Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Keith
Datum: 19-04-2026 | Cijfer: 9.5 | Gelezen: 537
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 65 minuten | Lezers Online: 14
Vervolg op: Mini - 402
Maandag… Nog twee weken voor Kerst, drie weken voor de trouwerij van Greet en Anita. Dat hield in: veel blazen. En dat zei ik dan ook tegen Joline. Ze knikte. “Da’s prima, jochie. Elke avond minimaal een uur. Ook om even te ontspannen. Want jij ‘blaast dingen inderdaad van je af’ en dat is goed.” Even zweeg ze en toen ging ze verder: “Wil je dat ik erbij ben als je het V.I. belt, Kees?” Ik dacht even na. “Nee, schat, dat hoeft niet. Tenzij jij dat zelf heel graag wilt…” Ze legde een hand op de mijne. “Misschien dat ik ook nog een keertje erbij wil zijn…” Ze giebelde. “…dan kan ik die Staphorster maagd eens bekijken. Wie weet is het familie van die verkoper in die wapenwinkel. Kunnen we lekker over hem roddelen.”
Ik schoot in de lach. “Rare tut…” Na het ontbijt: Mocca uitlaten, daarna in de auto richting Gorinchem. Na de koffie vertelde ik Theo wat er aan de hand was en hij zei droog: “Dan ga jij ook een paar keer naar het V.I., makker. Dat heeft Fred goed op het paard geholpen; nu is het blijkbaar jouw beurt. Ik hoor wel of en wanneer jij door de molen wordt gehaald.”
Om negen uur belde ik dus het V.I. In feite dezelfde procedure als destijds met Fred: we konden meteen terecht. Joline ging nu mee; Fred bleef in Gorinchem. “Ik hoef niet meer zo nodig, Kees. Tenzij dat jij behoefte hebt aan iemand die je handje vasthoudt?” Ik wees naar Joline. “Die zit daar. Heeft er examen in gedaan en is er voor geslaagd. In kasteel Doorwerth.” Hij gniffelde. “Dat zal niet alleen je handje geweest zijn, maar goed…” Joline keek verontwaardigd.

Kort en goed: om tien over tien liepen Joline, Mocca en ik het V.I. binnen. Nadat we ons gemeld hadden bij de receptie moesten we even wachten. En even later kwam er een ‘meisje’ de trap af. Ik begon een vermoeden te krijgen dat dit de ‘Staphorster maagd’ was, die Fred had afgepeld. Ze stelde zich voor als Wina van Zuilen. Inderdaad een vrij lange rok, brilletje, haren in een knotje… “Kom, we lopen even richting koffie, en dan naar boven.” Drie minuten later zaten we in een kamertje op de eerste verdieping, Mocca rustig liggend aan Joline haar voeten.
En terwijl Wina in haar kopje thee zat te roeren vroeg ze, zonder enige in- of aanleiding: “En hoe is het nu met Fred?” Zowel Joline als ik keken haar aan. “Hoe weet jij…” Ze glimlachte kort. “Ik ben niet helemaal op m’n achterhoofd gevallen, hoor. ‘Sergeant Jonkman’ kwam nogal eens voor in Fred z’n verhalen. En ik weet dat die sergeant getrouwd is met een hele knappe, blonde dame met opmerkelijk blauwe ogen. Overigens ook met Fred en zijn echtgenote Wilma…” Joline knikte. “Jij kunt snel verbanden leggen. Maar met Fred en Wilma is het prima. Hij heeft geen last meer van herbelevenissen, mede dankzij jou.” Ze knikte. “Mooi. Dáár doe ik het voor…”
Ze keek mij aan. “Maar nu jij, Kees… Mag ik Kees zeggen? En Joline?” “Natuurlijk… Wina, ik ben me vorige week, samen met Fred helemaal de touwtering geschrokken…” Een verwijtende blik van Joline volgde. “Ehhh… Sorry voor mijn woordkeuze.” “Ik ben wel wat gewend hoor”, was het koele antwoord. “Maar: vertel!” Ik haalde diep adem. “Vorige week vrijdag hadden wij ons wekelijkse halve uurtje fitness, gecombineerd met yoga…” Ik vertelde van Mariëtte en haar oefeningetjes, en toen specifiek over vorige week vrijdag. “… de zee, met die walvissen zág ik! Prachtig. Ik had er wel uren naar willen kijken. Toen riep Mariëtte het beeld van een woestijn op. Niks. Ik keek in een zwart gat. En vervolgens beschrijft ze het uitzicht op een berg. In de ochtendzon, allemaal mooie kleuren… En ik stond in één keer weer op de appélplaats van Kamp Holland, Afghanistan te kijken naar ‘Spotters Peak’, een berg die door de Taliban in gebruik was om waarnemers te plaatsen voor mortier of raketvuur op Kamp Holland... Ik kreeg bijna een hartverkleppering. En Fred ook; ik hoorde een nogal luide en duidelijke verwensing door de zaal knallen.
Enfin, blinddoek af en we keken elkaar nogal appelig aan. Bleef dat Fred en ik exact hetzelfde gezien hadden… Echt, ik was me doodgeschrokken. Nog meer dan Fred.” Wina klopte even op het toetsenbord van haar computer. “Je zag dit?” Ze draaide het beeldscherm naar ons toe: inderdaad, Spotters Peak, ’s morgens vroeg. Ik knikte, een droge keel. “Exact. Ongeveer hetzelfde tijdstip.” Twee ogen keken me door een niet-modieus brilletje aan. “Jullie fitnesstrainster… Wat is dat voor een vrouw?” Ik keek Joline aan en die antwoordde. “Mariëtte is, als je haar tegen zou komen in de stad een hele gewone Hollandse meid. Oké, ze heeft één nogal kenmerkend kenmerk: Félrood haar en dat staat meestal alle kanten uit. Voor de rest… dertien in een dozijn qua uiterlijk.
Totdat... ze de leiding heeft over een stel lui in hun fitnessinstituut. Dan staat daar plotseling, van het ene moment op het andere, een keiharde, alziende trainster die je binnen het kwartier de tong op de schoenen laat hangen. En ze ziet en hoort álles. En na dat kwartier komt een, ondertussen beruchte, zin: ‘Zo. Dit was het makkelijkste deel.’ Daarna doet ze een oefening waarbij concentratie een hele grote rol speelt. En laat ze ons dingen die die we nooit voor mogelijk hadden gehouden. Zoals hetgeen wat Kees net beschreef dus. Ze is twee jaar in Tibet geweest, heeft daar heel veel geleerd. Dat is het enige wat ze er over los laat. Bij DT zijn we het er over eens: in de middeleeuwen zou ze als heks zijn verbrand.
Eén van de collega’s had tijdens een oefening zwaar zijn enkel verstuikt; zij pakt zijn voet beet, zegt: ‘Nu even op je tanden bijten, Henk’. Ze maakt één beweging met die voet, waarbij Henk zo ongeveer tegen het plafond vliegt van de pijn. En daarna zei Mariëtte droogjes: ‘Zo. En nu weer in de looppas terug naar DT.’ Zijn voet in orde, geen pijn meer, en hij kon weer lopen als een kievit. En ik heb haar les zien geven aan een klas VMBO-knullen; in het begin heel veel macho-stoerdoenerij. Ze pikt de grootste bek er uit en geeft hem opdracht zich 20 keer op te drukken. Na tien keer kón het jong niet meer, maar ze blijft hem aankijken en sleept hem door de laatste tien keer opdrukken heen. Alleen maar door te kijken. En aan het einde van de les komt het hele stelletje branieschoppers bij haar langs om haar te bedanken voor de les. Uiterst beleefd.
En een minuut daarna, met die club vertrokken, is ze weer een heel normale Hollandse meid waarmee je best wel kunt lachen. De fitnessgoeroe is dan nergens meer te zien.”

