Door: EstherD
Datum: 26-02-2026 | Cijfer: 9.5 | Gelezen: 1107
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 41 minuten | Lezers Online: 31
Trefwoord(en): Bed And Breakfast, Exhibitionisme, Gluren, Voyeurisme,
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 41 minuten | Lezers Online: 31
Trefwoord(en): Bed And Breakfast, Exhibitionisme, Gluren, Voyeurisme,

Door het raampje zag ik hem staan: een man met een rechte rug, grijs haar dat bij de slapen wat dunner werd, een canvas tas die eruitzag alsof hij al decennia mee was, en een kleine koffer die hij losjes vasthield. Hij keek niet naar zijn telefoon of naar de klok. Hij keek naar het huis. Naar de lelijke klimop die ik al twee zomers niet meer gesnoeid had, naar de scheve regenpijp, naar de manier waarop het late middaglicht over de dakpannen viel.
Ik deed open.
“Goedenavond,” zei hij. Zijn stem was laag, kalm, alsof hij gewend was om stiltes te vullen zonder ze te verstoren. “Thijs. Ik heb gereserveerd voor twee weken.”
“Elise,” zei ik, en ik stak mijn hand uit voordat ik er erg in had. Zijn handdruk was stevig maar niet hard. Warm. “Welkom. Kom binnen, dan geef ik je de sleutel.”
Hij stapte naar binnen en keek meteen rond. Niet snel, niet gulzig. Meer alsof hij de ruimte in zich opnam zoals je een schilderij bekijkt: eerst van een afstand, dan iets dichterbij.
“Het is nog mooier dan op de website,” zei hij zacht. “Die foto’s doen het huis geen recht. Het heeft… karakter.”
Ik voelde een lichte blos opkomen. Mensen zeggen wel vaker dat het huis mooi is, maar meestal klinkt het als beleefdheid. Dit klonk anders. Alsof hij het meende.
“Dank je,” mompelde ik. “Het is een werk in uitvoering. Al zes jaar.”
Ik pakte de sleutel van het haakje, een oude zware sleutel met een leren labeltje eraan, en wees naar de achterdeur.
“Je kamer is niet in het hoofdgebouw,” legde ik uit. “We hebben de oude schuur verbouwd. Het ligt een stukje de tuin in. Rustiger. Meer privacy. En beter licht, zei Mark altijd toen we het aan het verbouwen waren.”
“Mark is je man?” vroeg hij terwijl we door de keuken liepen.
Ik knikte. “Ja. Hij is een paar dagen weg. Zakelijke afspraak in Utrecht. Dus je hebt mij even als gastvrouw.”
Hij glimlachte kort, een soort halve glimlach die vooral in zijn ogen zat. “Dan zal ik extra beleefd zijn.”
Ik lachte zachtjes en opende de achterdeur. De tuin was al schemerig. De wilg aan het einde hing zwaar over het pad, de bladeren nat van een eerder buitje. We liepen over het grint, ik voorop, hij een paar stappen achter me. Ik hoorde zijn schoenen knarsen, kalm en gelijkmatig.
De schuur stond een beetje apart, half verscholen achter een haag van hazelaars. Vanbuiten zag hij er nog steeds uit als een oude schuur: verweerd hout, een puntdak met mos, een grote deur die we ooit rood hadden geschilderd maar die nu vooral dof was.
Ik draaide de sleutel om en duwde de deur open.
Binnen was het warm en droog. Hoge ramen aan de tuinkant, een houten vloer die we zelf gelegd hadden, een bed met wit linnen, een kleine zithoek met een fauteuil die ik bij een kringloop had gevonden, en een stevige tafel precies onder het grootste raam. Er stond al een vaas met verse takken kornoelje op.
“Hier is het,” zei ik, en ik stapte opzij zodat hij binnen kon kijken. “Badkamer is achter die schuifdeur. Douche, toilet, wastafel. Handdoeken in de kast. Koffiezetapparaat, waterkoker, een kleine koelkast. Als je iets mist, roep je maar. Of je stuurt een appje. Ik slaap in het hoofdgebouw.”
Hij zette zijn tas neer en liep langzaam naar het raam. Keek naar buiten, naar de weilanden die nu grijsblauw kleurden in de schemering.
“Dit licht…” zei hij bijna tegen zichzelf. “Het is zachter dan ik verwachtte. Precies wat ik zocht.”
Ik stond nog in de deuropening, armen een beetje ongemakkelijk langs mijn lijf.
“Je bent schilder, toch?” vroeg ik, omdat de stilte te lang duurde.
Hij draaide zich om. “Ja. Landschappen, vooral. En soms mensen, als ze stil genoeg zitten.” Weer die halve glimlach. “Maar de laatste tijd vooral stilte.”
Ik knikte, niet goed wetend wat ik daarop moest zeggen.
“Ik laat je maar even settelen,” zei ik uiteindelijk. “Ontbijt is morgen vanaf half acht in het hoofdgebouw. Of je haalt het op als je liever alleen eet. Wat jij wilt.”
“Dank je, Elise,” zei hij. Mijn naam klonk anders uit zijn mond. Rustiger. Alsof hij hem proefde.
Ik glimlachte en draaide me om.
“Welterusten alvast,” zei ik over mijn schouder.
“Welterusten.”
