Door: Leen
Datum: 29-01-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 672
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 38 minuten | Lezers Online: 13
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 38 minuten | Lezers Online: 13

Ik ben dan wel terug, maar ik ben niet vrij. De klinische muren van de afdeling heelkunde zijn slechts geruild voor de muren van mijn eigen huis, die nu bewaakt worden door een leger van hypocrieten. Hier ruikt het niet naar ether, maar naar goedkope bloemen en schuldgevoel. Ze zitten in mijn woonkamer als gieren die wachten tot het karkas stopt met stuiptrekken. Ze zetten thee – godbetert, liters kamillethee – met gezichten die druipen van een medelijden dat zo stroperig is dat ik erin stik. Vrienden die ik in vijftien jaar nauwelijks heb gezien, mensen die 'toevallig' altijd te druk waren wanneer ik met een zonnebril op mijn blauwe plekken verborg, zitten nu plotseling aan mijn bedrand. Ze aaien over mijn hand, voorzichtig, alsof ik van porselein ben.
Het is pure performancekunst. Ik zie het in hun ogen. Het is geen zorg; het is ramptoerisme. Ze scannen mijn gezwollen gezicht, de hechtingen boven mijn wenkbrauw, de gipsen huls om mijn arm. Ze slaan de beelden op om straks, in de veiligheid van hun eigen smetteloze keukens, met trillende stem te kunnen vertellen hoe vreselijk ik er wel niet uitzag. Hun aanwezigheid is een belediging. Het is een pleister op een open botbreuk, vijftien jaar te laat geplakt.
Gelukkig is Kristof anders. Hij hoort niet bij hen. Hij zit in de leunstoel in de verre hoek, een beetje ongemakkelijk, alsof hij beseft dat hij een wolf tussen de schapen is. Ik ken hem nauwelijks. Hij is de man die toevallig in mijn leven kwam en het lef had om de deur in te trappen toen hij mijn gegil hoorde, terwijl de buren de televisie wat harder zetten. Hij is de vreemde die me uit de klauwen van Wouter trok toen het licht in mijn ogen al begon te doven. Hij doet niet mee aan het theekransje. Hij kijkt niet naar mijn littekens met die geile fascinatie van de anderen. Hij kijkt me aan. Hij ziet mij, niet het slachtoffer, niet het 'geval'. Hij biedt geen goedkope troost, hij zwijgt. Zijn stilte is het enige in deze kamer dat niet liegt. Hij probeert er te zijn, simpelweg door adem te halen in dezelfde ruimte, ook al snauw ik hem af, ook al negeer ik zijn blik. Hij weet wat ik heb gezien, omdat hij het bloed aan zijn eigen handen had toen hij Wouter van me afsleurde.
En dan is er mijn moeder. Ze negeert Kristof volkomen; hij past niet in haar perfecte plaatje van een gezellig herstel. Ze domineert de ruimte met haar martelaarschap. Ze moppert en herschikt kussens die niet herschikt hoeven te worden. Ze zucht diep en theatraal over hoe "erg het allemaal wel niet was", alsof zij degene is die de klappen heeft opgevangen. Alsof haar ribben gekneusd zijn. Ze praat over mijn verleden als over een slechte film waar ze nu eindelijk de aftiteling van wil zien. "Het is nu toch voorbij, Leen? Je moet vooruitkijken," zegt ze, terwijl ze een koekje in haar thee doopt. De herinnering aan haar bewondering voor Wouter brandt als gal in mijn keel. Ik proef het zuur. Zij was zijn grootste fan. Zij noemde hem de 'ideale schoonzoon'. "Wouter werkt zo hard voor je," zei ze dan, als ik na een 'onhandige val van de trap' bij haar aanbelde. Ze zag de angst in mijn ogen en koos ervoor om weg te kijken, want de façade van een geslaagd huwelijk was haar meer waard dan de veiligheid van haar dochter. Ze heulde mee met de beul en nu wil ze de eerste rij bij de heropstanding claimen. Ik kijk naar haar handen. Dezelfde handen die Wouter schouderklopjes gaven, vouwen nu mijn was op. Het is obsceen.
Ik haat de manier waarop ik met fluwelen handschoenen wordt gehanteerd. Ik haat die handschoenen. Ze herinneren me eraan dat ik 'stuk' ben. Ik zie de bezorgdheid in hun ogen, de manier waarop ze hun stem dempen, de behoedzaamheid waarmee ze door de kamer lopen, en het verstikt me. Ik wil de herinnering aan de kille blik van Wouter en de brandlucht van zijn uniform niet 'verwerken'. Ik wil de beelden van die laatste nacht, waarin mijn integriteit definitief werd vermalen tot stof, niet stap voor stap ontleden in een steriele therapiekamer. Ik wil ze definitief uitwissen.
