Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 27-01-2026 | Cijfer: 8 | Gelezen: 88
Lengte: Lang | Leestijd: 26 minuten | Lezers Online: 1
Relatiestatus
We komen hand in hand het appartementje van de meiden binnen, waar de meesten zich inmiddels hebben verzameld, maar niet iedereen. Het voelt kleiner dan eerder op de avond, niet omdat de ruimte is veranderd, maar omdat er mensen ontbreken. Kamila hangt haar jas op aan een haak die al te vol zit. Ik zie mezelf kijken naar haar silhouet, naar de manier waarop ze even blijft staan voordat ze zich omdraait, alsof ze kort checkt of iedereen er is — of juist wie er niet is. Haar ogen zijn veelbelovend, warm, aanwezig. Nog altijd dat hardnekkige idee dat de avond voor mij pas net begonnen is.

We missen Sophia. Ze had de groep al eerder verlaten en is hier niet meer. Dat laten we niet volledig onbesproken, maar ook niet uitgesproken. Haar naam valt één keer, half, alsof iemand hem per ongeluk hardop denkt. Daarna blijft het stil. We maken ons wel enigszins zorgen om haar, dat voel ik aan alles. Zo’n meid. Alleen dat jurkje. Geen ondergoed. En het feit dat ze eerder al haast had met seks — dat durf ik inmiddels wel te stellen — vormen samen een slechte combinatie met de bui waarin ze zat en de hoeveelheid drank die ze op had. Het blijft ergens knagen, als een los draadje waar niemand aan wil trekken omdat het groter kan worden dan gewenst. Dus gaan we door.

Ik merk hoe mijn blik even blijft hangen bij de plek waar zij normaal gesproken zou staan. Niet uit verlangen, maar uit gewoonte. Het is vreemd hoe snel iemand een vaste positie kan innemen in een ruimte, en hoe leeg diezelfde ruimte aanvoelt wanneer die positie plotseling niet meer wordt ingevuld. Niemand zegt dat hardop. Dat hoeft ook niet. Het zit in de manier waarop gesprekken net iets te snel van onderwerp wisselen.

We staan in de keuken en schenken nog een laatste drankje in. Voor iedereen iets zonder alcohol: water, sap, iets fris om de scherpte van de avond weg te spoelen. Het is een stilzwijgende afspraak. De avond is voorbij, dat weten we allemaal. En toch is er spanning voelbaar die ik niet helemaal kan plaatsen, alsof de nacht weigert zich netjes af te sluiten. Maja en Pawel zijn er niet. Mussa is er niet. Jeff is er niet. Nathalie is er niet. Hila ging meteen naar bed, zonder omhaal, alsof zij het punt van verzadiging al eerder had bereikt dan de rest.

Die afwezigheden stapelen zich op. Niet dramatisch, maar voelbaar. Elke naam die ontbreekt, legt een ander accent op wat er overblijft. Wat resteert is een kleinere groep, maar niet per se een rustigere. De dynamiek verandert; hij wordt intiemer en tegelijkertijd ongrijpbaarder.

Dus blijven we over met Elise en Hyun, en Alisha en Joey. We staan wat te kletsen, leunen tegen het aanrecht, blazen uit. Het gesprek gaat nergens specifiek over: flarden van de avond, losse opmerkingen, een korte lach. Iedereen is moe, maar niemand wil als eerste zeggen dat hij of zij naar bed gaat. Het is pas een uur of één ’s nachts — ook weer niet zo laat. Toch voelt het alsof we al een volledige nacht achter de rug hebben.

Ik observeer hoe Elise zich rustig door de ruimte beweegt, hoe Hyun meer luistert dan praat, hoe Alisha met haar handen om een glas warmte zoekt, en hoe Joey zichtbaar probeert de lucht licht te houden. Het zijn kleine gebaren, nauwelijks opvallend, maar samen vormen ze een patroon dat me niet ontgaat. Het is die constante onderhuidse spanning die zo vermoeiend is, en tegelijkertijd voor een merkwaardige hoeveelheid energie zorgt. Alsof iedereen voelt dat er nog iets in de lucht hangt, iets wat zich niet laat afdwingen, maar ook niet vanzelf zal verdwijnen.