Wina knikte. “Weet je… Dit soort dingen kúnnen prima helpen om iemand van een trauma te genezen. Maar, indien fout gebruikt, ook prima zorgen dat iemand de vernieling in draait. Zo te horen gaat die Mariëtte op een verantwoorde manier met haar gaven om en dat is goed om te horen. Bij jou en bij Fred pakte het nu even verkeerd uit, Kees.” Ik bromde “Nogal, Wina. Ik schrok me te pletter. De vraag is nu: wat is er met me aan de hand? Heb ik PTSD of loop ik het risico erop?” Ze schudde haar hoofd. “Nee, Kees, je hebt géén PTSD. Dan had je niet de baan gehad die je nu hebt. Want jij bent… Ingenieur toch? Net als Fred?” Ik humde. “Ja. Alleen is meneer van Laar nogal bang dat hij vieze handjes krijgt. Daarom is hij informatica gaan studeren. En ik ben elektrotechnisch ingenieur. Zit regelmatig met m’n handen in schakelboxen en zo.” “Meestal zit je achter je beeldscherm te tekenen, Kees!” Joline klonk verwijtend. “Sorry schat… Da’s ook weer waar. Maar Wina: ik mag leiding geven aan een stel compleet gestoorde ingenieurs in een heerlijk bedrijf. En daar haal ik elke dag plezier uit. ‘werk’ voelt niet als ‘werk’, maar als hobby.” Ze knikte. “Ik had al zoiets gehoord van Fred. Hij staat net zo in de wedstrijd…”
Ze giechelde plotseling en we keken tegen een totaal ander gezicht aan. “…behalve dat Fred het had over een kippenhok.” Ik grijnsde, Joline trok wat met haar mond. “Ik denk dat ik Fred binnenkort eens ga tuchtigen. Ik ben namelijk zijn direct leidinggevende en mijn Backoffice is geen, ik herhaal géén kippenhok!” De laatste woorden kwamen er nogal pittig uit. “Hoe dan ook Joline: hij heeft het er enorm naar z’n zin.” Wina keek naar mij. “En jij dus ook?”
Ik knikte. “Regelmatig moet ik van achter mijn beeldscherm vandaan gesleurd worden omdat ik helemaal ‘weg’ ben in de tekening van een of andere installatie, Wina. Dan vergeet ik alles en iedereen om me heen en ben ik ‘lekker’ aan het werk.”
Ze leunde voorover. “En dat had je nooit gekund als je écht PTSD had, Kees. Dan had je één componentje op zo’n tekening kunnen zetten en was je kapot geschrokken van een deur die achter je dicht viel. En daarna had je een uur lang niks geproduceerd, had je alleen maar zitten nagelbijten…” Even dacht ze na. “Het lijkt me een goed plan als jij, en die therapie heb ik ook aan Fred opgedragen, álle zaken waar jij af en toe last van hebt, opschrijft. Met een pen. Niét op de PC, nee, met een pen. En al je gedachten die op dat moment door je heen gingen, óók opschrijft. En alle gedachten die bij je opkomen als je aan het schrijven bent, ook.
En als je een hoofdstuk klaar hebt, lees je het voor aan je echtgenote. En je laat het haar ook lezen. Want al je gevoelens vertalen zich in je handschrift. En het voordeel van schrijven is: je kunt niets deleten en corrigeren. Dát zou op zich een heel groot deel van jouw ellende weg kunnen halen. Bij Fred heeft dat prima gewerkt en hij zat meer in de shit dan jij.” Joline knikte. “Dat weet ik zeker.” Wina humde. “Voorlopig is dat je huiswerk, Kees. En het hoeft niet morgen af; ga schrijven als je er behoefte aan hebt of als je ergens mee zit. Het hoeft ook niet op volgorde; als jij morgen ‘last’ hebt van een gebeurtenis uit 2011 ga je daarover schrijven. Heb je volgende week gewetenwroeging over een gebeurtenis uit 2009, is dát het onderwerp. Zou je dat kunnen, denk je?” Ik knikte aarzelend. “Wellicht dat we dan moeten investeren in een groot-verpakking kleenex, maar dat moet lukken Wina.”
Ze lachte niet. “Die investering is de moeite waard. En ik ben ervaringsdeskundige.” Ze keek nu serieus. “Kees, Joline… Ik ben bijzonder blij dat jullie hier langs kwamen. Waarom? Omdat je bij jezelf voelt dat er iets niet goed is. En het niet wegwuift. Als meer Veteranen dat nu eens zouden doen… Sommigen kroppen alles op en ja, op een gegeven moment gaat het mis. Bij jullie niet, dat weet ik zeker.”

Joline knikte. “Dank je wel voor deze oppepper.” Wina knikte. “Daar word ik voor betaald, Joline. En nu iets anders: waarom hebben jullie een Hulphond bij je?” Joline schudde haar hoofd. “Wij hebben zijn gastgezin voor Hulphond Nederland, Wina. Deze bruine boef mogen wij gedurende zijn jeugd opvoeden tot een gehoorzame, sociale hond die alles gezien moet hebben. That’s it. Over een maand of vier gaat Mocca, zo heet hij, naar Herpen voor de échte opleiding tot Hulphond.” En ik vulde aan: “En het is mijn grootste wens dat hij geschikt zou zijn om als PTSD-hond te functioneren. Een ex-collega, hetzij een militair, hetzij een brandweer- of politieman uit de shit helpen.” Wina knikte langzaam. “Dat begrijp ik volledig. Het lijkt me nú al een hele stabiele hond.” “Dat is hij ook”, vulde Joline aan. “En sensitief. Als er iemand binnen onze vriendenkring eens een dipje heeft, loopt Mocca naar die persoon toe, legt zijn kop op iemand z’n knieën en kijkt hem of haar aan. Tja, en dan moét je wel aaien… En ooit heb ik ergens gelezen dat het aaien van een dier een bepaald hormoon losmaakt wat iemand weer helpt om goed in z’n vel te zitten.”
Wina humde instemmend. “Klopt. Maar dat is niet het enige. De hond moet er ook uit. En dat houdt in dat zijn baasje er ook uit moet. Naar buiten om de hond uit te laten. De supermarkt in. In de trein, naar het werk, whatever. Kortom: de hond doorbreekt het isolement en de cliënt komt weer onder de mensen.” Ze aarzelde even. “Mag ik deze mooie hond even aanhalen?” Joline knikte. “Moment…” Ze maakte het tuigje los. “Mocca, release!” Meteen kwam Mocca overeind en trippelde naar Wina. Hé, jou ken ik nog niet… snuffeldesnuffel… “Wat een lief dier, mensen…” Joline knikte. “Ja. We hebben Mocca nu een aantal weken onder onze hoede…” Ze vertelde kort de geschiedenis en besloot met: “…en Mocca heeft ons helemaal in zijn bruine hondenhart gesloten. Wij zijn zijn roedel.”
Ze glimlachte even. “Ik ben de Alfa-female en als ik er niet ben dan mag Kees het commando overnemen.” Wina glimlachte. “Zo hoort het toch ook?” Ik sputterde. “Zeg Wina… Ik kan Fred nog een keertje terug laten komen, hoor…” Joline keek me aan. “En jij denkt dat dat helpt? Volgens mij vertelde Fred dat hij hier drie dozen kleenex heeft opgemaakt tijdens de sessies met Wina…” Die verstrakte. “Daar ga ik niets over…” Ik onderbrak haar. “Fred heeft zelf tegen ons verteld wat hij hier heeft doorgemaakt, Wina. Zijn bijna letterlijke tekst was: “En op het V.I. ben ik compleet uitgekleed, afgepeld, ondersteboven gehouden, heb ik zitten snotteren, maar langzaam maar zeker ook weer opgebouwd. En wij kennen dat ‘snotteren’ van hem een beetje.” Haar gezicht ontspande enigszins en Joline vulde aan: “Wij zijn sámen getrouwd, Wina. Fred, Wilma, Kees en ik. Het enige wat ons scheidde tijdens de huwelijksnacht was een kasteelmuur van ruim een meter dik. Wilma en Fred aan de ene kant, Kees en ik aan de andere kant.”

