Door: Jefferson
Hier sta ik dan, ergens halverwege de zomer en halverwege mezelf. Als ik het terugspoel, hoor ik eerst het zachte tikken van regen op een dak—remlichten als een eindeloze rij kersenpitten voor ons, haar hand op mijn dij, mijn naam die ze niet zegt. Daarna de warme stilte van een flat waar de lucht stil hing, Hila in een kimono die nergens echt dichtzat, en ik op mijn knieën onder haar bureau alsof daar iets lag dat niet loszat. En daarvoor nog: het rookplein, het smalle kiertje onder mijn rolgordijn, drie vrouwenstemmen die aan een verhaal begonnen waarvan ik tot dan toe niet wist dat ik er de hoofdrol in speelde.
Sindsdien staat alles dichter bij mijn huid. De gang klinkt anders. De printer lijkt harder. Hun blikken zijn meetlinten geworden. En ik, die onzichtbaar wilde blijven, loop nu rond met iets dat lijkt op een stempel in mijn nek: gezien.
Bij Elise is het vooral de stilte die praat. We hebben niet afgesproken, niets uitgelegd, geen regels benoemd. Toch hangt er tussen ons een dunne draad die nergens aan vastzit en toch niet breekt. Ik zie hoe ze in vergaderingen net iets rechter gaat staan als ik binnenkom, hoe haar hand heel even blijft hangen bij een glas water, alsof ze zich herinnert hoe vast iets kan voelen. Soms vang ik haar blik en is die korter dan vroeger, maar warmer. Het voelt niet als schuldbekentenis. Eerder als erkenning. Alsof we allebei weten wat we in die auto hebben losgemaakt: niet alleen hitte, maar iets van wederkerigheid. Ik heb haar niet gered in de klassieke zin—geen cape, geen groot gebaar—maar ik stond wel daar, precies toen het nodig was. Zij heeft op haar beurt iets opengedraaid waarvan ik niet wist dat ik het nog dicht hield.
Ben ik nu haar geheim of is zij het mijne? Het antwoord wisselt per dag. Wat ik wél weet: ik wil dit niet verprutsen door te doen alsof het niks was. En ook niet door te doen alsof het alles is. Ik wil naast haar kunnen zitten zonder dat iemand het ruikt. En toch wil ik dat ze soms even aan me ruikt.
Met Hila is het een ander spel. Geen draad, eerder een touw waaraan getrokken wordt om te zien wie knippert. Ze weet te veel en doet alsof het te weinig is; ze test, zucht, snijdt. Ik heb haar daar laten winnen—tot het moment dat ik opstond. Grappig, hoe snel een mens van figurant naar tegenspeler kan schuiven als hij zijn mond opentrekt. Ze heeft me vernederd en ik heb teruggesproken. Het is geen gelijkspel, maar het bord is wel anders geworden.
Ik zie haar nu vaker met die half-lach waarin spot en nieuwsgierigheid elkaar bijten. Alsof ze niet zeker weet of ze me uit elkaar moet halen of in elkaar wil zetten. Misschien beide. Ik ben niet dom: er zat jaloezie in wat ze deed, maar ook zorg—hoe verkeerd verpakt ook. Ze zei dat ze om Elise gaf. Dat geloof ik gek genoeg. Alleen houdt zij van spelen op een veld waar de lijnen pas na afloop worden gekalkt, en noemt ze dat eerlijkheid. Ik heb besloten die regels niet meer klakkeloos te slikken. Als zij het touw trekt, trek ik terug. Net genoeg om te laten voelen dat er aan de andere kant iemand staat.
Erin beweegt als een zachte echo door dit alles heen. Blikt opzij, dan naar de grond, bloost te vroeg, vertrekt te laat. Ze heeft geen rol gekozen en toch is ze medespeler. Misschien wil ze dat niet zijn. Misschien weet ze niet hoe. Ik weet niet of haar stilte bescherming is of toestemming die ze niet hardop durft te geven. Ik merk vooral dat ik haar anders aankijk dan vroeger—voorzichtiger. Alsof een te harde stem haar doet verdwijnen. Soms denk ik dat ze de enige is die nog gewoon naar kantoor komt om te werken. En dan zie ik haar vingers trillen bij de koffiemachine en vraag ik me af wie haar geleerd heeft dat je het beste heel stil kunt blijven als de kamer vol wordt.
Erin is geen trofee en geen bewijsstuk. Ze is de vraag die blijft liggen: wat gebeurt er met iemand die alles hoort en niets zegt? Ik wil niet dat zij mijn collateral is in een spel dat ik niet begonnen ben.
De lucht verandert als Peter binnenkomt. Niet dat er iets te zien is—daar zorgt hij wel voor—maar je voelt de temperatuur verschuiven. Alsof er een raam openstaat waar niemand bij kan. Ik weet nu meer dan ik wilde. Dat maakt me niet dapperder, wel alerter. Het onderzoek liep met een sisser af; regen maakt veel onhoorbaar. Maar het mechaniek dat hem aanstuurt, staat niet uit omdat hij één keer niets kan bewijzen.
Ik heb mezelf beloofd dat ik niet word zoals hij. Dat klinkt stoerder dan het is. Want elke dag die ik hier zit, leer ik dat macht iets is wat vanzelf je handen in kruipt als je niet oplet—net als schaamte. Ik heb gemerkt hoe makkelijk het is om iemand te laten zitten waar jij staat, en hoe verleidelijk het is om dat te laten gebeuren. Ik wil naast Elise staan als het nodig is. Voor haar. Voor mij. Niet om iets terug te eisen, maar omdat ik mezelf anders niet in de spiegel aankijk. Als Peter ergens op wacht, dan is het op de dag dat iemand anders het werk voor hem doet. Vandaag ben ik niet die iemand.
Dus waar sta ik? Ik sta in mijn hokje, nog steeds. Het rolgordijn eindigt op dezelfde hoogte, het kiertje is nog even smal. Buiten rookt men minder hardop, binnen brandt men net zo goed. Mijn stoel kraakt op precies dezelfde manier wanneer ik me omdraai. Alleen ik kraak minder.
Ik ben niet groter geworden in de zin waarin zij dat ooit bedoelden. Maar ik ben wel minder klein. Ik kijk terug. Ik tel tot drie. Ik kies wanneer ik zwijg. Ik weet dat ik kan vallen—en dat ik het soms wil. Ik weet ook dat je niet elke val moet maken om te begrijpen hoe diep de grond ligt.
