Door: Homem-Christo
Datum: 12-01-2026 | Cijfer: 8.5 | Gelezen: 2369
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 41 minuten | Lezers Online: 7
Trefwoord(en): Cuckold, Dochter, Jong En Oud, Mysterie, Vader,
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 41 minuten | Lezers Online: 7
Trefwoord(en): Cuckold, Dochter, Jong En Oud, Mysterie, Vader,
De zon brandde genadeloos op het asfalt, dat een flinterdunne, wiebelende luchtspiegeling uitstraalde. Mijn rug zat plakkerig vastgekleefd aan de rugzak, die te zwaar was voor een reis waarvan we niet wisten hoe lang die zou duren. Naast me, op de smalle vluchtstrook van de N-weg ergens in de Vlaamse velden, stond Rosa. Ze leunde nonchalant tegen een verwezen hectometerpaaltje, haar duim uitgestoken, een optimistische glimlach op haar gezicht. Het was die glimlach, die mij vier maanden geleden eindelijk de moed had gegeven om haar verkering te vragen. En tot mijn opluchting had ze volmondig 'ja' gezegd.
“We hadden de trein moeten nemen,” mompelde ik, terwijl ik voor de zoveelste keer naar mijn telefoon keek. Geen bereik. Natuurlijk niet.
“Thomas, we hebben het hierover gehad. De trein is duur. Dit is een avontuur.” Rosa’s stem was zacht maar overtuigend. Ze duwde haar bril, een zwart montuurtje dat haar groenbruine ogen vergrootte, weer omhoog op haar neus. “En avonturen beginnen altijd met een beetje ongemak.”
Ik keek naar haar. Rosa. Mijn buurmeisje sinds de kleuterschool, mijn partner in crime tijdens eindeloze zomers in de achtertuin, mijn steun en toeverlaat tijdens de puinhoop die de middelbare school was. En nu, sinds vier korte, intense maanden, mijn vriendin. Het was nog steeds een beetje onwerkelijk. Ze had altijd die nerdy uitstraling gehad, met haar stapels boeken en haar voorliefde voor ingewikkelde bordspellen. Maar ergens in de laatste twee jaar had er een transformatie plaatsgevonden. Niet in haar persoonlijkheid – die was nog altijd even open, luidruchtig en een tikkeltje naïef – maar in haar lichaam. De zachte rondingen die haar heupen nu hadden, de manier waarop haar eenvoudige witte T-shirts zich strakker om haar borsten leken te spannen dan ik me kon herinneren, de volheid van haar donkere krullen die in de zon een koperen glans kregen. Ze was ontzettend mooi geworden. Op een manier die me soms de adem benam en me tegelijkertijd doodsbang maakte.
Want ik, Thomas, achttien jaar, slungelig, met een bouw die het midden hield tussen ‘slank’ en ‘ondervoed’, en een gezicht dat nog altijd iets te veel jeugdige oneffenheden vertoonde, voelde me vaak niet opgewassen tegen haar schoonheid. Tegen die uitstraling. Ze was sociaal, ik was stil. Zij zag overal het goede in mensen, ik was wantrouwig. En op het gebied van… seks… daar durfde ik niet eens over na te denken. We hadden gekust. Veel. En voorzichtig, aarzelend geëxperimenteerd. Maar ik voelde een kloof. Een verlangen in haar dat dieper ging, feller was, en dat zij zorgvuldig probeerde te verbergen. Ik had het gezien, soms, in haar ogen wanneer een ietwat gewaagde scène in een film voorbijkwam, of in de manier waarop ze zich tegen me aan drukte tijdens het zoenen. Maar ze leek zichzelf altijd te remmen. Alsof ze bang was me te overweldigen. Het maakte me tegelijkertijd geroerd en onzeker.
“Het wordt donker,” zei ik, terwijl ik naar de horizon keek. De lange zomerdag begon zijn gloed te verliezen, en een koele bries trok op vanuit de velden. We hadden nog geen tweehonderd kilometer afgelegd sinds we van huis vertrokken waren. Parijs leek ineens een onbereikbare droom.
“Iemand stopt wel,” zei Rosa, onverstoorbaar. Maar zelfs haar optimisme begon te verflauwen na de twintigste auto die ons zonder vertragen passeerde.
Toen, net op het moment dat de eerste echte schemering inviel en een gevoel van lichte paniek in mijn maag begon te knagen, hoorden we het diepe gebrom van een grote motor. Een oude, groen gespoten vrachtwagen met verweekte letters op de zijkant remde kreunend af en stopte een stuk voor ons.
Het portier zwaaide open. Een man kwam naar buiten. Hij was waarschijnlijk in de zestig, stevig gebouwd met een uitstekende buik die tegen zijn bevlekte polo duwde. Zijn gezicht was rond, met plooien om de ogen die van lachen leken te komen, en een grijzende stoppelbaard. Hij leek op een goedaardige beer.
“Jongelui!” riep hij, zijn stem vriendelijk en luid. “Zijn jullie verdwaald?”
Rosa sprong meteen naar voren, haar vermoeidheid vergeten. “We liften naar Parijs! Kunt u ons een eindje meenemen?”
De man, die zich voorstelde als Erik, krabde aan zijn kin. “Parijs? Vandaag niet meer, vrees ik. Maar ik rijd richting Metz. Dat scheelt jullie al een flink stuk. Jullie zijn welkom, maar het wordt een tochtje in het donker door de Ardennen.”
