Door: Jefferson
Vandaag zou een andere soort dag worden, een dag die in eerste instantie rustiger leek dan de dagen daarvoor, al voelde die rust vanaf het begin al fragiel en tijdelijk. Ze was niet thuis, omdat Alies op bezoek ging bij haar moeder, terwijl Byron beneden nog bezig was met een klusje dat, zoals altijd, gewoon gedaan moest worden. Het voelde vreemd leeg, alsof zijn aanwezigheid minder tastbaar werd doordat zij er niet was, terwijl dat ergens juist de bedoeling was geweest. Nu was zij weg, hij bleef, en de dag kabbelde door op een manier die logisch leek, maar niet helemaal goed voelde.
Af en toe hoorde ik hem beneden, al was het nooit storend of nadrukkelijk aanwezig, omdat Byron zich bijna geruisloos door het huis bewoog en alleen het hoognodige deed. Hij had een radiootje zacht aanstaan, neuriede zo nu en dan mee zonder zich daarvan bewust te zijn en beperkte zijn woorden tot wat functioneel was, waardoor er niets was om op aan te merken. In theorie gaf dat mij de ruimte om gewoon door te werken en me te concentreren, en ergens werkte dat ook, maar die rust had een onderlaag die bleef wringen.
Terwijl ik boven zat en hij beneden, werd steeds duidelijker dat het moment waarop hij klaar zou zijn dichterbij kwam, en dat hij daarna weer zou vertrekken, iets wat misschien wel de meest logische uitkomst was van deze situatie. Toch bleef er een onrust hangen die zich niet liet wegredeneren, alsof er iets stond te gebeuren wat nog niet zichtbaar was.
Die onrust bleek niet alleen van mij te zijn, want wanneer ik plots voetstappen in het grind hoor, valt het meteen op hoe bewust ze geplaatst worden, alsof iemand probeert onopgemerkt te blijven, maar daar niet volledig in slaagt. De beweging gaat langs het huis, richting de achterkant, en nog voordat ik haar echt zie, weet ik al dat dit geen toeval is.
Wanneer ik door het raam kijk, half verscholen achter het gordijn alsof dat vanzelf gebeurt, zie ik haar staan en trek ik me instinctief iets verder terug. Het is niet Alies die daar staat, maar Anneloes, precies op de plek waar de open keukendeur uitkomt en waar Byron aan het werk is, alsof ze haar moment zorgvuldig heeft gekozen.
‘Hey,’ zegt hij kort, zonder zichtbare verrassing.
‘O, hoi,’ reageert ze op een manier die verbaasd moet overkomen, maar die dat net niet helemaal is.
Ik trap er niet in, en ergens ga ik ervan uit dat hij dat ook niet doet.
Ze draagt een sporttasje dat op het eerste gezicht logisch lijkt bij haar verschijning, omdat ze er sportief uitziet, maar juist dat maakt het te zorgvuldig gekozen om toevallig te zijn. Alles aan haar uitstraling voelt samengesteld, alsof het doel niet het sporten is, maar het effect dat ze ermee bereikt.
‘Is Alies er niet? We zouden sporten,’ zegt ze tegen Byron, met een lichte aarzeling die moet suggereren dat ze dit niet had verwacht.
Het is de eerste leugen, en die herken ik meteen, omdat ik weet wanneer ze normaal gesproken gaan sporten en hoe Anneloes er dan uitziet, en dit is daar geen afspiegeling van. Dit is niet functioneel, maar intentioneel, en dat verschil is te duidelijk om te negeren.
Dat neemt niet weg dat ze gezien mag worden, want het beeld dat ze neerzet is overtuigend, en ik ben niet blind voor wat ze laat zien. Mijn gedachten zijn eerder al eens haar kant op gegaan, en de laatste tijd zelfs in combinaties waarin Byron ook een rol speelde, iets wat haar uitstraling nu alleen maar versterkt.
Haar topje sluit overal nauw aan, van haar hals tot net onder haar schouders waar de korte mouwtjes eindigen, en verder naar beneden tot net onder haar middenrif, waardoor haar vormen subtiel maar duidelijk worden benadrukt. Het wit van de stof, met een vlinder centraal op haar borst, trekt het oog zonder expliciet te worden, terwijl haar platte buik bijna naadloos overloopt in de zwarte sportlegging die haar silhouet verder versterkt.
Ik vraag me af hoe vrij ze werkelijk is, al weet ik dat ze geen relatie heeft en dus in principe nergens door wordt tegengehouden, behalve door haar eigen keuzes.
Aan haar pols hangen meerdere dunne armbanden die in het zonlicht oplichten wanneer ze haar hand door haar lange, bruine haren laat gaan, een beweging die achteloos lijkt maar precies past binnen het beeld dat ze neerzet. En hoewel ik Byron niet direct zie, weet ik zeker dat hij dezelfde details waarneemt als ik, omdat ze te nadrukkelijk aanwezig zijn om te missen.
Ze is een mooie vrouw die zichtbaar moeite doet om op te vallen, en dat maakt het des te interessanter om te zien hoe hij daarop reageert.
Ik weet van mezelf dat ik hier waarschijnlijk niet ongevoelig voor zou zijn, maar bij Byron ligt dat anders, en juist dat maakt het lastig om te voorspellen wat er gaat gebeuren.
Wat wel vaststaat, is dat haar aanwezigheid geen toeval is en dat ze bewust heeft gekozen voor dit moment, waarin Alies afwezig is en Byron aanwezig, terwijl de mogelijkheid bestaat dat ik ergens in huis ben.
Toch blijf ik stil en doe ik alsof ik er niet ben, omdat het gevoel dat ze met een doel is gekomen steeds sterker wordt en ik wil zien hoe ver ze daarin zal gaan.
Ze blijft buiten staan en leunt tegen de post alsof ze zich daar op haar gemak voelt, terwijl ze een gesprek begint dat luchtig moet overkomen, maar inhoudelijk weinig betekent en Alies al snel volledig uit beeld verdwijnt. Haar vragen zijn eenvoudig en bijna oppervlakkig, alsof ze tijd probeert te vullen zonder echt ergens naartoe te werken.