De woede die in mij opstijgt is geen vlammetje, het is een inferno. Het begint in mijn onderbuik, daar waar Wouter me vorige week nog trapte, en schiet omhoog als gloeiend magma. Mijn hart hamert tegen mijn gekneusde ribbenkast. De hypocrisie zuigt alle zuurstof uit de kamer.
"OPHOEPELEN!" Ik brul het uit. Mijn stem, die vijftien jaar lang gereduceerd was tot een bevende fluistering, tot "ja Wouter" en "sorry Wouter", scheurt door de kamer. Het geluid is rauw, dierlijk. Het doet pijn aan mijn keel. Ik zie hun geschokte gezichten bevriezen. De theekopjes blijven halverwege de mond hangen. Ik zie hoe ze naar elkaar kijken — die veelbetekenende, samenzweerderige blikken die zeggen: ze is echt niet goed hoor. Het trauma heeft haar geknakt. Alleen Kristof schrikt niet. Hij leunt iets naar voren, zijn handen open, geen angst in zijn ogen, maar herkenning. Hij snapt de woede. Hij probeert iets te zeggen, "Laat haar even...", maar zijn stem verdrinkt in het gekakel.
Ik word hysterisch, volgens hun definitie. Ik ruk me los uit de kussens. De pijn schiet door mijn lijf, maar de adrenaline is sterker. Met mijn goede arm maai ik over mijn nachtkastje. Het servies klettert op de grond. Scherven spatten uiteen tegen de plinten. Hete thee trekt in het tapijt als een urinevlek. "WEGWEZEN!" krijs ik, spuug vliegt uit mijn mond. "Allemaal! Ik wil jullie valse tranen niet! Ik wil jullie lafheid niet! Waar waren jullie toen hij mijn kop tegen de tegels sloeg? Waar waren jullie vijftien jaar lang?!" Ik kijk even naar Kristof, een seconde maar. Ik zie dat hij wil opstaan, dat hij me wil helpen deze parasieten te verdrijven, maar ik ben al te ver heen. Ik ben een gewond dier dat eindelijk de tanden laat zien, en ik bijt naar alles wat beweegt.
Het gevolg is even voorspelbaar als vernederend. Mijn moeder begint te huilen — niet om mij, maar om de scène die ik maak. Iemand pakt zijn telefoon. De huisarts wordt gebeld. Niet omdat ik ziek ben, maar omdat ik krankzinnig ben. Omdat ik de ongemakkelijke waarheid schreeuw die zij niet willen horen.
De dokter komt binnen met zijn zwarte tas en zijn air van onbetwistbare autoriteit. Hij ruikt naar antiseptische zeep en dedain. Hij kijkt niet naar de verse littekens op mijn buik; hij kijkt naar mijn trillende handen, mijn rode gezicht, de scherven op de vloer. Hij ziet geen slachtoffer dat vecht voor haar waardigheid. Hij ziet een 'geval'. Een onstabiele vrouw. "Tijd om te herpakken, Leen," zegt hij met een kille, medische distantie, terwijl hij zijn stethoscoop om zijn nek hangt. "Dit gedrag helpt je niet. Je maakt je moeder overstuur. Als je zo doorgaat, is thuisblijven geen optie meer. Dan volgt er een opname. Je moet rust vinden."
"Ze heeft geen pillen nodig, ze heeft ruimte nodig," hoor ik Kristof zeggen. Zijn stem is laag, beheerst, maar trilt van ingehouden woede. De dokter gunt hem amper een blik. "Bent u familie? Nee? Dan verzoek ik u zich er niet mee te bemoeien. Dit is een medische noodzaak." Zijn 'rust' komt in de vorm van een strip pillen en een injectienaald. Ik probeer te protesteren, maar mijn moeder en een 'vriendin' houden me vast. Kristof doet een stap naar voren, maar twee andere mannen — partners van de 'vriendinnen' die in de gang stonden te wachten — blokkeren zijn weg. Hij wordt buitengesloten, net als ik. "Het is voor je eigen bestwil," fluisteren ze. Een nieuwe verkrachting, maar nu medisch goedgekeurd. De naald prikt in mijn bil. Chemische muilkorven. Binnen tien minuten voel ik hoe mijn hersenen in drijfzand veranderen. De scherpe randen van mijn woede worden bot gemaakt. Hij stopt me vol met verdovende middelen die de wereld in een dikke, grijze wattenlaag hullen. Mijn tong voelt te groot voor mijn mond.