Ze keek op van Mocca. “Dát wist ik niet…” “Dat gebeurde ook pas een paar maanden na zijn sessies hier”, zei ik. “Heus, Fred en ik zijn buds voor het leven. Wilma en Joline ook.” Wina keek ons recht aan, deed haar brilletje af en ik keek nu recht in twee hele intelligente ogen. En in een totaal ander gezicht. Waarschijnlijk was mijn verbazing van m’n gezicht af te lezen, want Wina glimlachte. “Wat is er, Kees?” Ik voelde me betrapt. “Zonder brik zie jij er héél anders uit, Wina.” Haar glimlach bleef. “Deel van mijn professionele ‘vermomming’, Kees. Net als deze kleren. Als ik bezig ben met een cliënt, moet hij niet afgeleid worden door mijn uiterlijk.”
Joline lachte zachtjes. “Dat is dan prima gelukt, Wina. De omschrijving die Fred van je gaf kwam ongeveer op het volgende neer: ‘En op het V.I. werd ik afgepeld door de personificatie van een Staphorster maagd. Ziekenfonds brilletje, lange rok, haren in een tuttig knotje op haar achterhoofd… Geen greintje vrouwelijkheid.’ Dát zei hij over jou.” Wina schoot in de lach. “Missie geslaagd. Eén van mijn beste beslissingen ooit om me zó voor te doen. Als ik mijn werkdag begin is het eerste wat ik doe: omkleden in dit tenue. En ’s avonds weer omkleden in ‘gewone’ kleren. Mijn bril? Vensterglas, mijn ogen zijn prima. Die kleren? Gekocht bij een winkel voor ‘retro-kleding’. Als ik me omgekleed heb, herkennen jullie me niet meer, al zou ik op straat tegen je aanbotsen.”

Toen stond ze op. “Ik ga jullie er uit gooien. Kees: schrijven. Joline: lezen en luisteren. Ergens in maart of april bel ik om een afspraak te maken voor een vervolggesprek. En als jullie ergens mee zitten: ook bellen. Afgesproken?” We knikten. “Zeker weten, Wina, dank je wel.” Ze lachte even. “En doe Fred en Wilma mijn hartelijke groeten en vertel hem maar dat de trap nog steeds heel is.” Ik keek vragend. “Hij vroeg zich de eerste keer af of die open trap hier zijn gewicht wel kon houden…” Joline schudde haar hoofd. “Het blijft ook een lompe Infanterist…” Ze liet ons uit na ons een hand en Mocca een knuffel te hebben gegeven. “Nu even de bossen in, Kees. Niet alleen om Mocca even te laten rennen, maar jij moet ook even stoom afblazen.” Ik knikte. “Goed plan, meissie…”
Even later liepen we op een mooi bospad. Arm in arm, Mocca om ons heen rennend en zoekend naar een interessante tak of graspol. “Jij gaat schrijven, Kees”, hoorde ik zachtjes naast me. Ik knikte. “Zeker weten Jolien. En ik ga dat doen in een klapper met losse blaadjes, zodat ik één en ander uiteindelijk op chronologische volgorde kan leggen.” Ze schudde haar hoofd. “Nee meneer. In een schrift, zoals Wina het je opdroeg. Zodat je niet stiekem een blaadje er uit kan scheuren als het je té na komt.” “Jij bent veel te slim voor mij, schat…” Naast me klonk: “Ik ken jou ondertussen een beetje, Kees. En ik heb met Wilma gesproken. Die lompe bud van jou wilde eerst ook op losse blaadjes schrijven. Wilma heeft hem dat verboden. ‘Schrift, Fredje. En niks anders. En ik weet hoeveel blaadjes er in zitten: 50. Dus een blaadje er uitscheuren: forget it.’ Daarna moest Fred zich weer eens opdrukken…” Ze grinnikte. “En ik koop een schrift voor jou en voordat je ook maar één letter op papier zet, heb ik de blaadjes genummerd, denk er aan.” Ik gromde zachtjes. “Je blijft een blonde feeks, Joline Jonkman-ooit-Boogers…” Een kneepje in mijn hand was het antwoord.
Een uurtje later kwamen we weer bij de auto en stapten we in. Mocca sprong hijgend achterin: die had zich kostelijk vermaakt in het bos. “Zo. En nu rij ik lekker rustig naar Gorinchem. Jij hebt vanmiddag een afspraak met onze barkeeper Erik voor een stageplaats. En ik koop vanavond bij de plaatselijke Veldhover boekhandel zo’n schrift en daarna ga jij nog even dingen van je af blazen en ga ik studeren. Oh ja: en nog even die blaadjes in dat schrift nummeren… hoe kan ik dat vergeten…” De laatste zin klonk plagend.

Rustig reden we richting Gorinchem en kwamen daar aan toen de meute nét aan de lunch zat. “Zo… meneer en mevrouw Jonkman drukten zich weer eens van de sport?” Henry keek spottend en Joline zei vlakweg: “Ja. En daar hadden ze redenen voor. Meer zeg ik er niet over, Henry.” Hij zag dat hij niet verder moest plagen of vragen. “Oké. Sorry Jolien.” Na de pauze kwam Fred over mijn bureau binnendreunen en sloot de deur. “Hoe was het op het V.I., Kees?” “Prima. Ik kreeg hetzelfde huiswerk als jij, maat. Alles opschrijven wat je beleefd hebt, inclusief gedachten en huilbuien. In een schrift. Volgens mij had Wina het liefste gewild dat ik je het met een ouderwetse kroontjespen opschreef, maar dan zou het écht niet meer leesbaar zijn, Fred.” Hij grinnikte en de Leopardtank reed weer langs. “En je moet de hartelijke groeten van haar hebben.” Nu knikte hij bedachtzaam. “Een prachtmens, Kees. Ondanks haar tuttige uiterlijk… Wát zit jij te ginnegappen?”
“Heb jij haar wel eens zónder uniform gezien, Fred?” Hij gaapte me aan. “Uniform? Wil je me nou gaan vertellen dat Wina militair is?” Ik schudde mijn hoofd. “Nee. Maar ze draagt wél een uniform, Fred. Dat brilletje? Vensterglas. ‘Mijn ogen zijn prima’, zei ze tegen ons. Ze deed aan het eind van ons gesprek haar bril af en plotseling zag ik een hele andere vrouw. Nou ja, ik kon m’n gezicht natuurlijk weer niet beheersen, en ze lachte even. Die tuttige kleren? Camouflage, om een best wel leuke vrouw te maskeren. Dat knotje? Als ze dat losmaakt, komt er denk ik een best wel mooi donkerbruin kapsel onder vandaan. Echt, deze dame heeft ons nogal op het verkeerde been gezet. Ze zei zelf: “Als je in de stad tegen me aan botst, ga je me niet herkennen, Kees.”
Fred keek me ongelovig aan. “Je lult uit je nek, Kees…” Ik schudde mijn hoofd. “Echt niet. Het is een van haar gereedschappen om kerels zoals jij en ik aan het kletsen te krijgen, denk ik. Want als er een knappe vrouw tegenover je zit, probeer je uit alle macht je imago van ‘stoere jongen’ groot te houden. Ikke net zo goed als jij.” Zijn ogen flikkerden. “Ik ga in een onbewaakt ogenblik wel eens wat zoekwerk doen. Eens kijken hoe onze Staphorster maagd Wina er in werkelijkheid uitziet, Kees.” Ik grinnikte. “Goed plan. En laat mij vooral het resultaat zien! En nu opbokken; zo dadelijk komt hier een zekere Erik binnen die hengelt naar een stageplekje.” Fred gromde. “Het arme jong… Onder de arm genomen worden door een Piraat. Ik ken pijnlozer manier om te overlijden. Doei…”
Hij dreunde de gang in en ik hoorde: “Zo Irene… Even een controle wat jij aan het doen bent. Want je hoort bij het Backoffice, ook al zit je er fysiek ver vandaan…” Haar antwoord kwam er vinnig uit. “Ja en da’s wel zo prettig. Hoef ik niet constant jouw macho gezwets aan te horen en je voeten te ruiken als jij die weer eens op je bureau neerplant terwijl de techniek zogenaamd het werk doet.” Even was het stil, toen hoorde ik een verbluft “Nou moe…” “Ze kent je ondertussen, Fred!” hoorde ik Theo roepen. Grommend dreunde hij de gang door, op weg naar z’n eigen plekje. Ik liep naar Irene en stak een duim op. “” Goed bezig, dame. Maarre… over een uurtje staat hier ene Hans van Stralen voor de deur. Daar heb ik een afspraak mee om eens te kijken of het hem wat lijkt om hier stage te lopen. Breng hem even naar mij, alsjeblieft.”
Ze fronste. “Toch niet wéér zo’n opgeblazen type hé? Want dan komt hij niet verder dan de receptie, Kees.” “Nee, ik geloof dat ik me deze keer niet vergist heb, Irene. Deze knul zit iets anders in elkaar dan die Erik. En z’n pa.” Ze bromde. “Ik hoop ‘t, anders zwaait er wat, Kees.” “Ja, je handtasje zeker. Met een van de momentsleutels van Rob er in.” Ik liep weer naar m’n eigen bureautje en ging verder met tekenen.