‘Doe je dit soort dingen vaak?’ vraagt ze, waarna ze eraan toevoegt dat het haar moeilijk lijkt, iets wat meer zegt over haar intentie dan over haar interesse.
Het gesprek dat volgt, strekt zich uit over enkele minuten waarin woorden worden uitgewisseld die nauwelijks betekenis dragen, omdat zij wel interesse toont, maar niet in het onderwerp waarover ze praat. Hij antwoordt wel, maar houdt het kort en stelt geen vragen terug, waardoor er vanzelf stiltes ontstaan die zij niet opvult door te vertrekken, maar door te blijven.
In die stiltes zie ik haar soms naar hem lachen, terwijl ik hem zelf niet zie, en juist dat maakt de situatie intenser, omdat ik moet invullen wat er gebeurt tussen de momenten die ik wel kan waarnemen. Fluistert hij iets, of kijkt hij haar alleen aan, en hoe reageert zij daarop wanneer er niets wordt gezegd?
Ik vind haar oprecht adembenemend, en het lijkt me onmogelijk dat hij dat niet ook zo ervaart, maar tegelijkertijd weet ik dat hij niet meer degene is die hij vroeger was. Hij is veranderd in iemand die stabiliteit heeft opgebouwd, met verantwoordelijkheden die verder gaan dan dit moment, en dat maakt zijn reactie minder voorspelbaar.
Toch is het duidelijk dat ze flirt, al doet ze dat voorzichtig en zonder uitgesproken woorden, waardoor de spanning zich verplaatst van wat gezegd wordt naar wat tussen de regels gebeurt.
Wanneer hij even later naar buiten stapt met een flesje water om een korte pauze te nemen, verschuift de dynamiek merkbaar, omdat hij voor het eerst zelf een vraag stelt.
‘Wat doe je voor sport?’ vraagt hij, en die onverwachte wending zorgt ervoor dat ze zichtbaar schrikt, alsof ze hier geen rekening mee had gehouden.
‘Niet wat jij doet,’ antwoordt ze, terwijl ze haar hand op zijn brede schouder legt, een gebaar dat directer is dan alles wat daarvoor gebeurde.
Hij kijkt naar haar hand en reageert slechts met een kort geluid, iets wat niet direct afwijzend is, maar ook geen bevestiging geeft.
‘Ik hou niet van spelletjes,’ zegt hij vervolgens, zonder omwegen, waardoor haar houding opnieuw verandert en de luchtigheid van eerder plaatsmaakt voor iets serieuzers.
Wanneer hij vraagt wat ze hier komt doen, doet hij dat op een rustige maar dominante manier, zonder ruimte te laten voor ontwijkende antwoorden, en het is duidelijk dat hij al weet wat haar intentie is.
Ze aarzelt even en neemt een moment waarin ze nog zou kunnen terugtrekken zonder dat het volledig uit de hand loopt, maar ze kiest ervoor om te blijven en door te zetten, alsof ze zich al heeft vastgelegd op wat ze wil bereiken.
‘Hoorde dat jij en Alies elkaar goed kennen,’ zegt ze, op een manier die meer een constatering is dan een vraag, en daarmee direct een andere laag in het gesprek aanboort.
Hij reageert met een korte, bijna geïrriteerde ademhaling, en op dat moment wordt duidelijk dat hij precies begrijpt waar dit naartoe gaat.
‘Dat kan je wel zeggen,’ antwoordt hij, zonder zijn toon te veranderen.
Wanneer ze vraagt of hij dat weet, of dat hij het misschien niet weet, voel ik hoe de woorden ineens dichterbij komen, alsof ze niet alleen tussen hen in blijven, maar ook mij raken.
Ik trek me nog verder terug, ondanks dat ik blijf luisteren, omdat dit gesprek nu direct over mij gaat, of in ieder geval over iets waar ik onderdeel van ben.
‘Hoeft ook niet. Dat was toen. Voor hem,’ zegt hij, op een manier die het klein probeert te maken, terwijl ik juist voel hoe groot het eigenlijk is.
Ik slik en blijf luisteren, omdat stoppen geen optie meer is, hoe ongemakkelijk het ook wordt.
Wanneer hij vraagt of dat de reden is dat ze hier is, klinkt het kortaf, maar tegelijkertijd duwt hij haar daarmee verder in de richting waarin ze al bewoog.
Ze ontkent het niet echt, maar formuleert haar antwoord zo dat het ruimte laat voor wat ze eigenlijk wil zeggen.
‘Het is vast fout, maar ik wilde wel weten of het waar is wat ze allemaal zegt,’ zegt ze, en in die formulering zit geen echte twijfel meer, alleen nog een laatste poging om het acceptabel te maken.
Ze kwam hier al met die intentie, en dat wordt nu alleen maar duidelijker.
‘Ik doe dat niet meer,’ zegt hij, en ergens voelt het alsof die woorden niet alleen voor haar bedoeld zijn, maar ook voor mij, alsof hij zich bewust is van mijn aanwezigheid.
Het geeft een vorm van geruststelling, maar tegelijk ook een lichte teleurstelling die ik niet direct kan plaatsen.
Wanneer zij reageert door te zeggen dat ze het begrijpt, dat hij een vrouw en kinderen heeft, maar dat alleen kijken toch geen kwaad kan, ligt haar voorstel eindelijk open op tafel, zonder verdere verhulling.
Mijn nieuwsgierigheid groeit op dat moment tot het punt waarop ik me bijna verder uit het raam wil bewegen om niets te missen, zeker wanneer hij zijn stem verlaagt en de woorden minder duidelijk worden.
‘Alleen kijken?’ herhaalt hij, met een ondertoon die moeilijk te plaatsen is, ergens tussen cynisme en interesse.
Ze knikt, glimlacht en bijt kort op haar lip, een kleine beweging die alles samenvat wat ze niet expliciet uitspreekt.
