Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Jefferson
Datum: 17-04-2026 | Cijfer: 9.1 | Gelezen: 340
Lengte: Lang | Leestijd: 29 minuten | Lezers Online: 5
Twee Werkelijkheden
Een paar dagen eerder. Einde van de ochtend. Rustig. Niet gek voor de tijd van het jaar. De geur. Die heb ik het meeste gemist. Het zilt. Het was ander zilt hier. Maar zodra ik het rook, nam het me mee terug. Naar... alles. Zo goed als alles. Nog toen ik aan de overkant stond. Dan die eerste stap op de boot. Zoals ik zo vaak een eerste stap op die boot had gezet. Ooit de eerste, met Elise nog aan m'n zijde. En nu? De laatste? Als het goed is niet. Maar ik weet het niet. Hoe het gaat lopen. En wat het gaat brengen. En dat dat hoe dan ook gaat gebeuren.

Nu ben ik alleen. En zo voelt het ook echt. Het voelt niet als thuiskomen, als ik het eiland opstap. Er zijn dingen veranderd. Te veel. Dat ik iemand uit de waan moet gaan halen. En het voelt alsof het hele eiland mij daarvoor gaat veroordelen, zonder dat iemand weet wat er echt speelt. De passen zijn zwaar. Ik slik zo nu en dan.

Maar bij het huisje... valt er een last van me af. Alsof ik een bubbel instap. Een veilige cocon. Het is koud. Maar niet verlaten. Willemijn had een sleutel. Kwam af en toe kijken. En tot mijn verrassing is het netjes en opgeruimd. Weinig stof. In de koelkast staat niks wat kan bederven. En om het op te warmen, steek ik de houtskachel aan. Dan wordt het snel warmer. Een gouden gloed vult de woonkamer en de keuken. De eerste herinneringen aan deze ruimtes? Kamila in haar roze ochtendjas die mij begon te verleiden terwijl ik nog met Elise had. Alsof ze toen al meer wist. Daar begon het. Daar waar ik nu een vervolg aan gaf. En ook mijn eerste herinnering aan de warmer wordende woonkamer had uiteraard met seks te maken. Niet de talloze lieve momenten die ik hier met de meiden had doorgemaakt, maar het moment met Elise en Maja. Van alle momenten. Het trio. Eén of twee avonden voordat Pawel zou komen. Voordat we nog een stap verder zouden gaan. Ik grinnik om dat moment. Alles wat we toen nog niet wisten... Een groot contrast met de alwetende Kamila, zal ik maar zeggen.

Ik pak de fiets uit de schuur. Banden moeten wel opgepompt worden. En ik besluit een klein rondje te fietsen. Wat herkenbare gezichten hier en daar. Een kort praatje met zus en zo. Ik fiets langs de winkel, maar stap nog niet binnen. Het is niet druk. Geen verrassing. Zelfs twee knappe blondjes konden daar op de lange termijn niks aan veranderen. Ik zie Eke, hangend over de kassa, kletsend met Willemijn die nog een vak vult. Maar niet omdat het moet. Het was ooit een leuk idee. Een winkeltje op Ameland. Maar marketingtechnisch zat het niet goed genoeg in elkaar. En ook het idee dat ik op afstand dit kon beheren, dat de dames het zouden runnen, was een te makkelijk idee geweest. Al wist ik dat het ergens vooral een houvast zou zijn om terug te keren.

Ik fiets naar huis. Ik eet. Ik ruim wat op. Ik pak m'n spullen niet uit. Hooguit twee nachtjes was het idee. Dan weer terug naar Kamila, m'n geliefde. Ze zou ongerust zijn. Iets wat ik niet alleen zou voelen bij mijn terugkeer. Ik merkte het eigenlijk in alles, na het bewogen weekend in Rotterdam. Ze had me liever niet alleen laten gaan. Waar het onmogelijk leek dat er nog iets tussen haar en mij zou komen, bleek juist dit bezoek aan Ameland cruciaal te zijn voor onze relatie. Een test die ik zelfs niet zag aankomen.

