut omhoog naar mijn schouder. Vijf afzonderlijke, donkere drukpunten. De afdruk van zijn vingers. Een stempel.

Zorg dat jij niet zijn volgende vuurhaard wordt. De stem van De Backer klinkt griezelig helder in mijn hoofd, alsof de oude man weer naast me staat.

Er breekt iets. Zomaar, zonder enige waarschuwing, scheurt er een rauwe, haperende snik uit mijn keel los. Het geluid schokt door de roerloze kamer, vreemd en lelijk, alsof het niet uit mijn eigen keel komt. Ik sla mijn handpalm tegen mijn mond om het geluid te smoren, bang dat de studenten aan de overkant van de gang me horen, maar het helpt niet. De dam breekt. Een tweede snik trekt mijn middenrif pijnlijk ineen. Mijn ademhaling stokt, hapert, en voor ik het besef glijd ik van het matras af. Ik weet me geen blijf meer met mijn eigen lijf. De kamer is plotsklaps te benauwd, de zuurstof te schaars, alsof de muren tegelijk naar binnen schuiven om me te pletten. Ik begin te ijsberen. Van mijn bureau naar het raam, en weer terug. Drie stappen heen, drie stappen terug. Mijn voetzolen zijn ijskoud, maar mijn hoofd gloeit van een koortsige, ziekelijke paniek.

Wat moet ik doen? God, wat moet ik in hemelsnaam doen?

Mijn vingers klauwen in het spaanplaat van mijn bureau tot de nagels wit wegtrekken. Mijn telefoon ligt naast de opengeslagen cursus Strafrecht, een dood, glanzend zwart rechthoekje. Ik zou iemand moeten bellen. Iemand die me bij mijn verstand houdt. Mama? Mijn keel knijpt al dicht bij de gedachte. Wat kan ik haar zeggen? 'Mama, ik heb iemand leren kennen... een prachtige man… maar hij heeft me tegen een muur gesmeten'? Ze zou hysterisch worden, in haar auto springen, me dwingen om mee naar huis te komen. Mijn vriendinnen? Die zouden me aankijken met die afschuwelijke blik—een mengeling van walging, medelijden en superioriteit. Niemand van hen zou het begrijpen. Niemand van hen weet hoe het voelt als een man instort en zich aan jóú vastklampt alsof jij het enige bent dat hem nog op aarde houdt.

De tranen stromen over mijn wangen, glijden langs mijn kaaklijn en druppen op de kraag van mijn pyjama. Ik veeg er woest en ruw overheen met mijn mouw, maar er is geen houden aan. Een zoute, vernederende stroom van pure machteloosheid. Mijn knieën weigeren dienst. Mijn rug glijdt omlaag langs de zijkant van de kleerkast tot ik hard op de vloer land. Ik trek mijn benen zo dicht mogelijk tegen me aan, sla mijn armen er strak omheen en begraaf mijn gezicht tussen mijn knieën. Daar zit ik, op de grond van mijn kot, zachtjes heen en weer wiegend terwijl de snikken in golven door mijn bovenlijf beuken. Mijn borstkas doet fysiek zeer van het krampachtige happen naar lucht. Ik voel me zo grenzeloos alleen. Zo misselijkmakend gevangen tussen twee werelden.

Mijn hand glijdt opnieuw naar de beurse plek op mijn arm. Mijn vingers graven zich zachtjes in het weefsel, bijna dwangmatig, alsof ik die scherpe pijnprikkel nodig heb om mezelf ervan te overtuigen dat ik niet gek aan het worden ben. Als Wouter brandt, brandt alles om hem heen mee tot de grond toe af.

"Nee," pers ik er tussen twee ademteugen uit. Mijn stem trilt hol tegen de stof van mijn pyjamabroek. "Nee. Hij houdt van me. Hij was alleen maar doodsbang." De woorden klinken zwak, een dun pleistertje op een slagaderlijke bloeding. Ik knijp mijn ogen dicht, maar de beelden laten zich niet wegdrukken. Zijn kaken die zich maalden toen die collega floot. Zijn ogen die veranderden in twee dodelijke ijspegels. De dreun van zijn vuist tegen het metselwerk, zo hard dat het gruis naast mijn hoofd regende. De verlammende doodsangst dat hij me ter plekke in elkaar zou slaan—gevolgd door die ziekelijke, bedwelmende opluchting toen hij me kuste.