Is dit leven? Een bestaan waarin je alleen mag blijven zolang je verdoofd bent? Zolang je niet schreeuwt? Ik ben een gevangene van de chemie geworden, een lijk dat door de moderne geneeskunde rechtop wordt gehouden in een wereld die weigert te luisteren. Ik zit nu in de stoel. Kwijlend. Mijn moeder veegt mijn kin af en glimlacht tevreden. "Zie je wel," zegt ze tegen de dokter. "Ze is weer rustig." Ik zie Kristof in de hoek. Hij kijkt naar me, verslagen. Hij heeft me gered van de vuisten, maar hij kan me niet redden van de 'zorg'.
Dat ik op dat moment dood wil, is het enige logisch gevolg. Het is geen ziekelijke bevlieging, geen 'kreet om aandacht' zoals mijn moeder straks ongetwijfeld aan de telefoon zal fluisteren. Het is kille, onontkoombare wiskunde. Als je een lichaam vijftien jaar lang sloopt en de geest daarna opsluit in een dwangbuis van chemische liefde, dan is de dood de enige variabele die de vergelijking nog kloppend kan maken. Onder de lome, stroperige invloed van de diazepam voelt die gedachte niet eens zwaar. Het voelt helder. Een diamant in de modder. Het is de ultieme daad van autonomie in een bestaan dat volledig onteigend is. Zij zien levenslust als de norm en mijn doodswens als de afwijking, maar ze vergissen zich. Leven is voor mensen die keuzes hebben. Ik ben slechts een object dat doorgegeven wordt; eerst van zijn vuisten naar hun verstikkende omhelzing, van zijn geschreeuw naar hun gedempte toontjes. Ze hebben de regie over mijn einde afgepakt, nadat hij vijftien jaar lang de regie over mijn leven had.
De dagen lekken weg als vies water uit een kapotte kraan. Het ritme van het huis wordt gedicteerd door de klok van de medicatie. De bewaking is constant, maar de methode verschuift. Overdag zijn er de ogen van mijn moeder, 's nachts zijn er de pillen. Dat is hun logica: zolang ik maar platgespoten ben, kan er niets gebeuren. Een comateuze vrouw loopt niet weg en springt niet van een brug.
Het is avond. Ik lig in de zetel, mijn lichaam zwaar en willoos, mijn blik gefixeerd op de televisie die flikkert. Ik volg de beelden niet, ik laat ze alleen maar over mijn netvlies glijden. Kristof zit in de zetel tegenover me. Hij is er elke dag. Hij zegt bijna niets, maar hij vertrekt ook niet, ondanks de ijzige blikken van mijn moeder.
Mijn moeder staat voor de spiegel in de hal en trekt haar jas aan. Ze heeft haast; haar bridgeavond begint over een half uur en haar martelaarsrol heeft ook vrije dagen nodig. Ze draait zich om naar Kristof, haar handtas al over haar schouder. Haar toon is zakelijk, gebiedend, alsof ze een onbekwame werknemer instrueert. "Ik reken erop, Kristof, dat je haar om 21u haar pillen geeft en dat je dan naar huis gaat," zegt ze strak. "Ze heeft haar rust nodig." Ze strijkt een onzichtbaar pluisje van haar mantel. "Martine is er morgenochtend om 8u."
Ze loopt naar de zetel en buigt zich over me heen. Ik ruik haar haarlak, chemisch en zoet. "Leen, welterusten meid." Ze geeft me een zoen — een vluchtige aanraking die koud en plichtmatig aanvoelt — en vertrekt. Ik hoor de voordeur opengaan en weer dichtslaan. Het geluid van haar hakken sterft weg op het trottoir. Ze laat me achter bij Kristof, in de veronderstelling dat hij haar orders zal uitvoeren. Dat hij de gevangenbewaarder van de nacht zal zijn.
Het is stil in de woonkamer. Kristof kijkt naar de dichte deur en dan naar de klok. Het is kwart voor negen. Hij loopt langzaam naar de gang. Ik hoor het zware geluid van het slot dat wordt omgedraaid. Twee keer. Een klik die definitief voelt. De wereld wordt buitengesloten. Als hij terugkomt in de woonkamer, is zijn houding veranderd. De onderdanigheid die hij toonde waar mijn moeder bij was, is verdwenen. "Ze is weg, Leen," zegt hij. "En die pillen..." Hij pakt het doosje van tafel, schudt het even zodat het rammelt als een babyspeeltje, en gooit het dan met een achteloos gebaar in de prullenbak. "Die nemen we niet. Geen doktersrecepten voor vanavond. Alleen wij."