Tot ik hoorde: “Kees… Hans van Stralen.” “Dank je wel, Irene.” Ik stond op. “Welkom bij DT, Hans. Laat ik nou de rollen eens omdraaien… Koffie of thee?” “Mag ik een glas koud water, meneer Jonkman? Ik heb nogal moeten rennen vanaf de bushalte om hier op tijd te zijn.” Vanuit de receptie hoorden we: “Oh, wat goed! Als je hier stage komt lopen zal dat vast wel van pas komen!” Hij keek me aan. “Wát…?” Ik nam hem onder de arm richting koffiecorner. De automaat schonk ook gekoeld water. Het eerste glas ging in één keer naar binnen. “Nounou… meneer had nogal dorst? Tap dan meteen maar een tweede beker, Hans. Want die zul je nodig hebben. Zeker als je me aan gaat spreken met ‘meneer Jonkman’.” Ik tapte een bak thee na hem. “Kom, dan gaan we even kletsen.”
Ik sloot de deur van m’n kantoortje achter ons. “Ga zitten, Hans. Heb je voor mij wat dingen waar je aan gewerkt hebt? En de resultaten van je voorgaande jaren?” Hij pakte een map uit zijn rugzak. “Alsjeblieft. Cijferlijsten van de afgelopen twee jaar en wat onderzoekresultaten van het laatste semester.” Ik keek het door: de cijferlijsten waren netjes. De twee onderzoeksverslagen bekeek ik door de bril van een docent. Duidelijk en goed leesbaar. ten minste in fatsoenlijk Nederlands en to the point. Tabellen als de resultaten in tabelvorm duidelijker waren, klare tekst om het geheel te verklaren. En vooraf een ‘managements-samenvatting’, zodat iemand die niet in de finesses geïnteresseerd was, maar wél het resultaat wilde weten, binnen één pagina op de hoogte was. De laatste twee pagina’s de bronvermelding en verklaring van voetnoten. Weinig illustraties, alleen als die functioneel waren. Het ene verslag behelsde een probleem met een sterkstroomnet binnen een chemische plant. En drie potentiële oplossingen, inclusief voor- en nadelen van elke oplossing. En het kostenplaatje.
In gedachten maakte ik hem een compliment; dit was zoals ik oplossingen richting onze klanten graag wilde zien. De andere thesis was een elektrotechnische beschrijving van een nieuwe chip en de eventuele toepassingen van die chip. Géén commercieel verhaal, wél een uiterst nauwgezette verhandeling van de diverse mogelijkheden van de chip. Na vijf minuten keek ik hem aan. “Zoals ze in Groningen zeggen: ’t Kan minder’, Hans.” Hij keek me niet-begrijpend aan. “Is dat een compliment of…?”
Ik leunde achterover. “Een dijk van een compliment, kerel. Ik ben twee jaar docent aan de TU geweest en heb nogal wat werkstukken langs zien komen die een stuk slechter waren. En een collega van mij, die zit nu op een booreiland op de Noordzee, idem dito. Zij had als bijnaam ‘Mrs 40+’. Zijn ogen lichtten op. “Mevrouw Kamerman? Werkt die ook hier?” Ik knikte. “Ja. Miranda is teamleider van ‘Team Vlierbesthee en Pindakaas’. Komt volgende week weer terug.” Hij lachte. “Vlierbesthee begrijp ik wel. Maar die pindakaas?” “Haar plaatsvervangend teamleider André is verslaafd aan pindakaas. Vandaar die bijnaam. En by the way: de naam van mijn team is ‘De Piraten’. Leg ik nog wel eens uit hoe dat zit. En nu jij. Wat weet jij van DT?”

In een paar minuten wist hij aardig wat dingetjes over DT uit z’n mouw te schudden. Ook zaken die niét op onze website stonden. En hij besloot met: “En jullie hebben vaste voet aan de grond in een ziekenhuis in Nijmegen en wat ik zo hoorde is DT ook bezig met een inventarisatie bij… even denken: Het Leids UMC, het ziekenhuis hier in Gorinchem… Ehhh… en nog twee andere ziekenhuizen waar ik zo niet op kan komen. En voor de rest hebben jullie Damen, Neddrill en een van de werven in Foxhol, Groningen als klant, een Engels offshore consortium en tussen de bedrijven door doen jullie zaken met wat lasbedrijven en een asfaltcentrale hier in de buurt. En staan op de rol voor een energiecentrale in Centraal Bosnié… Al met al een goed gevulde orderportefeuille en een bijzonder goed bekend staand bedrijf. Eén van onze profs was nogal lovend over DT en daar heb ik gedurende een uurtje mee zitten kletsen, Kees.”
“Aha. Ik was al bang dat je iemand van ons had gegijzeld om gegevens boven water te krijgen. Blijf even zitten Hans. Ik steek even de gang over.” Ik liep naar Theo. “Theo, ik heb op mijn bureau een potentiële stagiar zitten, Hans van Stralen. 3e jaar TU Eindhoven. Ik heb net z’n cijferlijsten gezien en twee best goeie werkstukken bekeken; Die knul zou een aanwinst kunnen zijn.” Hij keek op. “Prima, Kees. Als jij ‘m goedkeurt… Weet je wat: ik loop wel even mee.”
Hij kletste vijf minuten met Hans en keek hem toen aan. “Wat mij aangaat: hartelijk welkom, Hans. Wanneer kun je starten?” “In het nieuwe jaar, meneer. Tot 1 Juni, dan beginnen de reguliere colleges weer. Tot 1 juli, dan is het vakantie.” Theo knikte. “Prima. Dan maken we dat in orde. Kees hier wordt jouw stagebegeleider, of misschien één van zijn Piraten, dat moet hij zelf maar uitvogelen. En graag de vrijdag voor oud en nieuw ’s morgens hier melden, dan maken we het geheel administratief rond en stellen we je voor aan de rest. Kan dat of ben je dan op wintersport?” Hans knikte. “Moet lukken meneer. De TU heeft er dan al een week vakantie op zitten.” “Goed. Neem dan een ID-bewijs of rijbewijs, een VOG en je cijferlijsten mee. Dan kan Harm, onze personeelsfunctionaris daar kopieën van trekken. Oh ja, en een stageovereenkomst van de TU. En als laatste: hardloopkleren en verschoning. We houden hier nogal van sporten.” Hij stak zijn hand uit. “Welkom bij DT, Hans.”