Ik voelde een aarzeling. Er was iets aan zijn vriendelijkheid dat te oprecht aanvoelde. Een te snelle glimlach. Maar Rosa draaide zich al naar me toe, haar ogen smekend in het schemerlicht. “Thomas, alsjeblieft? Het is onze enige kans voor vanavond.”
Erik zag mijn twijfel. “Ik snap het, jongeman. Vreemde man in een vrachtwagen. Maar ik heb zelf kinderen van jullie leeftijd. Ik laat jullie hier niet in het donker staan. Kom maar, er is plek genoeg.”
De logica was aan zijn kant. En Rosa’s hand, die de mijne pakte en erin kneep, was aan zijn kant. Ik knikte, mijn gevoel van onbehagen wegdrukkend onder een laag rationaliteit. “Dank u wel, meneer.”
We klauterden de cabine in. Het rook er naar oude tabak, koffie en een chemische luchtverfrisser. Rosa klom tussen ons in op de grote middelste stoel, haar heup tegen de mijne gedrukt. Het contact was vertrouwd en opwindend tegelijk, zelfs nu. Erik schakelde, en de vrachtwagen zette zich met een diep gerommel weer in beweging.
Hij was een praatgraag type. Hij vertelde over zijn routes, over zijn hond, over de gekke dingen die hij onderweg had gezien. Rosa hing aan zijn lippen, stelde vragen, lachte om zijn grappen. Ik probeerde mee te doen, maar voelde me steeds meer een buitenstaander. De manier waarop Rosa zich naar hem toe draaide, haar volledige aandacht schonk aan deze onbekende man, leek me te intiem. Maar dat was Rosa. Ze gaf zich volledig aan mensen. Dat was wat ik zo leuk aan haar vond. Toch?
“En jullie? Eerste reis samen?” vroeg Erik, zijn ogen even van de weg glijdend om ons te observeren.
“Ja,” zei Rosa, stralend. “Ons eerste avontuur.”
“Mooi, mooi. Jonge liefde. Koester dat.” Hij knikte wijs. Zijn ogen bleven even hangen op Rosa, en er gleed iets over zijn gezicht, iets dat ik niet kon plaatsen. Een flits van iets anders dan ouderlijke warmte. Maar het was weg voor ik het kon analyseren.
Buiten werd het pikdonker. We reden door dichte bossen, de bomen vormden een zwarte muur aan weerszijden van de weg, alleen onderbroken door de gele strepen van onze koplampen. Er was geen ander verkeer. De sfeer in de cabine veranderde langzaam. Erik’s gepraat verstomde. Rosa leunde tegen me aan, haar ogen half gesloten. “Het is best spookachtig hier,” fluisterde ze.
“De Ardennen zijn ‘s nachts een ander gebied,” zei Erik, zijn stem lager, bedachtzamer. “Oude bossen. Oude verhalen. Je kunt maar beter zorgen dat je de weg kent.”
Voor ik iets kon zeggen, begon de vrachtwagen af te remmen. Hij sloeg af op een klein, onverlicht weggetje dat bijna onzichtbaar tussen de bomen wegliep. De takken krabden langs de zijkanten van de cabine.
“Waar gaan we naartoe?” vroeg ik, de paniek nu duidelijk in mijn stem.
“Rustpauze,” zei Erik kalm. “Mijn oude botten kunnen niet non-stop rijden. Er is een plek hier, een klein tankstation met een huis. Een kennis van me runt het. We kunnen daar slapen, en morgenvroeg bij het eerste licht verder.”
“Slapen?” Rosa’s stem klonk meer verrast dan bezorgd.
“Het is veiliger dan ergens langs de weg in het donker. Kijk.”
Voor ons doemde plotseling een gebouwtje op. Het was een vervallen houten huis met twee verdiepingen. De ramen waren donker, behalve één op de begane grond waar een zwak, olieachtig geel licht doorheen schemerde. Ernaast stond een piepklein tankstation met twee roestige pompen, en een winkeltje met een bord waarop ‘Ferme Ardennaise’ stond geschreven in verbleekte letters. Het zag eruit alsof het jaren geleden was verlaten.
Mijn hart bonsde in mijn keel. Dit was fout. Dit voelde verschrikkelijk fout. “Erik, ik denk dat we liever gewoon doorrijden. Toch Rosa?”
Ik keek naar haar. Haar gezicht was bleek in het licht van de dashboardlampjes, maar tot mijn verbazing zag ik niet de angst die ik voelde. Nee, ik zag… nieuwsgierigheid. Een opwinding, zelfs.
“Het ziet er… mysterieus uit,” fluisterde ze, haar ogen groot achter haar brilglazen. “Als uit een film.”
Voordat ik kon protesteren, ging de deur van het huis open en stapte een man naar buiten. Hij was lang, mager, met diepliggende ogen en een kaal hoofd dat glom in het licht van de vrachtwagenlampen. Hij droeg een overall die vol met olievlekken zat. Hij en Erik wisselden een knikje uit, een blik die meer zei dan woorden.
Erik stapte uit. “Blijven jullie hier maar even.”
Hij liep naar de man en ze spraken zachtjes met elkaar, af en toe wijzend naar de vrachtwagen. De lange man keek recht naar ons, zijn gezicht een onleesbaar masker.
“Rosa, dit is niet goed,” smeekte ik, en ik greep haar hand vast. “We moeten weg. Nu.”
“Hoe, Thomas?” Haar stem was zacht maar realistisch. “We zijn midden in een bos. We hebben hem gevraagd ons mee te nemen. En hij lijkt die man te kennen. Het is gewoon een vreemde, oude plek. Het komt goed.”