Hij loopt naar de eethoek. Met ruwe, bijna agressieve bewegingen schuift hij de zware stoelen aan de kant, tegen de muren aan. Het geluid van de houten poten op het parket is hard, schurend. Het doet me ineenkrimpen, een reflex die ik niet kan onderdrukken. "Wat doe je?" vraag ik. Mijn stem klinkt fragiel. Ik voel een trilling van irritatie opkomen. Ik heb geen zin in gedoe. "Laat dat staan, Kristof. Ga gewoon zitten." Hij negeert me. Hij veegt de achtergebleven folders over 'slachtofferhulp' en de doosjes tissues met één armbeweging van het tafelblad. Ze vallen op de grond als nutteloze confetti. De tafel staat nu vrij in de ruimte, een kaal eiland onder de hanglamp.
"Hou op," zeg ik nu luider. Ik hijs mezelf half overeind, steunend op mijn goede elleboog. Mijn stem is nukkig, scherp als gebroken glas. Ik wil dit niet. Ik wil gewoon dat hij me met rust laat. Dat ik kan terugzakken in de kussens en wachten tot de wereld stopt met draaien. "Ik heb geen zin in dit soort onzin. Ik ben moe. Ik wil niks doen." Hij stopt niet. Hij ritst zijn rugzak open en haalt er een grote zak tevoorschijn. Plastic bekers. Felrood. De kleur van vers bloed op witte tegels. De kleur van alarmlichten. Hier, in deze kamer vol steriele 'zorg' en beige muren, zien ze er obsceen uit. Een vloek in de kerk.
Ik herken ze meteen. Niet uit mijn eigen leven, maar uit de films die ik keek toen ik nog dacht dat het leven simpel zou zijn. Amerikaanse tienerfilms met vrolijke muziek en problemen die in negentig minuten werden opgelost. Feestjes waar iedereen lacht en niemand bang is om naar huis te gaan. Ik staar ernaar, mijn mond half open van ongeloof. De absurditeit ervan beneemt me de adem. "Beer-pong?" zeg ik. Er ontsnapt een schrille, honende lach uit mijn keel. "Meen je dat nou? Is dit je grote plan? Een spelletje?" Ik laat me weer terugvallen in de zetel en draai mijn gezicht weg. De teleurstelling is bitter. Hij snapt het dus ook niet. Hij denkt dat ik afleiding nodig heb. Dat ik een kleuter ben die vermaakt moet worden met een balspelletje. "Rot op, Kristof," mompel ik naar de muur. "Ik ben dertig en ik ben een wrak. Ik heb geen zin in een studentikoos spelletje om de tijd te doden. Ga maar in je eentje gooien."
"Kijk me aan," zegt hij. Ik kijk niet. Ik wil niet kijken naar zijn goedbedoelde poging tot therapie. "Leen. Kijk me aan." Met tegenzin draai ik mijn hoofd. Hij staat aan de overkant van de tafel. Hij heeft de bekers neergezet. Een strakke driehoek aan beide kanten. Zes aan mijn kant. Zes aan de zijne. De precisie waarmee hij het heeft gedaan, heeft niets feestelijks. Het heeft iets ritueels. "We gaan niet spelen om de tijd te doden," zegt hij. Hij leunt met beide handen op de tafel en boort zijn blik in de mijne. "En we gaan zeker niet spelen voor de gezelligheid. Dat is voor mensen die iets te vieren hebben." Hij pauzeert even, en zijn uitdrukking verhardt. "Wij gaan strijden."
Dan bukt hij zich en haalt iets anders uit zijn tas. Hij zet een vierkante fles op tafel, midden tussen de rode formaties. Tequila. Het heldere gif klotst tegen het glas. Ik kijk naar de rode bekers, die plotseling niet meer lijken op speelgoed, maar op open monden die wachten om gevoed te worden. Ik kijk naar de fles. En dan naar hem. De realisatie landt als een klap. Dit is geen spelletje. Dit is geen afleiding. Er ontsnapt een geluid uit mijn keel. Ik grinnik. Het is een droog, roestig geluid dat ik zelf amper herken.
Hij redt me niet. Hij weet dat hij me niet kan redden. Niet van de herinneringen, niet van mijn moeder, niet van mezelf. Dus doet hij het enige wat nog eerlijk voelt. Hij houdt mijn ondergang niet tegen; hij reikt me de brandstof aan. Hij laat me mezelf vernietigen, maar hij weigert aan de zijlijn te staan. Hij maakt zichzelf deel van het gebeuren. "Samen," zegt hij zacht, terwijl hij de dop van de fles draait. De geur van sterke drank vermengt zich met de geur van mijn angstzweet. Hij schenkt de bekers vol. Geen bodempjes. Tot de rand.