Wanneer hij uiteindelijk simpelweg zegt dat ze naar binnen moeten, voelt dat als een beslissing die al langer in de lucht hing, en zonder verdere woorden bewegen ze zich langzaam richting het huis, waarbij de spanning niet afneemt, maar juist verder oploopt.
Stil op mijn sokken haast ik me de trap af, niet rennend maar ook niet rustig, met die gespannen voorzichtigheid die ontstaat wanneer je weet dat je iets niet hoort te doen en het daarom juist des te meer wilt. Dit moet ik zien, of in ieder geval zo dicht mogelijk benaderen, al is het maar door te luisteren en het in mijn hoofd in te vullen. Alleen kijken, houd ik mezelf voor, alsof dat nog een grens is die overeind blijft. Ik blijf in de gang staan, vlak achter de deur, en spiek door het glas in de hoop dat ze de woonkamer of de eetkamer opzoeken, plekken waar ik ten minste iets zou kunnen opvangen zonder ontdekt te worden. Maar ze kiezen daar niet voor, ze blijven om de hoek in de keuken hangen, net buiten mijn zicht, terwijl ik hier in de gang vast kom te staan, gevangen tussen willen weten en niet gezien mogen worden. Ik zie niets, helemaal niets, maar ik hoor ze wel, en dat blijkt genoeg om mijn hoofd het werk te laten doen.
‘Weet je het zeker?’ hoor ik hem dan zeggen, en de manier waarop hij het vraagt maakt duidelijk dat dit geen losse opmerking is, maar een moment waarop iets verschuift, iets dat niet meer terug te draaien is zodra het eenmaal gebeurt. Zo voelt het in ieder geval, alsof dit het kantelpunt is. Anneloes hoor ik niet antwoorden, maar de stilte die volgt is niet leeg, eerder geladen, alsof haar reactie al gegeven is zonder woorden. Dan klinkt er plots een scherp, onmiskenbaar geluid dat door die stilte snijdt: een rits die wordt geopend. Het is te duidelijk om te negeren, en meteen hou ik mijn adem in, alsof zelfs dat geluid me kan verraden.
Daarna hoor ik hoe kleding beweegt, een zacht maar duidelijk herkenbaar geschuif van stof dat zich niet meer laat negeren en zich in mijn hoofd automatisch vertaalt naar beelden die ik niet eens bewust oproep, alsof mijn verbeelding sneller werkt dan ik zelf kan bijhouden. Het klinkt als meerdere lagen die verschuiven, eerst aarzelend en daarna doelgerichter, alsof ze zichzelf niet meer tegenhoudt zodra ze begonnen is, en dat ene detail maakt het direct concreet: dit is geen aarzeling meer, dit is een keuze die al gemaakt is. Een broek die zakt, stof die langs huid schuurt, en nog voordat ik het volledig heb kunnen plaatsen, hoor ik haar fluisteren: ‘O… mijn god…’ sneller dan ik had verwacht, alsof de realiteit haar in één keer raakt. In mijn hoofd duurt het langer, rekt het moment zich uit terwijl ik probeer te volgen wat er gebeurt. Ik hoor hoe hij zich losmaakt, hoe zijn broek naar beneden gaat, hoe de spanning zich opbouwt in dat ene detail dat alles zegt zonder dat ik het zie. ‘Dat kan niet,’ voegt ze er fluisterend aan toe, en ik klem mijn hand steviger om de deurpost, alsof dat me dichter bij het beeld brengt dat ik niet heb.
Ik wil het zien, hoe ze kijkt, waar haar ogen naartoe gaan, hoe ze reageert op wat voor haar staat, maar ik krijg alleen flarden geluid en de rest moet ik zelf invullen. In mijn hoofd beweegt het beeld zich vanzelf, groeit het uit tot iets dat misschien niet eens klopt, maar wel echt voelt. Het wordt stil daarna, te stil bijna, en juist die stilte maakt het ondraaglijk, omdat ik niet weet of ze daar gewoon staat, of dat er al meer gebeurt dan ik kan horen.
Ik slik, voel mijn eigen lichaam reageren op iets wat ik niet eens echt waarneem, en de spanning bouwt zich op tot een punt waarop het bijna pijn doet, of dat verbeeld ik me misschien ook, omdat alles op dit moment samenvalt.
En dan, door die stilte heen, hoor ik haar stem weer, zachter dan daarvoor, bijna aarzelend, maar duidelijk genoeg om niet te missen: ‘Mag ik?’ Het is zo zacht dat ik even twijfel of ik het goed hoor, maar de toon verraadt genoeg, want het is geen vraag die zomaar wordt gesteld. Nerveus, maar doelgericht. Wat ze precies vraagt, blijft open, maar de richting is duidelijk.
Er volgt geen direct antwoord, maar ik hoor haar bewegen over de keukenvloer, twee kleine stappen die dichterbij komen, en dan een zucht van hem, diep en onmiskenbaar. ‘Doet het zeer?’ vraagt ze, en in die vraag zit iets dat verder gaat dan alleen kijken.
Ze raakt hem, dat weet ik zonder het te zien, eerst voorzichtig, bijna zoekend, alsof ze zelf nog niet helemaal weet wat ze doet, maar toch doorgaat omdat ze al te ver is om nog terug te stappen.
Wat ze precies bedoelt of voelt, kan ik niet zeker weten, en hij lijkt er ook geen woorden aan te geven, want het enige wat volgt is nog een zucht, zwaarder deze keer, terwijl ik met open ogen in de gang sta en niets zie wat daadwerkelijk voor me gebeurt. Alles speelt zich af in mijn hoofd, opgebouwd uit geluiden en aannames.