Een test die begint als ik beide meiden die avond afzonderlijk een appje stuur. Eerst Eke. Kort, bijna zakelijk. ''Ben op het eiland. Morgen tijd?'' Ik krijg niet meteen reactie. Al zie ik wel dat ze het meteen leest. Daarna Willemijn. ''Bedankt dat je zo goed voor m'n plekje zorgt. Kunnen we het daar morgen over hebben?'' Ik wil ook haar zien. Uiteenlopende redenen. Uiteenlopende reacties.

Voor ik het weet, zit ik al een tijd met m’n telefoon in m’n hand. Eerst rechtop aan tafel, daarna wat onderuitgezakt op de bank. Het huisje stil om me heen, alleen het zachte tikken van m’n duimen op het scherm.

Willemijn.

Het begint simpel.

“Je bent er dus echt.”

Ik glimlach even. Typ, wis, typ opnieuw.

Ja. Vanmiddag aangekomen.

Die drie puntjes verschijnen, verdwijnen, komen terug. Typisch.

“En?”

Ik leun achterover, kijk even om me heen. Alsof het antwoord ergens in de kamer ligt.

Rustig. Beetje leeg nog.

“Ja, dat snap ik,” stuurt ze. “Zonder jou is het hier ook rustiger.”

Ik grinnik zacht. Dat is precies haar. Niet zwaar, maar ook niet niks.

Dat geloof ik meteen, stuur ik.

Even blijft het stil. Net lang genoeg om te voelen dat ze nog iets wil zeggen, maar niet meteen durft.

Dan:

“Heb je het huisje al een beetje warm gekregen?”

Ja. Kachel aan. Werkt nog steeds, typ ik.

“Mooi.”

Weer zo’n korte reactie. Maar het voelt niet leeg. Meer alsof ze zoekt naar de juiste woorden, en genoegen neemt met iets eenvoudigs.

Ik schuif wat onderuit, leg m’n hoofd tegen de leuning.

“En hoe is het daar?” stuur ik terug.

Het duurt iets langer nu.

“Gewoon,” zegt ze. “Niet druk. Beetje saai misschien.”

Ik zie haar voor me. Hoe ze dat typt. Schouders een beetje opgetrokken, alsof ze het zelf ook niet helemaal gelooft.

Mis je het een beetje? stuur ik.

Weer die puntjes. Langer dit keer.

“Misschien,” komt er dan.

Geen uitleg. Geen toevoeging.

Ik laat het even hangen.

Ik ben er morgen nog, typ ik. Als je wil afspreken.

Het blijft stil. Dit keer echt stil. Ik leg m’n telefoon even op m’n borst, kijk naar het plafond.

Dan trilt hij weer.

“Ja,” stuurt ze. “Dat lijkt me wel fijn.”

Ik glimlach. Geen uitroepteken. Geen haast.

Gewoon dat.

We praten nog even door. Over kleine dingen. De winkel. Wie er langs is geweest. Dingen die ertoe doen omdat ze van haar komen, niet omdat ze belangrijk zijn.

Na een tijdje komt het toch.

“Het is wel raar,” typt ze. “Dat je er weer bent.”

Ik kijk naar die zin.

Voor mij ook, stuur ik.

“Maar ook niet,” voegt ze toe.

Ik begrijp wat ze bedoelt.

Er zit iets vertrouwds in. Iets dat niet weg is gegaan.

We zien het morgen wel, typ ik.

“Ja,” stuurt ze. “Is goed.”

Geen druk. Geen verwachting die uitgesproken wordt.

Maar wel genoeg om te blijven hangen.

Ik leg m’n telefoon naast me neer en blijf nog even liggen. Het gesprek is simpel geweest. Rustig.

Maar precies daarom blijft het bij me.