Vandaag zet ik de map recht, neem ik het glas, loop ik de gang in. Elise is ergens aan het praten; ik hoor de rust in haar stem, de controle. Hila leunt vast ergens tegen een deurpost; ze glimlacht net iets te lang als je haar passeert. Erin zal haar sleutelbos laten vallen en zich verontschuldigen alsof ze iemand heeft geslagen. Peter zal zijn hand op een tafel leggen, vlakbij, zonder te raken.
En ik? Ik adem in, en uit. Ik tel de stappen naar de keuken. Ik doe wat ik altijd deed. Met dit verschil: als iemand vandaag iets vraagt, weet ik dat mijn antwoord niet alleen in mijn keel zit maar ook in mijn rug. Dat geeft precies genoeg gewicht om rechtop te blijven. Dat is nieuw. Dat is van mij.
Als ik eerlijk ben, is het met Elise precies zoals ik het nooit had durven hopen: te dichtbij om normaal te blijven, te geheim om veilig te voelen. We weten het van elkaar, maar we spreken het niet uit. Soms, als ze naast me staat bij het koffieapparaat en haar hand nét te dicht bij de mijne komt, lijkt de hele verdieping even te verstommen. Dan kijkt ze niet op, niet weg ook, en ik voel die spanning in mijn borst trekken alsof iemand een snaar aanslaat. We praten over werk alsof dat alles is, maar onder elk woord ligt een herinnering. Aan die file. Aan wat ze zei.
Soms zie ik aan haar ogen dat ze het ook weer voelt, datzelfde onverklaarbare verlangen dat niet echt rust wil vinden. En ik weet dat ze dan denkt aan die keren dat ze zich liet gaan — met Marc misschien, of iemand anders, een moment dat tegelijk fout en noodzakelijk was. Die gedachte maakt me ziek van jaloezie en tegelijk opgewonden.
Eergisteren stonden we laat in het kopieerhok. Het licht flikkerde. Zij leunde tegen de kast, ik tegen de muur ernaast. De afstand was absurd klein, misschien dertig centimeter. Ik rook haar haar, dat lichte kruidige wat ik sindsdien altijd herken. Niemand zei iets. Ik zag haar adem even versnellen. Eén beweging, één misstap, en we hadden elkaar gehad. Maar we deden niks. Niet omdat het niet mocht — omdat het te veel zou betekenen als we het wél deden. Toen de printer piepte, stapte ze opzij. Alsof dat haar redde. En mij tegelijk strafte.
Met Hila is het anders. Kouder, scherper. Maar soms voel ik haar blik als ik niet kijk, en dan weet ik dat ze kijkt. Dat voel je aan je huid, dat trillen in je nek. En als ik wél terugkijk, wijkt ze niet. Dan staat ze daar, roerloos, met dat halfspottende gezicht dat nergens echt over gaat en toch over alles. Alsof ze me wil ontleden. Alsof ze wil weten of ik nog weet wat ik bij haar zei, toen ik haar terugpakte. En misschien — al durf ik dat nauwelijks te denken — wil ze gewoon wéten hoe het zou zijn als ze me had laten begaan. We praten niet. Niet omdat er niets te zeggen is, maar omdat elk woord een lont zou zijn. Het respect is echt, dat voel ik. Maar ook de dreiging. We zitten nu op één lijn, en dat bevalt geen van ons. Soms denk ik dat ze me wil, soms dat ze me haat. En eerlijk? Ik weet niet wat enger is.
Erin zweeft ertussen, alsof ze het niet doorheeft. Ze raakt wat verloren sinds Elise en Hila met hun eigen gevechten bezig zijn. Als ik haar tegenkom, glimlacht ze verlegen, alsof ze niet weet dat er meer te zien valt. Vorige week, toen de rest alweer vergaderde, stelde ze voor om even te wandelen. Gewoon om de benen te strekken. Geen spanning, geen verborgen woorden. Alleen haar zachte stem, haar vragen over school, over wat ik ná mijn stage wil doen. Ze keek me aan zoals niemand dat de laatste tijd doet: zonder bedoelingen. Dat alleen al maakte het vreemd intiem. Er zat iets puurs in, iets wat ik bijna vergeten was.
En toch — er is iets aan haar wat ik niet helemaal kan plaatsen. Een terughoudendheid die geen verlegenheid is, eerder een muur van iemand die te vaak is weggelachen. Ze weet niet dat ze mooi is. Dat maakt haar gevaarlijker dan ze denkt.
Peter dan. Die ruikt elke verschuiving alsof hij erop getraind is. Zodra Elise in mijn buurt is, verschijnt hij — altijd zogenaamd toevallig. Nieuwe taken, overdreven correcties, halve bevelen om maar afstand te forceren. Elise slikt het nog, maar ik zie dat ze het minder pikt. Ze kijkt hem aan met die strakke glimlach die bijna knapt. En Peter weet dat. Hij geniet ervan.
Met Hila is hij anders. Dan wordt zijn stem lager, zijn houding losser, bijna charmant. Ik heb het een paar keer gezien: hoe hij met zijn hand op haar bureaurand leunt, te dichtbij, te vriendelijk. Zij lacht het weg, maar haar schouders verraden haar. Het maakt me kwaad, want ik zie wat hij probeert — dezelfde strategie, andere inzet. Erin krijgt de rest van zijn frustratie. Kleine prikken, verkapte grappen. “Jij snapt dat soort dingen nog niet, hè.” Niemand zegt wat. Ik ook niet.
Het kantoor voelt daardoor anders. Strakker. Alsof iedereen weet dat er iets broeit, maar niemand het wil benoemen. Elise en ik zwijgen, Hila kijkt, Erin vlucht in stilte, en Peter glimlacht alsof alles werkt zoals het hoort. En misschien is dat ook zo. Alleen werkt het niet meer voor mij.
De borrel is al in volle gang als ik binnenkom. Het geroezemoes vult de kantine als een laag warme mist: glazen, lachen, kleine schouders die tegen elkaar duwen, geuren van wijn en frituur die in de warmte hangen. Iedereen is losser, luider, vrolijker dan ze doordeweeks durven zijn. Twintig man, misschien iets meer. Ik zie gezichten die ik door de week alleen half herken — mensen met hun werklach op, stemmen die zachter worden naarmate het bier schuimt. De lucht is zwaar van het eind van de week, die mengeling van opluchting en vermoeidheid die iedereen deelt zonder het uit te spreken.
Elise staat bij het raam, glas wijn in haar hand. Het licht van buiten valt op haar schouders, laat haar huid bijna glanzen. Ze glimlacht als ze me ziet, maar haar blik blijft kort. Ze knikt subtiel naar de hoek. ‘Kijk daar,’ zegt ze zacht.
