Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 16-02-2026 | Cijfer: 9.2 | Gelezen: 214
Lengte: Lang | Leestijd: 25 minuten | Lezers Online: 6
Verandering
De volgende ochtend word ik wakker.

In mijn eigen bed. Alleen. Maar opgelucht.

Niet leeg. Niet twijfelend. Alleen.

En toch voelt het alsof ik niet meer dezelfde man ben als gisteren.

Er hangt een stilte in mijn kamer die anders is dan normaal. Niet zwaar, niet beklemmend — eerder geladen met iets nieuws. Alsof de muren getuige zijn geweest van een verschuiving die niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Wat er gisteren is gebeurd, heeft alles verplaatst. Subtiel misschien, maar onmiskenbaar. Er is geen weg terug naar hoe het was.

Dat kan niet anders.

Eveline wilde misschien weggaan, doorgaan zoals voorheen, doen alsof het een bijzondere maar afgesloten avond was. Dat zou bij haar passen: intens beleven, daarna luchtig relativeren. Maar daar zijn wij de verkeerde mensen voor. Wij zijn geen mensen die iets intens delen en het daarna achteloos parkeren. Wij voelen te veel. Denken te lang na. Hechten sneller dan verstandig is.

De avond eindigde lief.

Zonder drama. Zonder haast. Zonder grootse beloften.

Eveline bleef. Ze sliep bij Natsuki. Dat voelde logisch, bijna vanzelfsprekend. Alsof hun kamer de veilige plek was waar alles eerst mocht landen. Ik had daar ook graag geslapen, in diezelfde ruimte, onder dezelfde spanning die langzaam zou overgaan in rust. Gewoon tussen hen in, in de nasleep van wat we samen hadden geopend.

Maar het voelde normaal om dat nu niet meteen te doen.

Alsof er een onuitgesproken grens was die we niet in één keer wilden overschrijden. Alsof we intuïtief begrepen dat nabijheid niet altijd betekent dat je alles tegelijk moet nemen.

Voor haar deur had ik hen beiden nog een knuffel gegeven — iets langer dan anders, iets steviger. Mijn lichaam nog warm van alles wat er gebeurd was. Mijn hoofd nog vol. Mijn erectie had ik weggestopt, letterlijk en figuurlijk. Niet uit schaamte, maar uit voorzichtigheid. Het voelde belangrijk om deze nacht niet te forceren.

In bed had ik nog even geluisterd.

Of de twee verder gingen. Of er gefluister klonk. Of beweging. Of opnieuw een zucht.

Zo te horen niet.

Dat stemde me goed.

Niet omdat ik hen iets misgun. Integendeel. Maar omdat het voelde alsof we samen een tempo hadden afgesproken zonder dat uit te spreken. Alsof niemand iets wilde overhaasten. Ik had liever daar gelegen. Dat wel. Maar het kon ook te snel gaan. Te veel in één keer.

Even afstand. Even tijd om na te denken. Even voelen wat dit betekent.

Om te beseffen hoe veranderd de wereld zou zijn de volgende ochtend.

En nu is die ochtend er.

Wanneer ik mijn ogen open, duurt het een paar seconden voordat de herinnering zich weer aandient. Dan komt alles tegelijk terug: haar lichaam tussen ons in, Eveline’s blik, de woorden die vielen, het knikje dat alles bevestigde.

Ik voel het in mijn buik.

Niet als spanning. Niet als angst.

Als verwachting.

Als ik uit bed kom — in alleen een boxershort, mijn lichaam nog loom, een halve stijve die traag reageert op herinnering — hoor ik het koffiezetapparaat en de waterkoker zoals altijd. Het vertrouwde geluid van water dat opwarmt, bonen die malen, een mok die zacht tegen het aanrecht tikt.

Maar het voelt anders.

Huiselijker.

Alsof het huis zelf weet dat er iets is verschoven. Alsof het zich heeft aangepast aan een nieuwe samenstelling, een nieuwe dynamiek.

Ik hoor hun stemmen.

Zacht. Dicht bij elkaar.

Geen spanning. Geen ongemak. Geen geforceerde luchtigheid.

Gewoon normaal.

En juist dat maakt het bijzonder.

Ik blijf even staan in de deuropening van mijn slaapkamer. Luister. Er wordt gelachen. Niet luid, niet overdreven. Gewoon een gedeelde grap. Iets alledaags.