Eke stuurt kort een akkoordje. ''Morgen is goed. Hoelaat?'' stuurt ze terug. ''Elf? Bij mij?'' stuur ik net zo kort terug. ''Oké, tot morgen.'' en dat was dat betreft Eke. Willemijn wilde nu al komen. Tien uur. Kan. Maar leek me niet verstandig. Ik geloof dat ze er zelf ook een beetje van schrok. Maar ze is blij. Dat ik in de buurt ben. Dat doet me goed. De ander houdt me die nacht wakker. Wetende wat ik gezegd had toen ik de vorige keer wegging...

Tussen de berichten door met Willemijn trilt m’n telefoon nog een keer.

Kamila.

Haar naam alleen al zet alles net iets scherper.

“Je bent er?”

Ja, typ ik. Net even binnen.

Het blijft even stil. Geen directe vraag. Dat is ook typisch haar. Ze weet al waarom ik daar ben. Hoeft dat niet opnieuw te horen.

“En?” komt er dan.

Ik kijk naar dat ene woord. Kort. Open. Maar niet vrijblijvend.

Rustig nog, stuur ik. Weinig mensen gezien.

Geen leugen. Maar ook niet alles.

Die drie puntjes verschijnen, verdwijnen, komen terug.

“Wanneer zie je haar?”

Daar is hij.

Ik adem rustig uit, leun iets naar achteren.

Morgen, typ ik. Elf uur.

Even niets.

Dan:

“Oké.”

Kort. Geen drama. Maar ook niet leeg.

Ik ken haar goed genoeg om te weten dat daar meer achter zit.

“En Willemijn?” volgt er daarna.

Ze laat het niet los. Hoeft ook niet.

Die spreek ik ook nog, stuur ik. Moet ook geregeld worden.

Dit keer reageert ze sneller.

“Ja.”

Punt.

Ik kijk even naar dat bericht. Naar hoe weinig ze nodig heeft om toch alles te zeggen.

Ik typ iets, twijfel, pas het aan.

Komt goed, stuur ik uiteindelijk.

Weer stil.

Dan:

“Dat weet ik.”

Daar zit het. Geen vraag. Geen controle.

Vertrouwen.

Of in ieder geval… de keuze om dat te laten zien.

Ik ga wat rechter zitten, wrijf met m’n hand over m’n gezicht.

“Laat je het me weten daarna?” stuurt ze.

Niet dwingend. Maar ook niet vrijblijvend.

Ja, typ ik.

Even niks.

Dan:

“En verder?”

Ik glimlach kort.

Verder niks, stuur ik. Gewoon hier.

Het duurt iets langer voordat ze reageert.

“Goed.”

Nog een paar seconden.

“Mis je me een beetje?”

Ik kijk naar het scherm. Dat is de eerste keer dat het zachter wordt.

Ja, typ ik. Dit keer zonder twijfel.

Dit keer reageert ze sneller.

“Mooi.”

Pauze.

“Dan zit je nog goed.”

Ik leg m’n telefoon naast me neer. Niet omdat het gesprek klaar is, maar omdat ik precies weet wat ze doet.

Ze hoeft niet te trekken.

Ze hoeft alleen te blijven staan waar ze staat.

En dan kom ik vanzelf terug.

Ik ben vroeg op. Alleen in bed. Niet best geslapen. Geen zin om te blijven liggen. Geen Kamila naast me, of die me bij het ontbijt wakker pijpt... Was ik gek of zo om haar niet mee te nemen?! De stijve is er. Ik druk hem weg en ga het dorp in. De vroegste bakker voorziet mij van m'n ontbijt. Ik had niks in huis. Ging ook niks halen. Geen reden om langer te blijven dan nodig. Dat was de missie van vandaag. In ieder geval de eerste helft van de dag.

Met elk straatje dat ik doorfiets, voel ik me weer wat meer thuis. Meer herinneringen. En wat me opvalt, vooral fijne. Normaal gesproken blijft het negatieve me makkelijker bij.

Ik fiets langzaam door het dorp, maar echt doorfietsen lukt niet. Op elke hoek blijft er iets hangen. Niet eens bewust. Het gebeurt gewoon.