Hij drukt een oranje pingpongballetje in mijn goede hand. Het weegt niets, en toch voelt het zwaarder dan de strip pillen die mijn moeder klaarlegde. "De regels zijn simpel," zegt hij, terwijl hij aan de overkant gaat staan. Hij leunt op zijn handen, zijn ogen donker en uitdagend. Er is geen medelijden in die ogen, alleen een grimmige vastberadenheid. "Als ik raak, drink jij. Alles. Als jij raakt, drink ik. We stoppen pas als er iemand omvalt." Dit is geen spelletje. Dit is zelfmoord op afbetaling, en hij tekent mee voor de schuld. Ik klem het balletje in mijn vuist. Ik hijs mezelf uit de zetel, mijn benen trillen van de diazepam die nog in mijn systeem zit, maar ik blijf staan. Voor het eerst in vijftien jaar voel ik geen angst voor de man tegenover me. Ik voel een donkere warmte verspreiden. Ik ben niet alleen in de hel. Hij is vrijwillig naar beneden geklommen om naast me te staan in het vuur. "Kom maar op," zeg ik. Mijn stem is hees, maar vast. "Ik maak je in."
Mijn eerste worp is lachwekkend. Ik probeer te focussen, maar mijn hand trilt zo hevig dat het lijkt alsof hij los staat van mijn pols. Het is een cocktail van chemische ontwenning, adrenaline en pure, rauwe woede. Het balletje verlaat mijn vingers als een dronken projectiel. Het raakt niet eens de tafel. Het stuitert dof op het tapijt en rolt onder de kast, waar de stofnesten van mijn verwaarloosde huishouden liggen.
Ik staar naar mijn eigen hand. Ik voel me een idioot. Een totale mislukking. Een dertiger met de motoriek van een bejaarde, die een spelletje voor tieners probeert te spelen op de smeulende puinhopen van haar leven. Ik zie mezelf staan door de ogen van een buitenstaander. Mijn haar is vet, mijn pyjamabroek hangt scheef, en mijn lichaam is een landkaart van geweld. De blauwe plekken op mijn flanken, die ik voel trekken bij elke ademhaling, vertonen alle kleuren van de regenboog: van ziekelijk geel tot diep, doods paars. En hier sta ik dan. Te mikken op rode bekers met tequila. Het is grotesk. Een kinderfeestje in een mortuarium.
"Jezus, Leen," zegt Kristof droog. Hij lacht niet meelevend. Hij lacht me uit. "Mik je op de kast of op de beker?" Zijn spot snijdt dieper dan de medelijdende blikken van mijn 'vrienden', maar het is een pijn die ik kan verdragen. Het is eerlijk. Hij behandelt me niet als een breekbaar vaasje. Hij daagt me uit.
Hij pakt zijn eigen balletje. Hij mikt niet eens lang. Tik-tak-plons. Het balletje landt met een zachte plof in de middelste beker aan mijn kant. De vloeistof spat omhoog, een paar druppels belanden op het tafelblad. Hij wijst naar de beker. "Drinken." Geen "gaat het wel?". Geen "rustig aan". Gewoon een bevel. Ik pak de beker. Mijn hand schudt zo erg dat de tequila over mijn vingers klotst en in de open schaafwond op mijn knokkel bijt. De pijn is scherp en helder. Ik zet de beker aan mijn lippen en gooi de inhoud achterover. Het is geen drank, het is vloeibaar scheermesjesdraad. Het brandt in mijn keel, slaat op mijn maag en stuurt een schokgolf door mijn systeem die de mist in mijn hoofd voor heel even openbreekt. Ik hoest, ik proest, mijn ogen tranen. Dit is het tegenovergestelde van de pillen. De pillen wikkelen me in watten; dit vilt mijn zenuwen levend.
"Nog eentje," zegt Kristof, terwijl hij me een nieuw balletje toewerpt. Ik vang het onhandig met twee handen tegen mijn borst. "En stop met trillen. Je lijkt wel een junkie." Hij plaagt me. Hij duwt me. Hij dwingt me om de slokken te nemen die de scherpe randjes van de kamer moeten afvijlen, maar op een manier die ik zelf controleer. Niet via een dosis door de dokter bepaald, maar via een wedstrijd.