Ik liep terug over het grindpad, voelde de koele avondlucht op mijn wangen. Achter me ging de deur van de schuur zachtjes dicht.
In de keuken schonk ik een glas water in, dronk het in één keer leeg, en bleef toen gewoon staan met mijn handen op het aanrecht.
Waarom bonst mijn hart nu zo?
Het is maar een gast.
Een man die rust zoekt. Die schildert. Die naar het huis kijkt alsof het hem iets te vertellen heeft.
En toch.
Toen ik even later naar de badkamer liep om mijn tanden te poetsen, keek ik onwillekeurig uit het raam aan de achterkant. In de schuur brandde nu licht. Warm, geel licht. Door het raam zag ik zijn silhouet: hij stond bij de tafel, keek naar buiten, naar de donkere tuin.
Even dacht ik dat hij mij zag staan.
Ik deed snel het licht uit en stapte weg bij het raam. Ik kroop onder de dekens en liet de avond over me heen vallen.
Ik sliep verrassend diep die nacht. Geen dromen die ik me herinnerde, alleen een soort zware, weldadige stilte die me meetrok tot de wekker zachtjes piepte. Buiten was het nog schemerig, maar de vogels waren al begonnen. Ik trok een oude trui over mijn pyjama, poetste mijn tanden, bond mijn haar bij elkaar en liep naar de keuken om de ontbijttafel klaar te zetten.
Precies om half acht hoorde ik de achterdeur van de schuur dichtvallen. Even later knerpte het grind onder zijn schoenen. Ik keek op door het keukenraam en zag hem aankomen: rechte rug, handen in de zakken van een versleten waxjas, een sjaal losjes om zijn nek. Hij klopte één keer, zacht, bijna verontschuldigend, voordat hij binnenkwam.
“Goedemorgen, Elise.”
“Goedemorgen, Thijs.” Ik glimlachte automatisch. “Koffie, thee? Brood is vers, er is kaas, jam, ei als je wilt.”
“Koffie graag. Zwart. En een boterham met kaas is meer dan genoeg.”
Hij ging zitten aan de kleine tafel bij het raam, keek even naar buiten naar de mist die nog laag over de wei hing, en toen weer naar mij terwijl ik de koffie inschonk.
We zeiden niet veel. Hij at langzaam, zonder haast, maar ook zonder te treuzelen. Beetje kaas, slok koffie, weer een hap. Af en toe keek hij op en glimlachte kort als onze blikken elkaar kruisten. Een beleefde, stille erkenning. Ik voelde me er merkwaardig op mijn gemak bij. Geen geforceerd gesprek, geen verplicht smalltalk. Hij was gewoon aanwezig, zonder ruimte in te nemen.
Toen hij klaar was stond hij op, bracht zijn bord en kopje zelf naar het aanrecht.
“Dank je. Het was goed.”
“Graag gedaan. Tot straks.”
Hij knikte, trok zijn jas weer aan en liep terug over het pad. Ik keek hem na tot hij de schuurdeur opendeed en verdween.
De rest van de ochtend vulde zich met de vertrouwde dingen. Bedden verschonen, stofzuigen, de badkamer schrobben tot het naar citroen rook, de vaatwasser aanzetten. Buiten trok ik mijn tuinhandschoenen aan en ging aan de slag met de border langs het pad: onkruid trekken, uitgebloeide lavendel afknippen, een paar uitgezakte planten rechtop zetten. De zon brak door, warm voor februari, en ik voelde hoe mijn schouders ontspanden.
Op een gegeven moment, toen ik een emmer met tuinafval naar de composthoop bracht, keek ik opzij naar de schuur. De grote deur stond op een kier. Door de opening zag ik hem.
Hij zat op een lage kruk, ezel voor zich, palet in de hand. Zijn rug naar me toe, maar ik zag hoe hij afwisselend naar het doek keek en naar buiten, naar de lijn van de wilg tegen de horizon, naar de zachte glooiing van het land. Hij bewoog nauwelijks. Alleen zijn arm af en toe, een trage streek, dan weer stil. Het was alsof de hele tuin om hem heen ademde in hetzelfde ritme.
Ik bleef even staan, emmer vergeten in mijn hand.
Wat zou hij zien? Wat ziet hij precies dat ik al zes jaar elke dag zie en toch nooit zo bekijk?
Ik voelde een lichte steek van nieuwsgierigheid. Niet alleen naar het schilderij, maar naar hém. Hoe hij daar zat, zo geconcentreerd, zo volledig in zijn eigen wereld. Het had iets geruststellends. Bijna iets aantrekkelijks, op een manier die ik niet meteen kon benoemen.
Maar ik draaide me om. Liep door naar de composthoop, kieperde de emmer leeg, veegde mijn handen af aan mijn broek. Hij had rust gevraagd. Stilte. Ik zou de laatste zijn die dat verstoorde.
Toch, toen ik later weer binnen was en een glas water dronk, keek ik onwillekeurig nog eens naar buiten. Hij zat er nog steeds. Hetzelfde licht viel over zijn schouder, hetzelfde landschap lag voor hem uitgestrekt.
En ik dacht: misschien kijk ik morgenochtend wel even of hij al wakker is.
Niet om te storen.
Alleen om te zien wat hij maakt.