Bij dat ene kruispunt zie ik het weer.

Regen. Niet een beetje, maar van die regen die alles doorweekt voordat je doorhebt dat je nat bent. Mijn band leeg, fiets half in de berm. Ik vloek nog zacht, terwijl ik kijk of er iets te redden valt.

Zij staat naast me. Ze lacht.

“Lekker moment weer,” zegt ze, terwijl ze haar natte haar uit haar gezicht veegt.

“Je kan alvast gaan,” zeg ik. “Ik red me wel.”

Ze schudt haar hoofd meteen. Alsof dat nooit een optie is geweest.

“Doe normaal,” zegt ze. “Ik ga je hier toch niet laten staan?”

Even later zitten we onder een afdakje, allebei zeiknat, een puntzak friet tussen ons in. Stoom die ervan afkomt, zout dat aan m’n vingers blijft plakken. Zij pakt er eentje, blaast er kort op en duwt hem half lachend tegen m’n lippen.

“Hier,” zegt ze.

Ik neem hem aan, kijk haar even aan. Haar wangen rood van de kou, haar ogen helder, alsof dit precies is waar ze wil zijn.

Niet thuis. Niet droog.

Hier. Elise...

Een moment dat me direct weemoedig maakt. En dat voelt gevaarlijk. Ook fiets ik even naar het strand. De strandtent waar ze werkte. De plekjes in de duinen. Met Elise. Zonder Elise. Met Kamila. Met de rest. Ondanks de zorgen leefde ik hier altijd een zorgeloos bestaan. Buiten het eiland was niks. En dat was fijn. Ook al zocht Elise altijd alles buiten het eiland. Maar daar denk ik niet aan. Weinig nog.

Als het tien uur is, fiets ik naar huis, langs het winkeltje. Op zaterdag iets drukker. Willemijn wist dat ze alleen zou staan omdat ik zou afspreken met Eke. Ik had ook gezegd dat Eke wellicht niet terug zou komen om haar af te wisselen. Dan zou ik komen. Dat zien we dan wel. Voor de rest liet ik weinig los tegen Willemijn, maar ze begreep al lang dat haar situatie en status heel anders waren dan die van Eke. Op elk gebied, misschien wel.

Terwijl ik me over het eiland beweeg, besef ik steeds meer dat ik niet hier ben om afscheid te nemen van het eiland zelf. Slechts van een stukje verleden.

Thuis houd ik m'n jas aan. Zet koffie. En wacht geduldig op het kleine, gebrekkige tuinstoeltje aan het houten tafeltje. Met een leeg stoeltje aan de andere kant. Ik was zelfs van plan haar niet binnen te vragen. En dat is hard. Ik weet het.

Want hoe zat het ook alweer? De laatste keer was ik hier ook zonder Kamila. Ik, samen met Willemijn en Eke. Het overdragen van de winkel. Maar ook grenzen opzoeken.

Wetende dat Eke meer voor me voelde dan alleen fysieke aantrekkingskracht, en dat ik hetzelfde voor haar voelde, hadden we ons momentje van passie in het magazijn van de winkel, zonder dat er echt seks aan te pas kwam. Dat zou later wel komen. Als ik terug zou keren. Als we verder gingen waar we gebleven waren.

Dat soort beloftes hingen toen in de lucht. Die had ik gemaakt. En daar ging ik op terugkomen. Niet omdat ik niet wilde. Natuurlijk wilde ik dat, alles met Eke. Maar het was te gecompliceerd. Het leven. Het gedoe met de vriendengroep. We moesten wat stappen terugzetten om verder te komen. Dat betekende dingen afsluiten. En dit wilde ik heel graag afsluiten. Want wat ik nog steeds voel voor Eke is zo veel meer dan ik zou moeten. En wetende hoe zij dat voor zich ziet, is het wel het laatste wat ik kan bieden. Eke zou nooit meegaan in het leven wat ik heb. Niemand naast haar dulden. En terecht. Dat wil ik ook niet. Daarom moet het stoppen. We hadden zo nu en dan contact. Maar dat werd al wel steeds minder, hoe meer ik besefte dat zij echt uitkeek naar mijn terugkeer. Tot het zover was.