En terwijl we daar staan, half thuiskomend en half nog onderweg, besef ik dat dit precies zo’n moment is waarop relaties niet verschuiven door grote woorden of daden, maar door wat er tussen de regels gebeurt. Door wie er wel is. Door wie er niet is. En door alles wat nog net niet wordt uitgesproken.

Maar ik heb één vaste constante: spanning die niet vermoeit, maar draagt. In de zin van Kamila. Of misschien beter gezegd: in Kamila’s 'zin', in haar manier van zijn. Ze had het al aangekondigd, niet met grote woorden, maar met een blik die bleef hangen en een hand die net iets langer rustte dan nodig. Ze was geil. Dat stond vast. En ik voelde dat niet als druk, maar als uitnodiging.

‘O, wilde je wat laten zien,’ zegt ze plots, terwijl we met de rest wat lachen om de dansmoves van sommigen eerder vanavond. Het klinkt achteloos, bijna speels, alsof het een terloopse gedachte is die haar net te binnen schiet. Alsof Kamila hier nog woonde, alsof ze iets wilde laten zien op haar kamer — een kamer die al lang niet meer de hare is. De vanzelfsprekendheid van haar toon is wat het doet. Er is geen vraag, geen aftasten. Alleen richting.

En toch volgt er geen twijfel. Niet bij haar, niet bij mij. Wanneer ik haar achterna loop, voel ik de blikken van Elise en Hyun in mijn rug, niet scherp, niet verwijtend, maar aandachtig. Alsof ze het weten. Alsof zij die uitnodiging ook hadden willen krijgen, of op zijn minst hadden willen voelen hoe het is om zo vanzelfsprekend gekozen te worden. Ik laat die gedachte voorbijgaan zonder haar vast te houden. Dit moment vraagt geen uitleg.

De gelukzalige lach op het gezicht van Kamila maakt dat ze ons niet volgen. Die lach is geen provocatie, geen triomf. Het is simpelweg zekerheid. Ze zet een grens zonder woorden, zonder dat iemand zich buitengesloten hoeft te voelen. Dit is van ons. Dit moment. Deze beweging, dit afslaan van de groep en het kiezen voor elkaar.

Het is de kamer van Hyun en Sophia. De kamer waar Kamila zal slapen. Ik niet. Dat gegeven hangt ergens tussen ons in, zonder zwaar te worden. Dus moet het nu maar, lijkt ze te denken. Niet uit haast, maar uit helderheid. Er is geen reden om te wachten. Geen reden om dit gevoel te parkeren. Er is geen haast, maar wel urgentie, het soort urgentie dat ontstaat wanneer verlangen lang genoeg is opgebouwd om niet meer genegeerd te kunnen worden.

Zodra de deur achter ons dichtvalt, verandert de lucht. Niet abrupt, maar merkbaar. Ze vliegt me bijna aan, maar het is geen aanval; het is herkenning. Haar handen glijden over mijn rug, mijn schouders, door mijn haar, alsof ze wil voelen of ik er echt ben, alsof ze zichzelf wil overtuigen dat dit moment van haar is. Haar tong vindt de mijne zonder aarzeling, zonder omwegen, en ik voel hoe alles in mij mee beweegt.

Ik grijp haar bij de heupen, stevig genoeg om haar te laten weten dat ik haar opvang, dat ik haar energie niet alleen ontvang maar ook teruggeef. Ik neem haar tempo over, vertraag waar zij versnelt, versnel waar zij even blijft hangen. Ik laat haar voelen hoe opgewonden ik zelf ben — hoe ik heb gewacht op een moment samen, op seks, op verbinding die niet hoeft te worden uitgelegd.