Ik volg haar blik.Peter.Hij heeft Hila apart genomen, half verscholen achter de pilaar bij de koffiemachine. Zijn houding is nonchalant, maar zijn schouders staan te strak, alsof hij zich in bedwang moet houden. Hila’s glimlach is bevroren, haar armen over elkaar. Ze lacht, maar haar ogen doen niet mee. Peter buigt zich te dicht naar haar toe, zegt iets wat ik niet hoor. Zij kijkt opzij, zoekt een uitweg, maar hij blokkeert haar met zijn lichaam. De ruimte om hen heen lijkt kleiner te worden, alsof zelfs de lucht niet dichterbij durft te komen.
‘Laat maar,’ zegt Elise, iets te snel, alsof ze zichzelf overtuigt. ‘Hij deed dat vroeger ook bij mij. Gewoon... wachten tot niemand meer echt oplet.’ Ze zegt het zacht, bijna verontschuldigend, maar het woord vroeger blijft in mijn hoofd hangen als een alarm. De toon waarop ze het zegt verraadt dat ze dit niet voor het eerst ziet. Iets in haar blik breekt, en dat breekt iets in mij mee.
Er knapt iets. Ik weet niet precies wat — misschien het laatste restje aarzeling dat ik nog had. Misschien het idee dat zwijgen altijd veiliger is dan spreken. Ik zet mijn glas neer, hoor het zacht tikken op de tafel, en loop richting Peter en Hila. De menigte lijkt uit te wijken, maar dat zal verbeelding zijn. Niemand kijkt. Niemand hoort hoe mijn hart bonst in mijn oren.
Hila merkt me pas als ik naast haar sta. Ze schrikt, haar adem stokt. Peter draait zich half om, kijkt me aan alsof ik een vlieg ben die hij van zijn drankje moet slaan. ‘Kan ik je ergens mee helpen, Jamie?’ vraagt hij met die trage, giftige glimlach. Zijn stem druipt van ironie, die toon die hij altijd gebruikt om mensen net genoeg te vernederen om te doen alsof het grapjes zijn.
Ik hoor mezelf praten, voor ik bedenk wat ik zeg. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik vroeg me af waar ik kan leren om vrouwen zo te intimideren als u dat doet. Is dat iets wat je bij de functie krijgt, of moet je daar cursussen voor volgen?’
Het is niet geschreeuwd, maar luid genoeg. Een paar mensen lachen ergens bij de bar, iemand tikt een glas tegen een fles — niemand kijkt om. Alsof geluiden hier niet meer doordringen. Alsof iedereen instinctief weet dat dit iets is wat je beter niet kunt zien.
Peter verstijft. Zijn glimlach zakt als een masker dat te lang gedragen is. Zijn ogen vernauwen zich tot smalle spleten. ‘Weet je plek, jongen,’ sist hij, bijna onhoorbaar, maar ik hoor het scherp. Zijn adem ruikt naar whisky. ‘Ik ken mijn plek,’ zeg ik. ‘En ik weet ook dat dit níet de jouwe is.’
Voor het eerst zie ik iets in zijn ogen dat lijkt op angst. Of woede die nog geen uitweg heeft. Zijn kaak trilt, zijn vingers klemmen zich om het glas alsof hij het elk moment wil breken. ‘Jouw beurt komt nog wel,’ zegt hij zacht. Dan draait hij zich om, pakt een nieuw glas van tafel en mengt zich weer in de menigte alsof niets is gebeurd. Zijn rug is te recht. Zijn nek te rood.
Mijn handen beven. Ik voel mijn hart tot in mijn vingers slaan, een doffe dreun die niet ophoudt. Hila staat nog steeds naast me, ogen groot, adem hoog. Ze probeert iets te zeggen, maar haar lippen bewegen zonder geluid. Dan mompelt ze iets als dank je — of nee — ik weet het niet. Haar blik is breekbaar, haar mascara gesmeerd, haar gezicht te wit.
Ze stapt naar achteren, alsof haar benen het niet meer houden, en loopt de kantine uit. Mensen lachen nog steeds. Niemand merkt iets.Elise ziet het, zet haar glas neer, knikt naar mij en verdwijnt achter haar aan. Haar schouders strak, haar pas te snel.
Ik volg, op afstand. Door de hal, waar het licht doffer is, langs de open deur van de receptie, naar buiten. Mijn adem dampt in de late avondlucht, warm tegen koud. De overgang maakt me duizelig.
Bij het rookpleintje staan ze. Hila tegen de muur, Elise vlak voor haar. Hila huilt, niet zacht, maar alsof er iets uit haar breekt dat er al te lang zat. Schokken die uit haar buik lijken te komen. Elise slaat een arm om haar heen, wiegt haar een beetje, zegt niets. Alleen haar ogen spreken: woede, vermoeidheid, medelijden. Hila’s woorden komen tussen de snikken door, schokkerig, rauw. ‘Wat een kutbedrijf,’ zegt ze uiteindelijk, hees, uitgeperst. De woorden blijven hangen in de koude lucht, zwaarder dan de rook die erboven dwarrelt.
Ik blijf staan, een paar meter verder, half in de schaduw van de haag. Niemand ziet me. Niemand hoort hoe mijn adem trilt, hoe mijn kaken zich spannen, hoe de adrenaline nog steeds door mijn lijf giert. Ik wil iets zeggen, iets doen, maar het moment is van hen. Niet van mij.
Binnen klinkt nog steeds gelach. De borrel gaat gewoon door, alsof de wereld daarbinnen nog steeds veilig is, vrolijk, warm.Buiten vallen alleen de wind en de stilte over ons heen. En ik besef dat niets hier ooit nog hetzelfde zal zijn.
De kantine is al half leeg als ik terugloop naar mijn kantoor. Het geroezemoes dooft langzaam uit tot een laag geritsel van plastic bekers en stoelen die worden aangeschoven. De geur van wijn en frituur hangt nog in de lucht, samen met dat ongrijpbare mengsel van zweet en spanning. Ik pak mijn jas, mijn tas, mijn helm. De stilte voelt zwaar, alsof het gebouw zelf even ademhaalt na alles wat er is gebeurd. Het geluid van mijn voetstappen echoot tegen de muren. Elk tikje van mijn zool lijkt harder dan normaal, alsof de stilte iets probeert terug te zeggen.