Toen Theo weg was keek Hans mij aan. “Da’s een nogal ander type directeur dan ik me had voorgesteld…” Ik boog me naar hem toe. “Ja. En daar zijn we reuze blij mee. Theo is directeur van DT, maar ook ‘one of the guys’. Oké, hij heeft wat meer in de melk te brokkelen dan de anderen, maar onthoud dit héél goed Hans: iedereen bij DT is even belangrijk. Of je nu, in absoluut willekeurige volgorde overigens, directeur bent, receptioniste, calculatie doet, PR, AI of Cyber, of je bent een ontwerper of teamleider… Iedereen hier doen waar hij of zij goed in is en laat de machine die ‘Developing Technics’ heet soepel draaien. Ons motto is: ‘keihard werken, het team is belangrijker dan het individu en op z’n tijd een lolletje’. Niemand is solist hier; op het moment dat je ergens niet uitkomt roep je om hulp. Zit je op enig moment duimen te draaien, loop je naar een collega en neem je wat van zijn werk over. Duidelijk?” Hij knikte. “Mooi. Dan hoop ik dat je hier een hele goeie stageperiode hebt, Hans. Maar ik heb daar wel vertrouwen in als ik die stukken zo bekijk. Je krijgt deze week van mij een mail met daarin de zaken die je bij je moet hebben die vrijdag voor oud en nieuw. Misschien dat ons Backoffice er nog dingen bij wil hebben, dat vraag ik ze wel even.” Ik grijnsde. “In een onbewaakt momentje. ’s Avonds om een uur of elf of zo, als Hoofd Backoffice en ik samen onder één dekbedje kruipen…”
Vanuit de deuropening klonk de stem van Irene. “’s Avonds om elf uur, Kees? Bluffert. Dan liggen jullie al lang te slapen, want om half zes loopt de wekker af.” Ik keek om: Irene stond daar met een brede lach op haar gezicht. “Krijg de pip jij en bemoei je je met je eigen bedtijd, Irene. Heb je het druk genoeg mee, denk ik.” “Sterkte bij die Piraten, Hans. Je zult het nodig hebben.” Irene deed en stap naar binnen en stak haar hand uit. “Hoi, ik ben Irene. Receptioniste van DT.” “En ik ben Hans. En ik hoop hier een krap half jaar stage te kunnen lopen.” Irene lachte. “Dat had ik al begrepen van Theo… Welkom!” Ze verdween weer naar haar eigen ruimte.
“Hans, als je vragen hebt…” Ik gaf hem een visitekaartje. “Overdag: bellen, ’s avonds liefst mailen, oké?” Hij knikte en even later deed ik hem uitgeleide. In ieder geval een prettiger type dan ‘corpsbal Erik’…

Om half vijf vond ik het wel genoeg geweest; ik ruimde m’n bureau op en liep naar Joline. “Schat, ga je mee? Iemand moet vanavond koken en je bent er van.” Joline zuchtte demonstratief. “Ja hoor, het is weer zover…” “Je kunt ook bij ons komen eten, Joline”, baste Fred. “Dan gooi ik wel een kilo piepers meer in het kokende water.” “Een kilo?” Joline keek met afgrijzen en Fred knikte. “Met het uitzicht op mijn bruid eet ik altijd lekker door. Met het uitzicht op mijn twee bruidjes zou dat zo maar eens…” Joline onderbrak hem. “Kijk dan maar eerst naar onze schoentjes, meneer van Laar. En overigens moet je er rekening mee houden dat Kees dan ook mee eet. Soms trek hij zijn schoenen uit onder het eten. En ik vraag me af of dat zo positief op jouw spijsvertering werkt…” Nu was het Fred z’n beurt om smerig te kijken. “Dan hoef ik niet eens aardappels te gaan koken, Jolien. Laat maar en dank voor de waarschuwing.” Ik grinnikte, Joline ook. “Werken goed hé, die waarschuwingen van mij? Niet waar, Kees?” Ik stak een duim op. “Prima, schat. Maar nu moet je wel zelf de piepers schillen. Want die luxe, geschilde aardappelen die men in huize van Laar consumeert, zijn in Veldhoven niet te vinden.” Joline haalde haar schouders op. “Ach… Het scheelt dat wij nog geen kilo aardappels per dag naar binnen werken…” Ze pakte haar tas. “Fijne avond, dames. En Fred ook wel een beetje. Mocca, kóm!”
Fred bromde wat onverstaanbaars terug waarin ik de woorden ‘blonde bitch’ meende op te vangen. Maar hij knipoogde er bij, dat scheelde waarschijnlijk een oorvijg. In Veldhoven kroop ik achter de bugel en zette ‘kerkdienst gemist’ aan op de computer. Ik luisterde nauwkeurig naar de liederen en kon er maar een paar kleine foutjes in ontdekken. Prima… Vervolgens studeerde ik op een paar kerstliederen die we waarschijnlijk met Kerst zouden gaan spelen. Ik had nog geen orde van dienst gezien, maar een paar kerstliederen zouden zeer zeker aan bod komen… Vóór donderdag Richard maar eens bellen. En meteen informeren naar de trouwdienst van Greet en Anita, of hij daar al iets over kwijt kon. En anders donderdag rechtstreeks aan Greet vragen…
Na een tijdje ging de deur van de studeerkamer open en een bruine Labradorkop verscheen. “Hé Mocca… Jij ook hier, kerel? En je kon zo goed leren…” De hond ging voor me op de grond zitten, ogen op mij gericht, staart kwispelend. “Oh, je wilde me zeggen dat we gingen eten?” Op het laatste woord ging de oren iets verder van zijn kop staan en stond hij op. “Nog even en je kunt gewoon als afluisterhond fungeren’, mopperde ik. Ik liep naar de keuken. “Volgens mij werd ik kwispelend verzocht om te komen eten, Jolien. Klopt dat?” Ze knikte. “Ik gaf het commando ‘Zoek Kees’ en wég was ons bruine monster. Goed zo, Mocca!” Kwispel… en er ging een brokje in.
Joline had simpel gekookt: witte rijst en wokgroenten. Geen vlees. “Sorry Kees. Geen inspiratie vandaag.” Ik knikte. “Geeft niet, schat. ’t Is niet altijd ‘haute quisine’ in Huize Jonkman. Maar ik wil wel appelmoes bij de rijst, als dat mag. Dan glijdt het beter naar binnen. Jij ook?” Joline pakte zo’n klein cupje uit de kast. “Dat delen we wel, Kees. Zo’n pot van 500cc is teveel voor ons beiden.” Tijdens het eten zei Joline: “Kees… we hebben de jongelui in Arkel wel aangeraden om buksen te kopen, maar zelf hebben we de laatste tijd nauwelijks meer geschoten. Zullen we vanavond een uurtje gaan schieten?” Ik veerde op. “Goed idee, schat. Dan kun jij je krachten eens met Harold meten… Als hij er is.” Ze fronste. “Harold? Met z’n Ataman? Die verbouwde meccanodoos?” Ik moest lachen. De Ataman van Harold zag er inderdaad als Meccano uit en niet als een buks. Geperforeerde staalplaat, allerlei verstelbare dingen er aan om de schutter het zo comfortabel mogelijk te maken… Ja, er zat een loop op, een drukcylinder en met een beetje zoeken kon je ook nog een trekker en een magazijn vinden, maar op het eerste gezicht leek de buks op moderne kunst. En ik veronderstelde dat het ding absoluut ongeschikt was om iemand een oplawaai me te geven; dan zouden er wel eens onderdelen van de buks kunnen breken.
Ik knipoogde. “Schat, al zou je van hem verliezen… Geen schande. Harold schiet langer dan ik, ik geloof al een jaar of vijftien. En jij? Nét een jaar. En in dat jaar heb je de meeste leden achter je gelaten qua score. Mag je best trots op zijn.” Joline trok met haar gezicht. “Je weet het weer leuk te brengen, Kees Jonkman. Ik zou er gillend van balen als ik van onze geachte voorzitter verlies.” “Niet doen schat. Harold schiet regelmatig wedstrijden. Heeft veel meer schiet-ervaring dan jij. En tóch kom jij qua scores heel dicht bij hem in de buurt. Niet mee zitten; áls je verliest doe je dat eervol. Heb je je bordje leeg? Mooi dan ruim ik even op, jij pakt de buksen en samen zoeken we even pellets uit.” Haar wenkbrauwen gingen omhoog. “Wát?” “Pellets uitzoeken. Weet je nog, de laatste keer dat we schoten en we hadden allebei een paar onverklaarbare afzwaaiers? Waarschijnlijk pellets met een deuk in het rokje of een onregelmatige kop. Dus zo dadelijk: pellets sorteren.”
Tien minuten later zat ik met een vergrootglas te ‘miereneuken’. Elke pellet werd bekeken en exemplaren met een deukje in een rokje of een kop die niet mooi rond was, werd terzijde gelegd. “Die zijn geschikt voor de Hatsans, Kees.” Uiteindelijk hadden we 100 pellets die goedgekeurd waren en die gingen in twee schuimrubber blokken. En die gingen in een doosje. De FX-en had ik recent nagekeken, daar kon het niet aan liggen. Met de buksen en het doosje pellets gingen we richting schietvereniging. Mocca bleef thuis; die lag op z’n kleedje in de hal met een kluif. Die vermaakte zich wel. Op de vereniging was het rustig. Een paar lui waren op de banen, in de kantine zaten vier man en één dame.
Harold stond bij de koffiemachine. “Goeienavond allemaal…” Harold keek om. “Och help. Twee klanten van me, die me achtervolgen…” Joline kneep haar ogen iets samen en zei liefjes: “Voor Kees graag zwart met twee suiker, Harold. Voor mij een beetje melk en één klontje graag.” Hij knikte. “Coming up!” Even later liep hij met drie kopjes naar het tafeltje waar iedereen zat. “Alstublieft, dame en heer…” Hij zette een kopje voor mij neer, voor Joline en voor zichzelf. Jolien pakte haar lepeltje en wilde roeren, maar keek vervolgens Harold aan. “Wat is dít, geachte voorzitter?” De lasers stonden al op te warmen. Harold keek onschuldig. “Een beetje melk en één klontje… Daar vroeg je toch om?” Ik keek in haar kopje: een bodempje koffiemelk en de resten van een suikerklontje…
Ik stak een duim op. Joline stond op en schonk haar kopje verder vol met koffie en kwam mopperend aan tafel zitten. “Kérels… altijd hetzelfde gedonder. Is het niet met Volvo’s, dan is het wel met je koffiebestelling…” “Wat is er met jullie Volvo?” Harold keek vragend en ik legde een hand op zijn arm. “He-le-maal niks, Harold. Mevrouw is een beetje gepikeerd omdat ze in de benen moest komen voor het eigen koffie. Over drie weken is dat wel weer voorbij, denk ik.” Joline trakteerde mij op een donkere blik. “Pas jij een beetje op, Kees Jonkman? Anders kun je weer eens buiten overnachten!” Een van de andere leden keek nogal gealarmeerd.
“Buiten overnachten? Kees?” Ik haalde mijn schouders op. “Heb ik vaker gedaan hoor. Zit ik niet zo mee. Slaapzakje mee, matje er onder en Kees maft wel.” Even liet ik een stilte vallen en toen voegde ik er aan toe: “Op de Oirschotse hei en heel veel andere militaire oefenterreinen, Bennie… Maar sinds ons huwelijk slaap ik lekker op één bedje met deze blonde mopperkous hier.” Joline keek me aan. “En als jij vervelend doet, vriendje, kan dat zomaar veranderen! Denk daar goed aan!” “Ja, schat. Tuurlijk schat. Geniet van je zelf-ingeschonken koffie, schat…” Gelach.