Ik grijp met beide handen in mijn haar en trek het strak bij de wortels, hopend dat de fysieke pijn het geraas in mijn hoofd tot stilte maant. Stop ermee. Alsjeblieft, stop met denken. Mijn hele lijf schreeuwt om een uitweg, maar het meest zieke, het meest beschamende is dat ik hem wil. Juist nu. Terwijl mijn arm bonst van de pijn, schreeuwt elke cel in mijn lichaam om zíjn armen, zíjn borstkas, zíjn diepe stem die me sust en zegt dat ik veilig ben. Ik walg van mijn eigen zwakheid. De schaamte vreet me vanbinnen op. Ik blijf op de grond zitten, met mijn rug tegen de kleerkast. De tocht trekt dwars door me heen en doet me rillen van de kou. Mijn spieren zijn verlamd van uitputting; ik heb de energie niet meer om overeind te krabbelen. Ik kan alleen maar staren naar het schemerduister, terwijl de seconden tergend langzaam wegtikken en mijn ademhaling in schokkerige, piepende zuchten naar buiten komt.

Pas ver na middernacht schrik ik op uit mijn verdoving. Er klinkt een dof, aanhoudend geklop op mijn kamerdeur. Drie korte, dwingende slagen die nagalmen in de stilte van de gang. "Leen?" Wouters stem. Gedempt, maar onmiskenbaar de zijne. Een lage, hese klank met een gejaagde ondertoon die door merg en been snijdt. "Leen, doe eens open. Alsjeblieft." Mijn hoofd vliegt omhoog. Maar ik verroer me niet. Ik pers mijn lippen krampachtig op elkaar en houd mijn adem in, hopend dat hij denkt dat ik slaap. Ik wil hem niet onder ogen komen. Niet met mijn gezwollen, rood doorlopen ogen, niet ineengedoken op de grond als een gewond dier. Blijf stil, bidt een paniekerige stem in mijn hoofd. Ga weg. Laat me met rust.

Even blijft het doodstil aan de andere kant van de deur. Maar dan klinkt het vertrouwde gerammel van sleutels. Het zachte, haastige schrapen van zijn reservesleutel in het slot, dat zich met een stroeve klik omdraait. De klink buigt langzaam naar beneden, en voor ik de kracht vind om overeind te krabbelen, zwaait de deur open. Wouter stapt naar binnen.Hij draagt een zwarte spijkerbroek en een donkergrijze wollen trui waarvan de mouwen slordig zijn opgestroopt tot over zijn gespierde onderarmen. Zijn blonde haar zit warrig door elkaar, alsof hij er tientallen keren met zijn handen doorheen heeft gewoeld. Om hem heen hangt de zware, herfstachtige geur van de nachtelijke buitenlucht en zijn eigen, warme huid. Met een trage, afgemeten beweging trekt hij de deur achter zich dicht.

Zijn blik schiet eerst naar het lege bed, glijdt dan door de donkere kamer en stokt abrupt wanneer hij me ziet zitten. Ineengedoken op de grond, tegen de kast. Een hoopje ellende met rode, opgezette oogleden en wangen die glimmen van opgedroogde tranen. Een hoorbare schok trekt door zijn brede gestalte. Zijn mond valt een fractie open en de beheerste trekken op zijn gezicht breken in één seconde aan duizend stukken. Er flitst een blik van schrik en afgrijzen over zijn trekken dat het hem direct ontwapent.

"Leen..." Zijn stem breekt. Hij gooit zijn sleutels op de hoek van mijn bureau—ze kletteren luid over het hout—en overbrugt de afstand tussen ons met drie stappen. Hij zakt door zijn knieën en laat zich voor me op de grond vallen. Zijn handen schieten naar voren, grijpen mijn bovenarmen beet, maar trekken zich direct geschrokken terug wanneer ik instinctief ineenkrimp. Hij slikt. De spieren in zijn kaken trillen hevig. "God, Leen... Wat doe je hier op de grond?" Zijn stem is een rauwe, hese fluistering, doordrenkt van een wanhoop die me de adem beneemt. "Je hebt het koud. Je zit helemaal te rillen."

Voor mijn gekwetste trots een muur kan opwerpen, schuift hij dichterbij. Hij gaat op de grond zitten, trekt zijn benen wijd en grijpt me vast. Met een onstuitbare kracht trekt hij me van de vloer af en tilt me op zijn schoot. Zijn armen sluiten zich om mijn middel en bovenlijf. Hij drukt me hard tegen zijn borstkas. "Sst, stil maar... ik heb je. Ik heb je," prevelt hij koortsachtig. Zijn adem is heet en gejaagd in mijn nek. "Niet meer huilen, pop. Alsjeblieft, niet meer huilen. Het vreet me levend op om je zo te zien."