Haar blik is overweldigend. Niet omdat zij eist, maar omdat zij bevestigt. Allesbepalend, omdat zij zegt: dit klopt. Hier. Nu. En nog steeds is ze in staat om mij alles te laten vergeten wat buiten deze kamer ligt: de afwezigen, de spanningen, de onafgemaakte gesprekken. Dat is geen zwakte, bedenk ik me, maar een vorm van kracht. Het vermogen om aanwezig te zijn zonder alles mee te slepen.

Ik voel hoe de dag van me af glijdt. Hoe de week zich oplost in aanraking en ademhaling. Hoe deze periode, met al haar schuiven en schuren, even geen grip meer op me heeft. Dat is wenselijk. Niet als vlucht, maar als pauze. Een moment waarin niets hoeft te worden gedefinieerd behalve wat zich hier, tussen ons, afspeelt.

Ze gaat voor de deur staan. Misschien om hem dicht te houden, zodat we niet gestoord worden. Misschien om zeker te weten dat we gehoord worden. Beide kan. Beide is misschien wel waar. Het is die dubbelheid die haar beweging spanning geeft: bescherming en provocatie tegelijk. Ik blijf iets achter haar staan — genoeg afstand om te kijken, om te registeren, om ruimte te laten voor wat ze duidelijk al besloten heeft nog vóórdat ze het uitsprak.

‘Ik moet je voelen,’ fluistert ze. Zacht, maar zo zwoel dat het me harder maakt dan ooit. Haar stem zakt laag, schuurt langs mijn aandacht en draagt geen twijfel, alleen richting. Het is geen verzoek, geen vraag die beantwoord moet worden. Het is een constatering. Ze buigt voorover tegen de deur en trekt met één hand haar rokje langzaam omhoog over haar perfecte billen. Niet abrupt, niet gretig. Het is geen haastige beweging, eerder een weloverwogen uitnodiging die ze mij gunt om volledig te zien.

Ik zie de binnenkant van haar dijen glimmen van opwinding, de huid warm en gespannen. Wanneer ze verder vooroverbuigt, toont ze haar natte schaamlippen, gezwollen van verlangen, open en onmiskenbaar. Ze houdt niets achter, verbergt niets. Alles aan haar lichaam zegt hetzelfde als haar woorden: ze wil me. Nu. Snel. Genoeg. En in die eenvoud schuilt een helderheid die geen uitleg nodig heeft en niets meer hoeft toe te voegen.

Ik voel hoe mijn ademhaling zwaarder wordt, hoe mijn lichaam reageert voordat mijn gedachten zich kunnen ordenen. De ruimte tussen ons lijkt zich samen te trekken, alsof zelfs de lucht begrijpt dat wachten hier geen functie meer heeft. Haar houding tegen de deur is vast, maar niet gespannen. Ze leunt erop alsof ze weet dat ze wordt gedragen — door het hout achter haar en door wat zij van mij verwacht.

Mijn handen aarzelen geen moment wanneer ik dichterbij stap. Ze blijft staan — geduldig en uitnodigend. Ik neem de tijd niet omdat het moet, maar omdat het kan; omdat elk detail zich aanbiedt om gezien en gevoeld te worden. Ik wil mijn riem losmaken, haar nemen, het haar geven. Maar ik wacht. Ik houd mezelf in. Ik wil langer van haar genieten dan zij misschien toestaat. En toch weet ik hoe ik haar moet overhalen.

Ik ga tegen haar aan staan, mijn kruis tegen de plek waar die moet zijn, nog achter de stof van mijn broek. Ze kijkt naar me op. Ze kreunt bij de aanraking, bijt op haar lip. Ze wil me. Mijn hand wrijft over haar rug, bijna dominant — en ze vindt het heerlijk. Toch zijn wij gelijken. Elkaar het gunnen: dat is wat we doen.