Harold schudde zijn hoofd. “Idioten… Maar hoe bevalt de V90, Kees?” Ik wees naar Joline. “Correctie, Harold. De vraag moet zijn: ‘Hoe bevalt de V90, Joline en Kees?’ Overnieuw graag.” Joline knipoogde en legde een arm om me heen. “Goed zo, kereltje…” Harold grijnsde. “Oké… Hoe bevalt de V90, Joline en Kees?” Joline beantwoordde met een wedervraag. “Hoe bevalt de XC70 bij die nieuwe eigenaar, Harold?”
Die lachte. “Oom Hans is er he-le-maal blij mee! Hij zei vorige week, toen hij even langs kwam: ‘Harold, ik geniet weer van autorijden. Geen digitale ellende, geen vloekpartijen uit het dashboard omdat ik iets doe wat de heren van Volvo minder veilig vinden, geen geveeg over een glasplaat… Nee. Gewoon een 2,4 liter diesel die grommend z’n werk doet, fysieke knoppen en voldoende PK’s om een forse aanhanger te trekken zónder dat de motor opgepept moet worden met een dubbele turbo.’ Dát zei hij, Joline. Hij is er reuze mee in z’n schik. En ik heb er weinig werk aan gehad; jullie hebben een prima auto ingeruild. Het enige substantiële wat ik verder moest vervangen behalve de distributieketting en de banden was de vloermat van de bestuurder; die vertoonde bijna gaten. Nou, toen hebben we er maar vier nieuwe matjes ingelegd. Oom Hans rijdt, as we speak, nu rond in Spanje.”
Ik stak een duim op. “Mooi om te horen.” Hij keek ons aan. “En jullie V90? Geen moeite met digitale ellende?” Joline schudde haar hoofd. “Nee. Heerlijke auto, Harold, zonder meer. Alleen die ‘adaptive cruisecontrol’, daar zijn we beiden niet zo van gecharmeerd. Die grijpt nog wel een in op momenten en bij gelegenheden waarbij wij zeggen ‘Hé! Moet dat nou?’ Die chips lijken wat bang uitgevallen te zijn.” Harold knikte. “Snap ik. Ik zet die meestal ook uit. Als dat systeem ingrijpt gaat het nogal bruusk. Een automobilist die gewoon afstand houdt en oplet kan veel beter anticiperen op onverwachte situaties.” Even kletsten we nog over Volvo’s, tot Joline opstond. “Ik ga eens wat kaartjes pijnigen, heren. Dáár kwam ik ten slotte voor…”
Harold keek haar aan. “En meteen een wedstrijdje, Joline? ten slotte was dat een afspraak…” Ze lachte. “Alleen als jij dat ook wilt, Harold.” Hij knikte. “Lijkt me wel leuk. Je staat niet voor niets op plaats vijf van de lijst met schutters, Joline.” “Ehh… plaats vijf? Verklaar dat eens, Harold.” Die liep naar de bar en kwam terug met een papier. “Oké, jullie schieten niet zo gek veel… Eens per twee weken of zo, maar áls jullie schieten, en zeker nu met die Dreamlines… Jij bent de beste vrouwelijke schutter op de luchtbuks, Jolien. En van alle leden, dames én heren, sta je op plaats vijf. En dat binnen een jaar… Ik vind het bijzonder knap.” Toen keek hij mij aan. “En jij staat op nummer drie, Kees. Eén puntje onder mij. En onze nummer één zit dáár achter zijn koffie.” Hij wees op een wat ouder lid van de vereniging. “Marten schiet al meer dan veertig jaar, dus die heeft zijn ervaring mee. Als je van hem verliest is dat geen schande. Als hij op vijf kaarten meer dan één keer een negen schiet in plaats van een tien, is zijn avond verziekt en is hij ronduit pissig. Pardon Joline.” Marten lachte. “Dan ben ik hooguit ‘wat minder prettig in de omgang’, Harold. Let nou toch eens op je taal, man. Als je Volkswagens verkocht… Oké, dan kan je links en rechts nog wel eens een krachtterm laten vallen. Maar als gerespecteerd directeur van een Volvodealer kun je dat niet maken.”