Mijn lichaam protesteert een fractie van een seconde; mijn handen duwen slapjes tegen zijn schouders, een futiele poging om afstand te bewaren. "Wouter, ga weg..." snik ik met een stem die doordrenkt is van vermoeidheid. "Laat me gewoon. Je doet me pijn. Je maakt me kapot." Bij die woorden verstart hij even, alsof ik hem met een mes in zijn ribben heb gestoken. Hij pakt mijn hoofd met beide handen beet, zijn vingers diep in mijn losse haar begraven, en dwingt mijn betraande gezicht omhoog. Zijn blauwe ogen zijn donker, kolkend van emotie, glanzend van een vochtige gloed die ik nog nooit eerder bij hem heb gezien.

"Kijk me aan, Leen. Kijk me alsjeblieft aan," smeekt hij, zijn stem trillend van oprechtheid. "Ik wil je geen kwaad doen. Nooit van mijn leven. Hoor je wat ik zeg? Ik zou mijn eigen handen eraf hakken, mocht ik dat doen. Ik hou van je. Godverdomme, ik hou zó intens veel van je dat het me gek maakt in mijn kop." Hij drukt zijn voorhoofd hard tegen het mijne. Het brengt direct een gevaarlijke rilling teweeg in mijn buik. "Je bent het beste wat me ooit overkomen is," fluistert hij. "Het allerbeste. Ik was leeg voor jij in mijn leven kwam, Leen. Jij hebt me weer een mens gemaakt. Jij bent het enige zachte, het enige echte in heel mijn verziekte bestaan." Zijn grote, eeltige duimen vegen met een onvoorstelbare tederheid de natte sporen van mijn wangen. Elke aanraking brandt als vuur op mijn gevoelige huid. "Toen ik je vanmiddag op die binnenplaats zag staan... tussen die kerels, met die blikken van hen op jou... er knapte iets in mij," gaat hij verder. Zijn woorden struikelen over elkaar van de haast om zich te verantwoorden. "Het was blinde, ziekelijke angst. De angst dat iemand jou van me afpakt. De angst dat ik door jou mijn focus verlies en levend verbrand, waardoor ik jou alleen achterlaat in deze rotwereld. Ik kon het niet aan. Ik werd gek van paniek. En toen reageerde ik het op jóú af. Op het kostbaarste wat ik heb." Zijn stem stokt even. Hij sluit zijn ogen en laat zijn kin zwaar op mijn kruin rusten, terwijl zijn borstkas wild tegen de mijne op en neer beukt. "Vergeef me, pop," smeekt hij zacht. "Vergeef me, alsjeblieft. Zeg dat je me niet haat. Ik trek het niet als jij me zo aankijkt alsof ik een monster ben. Zeg me dat je me vergeeft."

De woorden zijn precies het vergif waar mijn verslaafde hart naar hunkert. Ze ontkrachten alle waarschuwingen van de commandant. Zie je wel, gilt een wanhopige stem in mijn binnenste. Hij meent het. Hij huilt om mij. Hij is gewoon een getormenteerde ziel die niet weet hoe hij met liefde moet omgaan. Een nieuwe stroom tranen breekt door mijn wimpers, maar deze keer niet van verdriet. Het is een golf van totale, verlammende overgave. Mijn vingers ontspannen zich op zijn schouders en graven zich krampachtig vast in zijn trui. Ik begraaf mijn gezicht diep in de holte van zijn warme hals en adem zijn geur gulzig in. "Wouter..." fluister ik hees tegen zijn huid. "Ik weet het, meisje. Ik weet het," sust hij teder, terwijl hij me langzaam heen en weer wiegt op de vloer.

Hij blijft zo minutenlang zitten. Hij neemt mijn ijskoude handen in de zijne, vouwt zijn brede, warme palmen eromheen en brengt ze naar zijn mond. Hij blaast zijn hete adem over mijn knokkels, wrijft mijn stijve vingers één voor één soepel tussen zijn eeltige handpalmen. Zijn duimen masseren zachtjes de rug van mijn handen om het bloed weer te laten stromen. "Je bent helemaal door en door verkleumd, pop," mompelt hij bezorgd. Zijn vingers glijden omhoog naar mijn polsen en strijken over mijn linkerbovenarm. Zelfs door de dikke stof van mijn pyjama voelt hij hoe mijn spieren heel kort verkrampen.

Zijn greep verzacht tot een vederlichte aanraking. Zonder een woord te zeggen buigt hij zijn hoofd omlaag en drukt een trage kus op mijn arm, precies op de plek waar zijn vingers vanmiddag de donkere kneuzingen hebben achtergelaten. "Mijn mooie, dappere meisje," prevelt hij zacht tegen mijn arm. Wanneer hij opkijkt, zijn zijn ogen zacht en smekend, maar vol van een onwankelbare vastberadenheid. "Je kaken klapperen van de kou. Je kunt hier niet zo blijven zitten."