Ik voel nog steeds de warmte in mijn borst van wat er daarnet gebeurde. De blikken, de woorden die te hard waren om te fluisteren, te echt om te ontkennen. De adrenaline zit nog in mijn bloed. En ergens, onder dat alles, de gedachte dat dit misschien nog maar het begin was.
Dan gaat de deur open. Elise. Ze leunt tegen de deurpost, haar haar los, haar blik nog vol van wat er buiten is gebeurd. Haar wangen zijn nog vochtig van de wind of van tranen, dat weet ik niet. Er zit iets zachts in haar ogen, iets wat ik nog niet eerder bij haar zag — een mengeling van opluchting en verdriet. Ze stapt naar binnen en sluit de deur achter zich. Het zachte klikje klinkt harder dan alles wat ik eerder hoorde. Peter, zou hij dit zien, komt haar nu vast niet achterna. Of juist wel. Maar ik denk niet aan Peter.
‘Wat je daar deed,’ zegt ze zacht, ‘dat was moedig.’
Ik open mijn mond om iets te zeggen, maar de woorden blijven steken. Ze stapt dichterbij, langzaam, alsof elk pasje een keuze is. Haar hand glijdt langs mijn wang, warm en licht tegelijk. En dan kust ze me. Lang. Intiem. Zacht eerst, dan steviger. Haar lippen zijn warm, haar adem snel en gejaagd. Mijn hart bonst zo hard dat ik het in mijn slapen voel. Ik proef wijn, zout, adem. De tijd vertraagt. Wanneer ze zich terugtrekt, glinsteren haar ogen in het schemerlicht van het kantoor. Ze kijkt me aan zoals niemand dat ooit heeft gedaan — zonder schaamte, zonder angst, met een soort vermoeide eerlijkheid. Het is adembenemend.
Ze glimlacht — een kleine, trieste glimlach die meer zegt dan woorden. ‘Soms moet iemand gewoon iets doen,’ fluistert ze. Dan laat ze me los. Ze draait zich om, haar hand nog even op de klink, haar schouders schuin alsof ze iets wil zeggen, maar het niet durft. En dan verdwijnt ze zonder een geluid. De lucht om me heen lijkt nog steeds naar haar te ruiken — kruidig, zacht, vertrouwd. Ik blijf staan met gesloten ogen, om het moment nog even vast te houden.
Even later sta ik in de loods. Het TL-licht flikkert, de lucht ruikt naar rubber en olie. Buiten hoor ik het tikken van regen die tegen het golfplaten dak slaat. Ik heb mijn te strakke fietsbroek al aangetrokken, de rest van mijn kleren liggen slordig in de hoek. Het voelt onwerkelijk om na zo’n dag weer bezig te zijn met iets triviaals als klittenband en fietsschoenen. Ik buk net om mijn schoenen vast te klikken als de deur openzwaait.
Hila.
Ze stapt naar binnen, haar jas half open, haar haar in de war van de wind. Ze kijkt me aan en lacht — niet gemeen, maar oprecht. De lach van iemand die niet weet of ze wil huilen of lachen. ‘Dat broekje,’ zegt ze, terwijl ze haar hoofd schuin houdt. ‘Misschien begon het daar wel allemaal mee.’ lacht ze speels.
Ik voel hoe mijn wangen warm worden, maar ik lach terug. ‘Dat was geen gewone dag,’ zeg ik. Durf ik ook tegen haar te zeggen. Hoe anders was dat toen ik hier begon.
Haar lach zakt. Ze kijkt naar de grond, ademt diep in, en als ze weer opkijkt is haar blik kalm, bijna breekbaar. ‘Ik weet nu dat dat ook fout was van mij,’ zegt ze. Haar stem klinkt schor, eerlijk, alsof ze iets van zich af moet praten wat te lang heeft vastgezeten. ‘Ik heb het niet zo ervaren,’ zeg ik. ‘Niet toen. Niet nu.’
Ze knikt, langzaam. Haar blik blijft rusten op mijn gezicht, alsof ze iets zoekt wat ze niet helemaal durft te vinden. Dan zegt ze zacht: ‘Dank je. Voor daarnet. Voor alles eigenlijk.’ Ze zet een stap dichterbij, haar hand raakt vluchtig mijn arm. De aanraking is klein, maar voelt groter dan woorden. ‘Waren er maar meer mannen zoals jij.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Dus doe ik wat ik altijd doe: ik glimlach alsof het niks is, alsof woorden het moment niet waard zijn. Maar ze stapt nog dichterbij, tilt haar kin iets op. ‘Kijk me eens aan,’ fluistert ze. Ik gehoorzaam, en haar ogen vangen me. Donker, vochtig, echt. Ze kust me — niet voorzichtig zoals Elise, maar gretig, met tong, vol leven en iets wat bijna op honger lijkt. Mijn handen vinden haar middel zonder dat ik het besef. Het is kort, maar het brandt diep. Wanneer ze zich losmaakt, ademt ze zwaar. Haar ogen zijn rood, haar lippen vochtig. Ze glimlacht breed, haar stem weer een tikje schor van spanning. Haar blik op mijn kruis, de aftekening van mijn stijve weer duidelijk op haar netvlies.
‘Je weet nu waar ik woon,’ zegt ze, half plagerig, half serieus. Haar blik blijft nog even hangen, en ik zie in dat kleine moment iets wat bijna op spijt lijkt. Dan draait ze zich om, haar hand over haar gezicht, en verdwijnt de regen in.
En dan is ze weg.
Ik blijf achter tussen mijn fiets en stilte, mijn hart nog steeds te snel, mijn adem onregelmatig. Het TL-licht zoemt boven me, de geur van olie en stof vervangen door haar parfum. Ik trek mijn jas aan, klik de gesp van mijn helm vast en stap op. Ik zit bijna tussen m'n spaken. De regen is zachter geworden, een fijne mist over de parkeerplaats. De eerste trappen zijn zwaar, daarna licht.
Ik fiets met een vreemd geluk naar huis — warm vanbinnen, verward in mijn hoofd. De beelden komen terug in flarden: Elise’s lippen, Hila’s stem, Peters ogen toen hij verloor. De lucht prikt in mijn longen, maar ik voel me levend. Ik weet nog niet wat dit allemaal betekent. Niet voor mij. Niet voor hen. En al helemaal niet voor Peter, die waarschijnlijk nu al plannen aan het maken is. Zijn woede is niet iets dat zomaar oplost — dat weet ik. Hij zal terugkomen, vroeg of laat.