Op dat moment kwam Erik terug, zijn vriendelijke glimlach weer op zijn plaats. “Stap uit, jongelui! Ruud heeft warme thee. En hij stelt jullie graag voor aan zijn dochter.”
Met lood in mijn schoenen volgde ik Rosa, die bijna stuiterend van adrenaline uit de cabine sprong. De nachtlucht was kil en vochtig, en vulde mijn longen met de geur van rottende bladeren en aarde.
De man stapte naar voren. “Welkom, ik ben Ruud,” zei hij, zijn stem raspend als schuurpapier. Hij schudde mijn hand; zijn greep was sterk, koel. “Altijd gezellig als Erik vrienden meebrengt.”
“Dank u,” mompelde ik. Rosa stelde zichzelf voor met haar gebruikelijke charme, en Ruud’s gezicht vertrok zich bijna tot iets wat op een glimlach moest lijken.
Toen hoorden we een lichtere stap. Uit de deuropening verscheen een meisje. Ze leek me een jaar of twee ouder dan wij, maar ze had iets onwerkelijks. Ze droeg een kort, roze jurkje dat te kinderlijk was voor haar leeftijd, en haar bruine haar was in twee lange vlechtjes gebonden. Haar gezicht was sprookjesachtig mooi, maar haar ogen… haar grote, blauwe ogen leken oneindig leeg.
“Dit is Anne, mijn dochter,” zei Ruud, zonder veel emotie.
Anne liep naar Erik en omhelsde hem. “Dag, oom Erik.”
“Hallo, liefje,” zei Erik, en hij streelde even over haar rug. Het was een vaderlijk gebaar, maar het duurde een tel te lang, zijn hand gleed een fractie te laag. Anne trok zich terug en keek ons aan.
“Wie zijn dit?” Haar stem was hoog en zangerig.
“Lifters,” zei Erik. “Kom mee, binnen is het warmer.”
Binnen was het huis een tijdcapsule. Meubels uit de jaren zeventig, een tapijt met verschoten patronen, en overal een laagje stof. Maar het was warm, er brandde een houtkachel. Anne verdween naar de keuken en kwam terug met kopjes dampende, bitter ruikende thee.
De gesprekken waren oppervlakkig. Erik en Ruud praatten over routes en brandstof. Anne zat te wiebelen op haar stoel, Rosa observeerde alles met fascinatie. Ik probeerde een plan te vormen, maar mijn hoofd was een warboel van angst en uitputting.
We kregen een kleine, schamele kamer op de eerste verdieping toegewezen, met twee smalle eenpersoonsbedden. Anne had gekscherend opgemerkt dat "tortelduifjes hier apart moeten slapen, huisregels,” terwijl ze Rosa aankeek met haar lege blik. Rosa had gegiecheld, alsof het een grap was.
Die nacht kon ik niet slapen. Het huis kraakte en zuchtte. Ik hoorde voetstappen op de gang, zachte stemmen beneden, een kreunend geluid ergens in de verte dat niet van de wind leek te komen. Een keer, toen ik naar het raam liep, dacht ik twee silhouetten te zien bij de verlaten tankpompen: een stevige en een lange. Erik en Ruud. Ze stonden gewoon daar, in het donker, te praten.
Ik kroop terug in bed, troost zoekend in het geluid van Rosa’s rustige ademhaling vanuit het andere bed. Ze sliep vredig, onwetend van het onbehagen dat mij verteerde. Dit was ons avontuur. Dit was onze eerste reis. Het moest gewoon een vreemde, ongemakkelijke tussenstop zijn. Morgen zouden we verder gaan naar Parijs, en dit zou een verhaal worden om later om te lachen.
De volgende ochtend kwam traag. Een dikke, witte mist had zich om het huis gewikkeld, zo dicht dat ik de bomen op tien meter afstand niet meer kon zien. Het leek alsof de wereld buiten was opgelost.
Ik kleedde me snel aan en liep de trap af, Rosa slaapdronken achter me aan. In de keuken zat Erik aan tafel, een kop koffie voor zich. Hij keek op en zijn vriendelijke glimlach was er weer, maar nu leek hij getrokken, gespannen.
“Goedemorgen, schone slapers.”
“De mist...” begon ik, hoopvol. “We kunnen wel gewoon verder rijden, toch?”
Erik schudde zijn hoofd, bijna spijtig. “Dat gaat 'm niet worden, jongeman. Bij deze mist op deze boswegen? Zelfs ik, met al mijn ervaring, waag me er niet aan. We zitten hier vast. Tot het optrekt.”
Hij nam een slok koffie en keek me aan, zijn ogen glinsterend in het schaarse licht.
“En dat,” zei hij, “kan even duren.”
~~
~~~
De nacht was koud en rustig, alleen het verre geritsel van het bos brak de stilte. Ruud stak een sigaret op, het zwakke licht van de gloeiende punt weerkaatste in zijn diepliggende ogen. Naast hem stond Erik, een solide silhouet tegen de nacht. Ze keken naar het vervallen huis, waarbinnen twee slapende figuren lagen.
“Je hebt er dit keer een jongen bij,” bromde Ruud, zijn stem een lage rasp. Hij nam een lange trek, liet de rook langzaam ontsnappen. “Dat maakt het… ingewikkelder.”
Erik haalde zijn schouders op, een nonchalant gebaar. “Een package deal, Ruud. Je kunt het éne niet krijgen zonder het andere. Hij is timide. Een mak schaap. Hij zal geen problemen veroorzaken.”