Dus zak ik langzaam naar de grond, terwijl zij voorovergebogen blijft staan. Haar billen zijn warm onder mijn handpalmen, stevig en uitnodigend. Ik voel hoe ze haar rug iets holt, precies genoeg om me verder toe te laten zonder het te vragen. Mijn handen kneden haar billen — tegen elkaar en uit elkaar — en mijn tong glijdt eronder, dringt zich tussen haar schaamlippen. Haar hoofd tikt even tegen de deur.

Een onderdrukte kreun weet ze niet binnen te houden. Ze hijgt mijn naam, sist zachtjes van genot. Ik zit op mijn knieën achter haar en lik aan haar, gretig en precies. Een goed meisje. Dat zeker. En ik zit hier prima. Alle controle.

Al het genot dat door haar lichaam stroomt, is voelbaar — aanstekelijk. Niet wat ze wilde of verwachtte. Maar zoals altijd wordt het beter. Mijn handen pakken haar heupen; ik trek haar dichter naar me toe, haar billen hoger in de lucht. Mijn lippen en tong zoeken dieper tussen haar schaamlippen. En zo neem ik haar, mijn anker.

Ze slaakt een zachte zucht, nauwelijks hoorbaar, maar ik voel hem door haar lichaam heen gaan. Het is het geluid van bevestiging; van weten dat dit moment precies is wat het moet zijn. Geen vraag, geen aarzeling. Haar vingers spreiden zich tegen de deur, nagels licht in het hout gedrukt, alsof ze houvast zoekt terwijl ze zich tegelijk volledig overgeeft. Trillend staat ze daar, net klaargekomen, ogen gesloten, mond halfopen, haar wang tegen de deur gedrukt. De ruimte ruikt naar warmte en naar haar, naar iets wat net is gebeurd en nog nasiddert.

Ze kijkt niet om wanneer ik opsta. Dat hoeft ook niet. Ze blijft gewoon staan, leunend tegen de deur, alsof elke andere houding nu overbodig is geworden. Haar lichaam heeft besloten en volgt die beslissing zonder commentaar. Ik neem een fractie van een seconde om haar zo te zien: hoe haar schouders langzaam zakken, hoe haar ademhaling onregelmatig blijft, hoe haar heupen nog subtiel bewegen, alsof ze het ritme vasthouden dat zojuist door haar heen ging.

Dan maak ik rustig mijn broek los. Geen haast. Geen behoefte om dit moment te versnellen. Ik wil dat de overgang voelbaar is, dat zij hoort en weet wat er komt zonder dat ik het aankondig. De stilte tussen ons is dik en geladen, niet leeg. Ik ben zo hard dat het bijna pijn doet; mijn broek zakt naar mijn enkels en ik stap eruit zonder mijn blik van haar af te halen.

Op dat moment opent ze haar ogen. Haar rode haren vallen half voor haar gezicht, plakkerig van zweet, ongeordend op een manier die haar alleen maar meer zichzelf maakt. Ze lacht — bijna duivels — haar blik vast op de mijne gericht, haar houding onveranderd. Die lach zegt alles: dat ze dit verwachtte, dat ze het wil, dat ze me hier heeft. Misschien gaan haar billen nog iets hoger, een minimale beweging, maar genoeg om de uitnodiging onmiskenbaar te maken.

Ik pak haar heupen weer vast, mijn duimen diep in haar huid, en druk mezelf naar binnen. Langzaam. Bewust. Ik voel hoe ze me opneemt, hoe haar lichaam zich opent zonder verzet, hoe de warmte en de spanning samenkomen. Diep. Ik blijf even stil staan, volledig in haar, alsof ik haar de tijd wil geven om me opnieuw te voelen.