Het raakt me meer dan alles wat er gisteren lichamelijk gebeurde.

Want dit is het echte risico.

Niet seks.

Maar samen wakker worden in een werkelijkheid die we zelf hebben gecreëerd.

Ik glimlach meteen.

Niet breed. Niet uitbundig.

Gewoon oprecht.

En voor het eerst in lange tijd voel ik geen drang om te analyseren wat dit betekent.

Ik wil er gewoon naartoe lopen.

De keuken in.

Naar hen toe.

Ik verzamel wat moed.

Niet overdreven. Niet theatraal. Gewoon genoeg om niet opnieuw weg te kijken.

Ik moet zelf laten zien dat de wereld veranderd is. Dat ík veranderd ben. Dat ik niet meer dezelfde Karel ben die te lang afwezig was, te voorzichtig, te afwachtend, altijd analyserend tot het moment voorbij was. Als ik nu terugval in dat oude patroon, zou dat funest zijn — dat voel ik in alles. Dan wordt gisteren een uitzondering in plaats van een begin.

Dus wanneer ik mijn kamer uitstap, doe ik dat in enkel mijn boxershort.

Bewust.

Wetende dat het op dit moment weinig aan de verbeelding overlaat, maar ook weer niet té duidelijk is. De stof valt los om mijn benen, soepel en nonchalant; alleen het elastiek sluit strak om mijn middel. Wat eronder gebeurt, is zichtbaar genoeg om niet onschuldig te zijn, maar ook niet agressief aanwezig. De tent is er — onmiskenbaar — maar niet scherp afgetekend.

Op het randje, gok ik.

Alsof ik wil zeggen: ik verstop me niet meer.

Mijn hartslag ligt hoger dan nodig is voor een paar stappen door de gang. Elk geluid klinkt harder in de ochtendstilte. Ik voel me tegelijk kwetsbaar en vastbesloten.

In de gang komt Eveline toevallig voorbijgelopen, haar benen vrijwel helemaal bloot, gehuld in een mooie kimono van Natsuki die net voorbij haar middel reikt. De stof beweegt licht mee bij elke stap. Ze straalt — nog voordat ze me ziet.

Maar wanneer ze me wél ziet, straalt ze nog meer.

Haar blik glijdt zonder schaamte over me heen.

“Goedemorgen, Karel…” zegt ze semi-verleidelijk, terwijl haar ogen kort blijven hangen waar ze willen blijven hangen.

Ik zie het.

Ze ziet het ook.

“Ik laat jullie heel even,” voegt ze er speels aan toe, zo fluisterend zacht dat Natsuki het niet hoort.

Er zit geen afstand in haar stem. Geen jaloezie. Geen claim.

Alleen vertrouwen.

Natsuki staat in haar eigen kimono in de keuken en kijkt om bij het geluid van onze stemmen. Haar haar hangt los, haar houding is rustig. Ze lijkt kleiner dan gisteren, maar niet breekbaar.

“Ruikt goed,” zeg ik wanneer ik haar nader.

Te oppervlakkig.

Te veilig.

Het is een zin die niets riskeert.

Eveline is al weg, richting Natsuki’s kamer. Aankleden, vermoed ik. Of gewoon ruimte maken.

Natsuki glimlacht, maar het is een stille glimlach. Voorzichtig. Alsof ze wacht op wat ik ga doen. Ik weet dat dit het moment is. Dat ik moet laten zien dat wat ik gisteren zei niet alleen woorden waren. Dat ik niet weer in observatie verval.

“Heb je goed geslapen?” vraag ik haar terwijl ik achter haar ga staan.

Mijn stem klinkt normaal.

Mijn lichaam voelt allesbehalve normaal.

Mijn adem raakt haar nek.

Maar de afstand is nog voelbaar.

Niet in centimeters.

In vertrouwen.

Ik zie haar heel even verstijven. Slechts een fractie van een seconde. Haar schouders spannen zich kort aan.

“Ja,” zegt ze zacht. Ze knikt zonder om te kijken.

Ik slik.

Daar is het weer.

Twijfel.

Te lang.

Foute boel, denk ik meteen.

Daar ga ik weer.

Te veel nadenken.

Kom op.

Nu of nooit, Karel. Na alles van gisteren.

Dus leg ik mijn handen op haar heupen.