Ik adem diep in. Ik kijk naar hem. Ik zie de uitdaging in zijn ogen. Hij wil niet dat ik win. Hij wil dat ik vecht. Ik klem mijn tanden op elkaar. Ik fixeer mijn blik op de beker linksachter. Mijn hand trilt nog steeds, maar mijn wil is harder dan mijn lichaam. Ik gooi. Tik. Tak. Plons. Het balletje drijft in zijn beker. "Raak!" De kreet ontsnapt uit mijn keel voordat ik hem kan smoren. Ik bal mijn vuist en zwaai ermee door de lucht, een onbehouwen, kinderachtig gebaar van triomf. Het is buitenproportioneel. Het is groter dan het winnen van de loterij. Voor één seconde ben ik geen slachtoffer, maar een winnaar. Ik kijk naar Kristof, mijn ogen wijd, mijn ademhaling hoog. Ik zie de harde lijnen in zijn gezicht verzachten. Zijn mondhoeken krullen heel even omhoog. Het is een kleine, scheve glimlach, maar het is de eerste echte emotie die ik in dagen heb gezien die niet gedrenkt is in medelijden. Hij lacht niet om mij, hij lacht met mij. "Niet slecht," bromt hij. "Voor een invalide." Hij zegt niets meer. Hij pakt de beker, heft hem naar me als een toost op onze wederzijdse verdoemenis, en drinkt hem in één teug leeg. Hij trekt geen gezicht.
Maar hij laat me niet lang genieten van de overwinning. Hij pakt zijn eigen balletje. Hij mikt, snel en dodelijk. Tik. Tak. Plons. Meteen raak. Hij wijst naar de volle beker aan mijn kant. Zijn glimlach is weg, vervangen door die grimmige ernst. "Drinken, Leen." Ik pak de beker. Ik zet hem aan mijn lippen en giet het achterover. Het brandt, het bijt, het schuurt. En dan komt de roes. Hij komt als een genadeklap. De alcohol vult de leegte waar mijn waardigheid vroeger zat, stroperig en warm. De kamer begint te kantelen. De scherpe randen vervagen.
We spelen verder, worp na worp, slok na slok. De geluiden van de stuiterende balletjes en het klotsen van de drank worden de soundtrack van mijn ontsnapping. Mijn ontsnapping aan de bewakers, aan de schema's van mijn moeder, en aan de scherpe randen van mijn herinneringen. Na een uur ben ik dronken. Niet gezellig dronken, met giechelbuien en rode wangen, maar rauw en roekeloos. Een dier dat de kooi heeft opengebroken en nu tegen de tralies beukt. Ik begin te lachen, maar het geluid is lelijk. Het is een hard, blaffend geluid dat krast in mijn keel.
"Kijk naar mij!" roep ik uitgelaten, mijn armen wijd gespreid in de kamer waar mijn moeder zojuist nog haar preken hield over fatsoen en herstel. "Wouter zou me moeten zien! De 'ideale schoonzoon' zou moeten zien hoe zijn creatie verzuipt!" Ik grijp de beker en drink snel. De vloeistof loopt langs mijn kin, maar ik veeg het niet weg. Ik wil dat het zwart wordt. Ik wil de controle verliezen, want de 'controle' die zij me opleggen is een hel. Het is een gevangenis van verwachtingen waar ik niet aan kan voldoen. Hier bij Kristof mag ik een puinhoop zijn. Ik vloek, ik struikel over de tapijtrand, ik stoot een lamp bijna omver. Maar hij kijkt niet weg. Hij oordeelt niet. Ik ben eindelijk even niet "het wrak waarvoor we bang zijn". Ik ben even geen dossier op een bureau, geen patiënt die 'gestabiliseerd' moet worden, geen dochter van een hypocriet die haar reputatie wil redden. Ik pak de fles, die nu gevaarlijk licht aanvoelt. "Nog een ronde," hijg ik. Ik ben een vrouw die haar eigen vernietiging regisseert, en verdomme, wat voelt dat bevrijdend.
Dan verandert de sfeer. De adrenaline van het spel ebt weg en maakt plaats voor een loodzware zwaartekracht. Het is alsof de kamer plotseling gekanteld wordt. Ik lig plotseling op de vloer. Ik weet niet hoe ik daar gekomen ben. Mijn wang is samengesmolten met het koude laminaat. De wereld draait in ziekmakende, trage cirkels. De rode bekers op de tafel lijken metershoog boven me uit te torenen, als wolkenkrabbers in een brandende stad. Dan voel ik handen. Grote, warme handen die me onder mijn oksels grijpen. Ze zijn stevig, zonder de aarzeling die de anderen tonen. "Kom," hoor ik een stem ver weg brommen. Het is Kristof, maar hij klinkt alsof hij onder water staat.
De zwaartekracht verandert weer. Ik voel dat ik word opgetild, dat mijn voeten de grond verlaten en weer zoeken, maar mijn hoofd kan het niet volgen. Mijn nek voelt als rubber. De kamer smeert uit tot een vage, misselijkmakende streep van licht en schaduw. Dan wordt het zwart. Een gat in de tijd. Een genadige knip in de film.