Haar rug holt zich verder, haar mond wijkt open. Geen geluid. Ze houdt zich in, bijt het weg, probeert controle te houden over iets dat zich niet laat temmen. Maar bij het stoten lukt het niet stil te blijven. Een gedempt geluid ontsnapt haar, rauw en eerlijk. Haar hoofd bonkt soms tegen de deur, elke keer per ongeluk, elke keer net hard genoeg om haar eraan te herinneren waar ze is. Het is nodig. Even seks. Maar nooit zomaar seks. Goed. Lekker. Noodzakelijk.

Mijn handen blijven stevig op haar heupen, sturen haar zonder haar vast te zetten. Haar krapte spant zich om mijn schacht; mijn eikel drukt tegen haar diepste binnenste en elke beweging trekt een reactie uit haar los. Minuten verstrijken. Meer niet. Maar in die minuten zit alles: de spanning van eerder, de bevestiging van nu, de rust die daarna zal komen.

Alles in deze houding spreekt van urgentie zonder paniek, van verlangen zonder twijfel. Er is geen verhaal dat verteld moet worden en geen emotie die benoemd hoeft te worden. Geen verleden dat zich opdringt, geen toekomst die zich aandient. Alleen lichamen die elkaar herkennen in een nauwe ruimte, tegen een deur die meer getuige is dan barrière, meer steun dan scheiding.

Met een grom geef ik haar de laatste duw en blijf even in haar hangen, adem tegen haar nek, mijn handen nog steeds op dezelfde plek. Dan trek ik me langzaam terug. Mijn lul glimt; ik zie mezelf uit haar lekken, zie hoe haar lichaam nog een moment natrilt, alsof het niet meteen loslaat wat het net heeft gehad.

Ze blijft staan zoals ze stond, open en zeker, haar ademhaling langzaam tot rust komend. En terwijl ik haar zo zie — kwetsbaar zonder zwakte, vast zonder starheid — begrijp ik dat dit geen onderbreking van de avond is, maar een logisch vervolg. Een punt waarop alles samenkomt en niets meer uitgesteld hoeft te worden. Niet nu. Misschien nooit meer.

We nemen de tijd om ons weer netjes te maken. Niets gehaast, niets afgeraffeld. Alsof het belangrijk is dat dit moment niet abrupt eindigt, dat het niet wordt dichtgeplakt met praktische handelingen. Kamila kleedt zich al om, langzaam, zonder zich te haasten. Ik kijk uitgebreid toe; niet stiekem, niet vluchtig, maar openlijk. Zij merkt het meteen en lacht, bijna verlegen, om de manier waarop ik naar haar kijk. Verliefd. Bewonderend. Alsof ze zichzelf opnieuw door mijn ogen ziet en daar iets in herkent wat haar goed doet.

Het is een moment dat misschien nog mooier is dan de seks zelf. Omdat hier niets meer hoeft. Geen spanning die moet worden ontladen, geen rol die moet worden gespeeld. Alleen het zachte natrillen van wat net is gebeurd, nog voelbaar in onze lichamen en in de lucht tussen ons.

Ze komt naar me toe en kust me. Geen hongerige kus, maar een rustige, volle. “Mis je nu al,” zegt ze, half plagend, half serieus. Ik lach en voel hoe vanzelfsprekend die woorden klinken, hoe weinig gewicht ze hoeven te dragen om toch betekenis te hebben.

Ik loop met haar mee de gang op, nog steeds dicht bij elkaar, alsof afstand nu onnatuurlijk zou zijn. “Ik verwacht je morgenochtend wel,” fluister ik in haar oor, mijn stem laag, bijna achteloos. Het is geen afspraak, geen eis. Meer een vooruitblik, uitgesproken alsof het al vaststaat.

Ze stopt even. Niet abrupt, maar net genoeg om de woorden te laten landen. “Waar?” vraagt ze alleen. Alsof ze er zelf ook al over had nagedacht, alsof die ochtend in haar hoofd al ergens vorm heeft gekregen, maar nog zonder details. Haar toon is open, nieuwsgierig, niet argwanend.