"Ik wil gewoon slapen..." prevel ik zwakjes, terwijl mijn hoofd zwaar tegen zijn schouder zakt. "Ik ben zo moe, Wout."

"Ik weet het, lieverd. Maar als je nu zo in bed kruipt, warm je nooit meer op," fluistert hij zacht. "Laat mij voor je zorgen. Ik ga een hete douche voor je aanzetten, die kou uit je botten spoelen, en daarna leg ik je in bed. Laat me je verzorgen." Zijn armen schuiven behoedzaam onder mijn schouderbladen en knieholtes. Met een beheerste beweging komt hij overeind van de vloer, tilt me moeiteloos in zijn armen en drukt me tegen zijn borst. Mijn armen slaan zich instinctief om zijn brede nek. Hij draagt me de gang over naar de kleine badkamer en duwt de deur met zijn elleboog achter ons dicht. Hij zet me niet zomaar neer op de kille tegelvloer; behoedzaam laat hij me zakken op het gesloten deksel van het toilet. "Blijf even rustig zitten," zegt hij zacht, terwijl hij door zijn knieën zakt en even geruststellend over mijn knie wrijft.

Wouter reikt naar de douchecabine en draait de mengkraan open. Met de palm van zijn hand voelt hij geduldig aan de harde waterstraal, corrigerend tot het water de juiste temperatuur heeft. Binnen een halve minuut kringelt er een dichte, witte stoom omhoog die de kleine spiegel beslaat en de ruimte vult met weldadige, vochtige warmte.

Pas dan draait hij zich om naar mij. Hij trekt me rechtop en begint me langzaam uit te kleden. Alsof het een heilig ritueel is. Hij pakt de zoom van mijn oversized pyjamatrui vast en tilt de stof voorzichtig over mijn hoofd. Daarna schuift hij mijn pyjamabroek over mijn heupen en benen naar beneden. Hij raapt de kledingstukken op, vouwt ze met kalme precisie op en legt ze netjes op de wasmand. Vervolgens trekt hij zijn eigen donkergrijze wollen trui over zijn hoofd en gooit die opzij. Hij gespt zijn riem los, stapt uit zijn spijkerbroek en schopt zijn sokken uit. Zijn naakte, gespierde lijf dampt van de warmte in de beslagen badkamer, een schril contrast met mijn rillende, kippenvelachtige huid.

Wouter draait zich weer naar de douche, controleert de straal nog één laatste keer met zijn handpalm en stapt dan zelf als eerste de cabine in. Hij reikt met beide handen naar me uit, pakt mijn polsen zachtjes beet en trekt me met uiterste behoedzaamheid naar zich toe. "Kom maar onder het warme water, pop.” Zodra ik met ingehouden adem de dampende cabine binnenstap, leidt hij me onder de kletterende straal. We staan samen onder het hete water en laten de stroom over ons heen spoelen. Het hete water slaat over mijn schouders en ontlokt me een zucht van pure verlichting.

Ik sla mijn armen om zijn middel en leg mijn gezicht tegen zijn borst. Wouter is zo lang dat ik me moeiteloos in zijn nek kan nestelen, en ik vind het heerlijk hoe onze lichamen bij elkaar passen. Hij is net zacht genoeg om knus te zijn en sterk genoeg om geraffineerd te zijn. Ik denk oprecht niet dat de armen van een man ooit zo uitnodigend zijn geweest. Zo staan we een tijdje, en ik bijt alles terug wat ik wil zeggen of vragen. Dit moment is te kwetsbaar, en één woord van ongerustheid kan alles om ons heen doen instorten. Er valt een diepe stilte tussen ons in de beslagen cabine, alleen gevuld door het dreunende, gelijkmatige geraas van het water op de tegels en de dichte, witte stoom die ons omhult als een beschermende cocon.

Ik kijk toe hoe hij zijn handpalm vult met shampoo en het in mijn haar doet schuimen, langzaam en sensueel. Hij wast mijn haar alsof ik het delicaatste ding ter wereld ben. Alsof ik alles voor hem beteken. Met trage, hypnotiserende cirkels bewegen zijn vingertoppen over mijn hoofdhuid. Hij masseert mijn slapen, zakt met zijn duimen af naar de gespannen rand van mijn schedelbasis, precies daar waar de bonzende hoofdpijn van al het piekeren zich had vastgebeten. Ik sluit mijn ogen en denk aan ons samen: ik zou er alles voor over hebben om het belangrijkste in zijn leven te zijn. Om zijn hele wereld te zijn.