Niet ruw.

Niet claimend.

Gewoon aanwezig.

Ik doe een stap dichterbij, zodat onze lichamen elkaar raken. Geen ruimte meer om te doen alsof dit een gewone ochtend is.

“Ik heb je gemist,” zeg ik zacht.

En ik meen het.

Niet alleen vannacht.

Maar in alle momenten waarop ik niet durfde te laten zien wat ik voelde.

Ze zwijgt even.

Maar haar lichaam ontspant.

Niet dramatisch. Geen zucht. Geen grote beweging.

Gewoon minder spanning onder mijn handen.

Dat is genoeg.

Mijn handen glijden van haar heupen naar haar buik en ik trek haar voorzichtig tegen me aan, mijn wang rustend op haar schouder. Haar geur is vertrouwd. Haar warmte ook. Mijn erectie drukt zacht tegen haar heup; ik doe geen moeite om dat te verbergen.

Mijn grip verslapt wanneer ze zich omdraait in mijn armen.

Ze kijkt eerst naar mijn borst.

Dan naar mijn buik.

Heel even naar de rand van mijn boxershort.

Dan pas naar mijn ogen.

Haar ogen zijn groot en donker.

Niet bang.

Maar zoekend.

Haar mond opent zich, alsof ze iets wil zeggen — misschien een vraag, misschien een grap, misschien een waarschuwing.

Maar ze vindt geen woorden.

Dus kust ze me.

Geen proefkus.

Geen voorzichtige aanraking.

Een voortzetting.

Mijn handen vinden opnieuw haar heupen; haar vingers zoeken mijn nek, mijn haar. Ze trekt me dichter naar zich toe, alsof ze wil controleren of ik er echt ben.

We houden elkaar vast.

En de kus begint alsof hij gisteren nooit geëindigd is.

Geen uitleg.

Geen analyse.

Alleen verlangen dat zich herinnert hoe het voelde.

We draaien onze gezichten verder naar elkaar toe. Wanneer ze haar mond een fractie opent, lik ik langs haar lip — half instinct, half overmoed — maar haar tong vindt daarna direct de mijne.

Geen aarzeling.

Geen terugtrekken.

Haar handen glijden steviger in mijn haar. Mijn vingers drukken iets nadrukkelijker in haar heupen. Ze zucht in mijn mond, nauwelijks hoorbaar, maar genoeg om alles in mij opnieuw aan te wakkeren.

Zo staan we daar plots te zoenen in de keuken.

In het ochtendlicht.

Met koffie op het fornuis.

Met de geur van thee in de lucht.

Met de wetenschap dat Eveline zich in de andere kamer bevindt — niet als dreiging, niet als toeschouwer, maar als onderdeel van dit alles.

En een stilte die alles zegt wat we nog niet durven uit te spreken.

Dit is geen herhaling van gisteren.

Dit is bevestiging.

Dit is een keuze die we opnieuw maken — zonder woorden.

Dit is een goed moment.

Niet perfect.

Maar van ons.

Eveline is net ver genoeg om zich er niet mee te bemoeien. Haar parfum hangt nog subtiel in de gang, haar lach echoot nog na in mijn hoofd, maar haar lichaam staat niet meer tussen ons in. Geen hand die het tempo bewaakt. Geen blik die richting geeft.

Dus is dit nu wél ons moment.

Onze kus.

Onze inzet.

Ons verlangen naar elkaar.

En dat voelt gevaarlijk goed.

Na al die tijd. Hoe vaak ik me had voorgesteld haar hier in de keuken te zoenen, tussen koffie en ochtendlicht, met de wereld nog half slapend om ons heen. Hoe vaak ik had gedacht dat het misschien nooit zou gebeuren. Dat het altijd nét zou blijven bij spanning, bij woorden, bij bijna.

En zij ook, geloof ik.

Dat lees ik in de manier waarop ze me blijft kussen. Hoe gretig haar tong weer wordt. Hoe ze niet meer wacht tot ik beweeg, maar zelf dichterbij komt. Haar handen vinden mijn schouders, trekken me steviger naar zich toe. Geen aarzeling meer in haar vingers.

Voorzichtig laat ik een hand onder haar kimono glijden.