“Onder de ontbijttafel,” zeg ik. Het idee was dat de mannen en vrouwen morgen apart van elkaar zouden ontbijten. Een praktische afspraak, bedacht zonder bijbedoelingen. Nu wordt het een grap. Maar wel een geile — een die haar zichtbaar raakt. Ik zie het aan haar ogen, aan de manier waarop ze even haar lip bevochtigt. Ze weet niet meteen hoe ze moet reageren, wat ik hiermee bedoel. Meen ik het misschien? Of speel ik alleen maar?

Die korte aarzeling vind ik mooi. Het laat zien dat ze het serieus neemt, ook als ze lacht. Dat ze niet alles direct wegwuift.

“Je vindt maar een sleutel,” zeg ik dan, iets nuchterder. “Gewoon op de kamer, toch?” Het haalt de spanning niet weg, maar verlegt haar. Van fantasie naar mogelijkheid.

Ze knikt snel. Dat is een beter idee. Praktischer. Veiliger ook. En toch zie ik hoe haar gedachten nog even blijven hangen bij die ontbijttafel, bij het beeld dat ik heb opgeroepen. Hoe ze zich dat moment voorstelt, zonder al te precies te weten hoe het eruit zal zien.

Ik zie ook wat zij nog niet ziet. Dat ik niet alleen op een kamer lig. Dat de ochtend niet zo eenvoudig zal zijn als zij nu misschien denkt. Maar dat hoeft ze nu nog niet te weten. Dat is voor later. Voor morgen.

In de keuken zitten alleen Hyun en Elise nog, te wachten zodat ze naar bed kunnen gaan. Wachtend op ons. Dat Kamila zich al heeft omgekleed, doet wel een wenkbrauw omhoog bewegen. Hier en daar. Maar wat hadden ze dan verwacht. ''Ik laat jullie maar.'' zeg ik zachtjes, kus Kamila op de wang en wuif naar de andere twee die beiden nog hoopvol naar me kijken. Als ze me willen proeven, geven ze haar maar een lik, denk ik nog. Het zou me niks verbazen als Kamila nog niet gaat slapen. Ik hoor het wel. Zij mag alles.

Bij het appartement van de jongens brandt nog licht. Het is dat gelige, vermoeide licht dat ’s nachts altijd iets treurigs heeft, alsof het zelf ook niet meer weet waarom het nog aan is. Op de galerij is het stil; alleen het zachte gezoem van elektriciteit en ergens in de verte een deur die dichtvalt. Ik zie Pawel in de keuken staan, zijn silhouet scherp afgetekend tegen het raam. Hij staat roerloos, alsof hij al een tijd zo staat te wachten. Slaapt de rest al?

Ik klop zachtjes op het raam. Niet omdat ik bang ben om te storen, maar omdat hard kloppen nu te veel zou zeggen. Hij kijkt op, herkent me meteen en doet open.

‘Mussa is er. Jeff niet,’ zegt hij alleen. Geen begroeting, geen uitleg. Alleen feiten. Alsof hij zichzelf daarmee overeind houdt.

‘Joey hier?’ vraag ik, meer uit gewoonte dan uit echte interesse.

Hij schudt zijn hoofd. Het maakt ook niet uit, voel ik meteen. Mussa is op hun kamer; wij lopen door naar de onze. Pawel had op me gewacht, dat is duidelijk. Niet omdat hij advies zoekt, maar omdat hij iemand nodig heeft die er simpelweg is.

Eenmaal binnen zie ik pas goed hoe hij eraan toe is. Hij ziet er niet goed uit. Vermoeid, maar niet alleen fysiek. Er zit iets uitgewrongs in zijn houding, alsof hij de hele avond heeft geprobeerd zich groot te houden en dat nu niet meer lukt. Waar ik een relatie heb waarin alles mogelijk lijkt — en dat alles juist lichter maakt — heeft hij het andere uiterste te pakken. Alles voelt bij hem zwaar, beladen, ondoorzichtig.