Wanneer hij het schuim uit mijn haar spoelt, kijk ik naar hem op. En misschien ziet hij de roodheid in mijn ogen, maar hij pauzeert en kijkt op me neer door de waterdruppels heen. Ik zweer dat hij voelt wat ik voel en weet waar ik echt bang voor ben, maar hij zegt me niet dat alles goed komt of dat hij me voor altijd zal houden. Hij buigt gewoon voorover en kust me op mijn lippen. Een trage, warme aanraking die me de grond onder mijn voeten doet verliezen.

Dan pakt hij het washandje. Zonder een woord te zeggen verdeelt hij het schuim over mijn huid. Zijn handen bewegen met een trage, bedwelmende eerbied over mijn natte lijf—ze strijken de knopen uit mijn spieren, vegen de kille spanning van mijn schouders en heupen alsof hij bang is dat ik breek als hij te veel druk zet.

Tot hij mijn linkerarm pakt. Zijn hand vertraagt. Zodra zijn ingezeepte vingers over de donkere, purperen kneuzingen strijken, voel ik de spieren onder zijn handpalm trillen. Hij stopt. Het witte schuim bedekt de beurse afdruk van zijn eigen vingers. De stilte in de dampende cabine wordt loodzwaar, verstikkend van een onuitgesproken schuld. Wouter ademt zwaar door zijn neus. Hij buigt zijn hoofd naar voor en raakt met zijn lippen mijn beurse huid. Hij drukt er een trage, biddende kus op, alsof hij de pijn met zijn eigen mond uit mijn vlees probeert te zuigen. Er trekt een schok door mijn hele lijf. De vernedering, de schaamte en de intense, ziekelijke hunkering vloeien ineen tot één grote, verlammende golf. Ik wurg een nieuwe snik weg in de damp, terwijl mijn vingers zich krampachtig om zijn onderarm klemmen.

"Kijk me aan, Leen." Zijn stem breekt de stilte, hees en donker door het geruis van het water. Met twee vingers tilt hij mijn kin op. Zijn wimpers zijn nat van de damp, zijn keel beweegt als hij slikt. Zijn ogen boren zich diep in de mijne. "Ik haat mezelf voor wat ik heb gedaan. Het spijt me dat ik je arm daarnet zo vasthield...," fluistert hij. Zijn duim trekt zachtjes over mijn onderlip, waarna hij er een kus op drukt. "Ik doe je soms pijn, maar het is alleen omdat ik zo intens veel van je houd. Begrijp je dat?" "Ja," snik ik tegen zijn borst, terwijl mijn tranen onzichtbaar wegspoelen onder de straal. "Braaf," reageert hij. Een breekbare beloning voor mijn overgave, bedwelmend en vernederend tegelijk.

Maar dan zie ik zijn ogen veranderen. De zachte, smekende blik verdwijnt; de schaduwen vallen terug in de holtes van zijn gezicht. Een pees in zijn hals spant zich zo hard aan dat de aderen over zijn sleutelbeen zwellen. Een venijnig, gevaarlijk spiertje in zijn kaak danst strak op en neer. "En die vuile opmerking van Kevin op de koer..." sist hij plotseling. Zijn stem is ineens een paar octaven gezakt, schor en giftig. Zijn vingers, die net nog zo teder over mijn natte vel streken, boren zich reflexmatig net iets te stevig in mijn zij. "Toen hij 'Als je haar beu bent, dan wil ik ze wel' zei, wilde ik hem zijn tanden uit zijn bek slaan." Er flitst een huivering over mijn ruggengraat. De intensiteit waarmee hij het uitspreekt is zo primitief, zo onverholen gewelddadig dat het me de keel dichtknijpt. "Hij keek naar jou alsof je vlees was," vervolgt hij, terwijl hij zijn hoofd dwingend naar me toebuigt tot zijn lippen bijna tegen mijn natte wang schuren. Zijn ademhaling is weer wild en heet geworden. "In die strakke leren broek van je. Met die losse haren over je schouders. Het bloed kookte in mijn kop, Leen. Ik verdraag het niet als andere mannen naar je kijken. Ik kán het niet verdragen. Jij beseft niet wat je losmaakt bij die klootzakken. Je bent van mij. Alleen van mij. En de gedachte dat een ander vent zijn gore handen naar je uitsteekt, drijft me tot waanzin."