Maar dat is voor later. Nu is het alleen ik, het asfalt, de geur van nat gras en benzine, en het echoën van hun lippen op de mijne. In elke ademhaling zit nog een restje van hen — zout, warm, echt. Ik trap harder, voel de koele lucht op mijn gezicht slaan. De wereld is stil, maar in mij gonst het nog. Een nieuw begin, of het begin van iets dat alles zal veranderen — ik weet het niet. Alleen dat niets meer hetzelfde zal zijn.
-
Sindsdien staat alles dichter bij mijn huid. De gang klinkt anders. De printer lijkt harder. Hun blikken zijn meetlinten geworden. En ik, die onzichtbaar wilde blijven, loop nu rond met iets dat lijkt op een stempel in mijn nek: gezien.
Bij Elise is het vooral de stilte die praat. We hebben niet afgesproken, niets uitgelegd, geen regels benoemd. Toch hangt er tussen ons een dunne draad die nergens aan vastzit en toch niet breekt. Ik zie hoe ze in vergaderingen net iets rechter gaat staan als ik binnenkom, hoe haar hand heel even blijft hangen bij een glas water, alsof ze zich herinnert hoe vast iets kan voelen. Soms vang ik haar blik en is die korter dan vroeger, maar warmer. Het voelt niet als schuldbekentenis. Eerder als erkenning. Alsof we allebei weten wat we in die auto hebben losgemaakt: niet alleen hitte, maar iets van wederkerigheid. Ik heb haar niet gered in de klassieke zin—geen cape, geen groot gebaar—maar ik stond wel daar, precies toen het nodig was. Zij heeft op haar beurt iets opengedraaid waarvan ik niet wist dat ik het nog dicht hield.
Ben ik nu haar geheim of is zij het mijne? Het antwoord wisselt per dag. Wat ik wél weet: ik wil dit niet verprutsen door te doen alsof het niks was. En ook niet door te doen alsof het alles is. Ik wil naast haar kunnen zitten zonder dat iemand het ruikt. En toch wil ik dat ze soms even aan me ruikt.
Met Hila is het een ander spel. Geen draad, eerder een touw waaraan getrokken wordt om te zien wie knippert. Ze weet te veel en doet alsof het te weinig is; ze test, zucht, snijdt. Ik heb haar daar laten winnen—tot het moment dat ik opstond. Grappig, hoe snel een mens van figurant naar tegenspeler kan schuiven als hij zijn mond opentrekt. Ze heeft me vernederd en ik heb teruggesproken. Het is geen gelijkspel, maar het bord is wel anders geworden.
Ik zie haar nu vaker met die half-lach waarin spot en nieuwsgierigheid elkaar bijten. Alsof ze niet zeker weet of ze me uit elkaar moet halen of in elkaar wil zetten. Misschien beide. Ik ben niet dom: er zat jaloezie in wat ze deed, maar ook zorg—hoe verkeerd verpakt ook. Ze zei dat ze om Elise gaf. Dat geloof ik gek genoeg. Alleen houdt zij van spelen op een veld waar de lijnen pas na afloop worden gekalkt, en noemt ze dat eerlijkheid. Ik heb besloten die regels niet meer klakkeloos te slikken. Als zij het touw trekt, trek ik terug. Net genoeg om te laten voelen dat er aan de andere kant iemand staat.
Erin beweegt als een zachte echo door dit alles heen. Blikt opzij, dan naar de grond, bloost te vroeg, vertrekt te laat. Ze heeft geen rol gekozen en toch is ze medespeler. Misschien wil ze dat niet zijn. Misschien weet ze niet hoe. Ik weet niet of haar stilte bescherming is of toestemming die ze niet hardop durft te geven. Ik merk vooral dat ik haar anders aankijk dan vroeger—voorzichtiger. Alsof een te harde stem haar doet verdwijnen. Soms denk ik dat ze de enige is die nog gewoon naar kantoor komt om te werken. En dan zie ik haar vingers trillen bij de koffiemachine en vraag ik me af wie haar geleerd heeft dat je het beste heel stil kunt blijven als de kamer vol wordt.
Erin is geen trofee en geen bewijsstuk. Ze is de vraag die blijft liggen: wat gebeurt er met iemand die alles hoort en niets zegt? Ik wil niet dat zij mijn collateral is in een spel dat ik niet begonnen ben.
De lucht verandert als Peter binnenkomt. Niet dat er iets te zien is—daar zorgt hij wel voor—maar je voelt de temperatuur verschuiven. Alsof er een raam openstaat waar niemand bij kan. Ik weet nu meer dan ik wilde. Dat maakt me niet dapperder, wel alerter. Het onderzoek liep met een sisser af; regen maakt veel onhoorbaar. Maar het mechaniek dat hem aanstuurt, staat niet uit omdat hij één keer niets kan bewijzen.
Ik heb mezelf beloofd dat ik niet word zoals hij. Dat klinkt stoerder dan het is. Want elke dag die ik hier zit, leer ik dat macht iets is wat vanzelf je handen in kruipt als je niet oplet—net als schaamte. Ik heb gemerkt hoe makkelijk het is om iemand te laten zitten waar jij staat, en hoe verleidelijk het is om dat te laten gebeuren. Ik wil naast Elise staan als het nodig is. Voor haar. Voor mij. Niet om iets terug te eisen, maar omdat ik mezelf anders niet in de spiegel aankijk. Als Peter ergens op wacht, dan is het op de dag dat iemand anders het werk voor hem doet. Vandaag ben ik niet die iemand.
Dus waar sta ik? Ik sta in mijn hokje, nog steeds. Het rolgordijn eindigt op dezelfde hoogte, het kiertje is nog even smal. Buiten rookt men minder hardop, binnen brandt men net zo goed. Mijn stoel kraakt op precies dezelfde manier wanneer ik me omdraai. Alleen ik kraak minder.
Ik ben niet groter geworden in de zin waarin zij dat ooit bedoelden. Maar ik ben wel minder klein. Ik kijk terug. Ik tel tot drie. Ik kies wanneer ik zwijg. Ik weet dat ik kan vallen—en dat ik het soms wil. Ik weet ook dat je niet elke val moet maken om te begrijpen hoe diep de grond ligt.
Vandaag zet ik de map recht, neem ik het glas, loop ik de gang in. Elise is ergens aan het praten; ik hoor de rust in haar stem, de controle. Hila leunt vast ergens tegen een deurpost; ze glimlacht net iets te lang als je haar passeert. Erin zal haar sleutelbos laten vallen en zich verontschuldigen alsof ze iemand heeft geslagen. Peter zal zijn hand op een tafel leggen, vlakbij, zonder te raken.