‘We hebben ruzie gehad,’ zegt hij, zodra de deur dicht is. Meer niet. Hij hoeft het woord niet te kleuren; het draagt zichzelf al.

Ik kleed me uit en kruip al onder de dekens. Niet uit desinteresse, maar omdat dit geen gesprek is waarbij rechtop zitten iets toevoegt. Ik zeg niet veel, maar luister wel. Dat is wat hij nu nodig heeft. Hij ijsbeert even door de kamer, blijft staan, gaat weer zitten. Zichtbaar gefrustreerd. Dit weekend valt hem zwaar. Precies zoals ik bang was dat het míj zo zwaar had kunnen vallen, als dingen net iets anders waren gelopen.

‘Ik weet gewoon niet wie ze is. Nooit geweten,’ zegt hij uiteindelijk, alsof hij het nu pas hardop durft toe te geven. Niet boos, niet verwijtend. Meer verslagen. Een conclusie die ik meteen begrijp. Wanneer hij uitlegt waarom — kleine voorbeelden, terugkerende patronen — kan ik hem vertellen dat ik me zo ook heb gevoeld met Elise. Dat herkenningspunt lijkt hem te raken. Hij knikt, gromt bijna bij die pijnlijke erkenning, alsof het tegelijk oplucht en zeer doet.

‘Moet ik haar dumpen dan?’ vraagt hij. De woorden komen er droog uit — te droog voor een Pool, zelfs met zijn accent. Alsof hij bang is dat de vraag groter wordt als hij er emotie in legt.

Ik haal mijn schouders op. Niet uit onverschilligheid, maar uit eerlijkheid. ‘Dat zoek je zelf maar uit,’ lach ik hem toe, broederlijk, zonder hem weg te duwen.

Hij lacht terug, schamper, maar opgelucht dat ik hem geen kant-en-klaar antwoord geef. ‘Ik weet ook niet of… met Kamila… of…’ begint hij aarzelend, alsof hij een grens nadert die hij zelf niet helemaal begrijpt.

Ik onderbreek hem snel. Niet streng, maar resoluut. ‘Nee joh, laat gaan. Wij zoeken wel een ander plekje morgenochtend,’ zeg ik, luchtig genoeg om het niet groter te maken dan nodig.

Dat lucht hem zichtbaar op. Zijn schouders zakken iets. De spanning in zijn gezicht neemt af, alsof er in ieder geval één scenario van tafel is.

Wanneer hij uiteindelijk stiller wordt, blijf ik nog even liggen en staar naar het plafond. Gek, denk ik. Het was misschien niet meer dan een grapje — zoals ik dat ook bij Kamila had gedaan. Onschuldig bedoeld, speels. Maar mijn ‘grapjes’ brengen blijkbaar nogal wat teweeg. Misschien zijn ze toch niet zo grappig als ik zelf denk. Of misschien raken ze juist omdat ze iets blootleggen wat anderen liever niet zien.

Relaties kunnen lastig zijn, realiseer ik me opnieuw. Zeker in een groep als deze, waar lijnen door elkaar lopen en niets ooit helemaal privé blijft. Vanavond vonden we steun bij elkaar, Pawel en ik, ieder vanuit onze eigen positie. Maar ik weet ook dat dit niet het einde is.

We zouden er snel genoeg achter komen dat hij niet de enige is met problemen in zijn relatie — en hoe verknipt deze groep nog steeds is, ondanks alle goede bedoelingen. En ergens, heel even, dringt zich een ongemakkelijke gedachte op: wat als Kamila en ik uiteindelijk de ‘normaalsten’ blijken te zijn? Wat zegt dat dan over de anderen? En wat zegt het over ons?

-
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?