Ik hoor een piepende fiets naderen. Een dame stapt af. Platte schoenen in het grind. En ik zie haar meteen. Ze recht haar rug als ze mij ziet. Ze lacht, voorzichtig. En ik ook. Ik slik zelfs. Daar is ze dan. Eke. De andere werkelijkheid. Ik had alles kunnen vergeten, alles laten gaan en een normaal, burgerlijk leven met Eke kunnen beginnen. Toen al. Dat ging niet. Dat vonden we beiden. Toen al. En toch kwamen we steeds weer bij elkaar uit. Zelfs dat ze haar kerkelijke principes opzij wilde schuiven voor mij. Goed, meer dan een natte vinger was het niet. Maar het moment staat gegrift in m'n geheugen. Die ontlading. Na zo lang. Dat was niet normaal. En ja, dus een belofte voor meer.

Ze stapt langzaam maar gedreven naar me toe. Ik aarzel en blijf nog even zitten. Waardoor zij ook aarzelt. Ze ziet er goed uit. Zelfs met winterjas. Duidelijk opgemaakt. Ogen die twinkelen. Een klein laagje make-up. Gespannen in elke hoek van haar gezicht. Maar ze lacht. "Hey," zegt ze zacht. En dan sta ik op. Ik weet niet met welke verwachtingen ze is gekomen en hier nu nog staat.

"Ga zitten," zeg ik rustig. Bied haar geen drinken aan. Mijn kopje is al leeg. Ze is verrast door de koelte en de afstand. Nee, we gaan niet naar binnen. Dus gaat ze zitten. Rechte rug, om haar heen kijkend, handen op haar schoot. "Ik ga de winkel verkopen," zeg ik dan. Zonder omwegen. Maar dit was de omweg. Ze kijkt op. "Huh, want?" vraagt ze nog. Maar ze weet het wel. "Loopt niet," zeg ik rustig, kijk voor me uit. "Dus je moet ander werk zoeken," gooi ik het op. En een deel wil het hierbij laten. Maar mijn uitnodiging kon niet alleen om werk gaan, toch? Zo kijkt ze me aan, terwijl ik wegkijk. "Uhm, oké," durft ze niet meer dan dat te zeggen. En het wordt stiller.

"Gaat het wel?" vraagt ze dan. Haar stem is zachter dan net. Minder scherp. Alsof ze zichzelf een stap terugneemt. Ze kijkt me aan, zoekend. Haar wenkbrauwen licht naar elkaar toe getrokken. Haar handen liggen in haar schoot, maar haar duimen bewegen weer. Langzaam. Onrustig. Ze lijkt even te twijfelen of ze nog iets moet zeggen, maar doet het niet. Blijft gewoon zitten. Wachtend.

"Ik bedoel... Is dit alles?" slikt ze. Ze kijkt me niet meer recht aan als ze het zegt. Haar blik zakt net langs me heen, alsof het makkelijker is om het zo uit te spreken. Haar vingers haken even in elkaar, trekken weer los. Een kleine ademhaling, te hoorbaar voor hoe stil het is. Ze wil meer zeggen. Dat zie je. Maar ze houdt het in. Blijft zitten. Wacht.

Ik zucht diep. "Laten we het hierbij houden," zeg ik haar dan maar. Ze knippert. Alsof ze niet zeker weet of ze het goed heeft gehoord. Een kleine frons. Haar lippen gaan een fractie open, maar er komt nog niks. Dan knikt ze. Te snel. "Ja. Oké." Haar stem is dunner dan net. Ze kijkt naar haar handen. Even. Te lang. Haar duimen bewegen niet meer. Stil. Dan weer een korte ademhaling. Ze recht haar rug iets, alsof ze zichzelf bij elkaar raapt. "Dat was snel," zegt ze dan. Zacht. Maar niet zonder randje.