Hij slikt zwaar. Dan beweegt zijn hand van mijn heup omhoog naar mijn nek. Zijn vingers glijden omhoog en vatten mijn kin in een greep die niet pijnlijk is, maar zó onverbiddelijk dat elke ontwijkende beweging onmogelijk wordt. Zijn blauwe ogen vernauwen zich. "En wat heeft de commandant tegen je gezegd?" Mijn hele lichaam verstart. Mijn hart slaat een paniekerige overslag tegen mijn ribben. "Wouter..." probeer ik zwakjes… "Wat heeft hij tegen je gezegd, Leen?" dringt hij aan. Zijn vingertoppen drukken net iets harder in mijn kaak om mijn hoofd strak omhoog gericht te houden. "Ik zag jullie staan. Hij stond over je heen gebogen. Wat wilde die oude zak van je? Wat vroeg hij?"

Mijn gedachten tollen in het rond. De ijskoude waarschuwing van De Backer dreunt direct weer door mijn schedel: Zorg dat jij niet zijn volgende vuurhaard wordt. Want als Wouter brandt, brandt alles om hem heen mee tot de grond toe af. Als hij ook maar een seconde vermoedt dat de commandant me heeft gewaarschuwd... als hij merkt dat de oude man zijn geheimen met mij heeft gedeeld, slaat de vlam opnieuw in de pan. Dat wil ik niet. "Niks, Wout... echt niks," lieg ik met een trillende stem, hopend dat het stromende water de schrik in mijn ogen maskeert. Ik dwing mezelf om hem recht aan te kijken. "Hij zei alleen maar hoe goed je bent. Dat je de dapperste man van de hele ploeg bent. Hij vertelde over dat jongetje van zes dat je vorige maand uit die brandende kelder hebt gered. Hij prees je de hemel in. Hij zei dat de hele stad trots op je mag zijn."

Wouter staart me roerloos aan. De waterstralen kletteren over zijn blonde lokken en spatten uit elkaar op zijn scherpe neusbrug. Hij speurt koortsachtig in mijn pupillen, peilend, wegend, zoekend naar een hapering in mijn stem. Dan ontspant hij zich heel langzaam. Een bittere, spottende trek trekt over zijn mondhoeken. Hij schudt nauwelijks merkbaar het hoofd en stoot een schampere, hese lach uit. "Een held...". "Natuurlijk zei hij dat. Maar weet je waar die ouwe echt bang voor is? Hij is als de dood dat hij zijn held kwijtraakt aan jou, Leen. Dáár draait het om. Hij is bang dat ik straks ga twijfelen. Dat ik geen risico's meer neem omdat ik iemand heb om voor terug te keren. Omdat ik jou niet wil verliezen." Zijn ogen vernauwen zich door de stoom heen, donker en griezelig oprecht. "De brandweer wil mannen die niks te verliezen hebben, Leen. Kerels die blind een brandende trap op rennen omdat er thuis toch geen hond op hen wacht. Maar sinds jij er bent, heb ik álles te verliezen. En dat zint hem voor geen meter. Hij wil niet dat jij tussen mij en die kazerne komt te staan." Zijn hand verlaat mijn kin en glijdt omlaag, strijkt bezitterig en warm over mijn hals, langs mijn sleutelbeen tot zijn palm plat over mijn borstkas rust.

"De Backer snapt er geen klote van, Leen. Hij begrijpt niet wat voor een diepe band wij hebben." Zijn hand verlaat mijn kin en glijdt omlaag, strijkt bezitterig en warm over mijn hals, langs mijn sleutelbeen tot zijn palm plat over mijn borstkas rust. "Mensen zoals hij... ze zijn jaloers op wat wij hebben," fluistert hij intens, zijn ogen opnieuw donker en gloeiend van een koortsachtige ernst. "Daarom proberen ze twijfel te zaaien. Ze willen tussen ons in komen omdat ze zelf kapotgaan van de saaiheid." Hij stapt nog een millimeter naar voren. Zijn naakte, natte buik drukt dwingend tegen de mijne. "Laat nooit iemand tussen ons in komen, hoor je me?" sist hij met een hese, breekbare urgentie. "Nooit. De buitenwereld is vals en lelijk, Leen. Die collega's met hun gore bekken, die superieuren met hun schijnheilige praatjes... Jij bent het enige zuivere dat ik heb. Mijn enige schild. Beloof me dat je altijd aan mijn kant blijft staan. Beloof me dat je alleen mij gelooft."

"Dat beloof ik," fluister ik hees tegen zijn lippen, bedwelmd door de waanzin van zijn woorden, verstrikt in het web dat hij zo meesterlijk om me heen spint. "Alleen jou." Een golf van pure opluchting spoelt over zijn trekken, gevolgd door die allesverslindende, donkere triomf. "Jij bent van mij, Leen," zegt hij, zijn stem nu zwaarder, doordrenkt van een rauw, onverbiddelijk verlangen. "En ik zorg voor wat van mij is." Hij leidt me met een trage, onontkoombare vanzelfsprekendheid naar achteren, tot mijn schouderbladen de tegelwand raken. Hij leunt voorover, brengt zijn kaken dicht bij mijn slaap en wrijft er zachtjes met zijn stoppelige wang langs, terwijl de zware stoomwolken ons volledig insluiten.