Ik zette het glas neer, schudde mijn hoofd een beetje om mezelf, en ging verder met de was ophangen. Maar de gedachte bleef hangen, zacht en hardnekkig, als de geur van natte aarde die nog aan mijn vingers zat.
Die avond voelde ik me uitgeput op een prettige, ledematen-zware manier. De dag was gevuld geweest met kleine, herhalende klusjes zoals bedden opmaken, de keuken dweilen, stofzuigen, en ik had nergens zin meer in dan in de bank, een deken en de televisie op een laag volume. Ik zapte lusteloos langs series die ik al half gezien had, maar niets bleef hangen. Het voelde alsof mijn hoofd vol watten zat.
Hij kwam niet meer binnen na het ontbijt. Ik had hem ook niet meer gezien, behalve dat ene moment in de middag toen ik vanuit de tuin zijn silhouet achter het raam van de schuur zag bewegen. Stilte paste hem, dacht ik. En mij eigenlijk ook wel.
Om een uur of negen gaf ik het op. “Morgen maar weer fris,” mompelde ik tegen mezelf, zette de tv uit en liep naar de badkamer. Het warme water was een zegen. Ik liet het over mijn schouders stromen, mijn nek, mijn rug, tot de spanning eruit leek te sijpelen. Ik waste mijn haar langzaam, masseerde mijn hoofdhuid, ademde de stoom in. Even was er alleen dat: warmte, water, het zachte tikken van druppels op de tegels.
Toen ik klaar was, droogde ik me af, trok de badjas aan en liep op blote voeten naar de slaapkamer. De onze ligt op de begane grond, aan de tuinkant, met een groot raam dat uitkijkt op de achtertuin en de schuur. Ik doe de gordijnen meestal half dicht ’s avonds, maar vanavond had ik het vergeten. Het licht in de schuur brandde nog, een warm vierkant in het donker.
Ik stond bij het bed, liet de badjas van mijn schouders glijden en het viel zacht op de grond. Ik draaide me om om hem op te rapen en verstijfde.
Daar stond hij.
Buiten, een meter of vijf van het raam, half verscholen achter de hazelaar, maar duidelijk zichtbaar in het maanlicht dat over het gras viel. Hij keek recht naar binnen. Niet schichtig, niet heimelijk. Gewoon… kijkend. Alsof hij al een tijdje stond te kijken naar het huis, naar het licht, naar wat er binnen gebeurde.
Onze ogen ontmoetten elkaar een fractie van een seconde.
Toen draaide hij zich om. Rustig, zonder haast. Hij liep terug over het pad, zijn silhouet slonk tot hij bij de schuurdeur was en naar binnen verdween. De deur ging zacht dicht.
Ik stond daar, naakt, met mijn armen instinctief voor mijn borst geslagen, mijn handen ineens koud. Mijn hart bonsde zo hard dat ik het in mijn oren hoorde.
Wat… wat was dat?
Was hij aan het wandelen? Had hij iets gehoord? Of… had hij bewust gekeken?
Ik bukte me snel, raapte de badjas op, trok hem strak om me heen en deed een stap achteruit, uit het zicht van het raam. Mijn wangen gloeiden. Ik voelde me betrapt, maar tegelijkertijd… iets anders. Iets wat ik niet meteen kon benoemen.
Snel trok ik een oud T-shirt en een joggingbroek aan, deed de gordijnen goed dicht en kroop onder het dekbed. Het licht uit. De kamer donker.
Maar de slaap kwam niet.
Ik lag op mijn rug te staren naar het plafond, luisterde naar de stilte van het huis. En steeds weer kwam dat beeld terug: hoe hij daar stond, hoe hij keek. Niet met wellust, niet met een grijns. Met… aandacht. Alsof ik een compositie was. Een lichtval. Een lijn die hij nog niet helemaal begreep.
Zijn woorden van gisteren schoten door mijn hoofd: “En soms mensen, als ze stil genoeg zitten.”
Was ik stil genoeg geweest? Had hij gewacht tot ik stil was?
Ik draaide me op mijn zij, trok mijn knieën op. Probeerde aan Mark te denken, aan hoe hij over twee dagen terugkomt, aan hoe we dan weer samen ontbijt maken en lachen om niets. Maar mijn gedachten gleden steeds terug naar Thijs. Naar die rustige ogen. Naar hoe hij schildert: traag, geduldig, alsof tijd er niet toe doet.
En toen, in het donker, kwam die ene gedachte die ik eigenlijk niet wilde toelaten:
Hoe zou het voelen om zijn muze te zijn?
Om gezien te worden zoals hij kijkt naar een landschap. Niet als vrouw, niet als echtgenote, niet als gastvrouw. Maar als iets dat de moeite waard is om vast te leggen. Om te bestuderen. Om uren naar te kijken zonder iets te hoeven zeggen.
Ik voelde een lichte rilling over mijn rug trekken. Geen kou. Iets anders.
Ik draaide me nog eens om, begroef mijn gezicht in het kussen.
Ga slapen, Elise.
Het was maar een moment. Een misverstand. Morgenochtend bij het ontbijt zal hij vast vriendelijk doen, en ik zal doen alsof er niets gebeurd is.
Niet veel later viel ik in slaap.