En ik? Ik adem in, en uit. Ik tel de stappen naar de keuken. Ik doe wat ik altijd deed. Met dit verschil: als iemand vandaag iets vraagt, weet ik dat mijn antwoord niet alleen in mijn keel zit maar ook in mijn rug. Dat geeft precies genoeg gewicht om rechtop te blijven. Dat is nieuw. Dat is van mij.
Als ik eerlijk ben, is het met Elise precies zoals ik het nooit had durven hopen: te dichtbij om normaal te blijven, te geheim om veilig te voelen. We weten het van elkaar, maar we spreken het niet uit. Soms, als ze naast me staat bij het koffieapparaat en haar hand nét te dicht bij de mijne komt, lijkt de hele verdieping even te verstommen. Dan kijkt ze niet op, niet weg ook, en ik voel die spanning in mijn borst trekken alsof iemand een snaar aanslaat. We praten over werk alsof dat alles is, maar onder elk woord ligt een herinnering. Aan die file. Aan wat ze zei.
Soms zie ik aan haar ogen dat ze het ook weer voelt, datzelfde onverklaarbare verlangen dat niet echt rust wil vinden. En ik weet dat ze dan denkt aan die keren dat ze zich liet gaan — met Marc misschien, of iemand anders, een moment dat tegelijk fout en noodzakelijk was. Die gedachte maakt me ziek van jaloezie en tegelijk opgewonden.
Eergisteren stonden we laat in het kopieerhok. Het licht flikkerde. Zij leunde tegen de kast, ik tegen de muur ernaast. De afstand was absurd klein, misschien dertig centimeter. Ik rook haar haar, dat lichte kruidige wat ik sindsdien altijd herken. Niemand zei iets. Ik zag haar adem even versnellen. Eén beweging, één misstap, en we hadden elkaar gehad. Maar we deden niks. Niet omdat het niet mocht — omdat het te veel zou betekenen als we het wél deden. Toen de printer piepte, stapte ze opzij. Alsof dat haar redde. En mij tegelijk strafte.
Met Hila is het anders. Kouder, scherper. Maar soms voel ik haar blik als ik niet kijk, en dan weet ik dat ze kijkt. Dat voel je aan je huid, dat trillen in je nek. En als ik wél terugkijk, wijkt ze niet. Dan staat ze daar, roerloos, met dat halfspottende gezicht dat nergens echt over gaat en toch over alles. Alsof ze me wil ontleden. Alsof ze wil weten of ik nog weet wat ik bij haar zei, toen ik haar terugpakte. En misschien — al durf ik dat nauwelijks te denken — wil ze gewoon wéten hoe het zou zijn als ze me had laten begaan. We praten niet. Niet omdat er niets te zeggen is, maar omdat elk woord een lont zou zijn. Het respect is echt, dat voel ik. Maar ook de dreiging. We zitten nu op één lijn, en dat bevalt geen van ons. Soms denk ik dat ze me wil, soms dat ze me haat. En eerlijk? Ik weet niet wat enger is.
Erin zweeft ertussen, alsof ze het niet doorheeft. Ze raakt wat verloren sinds Elise en Hila met hun eigen gevechten bezig zijn. Als ik haar tegenkom, glimlacht ze verlegen, alsof ze niet weet dat er meer te zien valt. Vorige week, toen de rest alweer vergaderde, stelde ze voor om even te wandelen. Gewoon om de benen te strekken. Geen spanning, geen verborgen woorden. Alleen haar zachte stem, haar vragen over school, over wat ik ná mijn stage wil doen. Ze keek me aan zoals niemand dat de laatste tijd doet: zonder bedoelingen. Dat alleen al maakte het vreemd intiem. Er zat iets puurs in, iets wat ik bijna vergeten was.
En toch — er is iets aan haar wat ik niet helemaal kan plaatsen. Een terughoudendheid die geen verlegenheid is, eerder een muur van iemand die te vaak is weggelachen. Ze weet niet dat ze mooi is. Dat maakt haar gevaarlijker dan ze denkt.
Peter dan. Die ruikt elke verschuiving alsof hij erop getraind is. Zodra Elise in mijn buurt is, verschijnt hij — altijd zogenaamd toevallig. Nieuwe taken, overdreven correcties, halve bevelen om maar afstand te forceren. Elise slikt het nog, maar ik zie dat ze het minder pikt. Ze kijkt hem aan met die strakke glimlach die bijna knapt. En Peter weet dat. Hij geniet ervan.
Met Hila is hij anders. Dan wordt zijn stem lager, zijn houding losser, bijna charmant. Ik heb het een paar keer gezien: hoe hij met zijn hand op haar bureaurand leunt, te dichtbij, te vriendelijk. Zij lacht het weg, maar haar schouders verraden haar. Het maakt me kwaad, want ik zie wat hij probeert — dezelfde strategie, andere inzet. Erin krijgt de rest van zijn frustratie. Kleine prikken, verkapte grappen. “Jij snapt dat soort dingen nog niet, hè.” Niemand zegt wat. Ik ook niet.
Het kantoor voelt daardoor anders. Strakker. Alsof iedereen weet dat er iets broeit, maar niemand het wil benoemen. Elise en ik zwijgen, Hila kijkt, Erin vlucht in stilte, en Peter glimlacht alsof alles werkt zoals het hoort. En misschien is dat ook zo. Alleen werkt het niet meer voor mij.
De borrel is al in volle gang als ik binnenkom. Het geroezemoes vult de kantine als een laag warme mist: glazen, lachen, kleine schouders die tegen elkaar duwen, geuren van wijn en frituur die in de warmte hangen. Iedereen is losser, luider, vrolijker dan ze doordeweeks durven zijn. Twintig man, misschien iets meer. Ik zie gezichten die ik door de week alleen half herken — mensen met hun werklach op, stemmen die zachter worden naarmate het bier schuimt. De lucht is zwaar van het eind van de week, die mengeling van opluchting en vermoeidheid die iedereen deelt zonder het uit te spreken.
Elise staat bij het raam, glas wijn in haar hand. Het licht van buiten valt op haar schouders, laat haar huid bijna glanzen. Ze glimlacht als ze me ziet, maar haar blik blijft kort. Ze knikt subtiel naar de hoek. ‘Kijk daar,’ zegt ze zacht.
Ik volg haar blik.Peter.Hij heeft Hila apart genomen, half verscholen achter de pilaar bij de koffiemachine. Zijn houding is nonchalant, maar zijn schouders staan te strak, alsof hij zich in bedwang moet houden. Hila’s glimlach is bevroren, haar armen over elkaar. Ze lacht, maar haar ogen doen niet mee. Peter buigt zich te dicht naar haar toe, zegt iets wat ik niet hoor. Zij kijkt opzij, zoekt een uitweg, maar hij blokkeert haar met zijn lichaam. De ruimte om hen heen lijkt kleiner te worden, alsof zelfs de lucht niet dichterbij durft te komen.