"Kijk naar me," fluistert hij met een lage, zinderende toon. "Kijk naar wat van jou is." Mijn ademhaling stokt wanneer zijn handen omlaag glijden naar mijn heupen. Zijn vingers spreiden zich uit over mijn natte heupbotten, warm en dwingend. Hij tilt me op. Mijn benen reageren sneller dan mijn verstand; ze slaan zich automatisch om zijn middel, klemmen zich vast aan zijn heupen.

Hij drukt zijn heupen rustig en zwaar tegen de mijne. Het is een tergend trage, diepe beweging die me de adem ontneemt. Hij glijdt in me met een intensiteit die me doet duizelen, millimeter voor millimeter, zonder zijn blik ook maar een fractie van de mijne af te wenden. Elke vezel in mijn bekken spant zich aan rond zijn aanwezigheid. Mijn vingers graven zich diep in de spieren van zijn kletsnatte schouders, mijn nagels snijdend in zijn huid, maar hij knippert niet eens. Dit is een berekende, hypnotiserende claim.

Hij houdt zich doodstil, diep in me verankerd. Zijn borstkas deinst zwaar tegen de mijne op en neer, de natte huid plakkend bij elke ademteug. Hij wacht tot onze ademhalingen samensmelten, tot het chaotische ritme van mijn borstkas zich schikt naar zijn trage, onverstoorbare cadans. De stilte tussen ons is overweldigend; er is alleen het sissen van de douchestraal op de tegels en het geluid van zijn hete, gejaagde adem vlak boven mijn lippen. "Voel je dit?" fluistert hij met een stem die hees kraakt van ingehouden passie. Zijn mond daalt neer op de mijne.

De kus is hongerig, diep en bezitterig. Zijn tong glijdt langs mijn lippen, opeisend en meedogenloos zacht tegelijk, waardoor de laatste restjes van mijn rationele denken verdampen. Terwijl hij me zoet en dwingend bezighoudt, trekt hij zijn heupen een paar centimeter terug en duwt weer naar voren. Het tempo dat hij inzet is wreed beheerst. Een langzame, onverbiddelijke eb en vloed die mijn hele zenuwstelsel in lichterlaaie zet. Bij elke trage stoot voel ik de onstuitbare spierkracht in zijn dijen, de absolute controle waarmee hij mijn hele gewicht draagt. Zijn lippen verlaten mijn mond en dalen af langs de lijn van mijn kaak. Hij zoent de holte onder mijn oor, zuigt zachtjes aan de gevoelige pees in mijn hals en volgt met zijn tong het spoor van heet water dat over mijn sleutelbeen stroomt.

Mijn hoofd valt achterover tegen de tegelwand. Een rillende kreun scheurt uit mijn keel los, verloren in de stoom. "Kijk me aan, Leen.". Zijn handen sluiten zich juist nog steviger om de ronding van mijn billen. Hij tilt me een fractie hoger, klemt me naadloos tegen zijn dampende borstkas en dicteert elke millimeter van de beweging. De wrijving is zinderend, een tergend trage cadans die elke vezel in mijn lijf spant. Mijn handen zoeken koortsachtig naar houvast. Mijn nagels graven zich diep in het natte reliëf van zijn brede schouders, glijden door de stroom van heet water omhoog en klemmen zich vast in zijn kletsnatte, blonde haren. Ik trek hem dichterbij, buiten zinnen van de sensatie.

"Draai je hoofd niet weg," fluistert hij hees, terwijl zijn vingers zich met bezitterige kracht in mijn vlees boren. Hij wacht tot mijn ogen de zijne vinden, donkerblauw, kolkend en bijna zwart door zijn vergrote pupillen. "Ik wil dat je naar me kijkt." "Wouter..." hijg ik, mijn stem trillend, bijna biddend. "Alsjeblieft..." "Wat, pop? Wat wil je?" Zijn tempo versnelt nauwelijks, maar elke stoot is intenser, meer beladen. De strakke spieren in zijn rug en armen spannen en ontspannen zich ritmisch. "Zeg me wat je wil. Ben je van mij?"

"Ja," stoot ik uit, terwijl een golf van tintelende hitte door mijn benen schiet. Mijn hielen drukken zich steviger in zijn onderrug. De waarschuwingen van De Backer, mijn examens, mijn verstand—het lost allemaal op in de verzengende sensatie van zijn lichaam dat me opeist. "Ja... ik ben van jou." "Fluister het," gromt hij. "Zeg dat niemand anders ooit aan je mag komen."