Harold bromde wat, maar keek toen Joline aan. “Dus, dame…” Jolien knikte. “Oké, even een wedstrijdje. Eén kaart inschieten, daarna vier kaarten á vijf doeltjes op 50 meter. De verliezer trakteert op iets fris. Kees, Doe jij mee?” “Voor een glas fris, liefdevol door jou of Harold ingeschonken doe ik alles, schatje. Dat weet je toch? Nou ja, voor dat glas van Harold misschien iets minder, maar…” Ik werd afgebekt. “Een kletsmajoor. Dát ben je, Kees Jonkman! Naar de baan jij!” “Zeker mevrouw…”
We pakten de buksen en ik gaf Joline een zo’n schuimrubber blok met pellets. Harold keek vragend en ik knikte. “Ja, Kees en Joline hebben vanavond pellets zitten uitzoeken. Voor het eerst. Want we zijn er achter gekomen dat het met een FX écht wel uitmaakt of de pellets niet beschadigd zijn. Met de Hatsans maakte het weinig uit, met de FX zeer zeker wel.” Harold knikte. “Ik doe het ook, Kees. Met mijn Ataman maakt het ook verschil. Eén deuk in een rokje en je hebt een negen in plaats van de gebruikelijke tien.” Joline snoof. “Opschepper… met je Russische Meccano-buks.” Harold katte meteen terug. “Nee, zo’n Zweeds kruidje-roer-me-niet, dát is lekker…” Joline liet zich niet vangen en antwoordde droogjes: “Met auto’s heb je geen moeite met Zweedse dingen, geliefde voorzitter.” Ik stak een duim op. “Goed zo, Jolien!” Harold keek peinzend. “Ergens vanavond ga je van die opmerking spijt krijgen, mevrouw Jonkman. Mind my words.” Joline snoof. “Boejuh… Ik gooi desnoods mijn vrouwelijke charmes in de strijd.”
Ze liep richting baan, iets meer heupwiegend dan gewoonlijk. Harold keek mij aan; ik grinnikte, maar zei niets. Ik keek wel uit… Zo. Eerst even een kaartje inschieten. Met pen was op de achterkant ‘inschietkaart’ geschreven. Magazijn vullen met vijf pellets… Kaartje richting kogelvanger… De kijker moest iets scherper, totdat ik de ringen goed kon zien. Mooi… Ademhaling regelen… Links naast me hoorde ik het eerste schot van Joline er al uitgaan: een zachte ‘plof’. De buks van Harold klonk scherper; logisch want de Ataman had niet zo’n goede demper. Even later klonk een ‘péf’ rechts naast me. Oké, Harold was ook bezig. Nu kon ik me concentreren op m’n eigen schietkunsten. Laden. Schiethouding... Oké, in bed lag het prettiger maar... Ademhaling? Oké. Buks lag recht? Ja. Hartslag? Rustig en regelmatig. De kijker op het doel brengen totdat het richtkruis de punt van de tien overlapte. Ik kon mijn hartslag in het vizier zien: steeds een minuscuul opwippen van het richtkruis. Interval: een seconde. Mooi.
Nu zorgen dat het richtkruis op het doel bleef en tussen twee hartslagen door afdrukken. De trekker ging iets naar achteren tot vlak voor het ‘breekpunt’, het punt waar de hamer los zou laten... ‘plof’. Het eerste schot was er uit. Spannen, en weer de hele cyclus doorlopen. Ik deed het heel rustig aan; als dit kaartje goed was, zou de rest ook goed gaan...

Vijf minuten later haalde ik het kaartje naar me toe. Vijf keer een tien. Alleen… Elk schot zat iets aan de onderkant. Ik draaide het vizier één klik omlaag, dan ging de loop omhoog. Op 50 meter afstand scheelde dat een halve millimeter. Precies genoeg om de tien compleet 'uit de kaart te blazen’. De eerste ‘wedstrijdkaart’ ging naar voren en wéér doorliep ik de hele cyclus van ademhaling, hartslag en concentratie. Ik hoorde niets meer, voelde alleen nog maar mijn vinger op de trekker en zag alleen maar het richtkruis en het doel. ‘Plof’. Tien. Mooi. Correctie was goed. Volgende schot…
Ik dwong mezelf om bij het laatste schot van elk kaartje héél rustig aan te doen. Ik wist dat ik de neiging had om dat laatste schot ‘er uit te persen’ puur uit ongeduld. En na drie kaartjes stond ik op en schudde me uit. Het laatste, vierde kaartje was altijd een gevecht tegen mezelf. Concentratie, Kees! Rustig aan, dat doel loopt niet weg of schiet terug; het is een papieren kaartje wat vast zit aan een houder… Adem, hartslag, richten… ‘plof’. Kijken… Een tien. Mooi. Volgend schot, zelfde routine en rustig aan, verdomme! Ik merkte dat ik onrustig werd. Het moest nu maar eens klaar zijn… Néé Kees, de laatste schoten nét zo kalm als de andere. Beheers jezelf nou eens, stuk ongeduld… In Bosnië moest je dat ook! En daar lag je in de zeikregen, op een ongemakkelijke stronk, met steekvliegen die om te kop zoemden en wist je dat de vent wie je richtte over een paar seconden niet meer leefde. En als hij nog wel leefde had je iets vreselijk fout gedaan… Het laatste schot was inderdaad een gevecht tegen mezelf. Het schot moést er uit, maar ik haalde mijn oog expres van de kijker af om te ontspannen. En daarna moest de hele cyclus weer opnieuw… ‘plof’.

Héhé… Wat een bevalling… En dat in… potdomme! Ik was een half uur bezig geweest! Joline en Harold zaten al op de bankjes achter de schietpunten. Ik bekeek de kaartjes. De beslissing om het vizier 1 klik naar beneden te draaien was prima geweest; bijna alle pellets hadden de punt die de ‘tien’ voorstelde er exact uitgerukt. Eén schot, van de derde kaart, raakte de tien nét niet. In gedachten gaf ik mezelf een klop op de schouder en ik hoorde de stem van ‘Gunny’: “Good shooting, corporal!” 199 van de 200 te behalen punten! Ook al hadden Joline of Harold ook ‘volle bak’; beter zou het niet worden.
Buks ontladen, kaartjes mee en wat moeizaam stond ik op. “Dat was een lange sessie, Kees. Of was je in slaap gevallen?” Joline klonk plagend en ik bromde wat onduidelijks. “Kom lui. We gaan naar binnen, dan mag iemand anders gaan tellen.” Harold wees.
Ik plofte op een stoel in de kantine. “Ik ben nu een beetje brak, Harold. Nog nooit zó lang over 25 schoten gedaan.” “Dat was te merken, Kees. Wij waren al klaar toen jij nog met je derde kaart bezig was.” We wachtten; best wel benieuwd naar de uitslag van dit ‘wedstrijdje’. Na een paar minuten kwam Heléne, de jongedame die had geteld, naar ons toe. Breed lachend.