De volgende ochtend kwam hij weer precies op tijd. Half acht, de deur ging zacht open, zijn voetstappen op de tegels. Ik stond al bij het koffieapparaat, deed alsof ik het filterpapier netjes aan het vouwen was, maar ik voelde zijn aanwezigheid voordat ik hem zag.
“Goedemorgen, Elise.”
“Goedemorgen, Thijs.”
Hij ging zitten op dezelfde plek als gisteren, bij het raam. Ik schonk koffie in en zette het bordje met brood en kaas voor hem neer. Onze vingers raakten elkaar niet, maar toch voelde het alsof er iets elektrisch tussen ons hing, een stille spanning die geen van beiden benoemde.
Hij keek me aan terwijl ik de jam pot neerzette. Niet lang, niet opdringerig, maar langer dan nodig. Een paar seconden waarin zijn ogen over mijn gezicht gleden, alsof hij een lijn natekende die hij al kende. Ik keek terug, kort, en sloeg toen mijn ogen neer. Geen woord over gisteravond. Geen verontschuldiging, geen uitleg, geen vraag. Alsof het nooit gebeurd was.
Hij at rustig, bedankte zachtjes, ruimde zijn eigen spullen op en verdween weer naar de schuur. Ik ruimde de tafel af, waste de kopjes af, en probeerde mezelf bezig te houden met de dagelijkse dingen: lakens in de wasmachine, de vloer dweilen, een paar dode bladeren uit de vensterbank vegen. Maar mijn gedachten bleven hangen bij dat ene moment in het donker. Bij hoe hij keek. Bij hoe ik me gevoeld had toen ik naakt stond en hij zich omdraaide.
De hele dag bleef het zo: een stille achtergrondruis van wat-als. Ik ving mezelf erop dat ik vaker naar de schuur keek dan nodig. Zag hem een keer buiten lopen, een emmer water halen bij de kraan, zijn mouwen opgestroopt, de zon op zijn onderarmen. Ik draaide me snel om, bang dat hij me zou betrappen.
Die avond, toen het donker werd en de tuin stil viel, kon ik het niet meer houden. Ik trok een vest over mijn shirt, sloop via de achterdeur naar buiten en liep in een boog om het huis heen, zodat ik vanuit de schaduw van de hazelaar naar de schuur kon kijken. De deur stond op een kier, warm licht viel naar buiten.
Hij zat in de hoek van de kamer, in de oude fauteuil, een boek op schoot. Geen penseel, geen doek. Alleen hij, het licht van de leeslamp op zijn gezicht, zijn vingers die langzaam een bladzijde omsloegen. Hij leek volkomen op zijn gemak, volkomen alleen met zichzelf.
Ik keek een hele tijd. Langer dan ik van plan was geweest. En ineens dacht ik: nee. Dit was geen man die gisteravond expres stond te gluren. Dit was iemand die naar het huis keek zoals hij naar het landschap kijkt. Naar het licht. Naar wat er toevallig gebeurde binnen die omlijsting van een raam.
Ik voelde een soort opluchting, vermengd met teleurstelling. Alsof ik iets had willen bewijzen, en het nu niet meer hoefde.
Ik liep terug naar binnen, deed de deur zacht dicht, en ging douchen. Het water was heet, troostend. Ik liet het over me heen stromen tot mijn huid rood zag, tot de gedachte aan hem weer zachtjes naar boven kwam drijven.
Deze keer liep ik bewust naar de slaapkamer zonder de gordijnen dicht te doen. Het raam stond open op een kiertje, koele lucht gleed naar binnen. Ik bleef even staan, keek naar buiten. Niets. Alleen de donkere tuin, de wilg die zacht wiegde, het gele licht van de schuur dat nog brandde.
Ik zuchtte. De spanning ebde weg, liet een leegte achter die bijna pijn deed.
Toen zag ik het toch.
Een silhouet, half verscholen achter de stam van de appelboom, misschien tien meter verderop. Stil. Onbeweeglijk. Kijkend.
Mijn hart sloeg ineens overal tegelijk. In mijn keel, in mijn polsen, in mijn buik.
Ik keek recht die kant op. Geen twijfel meer. Hij was daar.
Langzaam, heel langzaam, bracht ik mijn handen naar de ceintuur van mijn badjas. Ik knoopte hem los. Liet de stof van mijn schouders glijden. Hij viel in een zachte hoop op de grond. Ik bleef staan, naakt, in het zachte licht van de slaapkamerlamp. Mijn armen hingen slap langs mijn lijf. Geen bedekking. Geen schaamte. Alleen dat kijken.
Hij bewoog niet. Bleef staan. Keek.
Ik keek terug.
Wat nu?
Verder dan dit had ik niet nagedacht.
Mijn adem was oppervlakkig, trillend. Ik voelde de koele lucht op mijn huid, kippenvel op mijn armen, mijn dijen. En ergens diep vanbinnen een warme, pulserende behoefte.
Ik draaide me om, liep naar het bed, sloeg het dekbed open en kroop erin. Naakt. Het laken koel tegen mijn rug, mijn borsten, mijn buik. Ik trok het niet hoger dan mijn middel.
Buiten was hij er nog steeds. Ik wist het zonder te kijken.
Mijn hand gleed langzaam over mijn buik, naar beneden. Niet haastig. Niet schuldig. Gewoon nieuwsgierig. Alsof ik mezelf voor het eerst echt voelde.