Ik weet dat ze is gekomen voor meer. Maar ik wil het kort houden. Korter dan ze verdient. "Het is beter zo," zeg ik dan, alsof ik daarmee alle antwoorden geef. Ze knikt weer. Alsof ze dat zinnetje ergens al had klaargelegd. "Ja," zegt ze zacht. "Beter." Maar ze kijkt me nu wel aan. Lang genoeg om te laten merken dat ze er niets van gelooft. Haar mond trekt heel even scheef. Geen glimlach. Meer iets dat ze probeert tegen te houden. "Voor wie?" vraagt ze dan. Niet fel. Juist daarom komt het harder binnen.

"Voor jou. Voor mij. Voor wie niet?" stel ik gedreven. Ze deinst daar niet voor terug. Maar je ziet het wel gebeuren. Iets kleins in haar gezicht dat even inzakt, voordat ze zichzelf weer recht trekt. Ze knikt langzaam. "Ja… dat klinkt logisch." Haar stem blijft rustig. Te rustig. Ze kijkt heel even weg, naar het tafeltje, naar de rand van haar mouw. "Je hebt overal een antwoord op," zegt ze dan. Geen verwijt. Nog niet. Eerder… constaterend. Ze haalt zacht adem. "Behalve op wat je me toen hebt laten geloven."

"Dat was fout van me. Oneerlijk. Ik wilde gewoon seks." Het valt stil. Niet even. Echt stil. Ze beweegt niet meteen. Alsof die woorden eerst ergens moeten landen waar ze zelf nog niet bij kan. Haar ogen blijven op mij, maar je ziet dat ze me even niet meer ziet. Dan knippert ze. Eén keer. Haar keel beweegt. Slikken. "Gewoon seks," herhaalt ze zacht. Alsof ze het probeert te begrijpen door het terug te zeggen. Ze kijkt weg. Naar haar handen. Die nu weer bewegen, maar anders. Minder gecontroleerd. "Oké." Een klein knikje. Te klein. Ze ademt in, maar haar borst blijft halverwege hangen. "Dat is… duidelijk." Maar haar stem houdt het niet helemaal. Er zit een scheurtje in. Ze kijkt weer op. Dit keer niet zoekend. Meer… recht door je heen. "En alles daaromheen?" vraagt ze dan.

"Dat was gewoon fijn. Vriendschap. Laten we er niet meer van maken. Je weet dat het niet kan. We hebben toen anders gekozen. Jij ook." Ze knikt. Bij dat laatste iets trager. "Ja," zegt ze zacht. "Dat weet ik." Maar ze blijft me aankijken. Te lang. Alsof ze zoekt naar iets dat niet in mijn woorden zit. Haar vingers klemmen zich kort in elkaar, laten weer los. "Maar jij…" begint ze. Ze stopt. Ademt in. Probeert het opnieuw. "Jij maakte er wel meer van," zegt ze dan. Niet beschuldigend. Eerder… vaststellend. Ze kijkt even weg, schudt heel licht haar hoofd. "Of je liet me dat in ieder geval denken." Stilte. Ze slikt. "En ik ben daar blijkbaar gewoon in meegegaan."