Het volgende wat ik me herinner is kou. IJskoud, hard porselein tegen mijn voorhoofd. En licht. Veel te fel, wit tl-licht dat dwars door mijn gesloten oogleden brandt als een laser. Ik doe mijn ogen open. Ik hang over de rand van de toiletpot. Mijn knieën rusten op de harde tegels, die in mijn blauwe plekken boren. Ik klem me vast aan de pot als een drenkeling aan een vlot in een stormachtige zee. Ik ben in de badkamer. Ik ben geteleporteerd van de tafel naar de hel.
En dan neemt mijn lichaam het over. Een golf van misselijkheid, zo krachtig dat het voelt als een vuistslag van binnenuit, smijt me naar voren. Ik braak. De tequila, die me net nog vleugels gaf, komt terug als brandend zuur. Het schuurt langs mijn keel, het bijt in mijn neusholte. Ik kokhals tot mijn ogen uitpuilen en het speeksel in draden van mijn kin hangt. Mijn ribben protesteren. Elke samentrekking van mijn middenrif is een messteek in mijn gekneusde flanken. Ik kerm, een gorgelend, dierlijk geluid tussen de golven door, maar mijn maag heeft geen genade. Hij wringt zich uit, keer op keer, op zoek naar gif dat dieper zit dan de alcohol. Ik spuug gal. Ik spuug de angst van vijftien jaar uit. Ik spuug de smaak van Wouters kus en de geur van zijn aftershave in de toiletpot. Het spettert tegen het witte porselein als een abstract schilderij van mijn eigen verval. De geur is ondraaglijk — scherp, zurig, de geur van iets dat van binnenuit verrot is.
Uiteindelijk stopt het schokken. Er is niets meer over. Mijn maag is binnenstebuiten gekeerd. Ik ben leeg. Uitgehold. Een uitgeknepen tube tandpasta. Ik laat mijn voorhoofd rusten op mijn armen, op de koude, onverbiddelijke rand van de bril. Ik hijg, schokkerig, met uithalen die pijn doen aan mijn longen. In mijn mond smaakt het naar gal, zure tequila en dood.
En dan begint het huilen. Dit is geen verdriet. Dit is hysterisch. Het begint als een trilling in mijn borstkas, als een motor die slecht start, maar het zwelt aan tot een oergeluid van pure wanhoop. Ik snik zo hard dat mijn ribben aanvoelen alsof ze opnieuw breken. "Ik kan het niet meer," brabbel ik door het snot en de tranen heen. De woorden vallen als stenen uit mijn mond. "Ik ben kapot. Ik ben vies. Laat me gaan. Laat me alsjeblieft gaan." Ik weet niet tegen wie ik het heb. Tegen Kristof? Tegen Wouter? Tegen God?
Kristof beweegt. Hij zegt niets sussends. Hij trekt door. Het geraas van het water is hard en mechanisch; het spoelt de fysieke ellende weg, maar de rest blijft hangen. Hij pakt een stuk wc-papier. Hij veegt mijn mond af, niet zachtjes, maar effectief. Ruw genoeg om te voelen, zacht genoeg om niet te beschadigen. Dan trekt hij me naar achteren. Weg van de pot. Ik ben slap, een lappenpop. Hij gaat op de koude tegelvloer zitten, met zijn rug tegen de zijkant van de badkuip, en hij trekt me met zich mee. Hij nestelt me tussen zijn benen. Mijn rug tegen zijn borst. Hij slaat zijn armen om me heen. Strak. Niet als een minnaar, maar als een dwangbuis van vlees en bloed. Hij kluistert mijn armen vast tegen mijn lichaam zodat ik mezelf niet kan krabben, niet kan slaan, niet kan verzetten. Hij legt zijn kin op mijn kruin. Ik voel de stoppels van zijn baard door mijn haar heen.
Ik vecht even. Een zwakke, zinloze stuiptrekking. Ik probeer me los te wurmen. Ik wil niet dat hij me zo ziet, bedekt onder het braaksel en de tranen. Ik ben besmet. Ik ben toxisch afval. "Laat me los," pers ik eruit. Maar hij is sterker. Hij laat niet los. Hij begint te wiegen. Heel langzaam. Van links naar rechts. Een monotoon, hypnotiserend ritme. Heen en weer. Heen en weer. Als een metronoom voor een kapot hart.