‘Laat maar,’ zegt Elise, iets te snel, alsof ze zichzelf overtuigt. ‘Hij deed dat vroeger ook bij mij. Gewoon... wachten tot niemand meer echt oplet.’ Ze zegt het zacht, bijna verontschuldigend, maar het woord vroeger blijft in mijn hoofd hangen als een alarm. De toon waarop ze het zegt verraadt dat ze dit niet voor het eerst ziet. Iets in haar blik breekt, en dat breekt iets in mij mee.
Er knapt iets. Ik weet niet precies wat — misschien het laatste restje aarzeling dat ik nog had. Misschien het idee dat zwijgen altijd veiliger is dan spreken. Ik zet mijn glas neer, hoor het zacht tikken op de tafel, en loop richting Peter en Hila. De menigte lijkt uit te wijken, maar dat zal verbeelding zijn. Niemand kijkt. Niemand hoort hoe mijn hart bonst in mijn oren.
Hila merkt me pas als ik naast haar sta. Ze schrikt, haar adem stokt. Peter draait zich half om, kijkt me aan alsof ik een vlieg ben die hij van zijn drankje moet slaan. ‘Kan ik je ergens mee helpen, Jamie?’ vraagt hij met die trage, giftige glimlach. Zijn stem druipt van ironie, die toon die hij altijd gebruikt om mensen net genoeg te vernederen om te doen alsof het grapjes zijn.
Ik hoor mezelf praten, voor ik bedenk wat ik zeg. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik vroeg me af waar ik kan leren om vrouwen zo te intimideren als u dat doet. Is dat iets wat je bij de functie krijgt, of moet je daar cursussen voor volgen?’
Het is niet geschreeuwd, maar luid genoeg. Een paar mensen lachen ergens bij de bar, iemand tikt een glas tegen een fles — niemand kijkt om. Alsof geluiden hier niet meer doordringen. Alsof iedereen instinctief weet dat dit iets is wat je beter niet kunt zien.
Peter verstijft. Zijn glimlach zakt als een masker dat te lang gedragen is. Zijn ogen vernauwen zich tot smalle spleten. ‘Weet je plek, jongen,’ sist hij, bijna onhoorbaar, maar ik hoor het scherp. Zijn adem ruikt naar whisky. ‘Ik ken mijn plek,’ zeg ik. ‘En ik weet ook dat dit níet de jouwe is.’
Voor het eerst zie ik iets in zijn ogen dat lijkt op angst. Of woede die nog geen uitweg heeft. Zijn kaak trilt, zijn vingers klemmen zich om het glas alsof hij het elk moment wil breken. ‘Jouw beurt komt nog wel,’ zegt hij zacht. Dan draait hij zich om, pakt een nieuw glas van tafel en mengt zich weer in de menigte alsof niets is gebeurd. Zijn rug is te recht. Zijn nek te rood.
Mijn handen beven. Ik voel mijn hart tot in mijn vingers slaan, een doffe dreun die niet ophoudt. Hila staat nog steeds naast me, ogen groot, adem hoog. Ze probeert iets te zeggen, maar haar lippen bewegen zonder geluid. Dan mompelt ze iets als dank je — of nee — ik weet het niet. Haar blik is breekbaar, haar mascara gesmeerd, haar gezicht te wit.
Ze stapt naar achteren, alsof haar benen het niet meer houden, en loopt de kantine uit. Mensen lachen nog steeds. Niemand merkt iets.Elise ziet het, zet haar glas neer, knikt naar mij en verdwijnt achter haar aan. Haar schouders strak, haar pas te snel.
Ik volg, op afstand. Door de hal, waar het licht doffer is, langs de open deur van de receptie, naar buiten. Mijn adem dampt in de late avondlucht, warm tegen koud. De overgang maakt me duizelig.
Bij het rookpleintje staan ze. Hila tegen de muur, Elise vlak voor haar. Hila huilt, niet zacht, maar alsof er iets uit haar breekt dat er al te lang zat. Schokken die uit haar buik lijken te komen. Elise slaat een arm om haar heen, wiegt haar een beetje, zegt niets. Alleen haar ogen spreken: woede, vermoeidheid, medelijden. Hila’s woorden komen tussen de snikken door, schokkerig, rauw. ‘Wat een kutbedrijf,’ zegt ze uiteindelijk, hees, uitgeperst. De woorden blijven hangen in de koude lucht, zwaarder dan de rook die erboven dwarrelt.
Ik blijf staan, een paar meter verder, half in de schaduw van de haag. Niemand ziet me. Niemand hoort hoe mijn adem trilt, hoe mijn kaken zich spannen, hoe de adrenaline nog steeds door mijn lijf giert. Ik wil iets zeggen, iets doen, maar het moment is van hen. Niet van mij.
Binnen klinkt nog steeds gelach. De borrel gaat gewoon door, alsof de wereld daarbinnen nog steeds veilig is, vrolijk, warm.Buiten vallen alleen de wind en de stilte over ons heen. En ik besef dat niets hier ooit nog hetzelfde zal zijn.
De kantine is al half leeg als ik terugloop naar mijn kantoor. Het geroezemoes dooft langzaam uit tot een laag geritsel van plastic bekers en stoelen die worden aangeschoven. De geur van wijn en frituur hangt nog in de lucht, samen met dat ongrijpbare mengsel van zweet en spanning. Ik pak mijn jas, mijn tas, mijn helm. De stilte voelt zwaar, alsof het gebouw zelf even ademhaalt na alles wat er is gebeurd. Het geluid van mijn voetstappen echoot tegen de muren. Elk tikje van mijn zool lijkt harder dan normaal, alsof de stilte iets probeert terug te zeggen.
Ik voel nog steeds de warmte in mijn borst van wat er daarnet gebeurde. De blikken, de woorden die te hard waren om te fluisteren, te echt om te ontkennen. De adrenaline zit nog in mijn bloed. En ergens, onder dat alles, de gedachte dat dit misschien nog maar het begin was.