Ik zie hem voor me, leunend tegen het aanrecht, zijn houding half ontspannen en half gespannen, alsof hij controle houdt maar die controle tegelijkertijd laat vieren, terwijl zij te dicht bij hem staat om het nog toevallig te noemen, haar lichaam net binnen zijn ruimte, dicht genoeg om elke kleine beweging te voelen en daarop te reageren. Ik stel me voor hoe haar blik niet meer afdwaalt maar gefixeerd raakt, hoe haar ademhaling subtiel verandert terwijl ze zich realiseert wat er voor haar staat en wat ze daadwerkelijk aan het doen is, en hoe dat besef haar niet afremt maar juist verder duwt. Haar hand beweegt, langzaam en aftastend, alsof ze elke centimeter bewust ervaart.
Ze zei dat ze alleen wilde kijken, en dat was misschien waar toen ze hier binnenkwam, maar ze beweegt niet weg, integendeel, ze blijft en gaat verder, en dat maakt duidelijk dat die grens al lang is verschoven.
Hij laat het toe, misschien zelfs meer dan dat, en wat er precies gebeurt kan ik niet zien, maar het gaat verder dan alleen kijken, dat is nu al duidelijk. Zo snel dat het bijna onwerkelijk voelt.
Is het dan zo simpel, vraag ik me af, en zo ja, voor wie eigenlijk? Voor haar, voor hem, of alleen in mijn hoofd?
Weer een zucht. ‘Je weet het wel…’ hoor ik hem fluisteren, bijna ongrijpbaar in wat hij bedoelt, terwijl zij zachtjes reageert, haar ademhaling al veranderd: ‘Hij is echt… je bent enorm…’ Haar woorden komen er in stukjes uit, alsof ze moeite heeft om ze te vormen.
‘Dit gaf je haar?’ vraagt ze daarna, zonder pauze, en ik voel hoe mijn aandacht zich scherper richt, omdat dit ineens direct over Alies gaat, en daarmee ook over mij.
‘Ze smeekte erom,’ zegt hij, en hij lacht erbij, niet overdreven, maar overtuigend genoeg om het geloofwaardig te maken, zeker in combinatie met alles wat ik al weet en nu hoor.
Wanneer hij haar vervolgens vraagt of ze hier kwam om te sporten, legt hij het bijna achteloos neer, maar de stilte die daarna valt zegt genoeg over wat er werkelijk speelt. Gaat dit echt gebeuren? Misschien niet met Alies, maar met Anneloes, en ergens voelt dat veiliger, al weet ik niet precies waarom.
Ik slik opnieuw en luister naar haar ademhaling, die sneller wordt, en hoor haar zacht lachen, alsof ze zichzelf nog één keer relativeert voordat ze verder gaat.
‘Eventjes,’ fluistert ze, en in dat ene woord zit alles besloten.
Ik denk te horen hoe ze zakt, hoe haar positie verandert met een beweging die niet meer voorzichtig is maar doelgericht, alsof ze zich volledig committeert aan wat ze begonnen is, en daarna volgt een kort, nat geluid dat niets met praten te maken heeft en dat meteen alles bevestigt wat ik tot dat moment alleen nog maar invulde. Het is het soort geluid dat direct een fysiek beeld oproept, zonder dat daar nog interpretatie voor nodig is, en het blijft niet bij één keer, maar herhaalt zich subtiel, ritmisch bijna, alsof ze haar eigen tempo zoekt en daarin steeds zekerder wordt.
‘Fuck…’ fluistert ze, en haar ademhaling verandert direct, wordt onregelmatig, sneller, alsof ze zich laat meeslepen door wat er gebeurt.
‘Zo ja,’ zegt hij rustig, beheerst, alsof hij volledig controle houdt over het moment.
Ik denk te weten wat er gebeurt, want het kan bijna niet anders, en toch blijft er een kleine twijfel omdat ik niets zie, alleen hoor en invul.
En dan zo rustig blijven, denk ik, terwijl ik zelf allang de controle zou verliezen, terwijl zij zachtjes kreunt, gedempt maar duidelijk aanwezig. Het klinkt alsof zij eerder bereikt wat ze zoekt, sneller dan ik had verwacht.
Ik slik opnieuw, voel hoe de spanning zich opstapelt tot het punt waarop het bijna te veel wordt om stil te blijven staan, gevangen tussen opwinding, onbegrip en het constante besef dat ik geen visuele bevestiging heb van wat er gebeurt, waardoor alles tegelijk scherper en ongrijpbaarder wordt. Mijn lichaam reageert sneller dan mijn gedachten kunnen volgen, en juist dat gebrek aan controle maakt het intenser, omdat elk geluid, elke zucht en elke kleine verandering in hun ademhaling direct binnenkomt zonder filter.
Ik kan niet naar binnen stappen, ik kan het niet zien, en juist dat maakt het ondraaglijk.
Dus moet ik het stoppen, concludeer ik, al weet ik niet eens of dat werkelijk is wat ik wil.
Terwijl de natte geluiden op de achtergrond doorgaan, sluip ik weer naar boven, net zo stil als ik naar beneden kwam, en ga terug naar mijn kantoor alsof dat de enige plek is waar ik mezelf weer onder controle kan krijgen. Ik ga zitten, wacht even zonder iets te doen, en sta dan weer op, alsof stilzitten het alleen maar erger maakt.
Fluitend en neuriënd, overdreven achteloos, doe ik de deur achter me dicht en loop met zwaardere stappen de trap af, bewust minder voorzichtig dan eerder, omdat ik nu gezien mag worden. Mijn lichaam reageert nog steeds, maar ik duw dat weg, dwing mezelf om normaal te doen.
‘Waar zijn m’n sleutels…’ mompel ik half hardop, terwijl ik in de gang mijn jaszakken naloop, een toneelstukje dat logisch genoeg moet overkomen om geloofwaardig te zijn.
Daarna loop ik door naar de keuken, zogenaamd om iets te drinken te pakken, omdat dat de meest vanzelfsprekende reden is om daar binnen te komen.
Buiten tref ik Byron aan, zittend op een tuinstoel met een flesje water in zijn hand, alsof hij net pauze heeft genomen en niets bijzonders is gebeurd. Staan lukt hem waarschijnlijk niet eens op dit moment, maar daar laat hij niets van merken.