"En ik had beter moeten weten. Dat doe ik nu." Ik kijk haar aan. "Eke, je weet dat ik gelijk heb. Ik weet dat dit niet eerlijk is." Ze schudt meteen haar hoofd. Klein eerst. Dan iets feller. "Nee," zegt ze. Haar stem breekt niet, maar zit er wel tegenaan. "Nee, dat weet ik niet." Ze recht haar rug, maar haar handen verraden haar. Die grijpen zich vast in de stof van haar jas. "Jij zegt dat steeds," gaat ze door. "Alsof het dan klopt." Ze kijkt me nu recht aan. Niet meer weg. "Maar je doet alsof ik daar niet zelf bij was." Stilte. Ze slikt. "Alsof ik niet wist waar ik in zat." Haar ademhaling versnelt iets. Ze probeert hem onder controle te krijgen. "Ik heb daar ook voor gekozen," zegt ze dan. Zachter. Maar vastberaden. Ze aarzelt heel even. Dit is het punt. Je ziet het aan alles. "Ik wilde dat," voegt ze eraan toe. Haar blik blijft op mij. Kwetsbaar. Maar ook… koppig. "Alles." Dat woord blijft hangen. Ze knippert snel. Alsof ze zichzelf verrast heeft dat ze het hardop zegt. "En niet omdat jij dat wilde," zegt ze er meteen achteraan. "Maar omdat ík dat wilde." Haar vingers laten de stof los. Trillen licht. "Ik ben zelfs—" Ze stopt. Twijfelt. Kijkt weg. Dan toch: "Ik ben dingen gaan doen die ik nooit zou doen." Zacht. Bijna beschaamd. Maar ze kijkt weer op. "Voor jou." En nu zit er wél iets van wanhoop in. Niet schreeuwend. Maar des te pijnlijker.

"Zoals wat?" vraag ik snel, geschrokken. Ze schrikt van mijn reactie. Niet omdat ik het vraag—maar omdat ik het zó vraag. Alsof ik het niet wist. Alsof het me verrast. Haar mond opent zich een fractie, maar sluit weer. Ze kijkt me aan. Lang. Zoekend. En daar verandert iets. De twijfel zakt niet weg—maar maakt plaats voor iets anders. Iets stellers. "Alsof je dat niet weet," zegt ze zacht. Geen aanval. Maar ook geen uitweg meer. Ze haalt adem. Dieper dit keer. Alsof ze een grens over moet. "Ik ben aan de pil gegaan." Daar is hij. Ze kijkt me recht aan terwijl ze het zegt. Alsof ze weigert het kleiner te maken dan het is. "Voor jou." Stilte. Haar ogen blijven op mij, maar je ziet dat het haar moeite kost. Niet om het te zeggen. Maar om te blijven staan nadat ze het gezegd heeft. "Terwijl ik dat nooit wilde," voegt ze er zachter aan toe. Even kijkt ze weg. Schaamte. Of misschien eerder… blootgelegd zijn. Dan weer terug. "En niet omdat jij het vroeg," zegt ze snel. "Maar omdat ik dacht dat…" Ze stopt. Zoekt. "Dat het ergens naartoe ging."

Ze had dus echt op me gewacht. Om verder te gaan. Op welk gebied dan ook. Ik voel me een rotzak. "Eke..." kan ik alleen uitbrengen. Maar het is te laat. Ze staat al op. Langzaam eerst. Alsof ze nog twijfelt of ze moet blijven zitten. Dan toch. Ik zie de traan pas als ze haar hoofd een fractie wegdraait. In haar ooghoek. Ze veegt hem niet weg. Laat hem zitten. Alsof ze zichzelf dat niet eens gunt. Ik zet een kleine stap naar voren. Onbewust. Wil iets doen. Iets zeggen. Het verzachten. Maar ik stop. Moet het niet doen. Zij merkt het ook. Die beweging. Haar schouders spannen zich even aan. Alsof ze zich al voorbereidt op iets wat ik haar niet mag geven. Ze kijkt me nog één keer aan. Geen verwijt. Dat is misschien nog wel het ergste. Gewoon… open. En moe. "Ik hoef geen sorry," zegt ze zacht. Ik zeg niks.

Het blijft stil als ze wegloopt.

Niet abrupt. Niet boos. Gewoon… klaar.

Ze trekt haar jas wat dichter om zich heen, kijkt nog één keer om. Niet lang. Net genoeg om te zien of ik iets ga doen.

Ik doe niks.

Mijn handen liggen nog op m’n knieën. Ik beweeg niet eens. Alsof elke beweging te laat zou zijn.

Ze knikt. Klein. Meer voor zichzelf dan voor mij.

Dan draait ze zich om.

Grind kraakt onder haar schoenen terwijl ze wegloopt. Eerst langzaam, alsof ze nog niet helemaal besloten heeft. Daarna iets vaster. Alsof dat besluit alsnog valt terwijl ze al onderweg is.