“Makke schapen kunnen onverwacht trappen,” mompelde Ruud. Hij nam een nieuwe hijs van zijn sigaret. De rook brandde een vertrouwd pad naar zijn longen. “Het voegt complicaties toe. Onnodige ogen.”
“En onnodige ogen kunnen worden afgeleid,” zei Erik, een trage glimlach speelde rond zijn lippen. Hij leunde naar voren, de gloeiende peuk verlichtte de hardheid in zijn blik, die altijd verborgen ging onder zijn vriendelijke masker. “Laat dat maar aan mij over. Ik heb hem al gezien, hoe hij naar haar kijkt, hoe hij naar ons kijkt. Hij is wantrouwig, maar hij is ook onzeker. En hij is verliefd. Dat maakt hem blind voor haar, en alles wat zij doet. Jij kunt je richten op het meisje. Ze kijkt naar de wereld alsof het een sprookje is.” Er klonk een vleugje minachting in zijn stem.
Ruud knikte langzaam. Het was dezelfde afspraak als altijd. “Het meisje is voor mij,” stemde hij in, zijn blik afdwalend naar het raam boven, waar hun gasten sliepen. “En de jongen… houd hem bezig. Of houd hem weg. Maar zorg dat er geen sporen zijn die terug te leiden zijn naar hier.”
Hij wierp zijn sigaretenpeuk op de natte grond, waar die met een sissend geluid uitging. Erik knikte tevreden. “Morgen, als de mist ons hier houdt, beginnen we.”
Ruud draaide zich om en liep terug naar binnen. Voor hij de deur opendeed, keek hij over zijn schouder. Zijn stem was neutraal, een mededeling zonder emotie. “Anne wacht al op je. In je kamer. Wees niet te ruw, deze keer.”
Zonder antwoord af te wachten, verdween hij in het duister van het huis, de zware deur viel achter hem dicht. Buiten bleef Erik nog even staan, zijn blik gericht op de mist die zich als een grendel om hun tijdelijke domein sloot.
~~
~
De mist was geen vluchtig verschijnsel; het was de realiteit geworden: een witte, vochtige cel die ons opsloot. De tweede dag in het huis vervloeide met de tweede nacht tot een eindeloze, grijsgetinte waas. Tijd leek zijn betekenis te verliezen, opgeslokt door het monotone druppelen van condens langs de ramen.
Erik had gelijk gekregen. Rijden was onmogelijk. De boswegen, zei hij met een gezicht vol gespeelde bezorgdheid, waren nu dodelijke valkuilen. We waren gedwongen gasten.
Het begon ‘s ochtends, na dezelfde bittere thee. Erik sloeg een vaderlijke arm om mijn schouders. Zijn greep was stevig, onontkoombaar. “Jongeman, kerels horen niet stil te zitten. Het is ongezond. Kom, ik heb een klusje voor je. Laat de meiden maar kletsen.”
Hij leidde me naar een vervallen schuurtje achter het huis, vol rommel en roestig gereedschap. De lucht rook naar rot hout en oude olie. “Het dak lekt hier,” wees hij naar enkele grijze planken. “Er liggen wat nieuwe planken binnen. Meet ze af, zaag ze op maat. Houdt je hoofd en handen bezig.”
Het was zinloos werk. De planken waren vochtig en krom, het oude handzaagje bot. Maar ik deed het. Elke weerstand die ik voelde, smoorde onder een laag plichtsbesef. Dit was het minste wat we konden doen voor Ruud zijn gastvrijheid. En ergens, diep van binnen, was ik ook dankbaar voor de afleiding van mijn eigen malende gedachten.
Vanuit mijn positie bij het schuurtje had ik zicht op de achterdeur van het huis. Ik zag Rosa naar buiten komen, geleid door Ruud. Ze droeg nog steeds dezelfde spijkerbroek, maar had haar eenvoudige T-shirt verwisseld voor een iets strakkere, lichtroze top die ik niet kende. De stof streelde de volle ronding van haar borsten en stopte net boven de band van haar broek, waardoor een strook blanke, zachte huid zichtbaar werd. Ruud wees naar een stapel lege kratten. Ze knikte enthousiast, haar krullen dansten op haar schouders. Toen hij naast haar ging staan om iets uit te leggen, leunde hij dicht tegen haar aan. Zijn lange, magere lichaam vormde een donkere schaduw naast haar levendige vorm. Zijn hand rustte even op de onderkant van haar rug, een gebaar dat te lang duurde om louter instructief te zijn. Rosa keek op naar hem, lachte, en ik zag hoe haar wangen kleurden. Niet van schaamte, maar van een opgewonden plezier. Het was dezelfde blik die ze soms had wanneer ze een spannend verhaal vertelde.
Een golf van hete jaloezie welde in me op. Ik liet het zaagje bijna uit mijn gladde vingers glippen.
“Focus, jongen,” klonk Erik’s stem vlak achter me. Ik schrok op. Hij stond in de deuropening van het schuurtje, zijn lichaam vulde het bijna. Hij had me gadegeslagen terwijl ik naar Rosa keek. Een flauwe glimlach speelde rond zijn lippen. “Je vriendin is in goede handen bij Ruud. Een echte gentleman. En zij… zij is een plezier om naar te kijken, nietwaar? Zo’n wulpse, levenslustige meid. Je bent een geluksvogel.”