De stof is dun, haar huid daaronder warm en zacht. Mijn vingers glijden over haar blote buik, voelen de subtiele spanning in haar spieren wanneer ze inademt. Het korte hemdje daarboven spant licht over haar borsten. Zonder nadenken leg ik mijn hand erop. Eerst voorzichtig. Dan steviger.

Ze hijgt in mijn hals.

Haar adem warm, onregelmatig.

Haar vingers grijpen zich steviger vast in mijn schouders, alsof ze wil voorkomen dat ik me terugtrek.

Zo snel kan het dus gaan.

Of toch te snel?

Want ergens voel ik dat dit moment broos is. Dat het alleen van ons is zolang we het niet te groot maken.

Een paar hemelse minuten later — minuten waarin haar heupen subtiel tegen de mijne bewegen, waarin mijn erectie zich niets aantrekt van terughoudendheid — duwt ze me abrupt weg wanneer Eveline achter ons komt te staan.

Alsof ze zich betrapt voelt.

Alsof het ineens weer te echt wordt.

Alsof de grens tussen ‘ons’ en ‘ons drieën’ plots zichtbaar wordt.

“Niet stoppen,” zegt Eveline grinnikend.

De woorden klinken luchtig.

Maar in haar ogen zie ik iets anders.

Ze geniet.

Maar ze twijfelt ook.

Ze ziet wat dit betekent als zij er niet tussen staat.

“Goed dat ik nu wel ga. Moet ook echt weg,” voegt ze er luchtig aan toe.

Ik hoor de luchtigheid in haar stem, maar ik zie dat ze liever zou blijven. Meedoen. Onderdeel zijn van wat hier verder kan gebeuren. Haar blik glijdt nog één keer over ons heen, alsof ze het beeld wil vastleggen.

En ik weet: als ze was weggebleven, waren Natsuki en ik waarschijnlijk verder gegaan.

Misschien zonder woorden.

Misschien zonder rem.

Wanneer ik me omdraai, vergeet ik even dat ik volledig hard ben. Dat Natsuki met haar buik tegen me aan had gewreven. Dat mijn erectie zich niets aantrekt van timing of subtiliteit.

Eveline ziet het.

Natuurlijk ziet ze het.

Haar blik glijdt omlaag.

Een korte, veelzeggende stilte.

“Ik kom snel terug,” lispelt ze zacht, bijna ondeugend.

“Maar jullie vermaken je wel,” voegt ze eraan toe, alsof ze ons toestemming geeft om niet te wachten.

Alsof ze de deur niet sluit, maar openlaat.

Ze loopt op ons af en omhelst ons allebei tegelijk. Haar armen om ons heen, kort maar intens. Haar wang raakt de mijne, dan die van Natsuki. Het is geen afscheid. Meer een tijdelijke verschuiving.

Ik sla een arm om haar heen en kus haar voorhoofd.

“Bedankt,” zeg ik zacht.

En ik meen het.

Voor gisteren.

Voor nu.

Voor het feit dat ze niet is weggelopen toen het ingewikkeld werd.

Meer hoef ik niet te zeggen.

Natsuki lacht en knikt naar haar, dankbaar, bijna eerbiedig. “Tot snel,” zegt ze.

Dan loopt Eveline de galerij op.

We horen haar stappen nog even.

Dan niets.

Natsuki zwaait haar uit.

Ik blijf in de keuken staan, mijn erectie nog altijd zichtbaar onder mijn boxershort. Geen poging meer om hem te verbergen. Geen grap om het te verzachten.

Dan draait Natsuki zich om.

Langzaam.

Alsof ze zichzelf een seconde geeft. Ik zie het vanachter het hoekje.

Ze loopt terug de keuken in en stopt vlak voor me. Zo dichtbij dat ik haar adem kan voelen. Haar blik zakt naar beneden.

Ze ziet het.

Ze ziet alles.

Ik volg haar blik.

En daar beneden wijs ik langzaam omhoog. Hoger hoe langer ze kijkt.

Niet uitdagend.

Niet arrogant.

Alleen eerlijk.

Zonder woorden.

Ik stap over de rand van mijn boxershort.

Ik had hem al laten zakken.

Gind dit te ver. Niet te ver.

Maar ver genoeg.

Genoeg om te laten zien dat dit geen ongeluk is.

Genoeg om te laten zien dat ik wacht.

Op haar.

Op wat zij nu kiest.

De stilte tussen ons wordt dikker.

Maar niet ongemakkelijk.