Ik sloot mijn ogen niet. Ik keek naar het raam, naar de donkere tuin, naar het silhouet dat nog steeds stond.
Het kostte niet veel inspanning. Een paar minuten, mijn vingers die traag over mezelf gleden, de wetenschap dat hij keek, dat hij zag hoe mijn adem stokte, hoe mijn heupen even schokten. Het orgasme kwam licht, als een golf die niet hoog oprees maar gewoon over me heen spoelde, warm en onvermijdelijk. Daarna viel ik bijna meteen in slaap, uitgeput, tevreden, met het dekbed half over me heen getrokken en het raam nog steeds open.
De volgende ochtend was alles weer gewoon. Of leek het zo.
Half acht. De deur ging open. Zijn voetstappen. Ik stond bij het fornuis, deed alsof ik de eieren precies goed bakte, maar mijn handen trilden een beetje.
“Goedemorgen, Elise.”
“Goedemorgen, Thijs.”
Hij ging zitten. Koffie zwart. Brood met kaas. Ik zette alles neer en voelde zijn blik weer: niet opdringerig, maar langer dan gisteren. Alsof hij iets natekende dat hij al in zijn hoofd had. Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat hij het kon horen. Zeg iets, dacht ik. Zeg iets over gisteravond. Over het raam. Over hoe ik stond. Maar hij zweeg. At rustig. Bedankte zachtjes.
Toen hij opstond om weg te gaan, kon ik het niet meer houden.
“Thijs?”
Hij draaide zich om in de deuropening.
“Wat… wat kost een schilderij als ik model zou staan?”
Hij keek me aan. Van top tot teen. Langzaam. Niet schichtig. Niet wellustig. Gewoon… taxerend. Alsof ik een compositie was die hij nog moest uitrekenen. De stilte rekte zich uit tot ze ongemakkelijk werd. Ik slikte.
“Vijfhonderd,” zei hij uiteindelijk. Zijn stem kalm, alsof het een feit was.
Hij draaide zich om en liep naar buiten.
Ik stond daar, met de theedoek nog in mijn handen, en voelde iets in me openspringen. Ik wilde niet wachten. Ik wilde niet nadenken.
Ik liep hem achterna over het grindpad.
“Kan het vandaag?”
Hij bleef staan bij de schuurdeur. Keek om. Een scheve lach, bijna geamuseerd.
“Prima. Kom maar mee.”
Binnen rook het naar terpentijn en verse verf. Het licht viel schuin door de hoge ramen. Op de ezel stond een doek: de tuin, maar dan zoals ik hem nog nooit gezien had. Elke bladnerf, elke schaduw onder de wilg, de zachte glooiing van het landschap in lagen kleur die dieper gingen dan ik voor mogelijk hield. Het was adembenemend. Echt.
“Neem plaats op de bank,” zei hij.
Ik ging zitten. De oude bank met het verschoten fluweel. Mijn handen in mijn schoot.
Hij pakte een nieuw doek, zette het op de ezel, keek even naar me.
“Schilder je mij met kleren aan?”
Hij keek me indringend aan. Die ogen weer. Rustig. Doordringend.
“Je wilt naakt?”
Ik knikte kort. “Ja. Als… als verrassing voor mijn man.”
De woorden stokten half in mijn keel. Het was niet voor Mark. Het was voor mezelf. Voor het gevoel bekeken te worden. Voor de manier waarop hij keek. Maar dat zei ik niet.
Hij knikte alleen maar.
“Kleed je maar uit. Zoek een comfortabele pose. Je moet het een paar uur volhouden.”
Ik stond op. Deed mijn trui uit, mijn shirt, mijn broek. Alles langzaam, zonder haast, omdat ik wist dat hij keek. Daar stond ik dan. Naakt. Mijn huid had kippenvel van de koele lucht en van de spanning.
Ik ging liggen op de bank. Op mijn zij, één arm onder mijn hoofd, de andere los langs mijn lichaam, been licht gebogen. Een klassieke pose, dacht ik vaag. Iets wat lang vol te houden was. Maar vooral: iets waarbij hij perfect uitzicht had. Over mijn schouder, mijn rug, de curve van mijn heup, mijn borst die zachtjes meeademde.
Hij begon. Eerst potloodschetsen, snelle lijnen. Dan verf. Hij zei weinig. Af en toe een “draai je hoofd iets meer naar het licht” of “been iets hoger”. Zijn stem was laag, professioneel, maar elke keer dat hij keek voelde ik het door me heen trekken.
De uren gleden voorbij. Zon bewoog over de vloer. Mijn spieren werden stijf, maar ik klaagde niet. Ik genoot. Van de aandacht. Van hoe zijn ogen over me gleden, taxeerden, vastlegden. Niet als minnaar. Als kunstenaar. En toch… het wond me op. Die blik. Die concentratie. Die stilte waarin alleen het schrapen van de kwast te horen was.
Ik dacht aan gisteravond. Aan hoe ik mezelf had aangeraakt terwijl hij keek. Aan hoe mijn lichaam nu weer begon te tintelen, zonder dat ik het wilde. Mijn tepels hard van de koele lucht en van de wetenschap dat hij ze zag. Een lichte vochtigheid tussen mijn benen die ik probeerde te negeren, maar die alleen maar sterker werd naarmate hij langer keek.
Hij zei niets erover. Maakte geen opmerkingen. Werkte door.