Hij kijkt op, knikt kort.
‘Pauze?’ vraagt hij.
‘Ja,’ antwoord ik, even kort, terwijl ik doe alsof ik nergens van weet en niets heb gehoord.
En Anneloes?
Die is nergens te bekennen.
Af en toe hoorde ik hem beneden, al was het nooit storend of nadrukkelijk aanwezig, omdat Byron zich bijna geruisloos door het huis bewoog en alleen het hoognodige deed. Hij had een radiootje zacht aanstaan, neuriede zo nu en dan mee zonder zich daarvan bewust te zijn en beperkte zijn woorden tot wat functioneel was, waardoor er niets was om op aan te merken. In theorie gaf dat mij de ruimte om gewoon door te werken en me te concentreren, en ergens werkte dat ook, maar die rust had een onderlaag die bleef wringen.
Terwijl ik boven zat en hij beneden, werd steeds duidelijker dat het moment waarop hij klaar zou zijn dichterbij kwam, en dat hij daarna weer zou vertrekken, iets wat misschien wel de meest logische uitkomst was van deze situatie. Toch bleef er een onrust hangen die zich niet liet wegredeneren, alsof er iets stond te gebeuren wat nog niet zichtbaar was.
Die onrust bleek niet alleen van mij te zijn, want wanneer ik plots voetstappen in het grind hoor, valt het meteen op hoe bewust ze geplaatst worden, alsof iemand probeert onopgemerkt te blijven, maar daar niet volledig in slaagt. De beweging gaat langs het huis, richting de achterkant, en nog voordat ik haar echt zie, weet ik al dat dit geen toeval is.
Wanneer ik door het raam kijk, half verscholen achter het gordijn alsof dat vanzelf gebeurt, zie ik haar staan en trek ik me instinctief iets verder terug. Het is niet Alies die daar staat, maar Anneloes, precies op de plek waar de open keukendeur uitkomt en waar Byron aan het werk is, alsof ze haar moment zorgvuldig heeft gekozen.
‘Hey,’ zegt hij kort, zonder zichtbare verrassing.
‘O, hoi,’ reageert ze op een manier die verbaasd moet overkomen, maar die dat net niet helemaal is.
Ik trap er niet in, en ergens ga ik ervan uit dat hij dat ook niet doet.
Ze draagt een sporttasje dat op het eerste gezicht logisch lijkt bij haar verschijning, omdat ze er sportief uitziet, maar juist dat maakt het te zorgvuldig gekozen om toevallig te zijn. Alles aan haar uitstraling voelt samengesteld, alsof het doel niet het sporten is, maar het effect dat ze ermee bereikt.
‘Is Alies er niet? We zouden sporten,’ zegt ze tegen Byron, met een lichte aarzeling die moet suggereren dat ze dit niet had verwacht.
Het is de eerste leugen, en die herken ik meteen, omdat ik weet wanneer ze normaal gesproken gaan sporten en hoe Anneloes er dan uitziet, en dit is daar geen afspiegeling van. Dit is niet functioneel, maar intentioneel, en dat verschil is te duidelijk om te negeren.
Dat neemt niet weg dat ze gezien mag worden, want het beeld dat ze neerzet is overtuigend, en ik ben niet blind voor wat ze laat zien. Mijn gedachten zijn eerder al eens haar kant op gegaan, en de laatste tijd zelfs in combinaties waarin Byron ook een rol speelde, iets wat haar uitstraling nu alleen maar versterkt.
Haar topje sluit overal nauw aan, van haar hals tot net onder haar schouders waar de korte mouwtjes eindigen, en verder naar beneden tot net onder haar middenrif, waardoor haar vormen subtiel maar duidelijk worden benadrukt. Het wit van de stof, met een vlinder centraal op haar borst, trekt het oog zonder expliciet te worden, terwijl haar platte buik bijna naadloos overloopt in de zwarte sportlegging die haar silhouet verder versterkt.
Ik vraag me af hoe vrij ze werkelijk is, al weet ik dat ze geen relatie heeft en dus in principe nergens door wordt tegengehouden, behalve door haar eigen keuzes.
Aan haar pols hangen meerdere dunne armbanden die in het zonlicht oplichten wanneer ze haar hand door haar lange, bruine haren laat gaan, een beweging die achteloos lijkt maar precies past binnen het beeld dat ze neerzet. En hoewel ik Byron niet direct zie, weet ik zeker dat hij dezelfde details waarneemt als ik, omdat ze te nadrukkelijk aanwezig zijn om te missen.
Ze is een mooie vrouw die zichtbaar moeite doet om op te vallen, en dat maakt het des te interessanter om te zien hoe hij daarop reageert.
Ik weet van mezelf dat ik hier waarschijnlijk niet ongevoelig voor zou zijn, maar bij Byron ligt dat anders, en juist dat maakt het lastig om te voorspellen wat er gaat gebeuren.
Wat wel vaststaat, is dat haar aanwezigheid geen toeval is en dat ze bewust heeft gekozen voor dit moment, waarin Alies afwezig is en Byron aanwezig, terwijl de mogelijkheid bestaat dat ik ergens in huis ben.
Toch blijf ik stil en doe ik alsof ik er niet ben, omdat het gevoel dat ze met een doel is gekomen steeds sterker wordt en ik wil zien hoe ver ze daarin zal gaan.
Ze blijft buiten staan en leunt tegen de post alsof ze zich daar op haar gemak voelt, terwijl ze een gesprek begint dat luchtig moet overkomen, maar inhoudelijk weinig betekent en Alies al snel volledig uit beeld verdwijnt. Haar vragen zijn eenvoudig en bijna oppervlakkig, alsof ze tijd probeert te vullen zonder echt ergens naartoe te werken.
‘Doe je dit soort dingen vaak?’ vraagt ze, waarna ze eraan toevoegt dat het haar moeilijk lijkt, iets wat meer zegt over haar intentie dan over haar interesse.