Zijn woorden waren bedoeld om te prijzen, maar ze voelden als een invasie. Alsof hij iets van me had gestolen door het hardop te benoemen. Ik mompelde iets onverstaanbaars en boog me weer over mijn werk, mijn oren brandden.
Later, binnen, was de dynamiek verder verschoven. Rosa was opgewekter, haar ogen glinsterden achter haar bril. “Ruud heeft de gekste verhalen, Thomas,” babbelde ze terwijl ze soep uit blik opwarmde. “Over reizigers van over de hele wereld die hier ooit stopten. Het was hier ooit een levendige plek!” Haar enthousiasme klonk oprecht, maar het leek geworteld in de aandacht die ze had gekregen, niet in de verhalen zelf.
Anne was de hele dag een geest geweest die aan de randen van mijn waarneming fladderde. Maar tijdens de middag, toen ik alleen in de woonkamer zat te staren naar het stervende vuur in de kachel, verscheen ze plotseling naast me. Ze had het roze jurkje verruild voor een soortgelijk blauw exemplaar, even kort, dat haar slanke, maar ronde dijen benadrukte. Haar vlechtjes hingen over haar schouders. Ze ging zonder uitnodiging op de armleuning van mijn stoel zitten, zo dichtbij dat ik de frisse geur van haar shampoo kon ruiken, vermengd met iets anders, iets zoets en kinderlijks.
“Je kijkt zo somber, Thomas,” zei ze, haar hoge, zingende stem een fluistering. Ze wiegde lichtjes, haar knie raakte bij elke beweging mijn arm. “Mis je je eigen bed? Of… mis je haar?” Haar blik gleed naar de keuken, waar Rosa’s gelach klonk.
“Het is allemaal een beetje vreemd,” antwoordde ik, mijn lichaam stijf van ongemak.
“Vreemd?” Haar blauwe ogen, meestal leeg, kregen een nieuwsgierige, bijna klinische glans. “Oom Erik zegt altijd dat vreemd pas begint als je stopt met jezelf te vragen wat normaal is. Hij is heel wijs.” Ze leunde nog iets verder naar voren, de hals van haar jurk viel open en onthulde de bovenkant van haar kleine, ronde borsten, de huid was bleek en glad. “Rosa lijkt het niet vreemd te vinden. Ze vindt het… spannend. Dat zie jij toch ook?”
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Haar nabijheid, haar directheid, het verstikte me. Ze keek naar me alsof ik een interessant insect was.
“Ze heeft een prachtig lichaam,” vervolgde Anne dromerig. “Zo zacht en rond. Anders dan het mijne. Mannen houden daarvan, hè? Van iets om vast te kunnen pakken.” Voordat ik kon reageren, stond ze op, alsof ze niets gezegd had. “Erik vraagt of je hout naar binnen wilt halen.”
De derde avond viel, en de mist hield stand. Het was een grauw, stilstaand beest geworden. De frustratie en het gevoel van gevangenschap begonnen door de muren van het huis te sijpelen. We zaten in de zitkamer, met z'n vijven, in een zwaar, ongemakkelijk stilzwijgen.
Toen klapte Erik in zijn handen. “Genoeg somberheid! We zitten hier vast, dat is zo. Maar we kunnen de avond nog aangenaam maken. Ruud, je hebt toch nog een fles of wat liggen?”
Ruud knikte en verdween naar de kelder. Hij kwam terug met drie stoffige flessen rode wijn. Rosa’s ogen lichtten op. “O, wat leuk! Een beetje gezelligheid.”
Mijn maag verkrampte. “Ik… ik weet niet of dat een goed idee is.”
“Ach, kom nou, Thomas,” zei Rosa, en er klonk een vleugje irritatie in haar stem, een nieuw geluid dat me pijn deed. “We doen toch niks verkeerd? Een glaasje wijn. We zijn volwassen.”
Erik schonk de glazen vol, een donkerrode stroom die beloofde de scherpe randjes van de realiteit weg te vagen. “Op nieuwe vrienden,” zei Ruud, en hij hief zijn glas. Zijn ogen rustten op Rosa. Zij glimlachte terug, nam een ferme slok. Hij dronk met een grimmige tevredenheid. Anne nipte, haar blik schoot heen en weer tussen ons allen als een camera.
Ik dronk ook. De wijn was zuur en sterk, en brandde een weg naar mijn lege maag. Het eerste glas maakte me duizelig. Het tweede verzachtte de angst tot een dof, aanwezig ongemak. De gesprekken stroomden nu makkelijker. Erik vertelde weer verhalen, maar ze waren minder onschuldig nu, doorspekt met dubbele betekenissen en anekdotes over ‘vrijheid’ en ‘nemen wat het leven je biedt’. Rosa luisterde, haar gezicht gevlamd door de alcohol, haar lippen vochtig van de wijn. Ze lachte harder, leunde verder naar voren in haar stoel, waardoor de decolleté van haar top dieper werd. Ik zag hoe Erik’s ogen er geregeld naartoe gleden, een gulzige blik die me misselijk maakte.
Ruud zei weinig, maar zijn aandacht voor Rosa was intens, verstikkend. Hij vulde haar glas telkens bij voordat het half leeg was. Anne begon een vreemd, kinderachtig spelletje met haar voeten onder de tafel, waarbij ze soms tegen mijn been aan stootte. Ik trok me terug, maar het gevoel van haar aanraking bleef branden.