Ik sloot soms mijn ogen, ademde diep in, en liet het gevoel door me heen gieren. Geen aanraking nodig. Alleen dat bekeken worden. Dat gezien worden. Alsof ik eindelijk iets was dat de moeite waard was om urenlang te bestuderen.
Toen de middag al ver gevorderd was, zette hij zijn kwast neer.
“Voor vandaag genoeg,” zei hij zacht. “Morgen verder.”
Ik kwam langzaam overeind. Mijn spieren protesteerden. Ik trok mijn kleren niet meteen aan. Bleef even zitten, naakt, op de bank, terwijl hij het doek afdekte met een doek.
“Dank je,” zei ik.
Hij keek me aan. Weer die halve glimlach.
“Graag gedaan.”
Ik kleedde me aan. Liep naar buiten. Het grind knerpte onder mijn voeten. Mijn lichaam gloeide nog na. Niet van inspanning. Van iets anders.
Thuis deed ik de deur dicht en leunde ertegenaan.
Die avond, voelde mijn lichaam nog na van de uren op die bank. Niet alleen stijf, maar ook… geladen. Alsof elke blik van hem een draadje spanning had achtergelaten dat nog niet losgelaten was. Ik ruimde de keuken op, maakte een simpele salade die ik amper opat, en besloot vroeg te douchen. Het warme water hielp een beetje. Ik liet het over mijn schouders stromen, over mijn borsten, mijn buik, en probeerde niet te denken aan hoe zijn ogen precies daar hadden gelegen, urenlang, zonder oordeel, alleen maar registrerend.
Toen ik klaar was, droogde ik me af en trok de badjas weer aan en bond hem losjes bij elkaar en liep op blote voeten naar de slaapkamer. Deze keer deed ik de gordijnen weer niet dicht. Ik liep recht naar het raam, bleef ervoor staan, armen langs mijn lijf.
Buiten was het donker, maar de maan hing laag en helder. Ik zocht met mijn ogen de tuin af. Eerst zag ik niets. Alleen schaduwen van de hazelaar, de wilg, de appelboom. Toen bewoog er iets. Een silhouet, dichterbij dan gisteravond. Niet meer half verscholen achter een stam, maar bijna recht voor het raam, een meter of zes, zeven van het glas. Hij stond stil. Kijkend.
Mijn hart sloeg over.
Ik liet de ceintuur los. De badjas gleed open, viel van mijn schouders, viel op de grond. Naakt. Ik keek hem aan. Hij bewoog niet.
Langzaam bracht ik mijn handen naar mijn borsten. Streek eroverheen, voelde mijn tepels hard worden onder mijn vingertoppen. Een zachte zucht ontsnapte me. Mijn rechterhand gleed lager, over mijn buik, naar beneden. Ik spreidde mijn benen een beetje, liet mijn vingers langs de binnenkant van mijn dijen glijden, toen ertussen. Ik was al nat. Al uren, leek het wel.
Ik liep achteruit, voorzichtig, tot mijn kuiten de rand van het bed raakten. Ging langzaam liggen, achterover, hoofd op het kussen. Benen wijd. Alles in het zicht. Het maanlicht viel schuin over mijn lichaam, tekende schaduwen over mijn buik, mijn heupen, tussen mijn benen.
Ik keek naar het raam terwijl mijn vingers begonnen te bewegen. Eerst zacht, cirkelend, toen dieper. Ik voelde hoe mijn heupen mee bewogen, hoe mijn rug zich kromde. Het was niet stil in me. Er ontsnapte een kreun, laag en rauw, toen een tweede, harder. Ik ging sneller. Mijn vrije hand kneep in mijn borst, trok aan een tepel. De opwinding trok door me heen als een elektrische stroom, van mijn tenen tot mijn kruin.
Ik kwam klaar met een lange, schokkende kreun die ik niet eens probeerde te dempen. Mijn lichaam sidderde, mijn benen trilden, mijn vingers nat en trillend. Ik bleef even liggen, hijgend, terwijl de naschokken door me heen trokken.
Toen kwam ik overeind. Ging staan. Keek weer naar buiten.
Hij stond er nog een seconde. Toen draaide hij zich om. Liep langzaam weg, terug naar de schuur. De deur ging dicht. Licht bleef branden.
Ik liet me weer op bed vallen. Naakt. Dekbed niet eens over me heen getrokken. Mijn huid gloeide nog na. Mijn ademhaling kalmeerde langzaam.
Morgen… morgen zou ik weer op die bank liggen. Naakt. Urenlang bekeken worden. Zijn kwast die lijnen trok die mijn lichaam volgden. Zijn ogen die geen detail misten.
En toen schoot het door me heen, als een koude emmer water.
Mark komt morgenavond thuis.
Hij zou de auto horen, de sleutel in het slot, zijn stem in de hal. “Elise? Ik ben er weer.”
En dan zou dit stoppen. Geen raam meer ’s avonds. Geen silhouet in de tuin. Geen poseren.
De teleurstelling viel zwaar op mijn borst. Alsof iets moois net begonnen was en alweer eindigde.
Ik trok het dekbed toch maar over me heen. Kroop erin. Draaide me op mijn zij.
Morgen nog één dag. Nog één keer poseren.
Daarna… zou alles weer gewoon worden.