Het gesprek dat volgt, strekt zich uit over enkele minuten waarin woorden worden uitgewisseld die nauwelijks betekenis dragen, omdat zij wel interesse toont, maar niet in het onderwerp waarover ze praat. Hij antwoordt wel, maar houdt het kort en stelt geen vragen terug, waardoor er vanzelf stiltes ontstaan die zij niet opvult door te vertrekken, maar door te blijven.
In die stiltes zie ik haar soms naar hem lachen, terwijl ik hem zelf niet zie, en juist dat maakt de situatie intenser, omdat ik moet invullen wat er gebeurt tussen de momenten die ik wel kan waarnemen. Fluistert hij iets, of kijkt hij haar alleen aan, en hoe reageert zij daarop wanneer er niets wordt gezegd?
Ik vind haar oprecht adembenemend, en het lijkt me onmogelijk dat hij dat niet ook zo ervaart, maar tegelijkertijd weet ik dat hij niet meer degene is die hij vroeger was. Hij is veranderd in iemand die stabiliteit heeft opgebouwd, met verantwoordelijkheden die verder gaan dan dit moment, en dat maakt zijn reactie minder voorspelbaar.
Toch is het duidelijk dat ze flirt, al doet ze dat voorzichtig en zonder uitgesproken woorden, waardoor de spanning zich verplaatst van wat gezegd wordt naar wat tussen de regels gebeurt.
Wanneer hij even later naar buiten stapt met een flesje water om een korte pauze te nemen, verschuift de dynamiek merkbaar, omdat hij voor het eerst zelf een vraag stelt.
‘Wat doe je voor sport?’ vraagt hij, en die onverwachte wending zorgt ervoor dat ze zichtbaar schrikt, alsof ze hier geen rekening mee had gehouden.
‘Niet wat jij doet,’ antwoordt ze, terwijl ze haar hand op zijn brede schouder legt, een gebaar dat directer is dan alles wat daarvoor gebeurde.
Hij kijkt naar haar hand en reageert slechts met een kort geluid, iets wat niet direct afwijzend is, maar ook geen bevestiging geeft.
‘Ik hou niet van spelletjes,’ zegt hij vervolgens, zonder omwegen, waardoor haar houding opnieuw verandert en de luchtigheid van eerder plaatsmaakt voor iets serieuzers.
Wanneer hij vraagt wat ze hier komt doen, doet hij dat op een rustige maar dominante manier, zonder ruimte te laten voor ontwijkende antwoorden, en het is duidelijk dat hij al weet wat haar intentie is.
Ze aarzelt even en neemt een moment waarin ze nog zou kunnen terugtrekken zonder dat het volledig uit de hand loopt, maar ze kiest ervoor om te blijven en door te zetten, alsof ze zich al heeft vastgelegd op wat ze wil bereiken.
‘Hoorde dat jij en Alies elkaar goed kennen,’ zegt ze, op een manier die meer een constatering is dan een vraag, en daarmee direct een andere laag in het gesprek aanboort.
Hij reageert met een korte, bijna geïrriteerde ademhaling, en op dat moment wordt duidelijk dat hij precies begrijpt waar dit naartoe gaat.
‘Dat kan je wel zeggen,’ antwoordt hij, zonder zijn toon te veranderen.
Wanneer ze vraagt of hij dat weet, of dat hij het misschien niet weet, voel ik hoe de woorden ineens dichterbij komen, alsof ze niet alleen tussen hen in blijven, maar ook mij raken.
Ik trek me nog verder terug, ondanks dat ik blijf luisteren, omdat dit gesprek nu direct over mij gaat, of in ieder geval over iets waar ik onderdeel van ben.
‘Hoeft ook niet. Dat was toen. Voor hem,’ zegt hij, op een manier die het klein probeert te maken, terwijl ik juist voel hoe groot het eigenlijk is.
Ik slik en blijf luisteren, omdat stoppen geen optie meer is, hoe ongemakkelijk het ook wordt.
Wanneer hij vraagt of dat de reden is dat ze hier is, klinkt het kortaf, maar tegelijkertijd duwt hij haar daarmee verder in de richting waarin ze al bewoog.
Ze ontkent het niet echt, maar formuleert haar antwoord zo dat het ruimte laat voor wat ze eigenlijk wil zeggen.
‘Het is vast fout, maar ik wilde wel weten of het waar is wat ze allemaal zegt,’ zegt ze, en in die formulering zit geen echte twijfel meer, alleen nog een laatste poging om het acceptabel te maken.
Ze kwam hier al met die intentie, en dat wordt nu alleen maar duidelijker.
‘Ik doe dat niet meer,’ zegt hij, en ergens voelt het alsof die woorden niet alleen voor haar bedoeld zijn, maar ook voor mij, alsof hij zich bewust is van mijn aanwezigheid.
Het geeft een vorm van geruststelling, maar tegelijk ook een lichte teleurstelling die ik niet direct kan plaatsen.
Wanneer zij reageert door te zeggen dat ze het begrijpt, dat hij een vrouw en kinderen heeft, maar dat alleen kijken toch geen kwaad kan, ligt haar voorstel eindelijk open op tafel, zonder verdere verhulling.
Mijn nieuwsgierigheid groeit op dat moment tot het punt waarop ik me bijna verder uit het raam wil bewegen om niets te missen, zeker wanneer hij zijn stem verlaagt en de woorden minder duidelijk worden.
‘Alleen kijken?’ herhaalt hij, met een ondertoon die moeilijk te plaatsen is, ergens tussen cynisme en interesse.
Ze knikt, glimlacht en bijt kort op haar lip, een kleine beweging die alles samenvat wat ze niet expliciet uitspreekt.
Wanneer hij uiteindelijk simpelweg zegt dat ze naar binnen moeten, voelt dat als een beslissing die al langer in de lucht hing, en zonder verdere woorden bewegen ze zich langzaam richting het huis, waarbij de spanning niet afneemt, maar juist verder oploopt.