De kamer werd warmer, waziger. De olielamp wierp dansende schaduwen op de muren. De geluiden vervormden: Rosa’s lach leek verder weg, Erik's stem een diep gebrom. Mijn oogleden werden loodzwaar. De spanning van de afgelopen dagen, het slaapgebrek, de alcohol – het smolt samen tot een onweerstaanbare sleepkracht.
Ik vocht ertegen, probeerde me te concentreren op Rosa. Maar ze was niet meer de Rosa die ik kende. Ze was een vreemde, opgewonden versie van zichzelf, haar ogen glanzend in het lamplicht terwijl ze naar Erik luisterde. Haar hand bewoog terwijl ze praatte, en even rustte die hand op Ruud's onderarm. Hij legde zijn eigen hand er bovenop. Het was een moment. Een seconde. Maar het verpletterde me.
Ik zakte weg.
Mijn bewustzijn werd een troebel moeras. Ik droomde, of dacht te dromen. Geluiden drongen tot me door, gelaagd over het gekraak van het oude huis. Een diepe, tevreden zucht. Een gesmoord, hoog gegiechel dat niet van Anne leek te komen. Het zachte kraken van een stoel. Het geluid van stof dat langs stof schuurde, langzaam, ritmisch. Een fluistering, laag en hees: “Zo is het goed, meisje… ga zo door.” Was het Erik's stem? Of die van Ruud? Het leek van ver beneden te komen, of uit de kamer ernaast. Het vermengde zich met het ruisen van bloed in mijn oren.
En een ander geluid. Zacht, nat, en onmiskenbaar intiem. Een geluid dat ik alleen uit films kende. Het klonk tegelijkertijd vlakbij en oneindig ver weg. Het joeg een ijskoude golf van adrenaline door mijn slaperige lichaam, maar mijn spieren weigerden dienst. Ik was verlamd, gevangen in het schemerland tussen slaap en waakzaamheid, waar nachtmerries zich vermengden met de werkelijkheid.
Met een schok die door mijn hele lijf ging, slaagde ik erin mijn ogen open te wrikken.
De kamer was leeg.
Het smeulende brandhout in de kachel gloeide zwak. De lege wijnflessen en vieze glazen stonden op tafel. De stoelen waar Erik, Ruud en Anne hadden gezeten, waren verlaten. Rosa’s plek was ook leeg.
Een pure, ongerepte paniek blies de laatste waas van slaap en alcohol uit mijn hoofd. Iets was vreselijk mis.
“Rosa?” Mijn stem klonk schor en gebroken in de stilte. Geen antwoord.
Ik strompelde overeind, mijn hoofd bonkte. Het huis was stil, maar het was een leugenachtige stilte, dik en beladen. Ik rende de trap op, mijn voeten sloegen onhandig tegen de treden. De gang boven was pikdonker. Ik duwde de deur van onze kamer open.
Daar lag ze.
In haar smalle eenpersoonsbed, onder het dunne dekentje, lag Rosa te slapen. Vredig. Haar bril lag op het nachtkastje. Haar krullen lagen verspreid over het kussen. Haar ademhaling was diep en regelmatig.
Ik leunde tegen de deurpost, mijn eigen ademhaling een rauwe rasp in mijn keel. De logica botste met de angst die nog door mijn aderen gierde. Ze was hier. Ze was veilig. De geluiden… de bewegingen… het moest een droom zijn geweest. Een verschrikkelijke, door wijn en angst veroorzaakte nachtmerrie.
Maar toen mijn blik over haar rustende lichaam gleed, zag ik iets. Haar lichtroze topje, dat ze aan had gehouden, was verfrommeld en hing scheef. Aan de onderkant was de ronding van haar borst zichtbaar en net daaronder, op de blanke huid van haar buik, zag ik een roodachtige vlek. Een streep. Het kon een muggenbult zijn. Het kon van alles zijn.
Maar in het zwakke, grijze licht van de mist die door het raam sijpelde, leek het precies op een handafdruk.
En aan de voet van haar bed, half onder het kastje geschoven, lag een klein, blauw lintje. Hetzelfde lintje dat Anne die dag in haar haren had gedragen.
Mijn hand trilde op haar schouder. “Rosa. Rosa, word wakker.”
Ze mompelde iets onverstaanbaars en draaide zich om, weg van mijn aanraking. Haar ademhaling bleef diep en gelijkmatig. Te diep. Alsof ze onder water lag. Ik schudde haar harder, mijn vingers klemden zich in de stof van haar topje. “Alsjeblieft, Rosa. We moeten weg. Nu.”
Haar oogleden fladderden, maar gingen niet open. “Laat me slapen, Thomas… zo moe…”
De paniek klom in mijn keel, scherp en metaalachtig. De rode vlek op haar middel leek in het duister te pulseren. Het blauwe lintje lag als een giftig slangenkopje aan de voet van haar bed. Ik moest haar hier weg krijgen. Maar ze zonk steeds weer weg in een slaap die onnatuurlijk diep aanvoelde.
Toen hoorde ik het.
Een geluid van buiten. Zacht, ritmisch, bijna melodieus. Het kwam van achter het huis, waar het schuurtje stond. Het klonk als het verre geluid van een motor die niet wilde starten, maar menselijker. Dierlijker. Het klonk als… gekreun.
Ik liet Rosa achter, rende naar het raam en duwde het gordijn opzij. De mist hing nog steeds als een lijkwade om het huis, maar ergens daarachter, in de richting van het schuurtje, was een zwakke, oranje gloed zichtbaar. Een olielamp, of een zaklantaarn. En bewegende schaduwen.