Beslissend. En Eveline is opnieuw vergeten, wat mijn doel nu ook was.

De koele ochtendlucht botst met de hitte die mijn blote, kloppende eikel uitstraalt. Mijn hartslag is zichtbaar — daar beneden, maar ook hoog in mijn borst. Het voelt alsof mijn hele lichaam verraadt wat ik probeer te verbergen en tegelijk juist wil laten zien.

“Wat doe je?” vraagt ze haastig, geschrokken, bijna beledigd.

Niet omdat ik dit doe.

Maar omdat ik het misschien had moeten aankondigen.

“Ik heb nog nooit… Ik kan helemaal niet…” stottert ze dan.

Haar ogen schieten van mijn gezicht naar beneden en weer terug. Niet afkeurend. Eerder overweldigd. Ik ben gespannen, weet dat ik een risico neem, maar ik weet ook dat ik in dit moment net zo kwetsbaar ben als zij.

“Ik ook niet,” zeg ik rustig.

Zodat zij niet vergeet dat ik net zo onervaren ben als zij. Dat de enige ervaring die ik heb, de ervaring was waarbij zij aanwezig was. Dat dit voor mij net zo nieuw is.

“Je hand voelde zo goed… Ik dacht…” slik ik, toch wat onzeker.

Ik hoor hoe mijn stem iets breekt op het einde van de zin. Alsof ik mezelf bijna terugfluit.

Maar ze begint voorzichtig te lachen.

Geen uitlach.

Een ontlading.

“Ik dacht vannacht aan je,” zegt ze dan, open en eerlijk, alsof ze inziet dat dit het moment is om niet meer te verbergen wat er in haar hoofd omging.

“Hoe het zou zijn,” voegt ze eraan toe.

Ik gniffel zacht.

“Wel vaker toch?” herinner ik me haar eerdere biecht, half plagerig, half zoekend naar bevestiging.

Natsuki loopt rood aan en kijkt verlegen weg. Haar vingers frunniken aan de rand van haar kimono.

“Niet dat dat nu moet, maar…” laat ik het open.

Ik sta volledig naakt voor haar. Geen verdedigingsmechanisme meer. Geen stof om me achter te verschuilen.

“Ik wil je gewoon even voelen,” zeg ik. Net lief genoeg om niet dwingend te klinken.

Er valt een stilte.

Niet leeg.

Beslissend.

Haar lach wordt breder. Ze stapt dichterbij, maar kijkt me nog steeds niet direct aan. Haar blik glijdt langs me, alsof ze moed verzamelt zonder mijn ogen te hoeven ontmoeten.

En dan — zonder aankondiging — vindt haar hand mijn erectie.

Voor mij uit het niets.

Alsof haar lichaam al had besloten wat haar hoofd nog probeerde te begrijpen.

En hij ligt in haar hand alsof ze voor elkaar gemaakt zijn.

Haar vingers sluiten zich eromheen. Niet stevig. Niet los.

Gewoon passend.

Haar hand blijft eerst stil. Licht knedend, nauwelijks bewegend. Vraag me niet hoe ze dat doet. Het is geen aftrekken. Het is aanraken. Verkennen.

Ik sluit mijn ogen en zucht diep.

“Ja… zo,” fluister ik.

Mijn handen vinden haar heupen. Ik trek haar iets dichterbij, zodat mijn erectie in haar hand tussen onze lichamen rust. Haar warmte om me heen, haar adem tegen mijn borst.

“Dit voelt zo goed,” fluister ik in haar oor.

Ze kijkt me dan eindelijk aan.

Alsof ze wil controleren of ik niet overdrijf.

Alsof ze zoekt naar een spoor van gespeelde bravoure.

Maar ze ziet in mijn ogen dat het echt zo is.

Dat ik niet speel.

Dat ik niet voordoe.

Dus beweegt ze haar hand iets meer.

Langzaam.

Voorzichtig.

Ik kus haar.

In de keuken.

Naakt.

Zij nog half gekleed.

Ze streelt me. Meer is het niet.

Maar het is alles wat ik nu wil.

Geen haast.

Geen bewijsdrang.

Alleen dit.

En dat krijgt ze door.

Maar wat wil zij?

Dat is de vraag die tussen ons in blijft hangen, zelfs terwijl haar hand beweegt en mijn adem zwaarder wordt.