Stil op mijn sokken haast ik me de trap af, niet rennend maar ook niet rustig, met die gespannen voorzichtigheid die ontstaat wanneer je weet dat je iets niet hoort te doen en het daarom juist des te meer wilt. Dit moet ik zien, of in ieder geval zo dicht mogelijk benaderen, al is het maar door te luisteren en het in mijn hoofd in te vullen. Alleen kijken, houd ik mezelf voor, alsof dat nog een grens is die overeind blijft. Ik blijf in de gang staan, vlak achter de deur, en spiek door het glas in de hoop dat ze de woonkamer of de eetkamer opzoeken, plekken waar ik ten minste iets zou kunnen opvangen zonder ontdekt te worden. Maar ze kiezen daar niet voor, ze blijven om de hoek in de keuken hangen, net buiten mijn zicht, terwijl ik hier in de gang vast kom te staan, gevangen tussen willen weten en niet gezien mogen worden. Ik zie niets, helemaal niets, maar ik hoor ze wel, en dat blijkt genoeg om mijn hoofd het werk te laten doen.
‘Weet je het zeker?’ hoor ik hem dan zeggen, en de manier waarop hij het vraagt maakt duidelijk dat dit geen losse opmerking is, maar een moment waarop iets verschuift, iets dat niet meer terug te draaien is zodra het eenmaal gebeurt. Zo voelt het in ieder geval, alsof dit het kantelpunt is. Anneloes hoor ik niet antwoorden, maar de stilte die volgt is niet leeg, eerder geladen, alsof haar reactie al gegeven is zonder woorden. Dan klinkt er plots een scherp, onmiskenbaar geluid dat door die stilte snijdt: een rits die wordt geopend. Het is te duidelijk om te negeren, en meteen hou ik mijn adem in, alsof zelfs dat geluid me kan verraden.
Daarna hoor ik hoe kleding beweegt, een zacht maar duidelijk herkenbaar geschuif van stof dat zich niet meer laat negeren en zich in mijn hoofd automatisch vertaalt naar beelden die ik niet eens bewust oproep, alsof mijn verbeelding sneller werkt dan ik zelf kan bijhouden. Het klinkt als meerdere lagen die verschuiven, eerst aarzelend en daarna doelgerichter, alsof ze zichzelf niet meer tegenhoudt zodra ze begonnen is, en dat ene detail maakt het direct concreet: dit is geen aarzeling meer, dit is een keuze die al gemaakt is. Een broek die zakt, stof die langs huid schuurt, en nog voordat ik het volledig heb kunnen plaatsen, hoor ik haar fluisteren: ‘O… mijn god…’ sneller dan ik had verwacht, alsof de realiteit haar in één keer raakt. In mijn hoofd duurt het langer, rekt het moment zich uit terwijl ik probeer te volgen wat er gebeurt. Ik hoor hoe hij zich losmaakt, hoe zijn broek naar beneden gaat, hoe de spanning zich opbouwt in dat ene detail dat alles zegt zonder dat ik het zie. ‘Dat kan niet,’ voegt ze er fluisterend aan toe, en ik klem mijn hand steviger om de deurpost, alsof dat me dichter bij het beeld brengt dat ik niet heb.
Ik wil het zien, hoe ze kijkt, waar haar ogen naartoe gaan, hoe ze reageert op wat voor haar staat, maar ik krijg alleen flarden geluid en de rest moet ik zelf invullen. In mijn hoofd beweegt het beeld zich vanzelf, groeit het uit tot iets dat misschien niet eens klopt, maar wel echt voelt. Het wordt stil daarna, te stil bijna, en juist die stilte maakt het ondraaglijk, omdat ik niet weet of ze daar gewoon staat, of dat er al meer gebeurt dan ik kan horen.
Ik slik, voel mijn eigen lichaam reageren op iets wat ik niet eens echt waarneem, en de spanning bouwt zich op tot een punt waarop het bijna pijn doet, of dat verbeeld ik me misschien ook, omdat alles op dit moment samenvalt.
En dan, door die stilte heen, hoor ik haar stem weer, zachter dan daarvoor, bijna aarzelend, maar duidelijk genoeg om niet te missen: ‘Mag ik?’ Het is zo zacht dat ik even twijfel of ik het goed hoor, maar de toon verraadt genoeg, want het is geen vraag die zomaar wordt gesteld. Nerveus, maar doelgericht. Wat ze precies vraagt, blijft open, maar de richting is duidelijk.
Er volgt geen direct antwoord, maar ik hoor haar bewegen over de keukenvloer, twee kleine stappen die dichterbij komen, en dan een zucht van hem, diep en onmiskenbaar. ‘Doet het zeer?’ vraagt ze, en in die vraag zit iets dat verder gaat dan alleen kijken.
Ze raakt hem, dat weet ik zonder het te zien, eerst voorzichtig, bijna zoekend, alsof ze zelf nog niet helemaal weet wat ze doet, maar toch doorgaat omdat ze al te ver is om nog terug te stappen.
Wat ze precies bedoelt of voelt, kan ik niet zeker weten, en hij lijkt er ook geen woorden aan te geven, want het enige wat volgt is nog een zucht, zwaarder deze keer, terwijl ik met open ogen in de gang sta en niets zie wat daadwerkelijk voor me gebeurt. Alles speelt zich af in mijn hoofd, opgebouwd uit geluiden en aannames.
Ik zie hem voor me, leunend tegen het aanrecht, zijn houding half ontspannen en half gespannen, alsof hij controle houdt maar die controle tegelijkertijd laat vieren, terwijl zij te dicht bij hem staat om het nog toevallig te noemen, haar lichaam net binnen zijn ruimte, dicht genoeg om elke kleine beweging te voelen en daarop te reageren. Ik stel me voor hoe haar blik niet meer afdwaalt maar gefixeerd raakt, hoe haar ademhaling subtiel verandert terwijl ze zich realiseert wat er voor haar staat en wat ze daadwerkelijk aan het doen is, en hoe dat besef haar niet afremt maar juist verder duwt. Haar hand beweegt, langzaam en aftastend, alsof ze elke centimeter bewust ervaart.