Zonder na te denken, gedreven door een mengeling van afgrijzen en morbide nieuwsgierigheid, sloop ik de kamer uit. De trap kraakte onder mijn gewicht, elke trede een donderslag in de stilte. Beneden was het huis verlaten en kil. Ik glipte door de achterdeur, die op een kier stond, de vochtige nachtlucht omhelsde me als een klam laken.
De mist slikte me op. Ik kon nauwelijks mijn hand voor mijn ogen zien. De geluiden werden duidelijker naarmate ik voorzichtig over het onkruid en de keien sloop. Kreunen. Een gesmoorde lach. Het zachte, natte geluid dat me uit mijn halfslaap had gewrikt.
Het raam van het schuurtje was vuil en gebarsten, maar een hoekje was relatief schoon. Ik drukte me tegen de koude, ruwe houten wand en wierp een blik naar binnen.
De olielamp stond op een omgekeerde krat. Het licht ervan danste over drie figuren.
Anne zat op haar knieën op de vochtige stenen vloer. Ze had nog steeds haar blauwe jurkje aan, maar het was tot haar middel omhoog getrokken en ik kreeg een onverwacht zicht op haar bleke, gladgeschoren kutje. Aan weerszijde van haar geknielde lichaam stonden de mannen.
Erik en Ruud.
Hun broek hing open open, afgezakt tot over hun heupen. Erik’s hand rustte op Anne's hoofd en leidde haar bewegingen met een kalme, onontkoombare autoriteit. Haar mond bewoog op en neer over zijn pik, haar lippen strak om hem heen. Haar ogen, die lege, blauwe meren, waren gesloten.
Ruud stond tegenover hem, zijn magere torso bloot, zijn hand rustte op zijn eigen imposante erectie. Hij keek naar het tafereel met een uitdrukking van kil, wetenschappelijk genoegen. Toen Anne even pauzeerde om op adem te komen, nam Ruud haar kin tussen zijn duim en wijsvinger en draaide haar gezicht naar zich toe. Zonder een woord opende ze haar mond voor hem.
Verlamd keek ik toe hoe Anne afwisselde tussen de twee mannen. Terwijl haar mond de ene bevredigde streelden haar vingers de ander, haar handen nauwelijks groot genoeg om hun volledige hardheid te omvatten. Het was een grimmige, geoliede choreografie zonder liefde, alleen maar functionaliteit en een soort van vreemde routine. Erik’s gezicht vertoonde een gelukzalige grimas, zijn ogen half gesloten. Ruud’s ademhaling was hoorbaar, raspend.
Ik kon niet wegkijken, en op dat moment realiseerde ik me dat het blauwe strikje uit één van Anne's vlechtjes was verdwenen. Mijn maag wrong zich samen, mijn hele wezen schreeuwde om te vluchten, maar mijn voeten waren aan de grond genageld. Dit was het kloppende, smerige hart van de waanzin die dit huis omringde. Dit was wat de mist 's nachts verborgen hield.
En toen gebeurde het.
Anne opende haar ogen, midden in een beweging. Haar blik, leeg en toch allesziend, gleed recht naar het raam. Recht naar mij. Ze stopte niet. Ze bleef bewegen terwijl haar lippen zich om Erik spanden. En ze glimlachte. Een kleine, intieme, waanzinnige glimlach, recht in mijn richting. Alsof ze me uitnodigde. Of uitlachte.
Met een gesmoorde kreet duwde ik me af van het schuurtje, viel bijna in het mulle zand, en rende blindelings terug naar het huis. Takken krabden aan mijn armen, de mist wrong zich in mijn longen. Ik vloog de trap op, de kamer in.
“ROSA!”
Deze keer schrok ze wakker, haar ogen wijd van schrik. “Thomas? Wat is er?!”
“We gaan. Nu.” Mijn stem brak. Ik graaide haar rugzak en duwde hem in haar armen. “Trek je schoenen aan. We moeten weg. Je begrijpt het niet, ik heb ze gezien, ze zijn… ze zijn monsters!”
“Thomas, je raast!” Ze keek me aan, haar ogen nog wazig van slaap, maar nu ook gevuld met bezorgdheid voor míj. “Wat heb je gezien? Je hebt gedroomd, het was de wijn…”
“Het was geen droom!” siste ik, terwijl ik zelf mijn spullen pakte. Ik wees naar haar buik. “Die plek! Dat lintje! Anne, ze… ze doet dingen met ze. Met allebei. En ze zag me. Ze glimlachte!” De woorden stroomden eruit, verbrokkeld en hysterisch.
De pure paniek in mijn ogen moet overtuigend zijn geweest. Twijfel flitste over haar gezicht, toen een bleke angst. Ze keek naar het lintje, raakte met een vinger de plek op haar middel aan. Ze zei niets meer. Ze stond op, trok haar schoenen aan en volgde me.
We slopen als spoken door het stille huis, onze ademhalingen luid in onze eigen oren. De voordeur piepte verschrikkelijk toen ik hem opendeed. We stormden het grindpad op, en renden toen het weggetje af, het dikke witte niets in.
De mist sloot zich om ons heen, een vochtige, blinde mantel. We konden niets zien. Na tien meter was het huis al verdwenen, opgeslokt. We hielden elkaars hand vast, knellend, ons enige anker in deze waanzin. Ik trok mijn telefoon tevoorschijn en schakelde de zaklamp aan. Het smalle straaltje sneed een weg door de druppels, en liet alleen het donkere asfalt van de weg onder onze voeten zien.