Ik jank. Ik schreeuw het uit. Ik laat alles gaan wat ik vijftien jaar heb ingeslikt. De angst, de vernedering, de haat voor mijn moeder, de haat voor mezelf. Hij zegt niets. Geen "het komt wel goed", geen "sst, rustig maar". Hij wiegt alleen maar. Hij absorbeert mijn hysterie. Hij neemt de trillingen van mijn lichaam over en neutraliseert ze met zijn eigen, trage rust. Het gewicht van zijn liefde — of wat dit ook is, deze brute loyaliteit — voelt op dit moment niet als vleugels. Het voelt als een zwaar blok beton dat op mijn hoofd valt. Het is verpletterend. Want hoe kun je van dit hoopje ellende houden? Hoe kun je dit wrak in je armen houden en niet gillend wegrennen? Zijn volharding is een spiegel die laat zien hoe diep ik gezonken ben, en tegelijkertijd een anker dat me belet om te verdrinken. Ik haat hem erom, maar toch klamp ik me aan hem vast.
We zitten daar uren, zo lijkt het. Op de harde, koude vloer van de badkamer, onder het genadeloze witte licht dat geen enkele schaduw toestaat, in de zure stank van mijn eigen falen. Hij, de stille wachter. En ik, het gebroken ding in zijn armen dat langzaam, heel langzaam, stopt met schudden en zich overgeeft aan de zwaartekracht van zijn greep.
- - -
Dit verhaal is gebaseerd op mijn dagboek-uittreksels. Deze feiten speelden zich tien jaar geleden af. Pas nu vind ik de moed dit op papier te zetten, dit met de wereld te delen.
- - -
Analyse: Waarom ik kies voor de afgrond
De wereld om me heen preekt over 'heling', 'vooruitkijken' en 'rust'. Maar wat zij niet begrijpen, is dat die woorden voor mij voelen als een nieuwe gevangenis. In mijn huidige staat is de enige eerlijke keuze niet herstel, maar vernietiging. En Kristof is de enige die dat begrijpt.
1. Vernietiging als ultieme autonomie
Vijftien jaar lang is mijn lichaam eigendom geweest van iemand anders. Wouter bepaalde wanneer ik pijn had, wanneer ik bang was, en wanneer ik mocht ademen. Nu proberen mijn moeder en de dokter dat eigendom over te nemen met pillen en goedbedoelde dwang.
Het besluit om mezelf kapot te maken met alcohol, om de limiet op te zoeken tot ik kotsend over een toiletpot hang, is mijn eerste daad van pure autonomie.
Zelfbeschikking: Als ik mezelf vernietig, ben ik ten minste de beul. Ik neem de regie over mijn eigen ondergang terug. Het is een middelvinger naar iedereen die mij 'veilig' en 'rustig' wil houden.
De echtheid van pijn: De pijn van de tequila en het braken is echt. Het is geen gedempte, chemische roes zoals de diazepam. Het is rauw, vies en van mij. Ik voel liever de hel die ik zelf creëer, dan de kunstmatige hemel die anderen me opdringen.
2. Kristof: De Medeplichtige in plaats van de Verzorger
Iedereen behandelt me als een patiënt of een slachtoffer. Ze hanteren me met fluwelen handschoenen, wat me alleen maar bevestigt in mijn zwakte. Kristof doet dat niet.
Erkenning van de duisternis: Door de fles tequila op tafel te zetten in plaats van thee, erkent hij mijn werkelijkheid. Hij zegt eigenlijk: "Je bent kapot, en dat is oké. Laten we kijken hoe ver we kunnen gaan." Hij probeert me niet te 'fixen', hij daalt met me af.
Het ritueel van de strijd: Het drankspel is geen spel; het is een ritueel. Het transformeert mijn passieve lijden in een actieve strijd. Elke worp, elke slok is een slag die ik uitdeel en incasseer. In die momenten ben ik geen weerloze vrouw, maar een strijder in een arena van mijn eigen makelij.
3. De Uitdrijving
Het samen opzoeken van de vernietiging is noodzakelijk om de demonen uit te drijven. Praten helpt niet; de herinneringen zitten in mijn weefsel, in mijn spieren, in mijn maag.
Alleen door mezelf fysiek binnenstebuiten te keren — door te drinken tot ik niet meer kan, door te braken tot ik leeg ben — kan ik het gevoel hebben dat ik Wouter uit mijn systeem werk. Kristof faciliteert die uitdrijving. Hij houdt me vast terwijl ik uit elkaar val, niet om me te lijmen, maar om te zorgen dat ik niet alleen sterf in het proces.
Conclusie:
Samen met Kristof de afgrond inspringen is geen wanhoopsdaad, maar een daad van verzet. In de totale vernietiging van die avond vind ik, heel even, de vrijheid die de 'gezonde' wereld me niet kan bieden.
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