"Niemand... alleen jij. Alleen jij, Wout." Het is het vonkje dat zijn zorgvuldig opgebouwde pantser van beheersing doet wankelen. Een lage, rauwe grom trilt diep in zijn borstkas. Zijn greep rond mijn heupen verstrakt. De bewegingen verliezen hun trage kadans; ze worden dwingender, voller van een koortsachtig verlangen dat niet langer te ontkennen valt. Het gevoel in mijn bekken zwelt aan tot een onhoudbare, strakke snaar. De hitte lijkt te exploderen. Elke aanraking van zijn huid, elke zware zucht tegen mijn hals duwt me dichter naar de rand van de afgrond. Een scherpe, suizende golf trekt van mijn ruggengraat rechtstreeks naar mijn kern.

"Wouter, ik..." "Kom maar, pop," fluistert hij hees en gejaagd in mijn mondhoek, zijn lippen trillend tegen de mijne. "Laat maar gaan. Ik vang je op. Ik heb je." De spanning breekt. Een verlammende, diepe schokgolf trekt door mijn hele onderlijf, trekt mijn spieren krampachtig ineen en ontlokt me een hoge, haperende snik van pure ontlading. De wereld vervaagt tot een witte waas van warm water, damp en trillende overgave. Mijn armen slaan zich wild om zijn nek, mijn vingers verstrengeld in zijn haar, mijn gezicht begraven in de holte van zijn schouder terwijl de naschokken door me heen golven.

Zijn reactie volgt direct. Bij het voelen van mijn overgave verstart zijn hele lichaam. Zijn kaken klemmen zich hard op elkaar, de pezen in zijn hals zwellen op en met twee diepe, zware stoten ontlaadt ook hij zich in mij. Een hese, gedempte klank ontsnapt uit zijn keel, half triomf, half uitputting. Hij trekt zich niet terug. Hij blijft roerloos en diep in me rusten, zijn volle gewicht zachtjes tegen me aan gedrukt om me overeind te houden. We ademen in hetzelfde, hijgende ritme, twee borstkassen die als één geheel op en neer deinen.

Zijn vingers strijken traag en rustgevend over mijn onderrug, terwijl hij kleine, dankbare kusjes op mijn schouder drukt. "Mijn meisje," prevelt hij zacht, zijn stem weer teruggezakt naar die diepe, kalme bastoon. "Mijn mooie meisje."

Wanneer onze hartslagen langzaam weer zakken, laat hij mijn benen behoedzaam langs zijn heupen naar beneden glijden tot ze de douchevloer raken. Mijn knieën trillen na en dreigen even te knikken, maar zijn arm om mijn middel houdt me moeiteloos overeind. Met een trage beweging reikt hij naar de kraan en draait die dicht.

"Ik droog je af, blijf maar rustig staan," zegt hij zacht. Hij pakt een grote, dikke badhanddoek en wikkelt me erin als een breekbare pop. Zonder enige haast dept hij mijn natte haren droog, strijkt het water met de zachte badstof van mijn wangen en wrijft daarna mijn hele lichaam droog. Hij trekt mijn pijamatrui weer over mijn hoofd, en laat me mijn pijamabroek aantrekken. "Ik draag je naar bed." Voor ik iets kan zeggen, schuiven zijn armen weer onder mijn rug en knieholtes. Hij tilt me op alsof ik niets weeg, draagt me de slaapkamer in en legt me behoedzaam tussen de lakens. Hij stapt er zelf direct achteraan, trekt het dikke donzen dekbed tot over onze schouders en trekt me tegen zich aan. Mijn hoofd rust op zijn zware borstkas, precies op de plek waar zijn hart nu weer traag, kalm en regelmatig slaat. De kazerne, de donkere waarschuwingen van Commandant De Backer, de naderende examens—alles voelt mijlenver weg, opgelost in de verstikkende, verdovende warmte van zijn greep.

"De buitenwereld is wreed en nep," fluistert. "Maar hier bij mij ben je veilig."
Wat vond je van dit verhaal? Geef een cijfer!
5   6   7   8   9   10  
Favoriet
Terug Naar Boven
Leen
BreathLess
BreathLess (33)
Hou jij van een meesteres die graag nieuwe grenzen en fantasieën ontdekt?
🟢 Nu Online
Bekijk Mijn Profiel

Nog niet uitgelezen?

Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?

Algemene Voorwaarden -  Contact -  FAQ
Bezoekers Online: 1058 / Copyright 2000 - 2026 Opwindend.Net