Ik sloot mijn ogen. Probeerde niet te huilen. Viel uiteindelijk in slaap met de geur van mijn eigen opwinding nog aan mijn vingers, en de gedachte aan zijn ogen die me morgen weer zouden vinden.
De volgende dag leek alles weer normaal, maar ergens diep vanbinnen voelde ik een lichte, zeurende teleurstelling die ik niet helemaal kon plaatsen. Of misschien juist wel. Mark zou vanavond thuiskomen. De bubbel die de afgelopen dagen ontstaan was, die stille, geladen uren in de schuur, de avonden bij het raam, het zou stoppen. Ik probeerde het van me af te zetten terwijl ik de ontbijttafel afruimde, maar het bleef hangen.
Thijs kwam binnen zoals altijd. Half acht. Koffie zwart. Brood met kaas. Hij keek me aan terwijl ik de kop neerzette, langer dan nodig.
“Wat is er?” vroeg hij zacht.
Ik aarzelde. Keek even naar buiten, naar de tuin die nu in het winterlicht lag.
“Vanavond komt mijn man weer thuis,” zei ik uiteindelijk.
Hij trok een wenkbrauw op, vragend, maar zei niets.
Ik haalde mijn schouders op. “Het is niets. Zullen we… zo weer schilderen?”
Hij knikte langzaam. “Als jij dat wilt.”
We liepen samen naar de schuur. Het grind knerpte onder onze schoenen. Binnen was het warm, vertrouwd. De geur van verf en terpentijn. Het doek stond al klaar. Ik kleedde me uit zonder aarzelen, liet mijn kleren netjes op een stapeltje liggen. Ging liggen op de bank, dezelfde pose: op mijn zij, arm onder mijn hoofd, been licht gebogen. Mijn huid kippenvel van de koele lucht en van de wetenschap dat hij keek.
Hij begon. Kwast op doek. Stilte. Alleen het zachte schrapen, zijn ademhaling, mijn eigen hartslag die ik in mijn oren hoorde. Uren gleden voorbij. Ik voelde zijn ogen over me heen glijden, niet alleen als kunstenaar, maar ook als man. Het wond me op. Meer dan gisteren. Meer dan ooit.
Toen, ineens: “Klaar.”
Ik kwam overeind. Liep naar hem toe. Ging bewust naakt naast hem staan en keek naar het doek.
Het was… adembenemend. Mijn lichaam, maar dan anders. Zachter licht, diepere schaduwen, kleuren die ik nooit in mezelf gezien had. Alsof hij niet alleen mijn vorm had vastgelegd, maar iets diepers. Iets wat ik zelf niet eens kende.
“Het is prachtig,” fluisterde ik.
Hij keek me aan. Zijn ogen gleden langzaam over mijn lichaam, van mijn gezicht naar mijn borsten, mijn buik, mijn dijen. Heel even, bijna terloops, gleed zijn hand over mijn been. Een lichte aanraking, maar genoeg om een zucht uit me te persen.
Ik liet het toe. Liet zijn hand omhoog glijden. Langzaam. Tot zijn vingers de binnenkant van mijn dij bereikten. Ik voelde hoe nat ik was. Al uren. Ik verlangde hier echt naar. Naar zijn aanraking. Naar dat hij eindelijk door die stilte heen zou breken.
Zijn vingers gleden naar binnen. Zacht. Onderzoekend. Ik sloot mijn ogen even, kreunde zacht.
En toen hoorde ik het.
Knerpen van autobanden op de oprit. Marks auto.
Mijn ogen schoten open. Paniek golfde door me heen. Ik wilde wegduiken, mijn kleren grijpen, maar Thijs hield me vast. Legde zijn hand op mijn heup, duwde me zachtjes terug naar achteren tegen de bank. En toen zakte hij op zijn knieën.
Zijn mond op mijn tussen mijn dijen.
Warm. Nat. Behendig.
Ik hapte naar adem. De spanning van de middag, het nieuwe gevoel, het besef dat Mark op datzelfde moment uitstapte, zijn kofferdeksel dichtsloeg, naar de voordeur liep, alles maakte het ondraaglijk intens. Ik voelde elke beweging van zijn tong, elke lichte zuiging, elke streling. Mijn handen grepen in zijn haar. Mijn heupen bewogen mee zonder dat ik het wilde.
Het kostte niet veel. Een paar seconden, misschien. Toen gierde het door me heen. Een orgasme dat harder kwam dan de avonden ervoor, scherper, dieper. Ik beet op mijn lip om niet te hard te kreunen, maar een geluid ontsnapte toch, laag, rauw en wanhopig.
Slap duwde ik hem weg. Trillend. Benen slap. Ik greep mijn kleren, trok ze haastig aan en rende half struikelend naar buiten. Om de schuur heen, via de zijkant van het huis, zodat ik niet rechtstreeks vanuit de tuin de oprit op kwam.
Daar stond Mark. Tas in zijn hand, lach op zijn gezicht.
“Elise!”
Ik forceerde een glimlach. “Hé schat.”
We omhelsden elkaar. Hij rook naar de auto, naar koffie onderweg, naar thuis. Ik zoende hem. Hard. Alsof ik iets wilde wegdrukken. Of juist bevestigen.
“Alles goed?” vroeg hij plagend, terwijl hij mijn wang streelde. “Je ziet er… verhit uit.”