Dan gaat de deur open. Elise. Ze leunt tegen de deurpost, haar haar los, haar blik nog vol van wat er buiten is gebeurd. Haar wangen zijn nog vochtig van de wind of van tranen, dat weet ik niet. Er zit iets zachts in haar ogen, iets wat ik nog niet eerder bij haar zag — een mengeling van opluchting en verdriet. Ze stapt naar binnen en sluit de deur achter zich. Het zachte klikje klinkt harder dan alles wat ik eerder hoorde. Peter, zou hij dit zien, komt haar nu vast niet achterna. Of juist wel. Maar ik denk niet aan Peter.
‘Wat je daar deed,’ zegt ze zacht, ‘dat was moedig.’
Ik open mijn mond om iets te zeggen, maar de woorden blijven steken. Ze stapt dichterbij, langzaam, alsof elk pasje een keuze is. Haar hand glijdt langs mijn wang, warm en licht tegelijk. En dan kust ze me. Lang. Intiem. Zacht eerst, dan steviger. Haar lippen zijn warm, haar adem snel en gejaagd. Mijn hart bonst zo hard dat ik het in mijn slapen voel. Ik proef wijn, zout, adem. De tijd vertraagt. Wanneer ze zich terugtrekt, glinsteren haar ogen in het schemerlicht van het kantoor. Ze kijkt me aan zoals niemand dat ooit heeft gedaan — zonder schaamte, zonder angst, met een soort vermoeide eerlijkheid. Het is adembenemend.
Ze glimlacht — een kleine, trieste glimlach die meer zegt dan woorden. ‘Soms moet iemand gewoon iets doen,’ fluistert ze. Dan laat ze me los. Ze draait zich om, haar hand nog even op de klink, haar schouders schuin alsof ze iets wil zeggen, maar het niet durft. En dan verdwijnt ze zonder een geluid. De lucht om me heen lijkt nog steeds naar haar te ruiken — kruidig, zacht, vertrouwd. Ik blijf staan met gesloten ogen, om het moment nog even vast te houden.
Even later sta ik in de loods. Het TL-licht flikkert, de lucht ruikt naar rubber en olie. Buiten hoor ik het tikken van regen die tegen het golfplaten dak slaat. Ik heb mijn te strakke fietsbroek al aangetrokken, de rest van mijn kleren liggen slordig in de hoek. Het voelt onwerkelijk om na zo’n dag weer bezig te zijn met iets triviaals als klittenband en fietsschoenen. Ik buk net om mijn schoenen vast te klikken als de deur openzwaait.
Hila.
Ze stapt naar binnen, haar jas half open, haar haar in de war van de wind. Ze kijkt me aan en lacht — niet gemeen, maar oprecht. De lach van iemand die niet weet of ze wil huilen of lachen. ‘Dat broekje,’ zegt ze, terwijl ze haar hoofd schuin houdt. ‘Misschien begon het daar wel allemaal mee.’ lacht ze speels.
Ik voel hoe mijn wangen warm worden, maar ik lach terug. ‘Dat was geen gewone dag,’ zeg ik. Durf ik ook tegen haar te zeggen. Hoe anders was dat toen ik hier begon.
Haar lach zakt. Ze kijkt naar de grond, ademt diep in, en als ze weer opkijkt is haar blik kalm, bijna breekbaar. ‘Ik weet nu dat dat ook fout was van mij,’ zegt ze. Haar stem klinkt schor, eerlijk, alsof ze iets van zich af moet praten wat te lang heeft vastgezeten. ‘Ik heb het niet zo ervaren,’ zeg ik. ‘Niet toen. Niet nu.’
Ze knikt, langzaam. Haar blik blijft rusten op mijn gezicht, alsof ze iets zoekt wat ze niet helemaal durft te vinden. Dan zegt ze zacht: ‘Dank je. Voor daarnet. Voor alles eigenlijk.’ Ze zet een stap dichterbij, haar hand raakt vluchtig mijn arm. De aanraking is klein, maar voelt groter dan woorden. ‘Waren er maar meer mannen zoals jij.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Dus doe ik wat ik altijd doe: ik glimlach alsof het niks is, alsof woorden het moment niet waard zijn. Maar ze stapt nog dichterbij, tilt haar kin iets op. ‘Kijk me eens aan,’ fluistert ze. Ik gehoorzaam, en haar ogen vangen me. Donker, vochtig, echt. Ze kust me — niet voorzichtig zoals Elise, maar gretig, met tong, vol leven en iets wat bijna op honger lijkt. Mijn handen vinden haar middel zonder dat ik het besef. Het is kort, maar het brandt diep. Wanneer ze zich losmaakt, ademt ze zwaar. Haar ogen zijn rood, haar lippen vochtig. Ze glimlacht breed, haar stem weer een tikje schor van spanning. Haar blik op mijn kruis, de aftekening van mijn stijve weer duidelijk op haar netvlies.
‘Je weet nu waar ik woon,’ zegt ze, half plagerig, half serieus. Haar blik blijft nog even hangen, en ik zie in dat kleine moment iets wat bijna op spijt lijkt. Dan draait ze zich om, haar hand over haar gezicht, en verdwijnt de regen in.
En dan is ze weg.
Ik blijf achter tussen mijn fiets en stilte, mijn hart nog steeds te snel, mijn adem onregelmatig. Het TL-licht zoemt boven me, de geur van olie en stof vervangen door haar parfum. Ik trek mijn jas aan, klik de gesp van mijn helm vast en stap op. Ik zit bijna tussen m'n spaken. De regen is zachter geworden, een fijne mist over de parkeerplaats. De eerste trappen zijn zwaar, daarna licht.
Ik fiets met een vreemd geluk naar huis — warm vanbinnen, verward in mijn hoofd. De beelden komen terug in flarden: Elise’s lippen, Hila’s stem, Peters ogen toen hij verloor. De lucht prikt in mijn longen, maar ik voel me levend. Ik weet nog niet wat dit allemaal betekent. Niet voor mij. Niet voor hen. En al helemaal niet voor Peter, die waarschijnlijk nu al plannen aan het maken is. Zijn woede is niet iets dat zomaar oplost — dat weet ik. Hij zal terugkomen, vroeg of laat.
Maar dat is voor later. Nu is het alleen ik, het asfalt, de geur van nat gras en benzine, en het echoën van hun lippen op de mijne. In elke ademhaling zit nog een restje van hen — zout, warm, echt. Ik trap harder, voel de koele lucht op mijn gezicht slaan. De wereld is stil, maar in mij gonst het nog. Een nieuw begin, of het begin van iets dat alles zal veranderen — ik weet het niet. Alleen dat niets meer hetzelfde zal zijn.
-
Er zijn nog geen trefwoorden voor dit verhaal. Welke trefwoorden passen volgens jou bij dit verhaal?
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