Ze zei dat ze alleen wilde kijken, en dat was misschien waar toen ze hier binnenkwam, maar ze beweegt niet weg, integendeel, ze blijft en gaat verder, en dat maakt duidelijk dat die grens al lang is verschoven.
Hij laat het toe, misschien zelfs meer dan dat, en wat er precies gebeurt kan ik niet zien, maar het gaat verder dan alleen kijken, dat is nu al duidelijk. Zo snel dat het bijna onwerkelijk voelt.
Is het dan zo simpel, vraag ik me af, en zo ja, voor wie eigenlijk? Voor haar, voor hem, of alleen in mijn hoofd?
Weer een zucht. ‘Je weet het wel…’ hoor ik hem fluisteren, bijna ongrijpbaar in wat hij bedoelt, terwijl zij zachtjes reageert, haar ademhaling al veranderd: ‘Hij is echt… je bent enorm…’ Haar woorden komen er in stukjes uit, alsof ze moeite heeft om ze te vormen.
‘Dit gaf je haar?’ vraagt ze daarna, zonder pauze, en ik voel hoe mijn aandacht zich scherper richt, omdat dit ineens direct over Alies gaat, en daarmee ook over mij.
‘Ze smeekte erom,’ zegt hij, en hij lacht erbij, niet overdreven, maar overtuigend genoeg om het geloofwaardig te maken, zeker in combinatie met alles wat ik al weet en nu hoor.
Wanneer hij haar vervolgens vraagt of ze hier kwam om te sporten, legt hij het bijna achteloos neer, maar de stilte die daarna valt zegt genoeg over wat er werkelijk speelt. Gaat dit echt gebeuren? Misschien niet met Alies, maar met Anneloes, en ergens voelt dat veiliger, al weet ik niet precies waarom.
Ik slik opnieuw en luister naar haar ademhaling, die sneller wordt, en hoor haar zacht lachen, alsof ze zichzelf nog één keer relativeert voordat ze verder gaat.
‘Eventjes,’ fluistert ze, en in dat ene woord zit alles besloten.
Ik denk te horen hoe ze zakt, hoe haar positie verandert met een beweging die niet meer voorzichtig is maar doelgericht, alsof ze zich volledig committeert aan wat ze begonnen is, en daarna volgt een kort, nat geluid dat niets met praten te maken heeft en dat meteen alles bevestigt wat ik tot dat moment alleen nog maar invulde. Het is het soort geluid dat direct een fysiek beeld oproept, zonder dat daar nog interpretatie voor nodig is, en het blijft niet bij één keer, maar herhaalt zich subtiel, ritmisch bijna, alsof ze haar eigen tempo zoekt en daarin steeds zekerder wordt.
‘Fuck…’ fluistert ze, en haar ademhaling verandert direct, wordt onregelmatig, sneller, alsof ze zich laat meeslepen door wat er gebeurt.
‘Zo ja,’ zegt hij rustig, beheerst, alsof hij volledig controle houdt over het moment.
Ik denk te weten wat er gebeurt, want het kan bijna niet anders, en toch blijft er een kleine twijfel omdat ik niets zie, alleen hoor en invul.
En dan zo rustig blijven, denk ik, terwijl ik zelf allang de controle zou verliezen, terwijl zij zachtjes kreunt, gedempt maar duidelijk aanwezig. Het klinkt alsof zij eerder bereikt wat ze zoekt, sneller dan ik had verwacht.
Ik slik opnieuw, voel hoe de spanning zich opstapelt tot het punt waarop het bijna te veel wordt om stil te blijven staan, gevangen tussen opwinding, onbegrip en het constante besef dat ik geen visuele bevestiging heb van wat er gebeurt, waardoor alles tegelijk scherper en ongrijpbaarder wordt. Mijn lichaam reageert sneller dan mijn gedachten kunnen volgen, en juist dat gebrek aan controle maakt het intenser, omdat elk geluid, elke zucht en elke kleine verandering in hun ademhaling direct binnenkomt zonder filter.
Ik kan niet naar binnen stappen, ik kan het niet zien, en juist dat maakt het ondraaglijk.
Dus moet ik het stoppen, concludeer ik, al weet ik niet eens of dat werkelijk is wat ik wil.
Terwijl de natte geluiden op de achtergrond doorgaan, sluip ik weer naar boven, net zo stil als ik naar beneden kwam, en ga terug naar mijn kantoor alsof dat de enige plek is waar ik mezelf weer onder controle kan krijgen. Ik ga zitten, wacht even zonder iets te doen, en sta dan weer op, alsof stilzitten het alleen maar erger maakt.
Fluitend en neuriënd, overdreven achteloos, doe ik de deur achter me dicht en loop met zwaardere stappen de trap af, bewust minder voorzichtig dan eerder, omdat ik nu gezien mag worden. Mijn lichaam reageert nog steeds, maar ik duw dat weg, dwing mezelf om normaal te doen.
‘Waar zijn m’n sleutels…’ mompel ik half hardop, terwijl ik in de gang mijn jaszakken naloop, een toneelstukje dat logisch genoeg moet overkomen om geloofwaardig te zijn.
Daarna loop ik door naar de keuken, zogenaamd om iets te drinken te pakken, omdat dat de meest vanzelfsprekende reden is om daar binnen te komen.
Buiten tref ik Byron aan, zittend op een tuinstoel met een flesje water in zijn hand, alsof hij net pauze heeft genomen en niets bijzonders is gebeurd. Staan lukt hem waarschijnlijk niet eens op dit moment, maar daar laat hij niets van merken.
Hij kijkt op, knikt kort.
‘Pauze?’ vraagt hij.
‘Ja,’ antwoord ik, even kort, terwijl ik doe alsof ik nergens van weet en niets heb gehoord.
En Anneloes?
Die is nergens te bekennen.
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