“Ik… heb net in de tuin gedaan,” loog ik.
We liepen samen naar de voordeur. Ik keek niet om naar de schuur. Wilde niet weten of hij daar nog stond. Of het licht nog brandde. Of het doek nog op de ezel stond.
Binnen deed ik de deur dicht. Mark zette zijn tas neer, rekte zich uit.
“Fijn om thuis te zijn,” zei hij.
Ik knikte. “Ja. Fijn.”
Die avond kookte ik Marks lievelingseten: een simpele pasta met tomatensaus, basilicum uit de vensterbank en parmezaan die ik extra fijn raspte. We aten aan de keukentafel, hij vertelde over Utrecht, over saaie meetings en een collega die altijd te laat kwam, en ik lachte op de juiste momenten. Alles voelde vertrouwd, warm, veilig. En toch zat er een randje aan alles wat ik zei, een lichte echo van iets anders.
Na het eten ruimden we samen op. Hij waste af, ik droogde. Toen gingen we op de bank zitten, televisie aan, een documentaire over oude huizen die we half keken. Zijn arm lag om mijn schouders, mijn hoofd tegen zijn borst. Het was goed. Het was thuis.
“Ik ben moe,” zei hij na een half uur. Hij geeuwde, stond op en gaf me een kus op mijn voorhoofd. “Ga jij nog lang door?”
“Nee,” loog ik zacht. “Nog even.”
Hij liep naar de slaapkamer. Ik bleef zitten. Zapte doelloos verder. Hoorde hem de kraan open- en dichtdraaien, het bed kraken toen hij erin kroop. Pas toen het stil werd in huis, stond ik op.
Ik douchte lang. Langer dan nodig. Liet het water over mijn rug stromen tot mijn huid rood en gevoelig werd. Waste mijn haar twee keer, alsof ik iets weg wilde spoelen. Of juist wakker wilde maken. Toen ik klaar was, droogde ik me langzaam af, trok de badjas aan en liep naar de slaapkamer.
Het gordijn stond open. Een kleine glimlach vormde zich op mijn mond, onwillekeurig, bijna schuldig. Mark lag op zijn rug onder de dekens, een boek in zijn handen, leeslampje aan. Hij keek op toen ik binnenkwam.
“Wat?” vroeg hij met een halve lach, omdat hij mijn blik zag.
Ik zei niets. Liet de ceintuur los. De badjas gleed open, viel van mijn schouders. Ik stond daar, naakt in het zachte licht van de leeslamp, half voor hem, half naar het raam gericht. Alsof ik het voor allebei deed. Voor hem. En voor iemand anders.
“Ik heb je gemist,” zei ik zacht.
Hij legde het boek weg. “Ik jou ook.”
Ik kroop op bed. Trok de dekens van hem af. Zag de bobbel in zijn boxer, strak en duidelijk. Ik legde mijn hand erop, wreef zachtjes door de stof heen. Hij zuchtte diep. Ik keek hem even aan, glimlachte. Toen keek ik naar buiten.
Hij stond er. Dichterbij dan ooit. Een silhouet in de donkere tuin en ik wist dat hij keek. Ik voelde het in mijn buik.
Ik trok Marks boxer naar beneden. Zijn erectie sprong vrij, hard en warm. Ik boog me voorover, nam hem in mijn mond. Langzaam. Sensueel. Mijn tong cirkelde, ik bewoog op en neer, liet hem diep glijden terwijl mijn handen over zijn dijen streelden. Hij kreunde laag, zijn vingers in mijn haar.
Toen stopte ik. Kroop omhoog. Ging bovenop hem zitten, achterstevoren, mijn rug naar hem toe, mijn lichaam naar het raam gericht. Ik liet hem in me glijden, langzaam, tot hij helemaal in me zat. Ik voelde hem kloppen, voelde mezelf om hem heen sluiten.
Ik begon te bewegen. Ritmisch. Mijn heupen draaiend, op en neer. Mijn handen gleden over mijn eigen lichaam, over mijn borsten, knijpend in mijn tepels, dan lager, over mijn buik, tot tussen mijn benen. Ik raakte mezelf aan, cirkelde over mijn clit terwijl ik hem bereed. Alles in het zicht van het raam.
Mark kreunde harder, zijn handen grepen mijn heupen. Hij stootte omhoog, diep. Toen voelde ik hem schokken, warm in me spuiten. Hij kwam klaar met een lange, lage kreun.
Ik bleef stil zitten. Hem nog in me. Warm, slap wordend. Mijn vingers bewogen sneller over mezelf. Het duurde niet lang. De spanning van de hele dag, van de week, van alles wat ik had gevoeld terwijl hij keek, het kwam in één golf. Ik kwam klaar, stil maar intens, mijn lichaam trillend bovenop hem.
Daarna liet ik me voorover zakken, nog steeds met hem in me, tot hij eruit gleed. Ik draaide me om, kroop naast hem. Hij sloeg zijn arm om me heen, trok me tegen zich aan.
We zeiden niets meer.
Buiten ging het silhouet weg. Het licht in de schuur doofde.
Mark viel als eerste in slaap, zijn ademhaling rustig en diep.
Ik lag nog even wakker. Keek naar het raam. Naar de donkere tuin. En viel in slaap.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