“Als we de weg volgen, komen we vanzelf ergens uit,” hijgde ik, meer om mezelf gerust te stellen dan voor Rosa. Ze knikte zwijgend, haar gezicht een masker van uitputting en verbijstering.
We liepen. De tijd verloor zijn betekenis. Er was alleen het ritme van onze voetstappen, het ruisen van onze ademhaling, en de alomtegenwoordige, verstikkende mist. De kou drong door onze dunne kleding. Onze voeten begonnen zeer te doen, onze benen werden zwaar.
“Thomas,” zei Rosa na wat een eeuwigheid leek, haar stem schor. “We zien niets. We zouden al lang iets moeten zijn tegengekomen. Een huis, een verkeersbord, iets.”
“We blijven gaan,” zei ik, maar de twijfel kroop als een worm in mijn hart. Had ik me vergist? Was het echt een nachtmerrie geweest, een door wijn en angst versterkte hallucinatie? De logica van de mist, van onze verlorenheid, begon mijn zekerheid te ondermijnen.
“Misschien… misschien was het toch een droom,” fluisterde Rosa voorzichtig. “Het huis was vreemd, de mensen zijn vreemd, maar… misschien zijn ze gewoon eenzaam. Excentriek. Niet… niet wat jij denkt.”
Ik wilde protesteren, maar mijn kracht was aan het wegebben. De adrenaline was op, en in zijn plaats kwam een verlammende vermoeidheid. Wat als ik het me had verbeeld? Wat als ik Rosa mee had gesleurd in een ijskoude nacht, in de middle of nowhere, vanwege een hersenspinsel?
Toen, net toen de wanhoop de overhand begon te krijgen, zagen we het.
Een licht. Een vage, gele gloed in de mist, enkele tientallen meters verderop.
“Daar!” riep ik, een nieuwe, wilde hoop schoot door me heen. Rosa’s hand kneep in de mijne. We verhoogden ons tempo, rennend, en vergaten onze pijn.
Hoe dichterbij we kwamen, hoe bekender de contouren werden. Het donkere silhouet van een huis. Het lage gebouwtje ernaast. De roestige vorm van een pomp.
Mijn hart stopte. “Nee…”
“Wat?” hijgde Rosa.
Ik kon niet praten. Ik bleef staan, mijn blik gefixeerd op het hekje dat nu zichtbaar werd. Hetzelfde verweerde hekje waar we een paar uur eerder doorheen waren gerend.
We stonden voor het huis van Ruud.
Het was onmogelijk. We hadden de weg gevolgd. We waren recht vooruit gegaan. Toch hadden we een volledige cirkel gemaakt, terug naar het begin.
“Het kan niet,” fluisterde ik, mijn realiteit barstte. “Het kan gewoon niet.”
Rosa staarde naar het huis, haar mond open van ongeloof. Toen zakte ze in elkaar, haar benen weken onder haar uit. “Ik kan niet meer, Thomas. Ik kan niet meer lopen.” Haar stem klonk klein en gebroken.
Ik keek naar haar, naar het verlichte raam van de keuken waar een silhouet bewoog, en toen terug naar haar uitgeputte gezicht. Ik kon haar hier niet achterlaten. Maar teruggaan… teruggaan voelde als overgave aan de waanzin.
Toen ging de voordeur open.
Ruud stond in de opening, zijn lange, magere lichaam uitgesneden tegen het warme licht van binnen. Hij leunde nonchalant tegen de deurpost, een mok in zijn hand. Hij nam een slok, en zei, alsof hij ons verwachtte: “Koude nacht om een wandelingetje te maken. Kom binnen. De thee is net gezet.”
Hij draaide zich om en liep naar binnen, ervan uitgaand dat we zouden volgen.
Rosa keek me aan. Haar ogen smeekten. Ze was aan het einde van haar Latijn. Ik voelde dezelfde uitputting, en een diep, allesverterend gevoel van een nederlaag.
Zonder een woord te zeggen sloeg ik een arm om haar heen en hielp haar overeind. We liepen naar de open deur, en stapten weer over de drempel die we zo wanhopig hadden proberen te ontvluchten.
Binnen was alles precies zoals we het hadden achtergelaten. Dezelfde keuken, dezelfde geur van stof en houtrook. Anne zat aan tafel, in een schone, witte nachtjapon, haar haren gevlochten. Ze keek op en gaf ons een kleine, dromerige glimlach. “Jullie waren weg. Papa maakte zich zorgen.”
Erik zat aan het hoofd van de tafel. Hij knikte naar ons, een vaderlijke bezorgdheid op zijn gezicht. “Jongelui, in deze mist? Dat is vragen om problemen. Gelukkig zijn jullie veilig.”
Ruud schonk vijf kopjes vol met dezelfde bittere, dampende thee. Hij zette er een voor Rosa neer, een voor mij. Toen ging hij zitten, nam een slok, en keek ons aan over de rand van zijn kopje. Zijn diepliggende ogen waren onleesbaar.
Er viel een zware stilte. De enige geluiden waren het tikken van een klok ergens in het huis en het zachte slorpen van Erik die zijn thee dronk. Rosa naast me trilde lichtjes. Ik staarde naar mijn kopje, naar de spiraal van stoom die opsteeg en oploste in de lucht, net zoals onze ontsnappingspoging was opgelost in de mist.
We zaten daar, met zijn vijven, alsof we nooit waren weggeweest. Alsof de afgelopen uren niet hadden bestaan. De cirkel was gesloten. En de mist, die tegen de ramen klampte, leek te weten dat we nergens meer heen konden.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