Ik blijf zitten.

Kijk haar na.

Tot ze kleiner wordt. Tot het eigenlijk niet meer uitmaakt of ik blijf kijken of niet.

Er zit iets in m’n borst dat niet direct te plaatsen is. Geen spijt van wat ik gezegd heb. Niet echt.

Maar wel van wat ik niet heb gedaan.

Mijn vingers bewegen even, alsof ik alsnog wil opstaan. Alsof dat nog iets zou veranderen.

Ik doe het niet.

Laat haar lopen.

Of misschien laat ik mezelf wel zitten.

Ik kijk nog één keer naar de plek waar ze net nog stond.

En ergens, voor het eerst sinds ik hier ben, wringt het.

Niet om de woorden.

Maar om wat ik heb laten liggen.

Iets wat… misschien gewoon had gekund.

Maar ik was niet die jongen voor haar. Hoe graag ik ook zou willen geloven dat ik dat wel was. Ik geef mezelf een kwartiertje.

Ik blijf nog even zitten voordat ik m’n telefoon pak.

Niet omdat ik twijfel of ik ga bellen, maar omdat ik het moment net iets langer laat hangen. Haar stem zit nog in m’n hoofd. Haar blik ook.

Dan pak ik m’n telefoon toch.

Kamila.

Ik druk op bellen voordat ik er echt over nadenk.

Het gaat snel over.

“Hey,” zegt ze.

Alleen dat al.

Ik haal adem, kijk voor me uit. Naar niks in het bijzonder.

“Eerste gehad,” zeg ik.

Het klinkt vlak. Zakelijk bijna. Alsof ik een taak afvink in plaats van iets afrond.

Aan de andere kant blijft het even stil. Niet lang. Maar lang genoeg.

“Oké,” zegt ze dan.

Zacht. Niet vragend. Niet duwend.

Gewoon… aanwezig.

Ik sluit m’n ogen even, laat haar stem binnenkomen. Hoe normaal die klinkt. Hoe vertrouwd.

En ineens voel ik het.

Niet groot. Niet dramatisch.

Maar duidelijk.

Ik mis haar.

Juist nu.

Mijn hand glijdt even over m’n gezicht, blijft hangen bij m’n mond.

“En?” vraagt ze dan. Nog steeds rustig.

Ik open m’n ogen weer.

“Het is goed,” zeg ik. “Zoals het moest.”

Ze zegt niks meteen. Hoeft ook niet.

Ik hoor haar adem aan de andere kant. Dat is genoeg.

Ik leun iets achterover, voel hoe de spanning in m’n schouders zakt.

Alsof alles wat net nog onduidelijk was, zich weer op één punt verzamelt.

Bij haar.

“Komt goed,” zegt ze dan zacht.

Ik knik, ook al ziet ze dat niet.

“Ja,” zeg ik.

En dit keer klinkt het anders.

Niet omdat ik het zeg.

Maar omdat ik het weet.

Ergens voelt het wrang dat het met Eke niet kan. Er was liefde. Daarna pas seks. Zo ging het de laatste tijd niet tussen mij en de meiden. Dus dat maakt het extra bijzonder. En dat laat ik gaan. Maar ik weet ook zeker dat het niet anders kan. Dat ik die persoon niet ben. Maar iets zei me dat het niet de laatste keer zou zijn dat ik Eke zou zien of spreken. Voor nu was het afgesloten. En dat was de bedoeling. Kamila is lief aan de telefoon. Toont echt medeleven. Maar ik voel haar opluchting. Van alle anderen was ze misschien wel het meest bang voor Eke. En zo bleek, terecht.

Haar bekentenis zou me vaker achtervolgen. Toch was dit wat ik wilde. En het was pijnlijk. Jammer. Nu door. Dit was deel één. En het vervelendste deel. Het tweede deel zou makkelijker zijn. Positiever. Dat hoopte ik...

-
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?