Niet of ze dit kan.

Maar of ze dit wil.

En hoe ver.

‘Ik wil niet meer terug,’ fluister ik tegen haar.

Ik kijk haar aan tot ze terugkijkt, zodat ze begrijpt wat ik bedoel. Dat het me niet alleen om dit moment gaat, niet alleen om wat haar hand nu doet, maar om alles wat gisteren in beweging is gezet.

‘Ik wil ook niet te snel gaan. Maar zeker niet meer terug.’

Ik slik.

Ik meen het.

Ze knikt voorzichtig, alsof ze de woorden eerst moet laten landen. Dan lijkt ze het pas echt te snappen.

‘Ik wil meer,’ zegt ze, twijfelend. ‘Maar ik wilde die oude Karel ook.’

Heel even klinkt het als een afwijzing.

‘Die lieverd,’ noemt ze me gniffelend.

Maar haar hand blijft om mijn erectie gesloten.

‘Beide,’ fluistert ze lief. ‘Zolang het kan,’ voegt ze er zachter aan toe — een kanttekening die niet waarschuwend klinkt, maar realistisch.

Ik lach en knik. Ik kus haar voorhoofd.

‘Ik wil beide zijn,’ zeg ik. ‘Ik weet hoe ik lief moet zijn. Maar niet hoe jij wilt dat ik ben tijdens… dit.’

Ik gebaar naar haar hand. Naar mijn erectie.

Ze gniffelt en haalt haar schouders op.

Ze weet het ook niet.

‘Wanneer ga ik te ver? Nu?’ vraag ik haar.

Ze blijft lachen en schudt haar hoofd.

‘Gingen we gisteren te ver?’ vraag ik speelser.

Weer schudt ze lachend haar hoofd.

‘Als ik dit elke dag wil?’ vraag ik voorzichtiger, hoopvoller.

Opnieuw schudt ze haar hoofd.

‘Als ik meer wil?’ slik ik dan. Want dit — hoe intens het ook voelt — was natuurlijk nog niets vergeleken met wat mogelijk is.

Even stopt het schudden.

‘Ik wil veel meer,’ lispelt ze dan, fluisterend tegen mijn borst.

Mijn adem stokt.

‘En ik vertrouw je,’ gaat ze verder. ‘Dat je mijn grenzen respecteert als ik dat aangeef.’

Het klinkt niet als een waarschuwing.

Eerder als een uitnodiging.

‘Als ik haar erbij wil, omdat ik zelf niet durf,’ lacht ze nu weer. Haar hand sluit zich steviger om mij heen.

‘Vind je dat goed?’

Ik knik al voordat ze de vraag helemaal heeft uitgesproken. Mijn ogen sluiten zich vanzelf, want haar hand beweegt nu niet meer aarzelend. Ze trekt me af — rustig, stevig, beheerst, maar tegelijk gedreven.

Alles tegelijk.

Plots heeft ze een grip en een ritme gevonden die mijn tenen laat krommen van opgekropte spanning.

‘Dan kan zij doen wat ik niet kan. Ik kan dan kijken,’ stelt ze voor.

Een bizarre relatie, misschien.

Maar niet voor mij.

‘En als ik jou wil. Niet haar. Ik heb niet genoeg aan haar,’ fluister ik terug zonder na te denken.

Ze lacht zacht.

‘Ik voel het,’ zegt ze.

Haar blik zakt naar haar hand.

‘Zo?’ vraagt ze.

Alsof ze zelf ook merkt dat er iets aankomt als ze zo doorgaat.

‘Ja… zo…’ hijg ik.

Ik ben bang om klaar te komen.

Bang haar af te schrikken.

Maar dat hoeft niet.

Op de een of andere manier heeft ze het initiatief volledig overgenomen. Zelf lijkt ze het niet eens door te hebben. Het gebeurt gewoon.

Ik kom dichterbij.

Ze drukt mijn eikel tegen de gladde stof van haar kimono.

Bewust om het te controleren.

Maar de zijdezachte stof versterkt het moment alleen maar.

Haar hand beweegt aan de onderkant heen en weer — glijdend, wrijvend — alsof ze dit al vaker heeft gedaan. Alsof haar lichaam het begrijpt zonder dat haar hoofd instructies geeft.

‘O god…’ ontsnapt het me plots.

De opwinding slaat door me heen als een golf.

Ik trek haar strak tegen me aan — zo strak dat er nauwelijks nog ruimte is voor haar hand om te bewegen.

Ze houdt me vast.

Blijft bewegen.

Blijft dichtbij.

En dan kan ik niet meer.

Ik spuit.

Ik kom klaar.

Ze laat me komen in haar kimono.

Zij doet dit.

Zonder hulp.

Zonder aarzeling.

En zonder dat ik nog iets tegenhoud.

Ze laat het moment rustig gebeuren.

Ze schrikt niet.

Ze gunt me het moment.

En wanneer ik haar weer aankijk, zie ik hoe opgelucht ze is. Niet uitbundig. Niet overdreven. Gewoon een zachte ontspanning in haar blik, alsof er iets is bevestigd dat ze al hoopte.

Het is een klein moment.

Maar met grote gevolgen.

En dat is niet erg.

We maken ons netjes, kleden ons aan, ontbijten en maken daarna nog een wandeling. Zoals vaker. Zoals altijd.

Maar niets voelt meer zoals altijd.

Er ligt een lading onder alles wat we doen. Iets onuitgesprokens, iets dat tussen ons in hangt zonder dat het zwaar wordt. Ik wil haar steeds maar zoenen. Haar vastpakken. Haar tegen me aantrekken.

Maar ik hou het bij kleine aanrakingen.

Een hand op haar onderrug.

Een korte kus op haar slaap.

Mijn vingers die de hare zoeken tijdens het lopen.

Ik wil haar niet afschrikken, niet te gretig zijn. Niet opnieuw te veel in één keer.

Die middag gaat ze nog de stad in.

Ik blijf achter.

Ik zorg voor het eten. Snij groente met meer aandacht dan nodig is. Kijk vaker op de klok dan ik wil toegeven.

Wacht tot ze terugkomt.

En dan?

Hoe komt ze terug?

Wat verwacht ze?

Wat verwacht ík?

Wanneer het zo ver is, hoor ik haar niet eens. Mijn hoofd staat onder de afzuigkap; het gezoem overstemt alles.

Een zachte aanraking op mijn heup laat me omdraaien.

Ik lach automatisch.

Ik kijk recht in de stralende ogen van Natsuki.

Dezelfde Natsuki als al die tijd.

Maar toch anders.

Haar ogen glimmen. Er zit geen aarzeling meer in haar blik. Ze raakt me aan zonder terughoudendheid, zonder die korte check of het wel mag.

En wanneer ik haar kus, kust ze me terug.

Niet voorzichtig.

Niet afwachtend.

Ze huppelt bijna de kamer in, vertelt over haar middag, over kleine dingen, alledaagsheden. Ze vraagt naar de mijne.

Tijdens het eten legt ze haar hand op de mijne.

Ze vertelt meer.

Opener.

Er zijn minder stiltes — al waren die nooit ongemakkelijk.

Ik vind het ergens eng.

Ze doet alsof het normaal is.

Daar ben ik blij mee.

Maar het voelt zo broos.

Alsof ik meelift in het moment.

Alsof ik nog niet helemaal begrijp wat zij al heeft besloten.

En misschien heeft ze het niet eens door.

Eveline komt die avond niet.

Er is wel contact. Appjes. Korte berichten.

Maar ze is er niet fysiek.

We kijken tv. Gewoon op de bank, zoals zo vaak.

Ze komt naast me zitten.

Ik pak haar hand.

Ze schuift dichter tegen me aan.

En dan kijken we geen tv meer.

We zoenen gewoon.

Langzaam.

Zonder haast.

Totdat we naar bed willen.

Even staan we voor haar deur.

Het moment hangt daar.

De vraag zonder woorden.

Maar als ze zegt: “Nog niet,” knik ik.

Tevreden.

Ze geeft haar grens aan.

En dat is goed.

Dat is precies wat ik wilde horen.

Geen spel.

Geen druk.

Gewoon duidelijkheid.

“Morgen weer een dag,” zeg ik.

In deze veranderde wereld waar ik nog aan moet wennen.

Ik loop naar mijn eigen kamer.

En terwijl ik mijn deur sluit, vraag ik me af:

Trekt ze me morgen weer af?

Of gaan we verder?

Wat wil zij, fysiek?

En belangrijker nog:

Hoe leer ik dat lezen zonder haar te verliezen?
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...