“Nou, ik weet niet wat de inzet was van dit wedstrijdje, maar jullie hebben wel bijzonder je best gedaan…” Ze keek Harold aan. 198 punten voor meneer de voorzitter. Twee keer een negen. Ja, op het randje van de tien, maar we konden er geen tien van maken Harold. Sorry. Hij keek ondanks dat wel vrolijk. “Dat is me tot nu toe nog maar een paar keer gelukt, Heléne, dus je kijkt hier naar een best wel tevreden voorzitter.” Ze giebelde. “Ik zal dan even wachten met het bekendmaken van de andere scores, Harold. Dan kun je er héél even van genieten.” Zijn gezicht sprak boekdelen: hij kneep zijn ogen samen. “Je wilt toch niet beweren dat…”
Heléne knikte. “Ja, dat ben je wél, Harold. Twee keer zelfs. Joline heeft één schot verprutst; een acht. En gezien de regels hier is twee punten verlies door één schot beter dan twee punten verlies door twee schoten. Kortom: Joline heeft, ondanks het gelijke aantal punten, beter geschoten dan jij.” “Verdomme…” klonk het teleurgesteld. Joline keek opgetogen. “Zo Harold. Er is nog plaats op de eerstvolgende cursus ‘omgaan met teleurstellingen, hoor…”
Heléne keek haar aan. “Jolien… Wellicht kun je jezelf daar ook voor opgeven?” Ze keek Heléne aan. “Het zal toch niet… Kéés… Heb je het wéér geflikt?” Ik boog schijnheilig mijn hoofd. “Sorry schatje. Niet slaan alsjeblieft…” Heléne knikte. “Ja Jolien. Kees heeft 199 punten. Gefeliciteerd, Kees. Dat zien we hier niet zo vaak.” Ik knikte. “Dank je wel, Heléne. Alles om maar indruk te maken op het mooie meisje… Net als bij de schiettent op de kermis. Alleen kan ik hier geen pluche beer uitzoeken, dat mis ik hier wel eens. En Harold voldoen niet aan de functie-eisen voor zo'n beer: hij is kalend en niet knuffelig genoeg.” Péts. Ik kreeg een tik op mijn hoofd. “Arrogante lúl…” En die pets kwam niet van Joline, maar van Harold. “Nounou, Harold… Beheers je eens een keertje, anders kopen we de volgende auto elders!” Joline keek hem aan. “Als Kees geslagen moet worden doe ik dat wel. Goed begrepen?” Ik dook demonstratief weg. “Nee schat, liever niet, schat…”
Ze keek me aan. “Goed geschoten, majoor Jonkman.” “U ook wel, mevrouw Jonkman. En vooruit, om niet meteen een huilende voorzitter te hebben: jij ook wel een beetje, Harold.” Die gromde. “Eikel… hoe kan ik nou thuiskomen? Verslagen door een dame die nét een jaar schiet en door een vent die twee jaar schiet…” Joline boog zich naar hem toe. “Je vergeet even iets, Harold. Die ‘vent die twee jaar schiet’ heeft in de jaren daarvoor nogal wat andere schiet-ervaring opgedaan. Onder andere in Bosnië en Afghanistan. En niet op papieren kaartjes op een comfortabele en verwarmde schietbaan, maar buiten in de kou, de zeikregen of in de bloedhitte. Met zijwind en bewegende doelen. En doelen die soms terugschoten. En ondergetekende is door die vent opgeleid. Daarna had ik een week spierpijn.” Hij knikte. “Je hebt gelijk. Dat was ik even vergeten. Sorry Kees, sorry Jolien.”
Heléne keek mij aan. “Jij bent…?” Ik knikte. “Ik ben veteraan. En voormalig SLA, Schutter Lange Afstand. Kon op 1.100 meter de rode ster uit een blikje Heineken schieten met een 12,7mm Accuracy. Opgeleid door een zeer veeleisende Gunnerysergeant van het Amerikaanse korps Mariniers.” Ik gniffelde even. “En mijn liefje heb ik opgeleid.” Joline bromde. “Ja. Hou op, schei uit…” Heléne keek nadenkend. “En je schiet hier voor je plezier? Kun je dat, nadat je…” Ze zweeg.
“Ik begrijp wat je bedoelt en om antwoord te geven op je vraag: ja, dat kan ik. En ik heb er plezier in. Even knokken tegen je eigen fouten, je eigenwijsheid, je lichaam exact datgene laten doen wat jij wilt dat het doet: op het juiste moment, tussen twee hartslagen in, die trekker overhalen terwijl je weet dat je richtkruis exact op het doel staat. Even alles om je heen vergeten en je maximaal concentreren. Heerlijk. Om daarna óf tevreden te zijn met je resultaten óf te kijken waar je de mist in bent gegaan en dat te onthouden voor de volgende keer.” “Nou, vandaag hoef je in ieder geval niet zoveel te onthouden, Kees. Dat scheelt.” In Harold z’n stem klonk nogal wat sarcasme door en ik keek hem aan.
“Vandaag vielen alle puzzelstukjes op de juiste plaats, Harold. Over een paar weken is dat bij jou wellicht het geval en bak ik er niks van; laat ik gewoon vijf punten liggen. Mag dat voor vandaag je troost zijn.” Hij mopperde wat, tot Joline hem op de schouder tikte. “Hé meneer! Niet zo sacherijnig! Jij hebt vandaag ook prima geschoten. Zeg eens eerlijk: Zou je een jaar geleden ook zo sip hebben gekeken met dit resultaat?” Hij schudde zijn hoofd. “Nee. Dan had ik een gat in de kogelvanger gesprongen, Joline. Pas het laatste half jaar schiet ik gemiddeld boven de 195 punten op 4 kaarten.” Joline snoof. “Nou dan. Dan heb je nu je gemiddelde weer iets op kunnen krikken. Wees daar blij mee en trots op.” Ze keek hem strak aan en hij kon niet anders dan glimlachen. “Dank je wel voor deze preek, Joline. En nu nóg een keer de vraag: willen jullie lid worden van ons wedstrijdteam?”

Ik haalde adem om ontkennend te antwoorden, maar Joline was me voor. “We willen best eens een wedstrijd schieten, Harold. Mits dat in ons schema past. En dat schema is voorlopig nogal vol…” Ze lepelde snel onze wekelijkse activiteiten op. “Allemachtig… Ik krijg al een burnout als ik dit allemaal hoor”, mopperde Heléne. Harold keek ons hoofdschuddend aan. “En dan rijden jullie ook nog eens Volvo. Moet je ook tijd en aandacht in steken. Sorry, dit horende: ik begrijp dat vast lid van ons wedstrijdteam een paar klikken teveel gevraagd is. Maar mag ik, als er eens iemand uitvalt, een beroep op jullie doen?” “Harold, nogmaals: als het in ons schema past. Vandaag bellen of we zaterdag in Drachten kunnen schieten levert waarschijnlijk een negatief antwoord op. Meestal zit onze agenda twee weken in het vooruit al redelijk vol, hou daar rekening mee. Vragen kan, maar…” Joline onderbrak me zo droog als gort en met een uitgestreken gezicht: “...graag willen we ook nog wat tijd inruimen voor het onderhouden van onze huwelijkse staat.” Even was het doodstil, toen schoot Heléne in de lach, wees naar mij en hikte: “Ja, dat kan ik me voorstellen Joline… Met zo’n knappe vent.”
“Zo schat… Nu hoor je het ook eens van een ander.” Ze snoof. “Ja hoor. Je bent de reïncarnatie van Don Juan, nou tevreden?” “Nou nee, want die deed het, volgens de schrijver van de opera met alle vrouwen die hij op z’n weg vond. En daar heb ik nou nét even geen trek in; dat kost veel te veel tijd. En investeringen: al die drank die je telkens opnieuw in al die dames moet gieten.” Ze keek me misprijzend aan. “Je bent af en toe een naar mannetje, Kees Jonkman.” “Er zijn er genoeg die het van harte me je eens zijn, schat. Maar de meesten van die lui vinden jou ook niet prettig mens, om het maar eens mild uit te drukken.” Nu lachte ze. “Da’s ook weer waar. Staan we weer quitte.”
Joline keek naar Harold. “Jij nog commentaar op onze huwelijkse staat met de bijbehorende plichten? Dit is je kans!” Harold zei droogjes: “Ik beperk me tot de opmerking ‘Kan ik me voorstellen, Kees. Met zo’n knappe dame.’ Meer zeg ik er maar niet over.” Joline knikte tevreden. “Verstandig, Harold. Je valt me niks tegen vanavond. Nou ja, die twee schoten wel, maar vooruit…” Harold zuchtte. “Dit ga ik nog vaak horen, vrees ik.”
Joline boog zich naar voren. “Nee. Als jij dat liever wil, houden Kees en ik onze klep wel over dit wedstrijdje. Je schoot prima, net als ik, net als Kees. Punt. En wat Kees net zei klopt: volgende week of over een maand bakken Kees en ik niks van en heb jij de volle mep. Een topatleet kan ook niet elke dag pieken. En nu drinken we op kosten van de winnaar nog een glas fris of, daarna gaan Kees en ik in ieder geval naar huis; Mocca, onze bruine viervoeter ligt in de hal op ons te wachten.” Rustig kletsend dronken we inderdaad nog een glas fris, daarna pakten we onze spullen in, namen afscheid en reden richting huis.

“Jij was lekker op dreef vanavond, Kees…” Ik knikte. “Ja. Ik heb me heerlijk kunnen concentreren. En af en toe mezelf toespreken om niet dat éne schot er nog snel uit te persen terwijl je voelt dat je in ademnood komt… Rúúúst. En dat werkte, schat.” Ze humde. “Bij mij ging het ook lekker. Maar dat ene schot… Jammer. Het had wat geweest als we beiden de volle mep bij elkaar hadden geschoten, schatje.” Ik knikte, terwijl ik de auto door het verkeer wurmde. “Ja, dan had onze voorzitter waarschijnlijk een poging tot zelfmoord gepleegd en hadden wij het uit kunnen leggen aan z’n vrouw. Laten we dat dus nog maar even niet doen; als voorzitter is hij best goed.”
Eenmaal thuis zetten we de buksen in de kast. Ik liet Mocca uit met een laf rondje rennen, zodat het beest ook weer zijn beweging had gehad. Nou ja, hij kwam niks tekort qua beweging. Hij zag er prachtig uit, zijn vacht glom, als je ‘m aaide kon je zijn ribben nog prima voelen, dus te dik was hij absoluut niet… Eenmaal weer thuis commandeerde ik de hond in zijn mand. Overgebleven beloningsbrokjes erbij, veiligheidsrondje lopen en toen liep ik de slaapkamer in. Joline lag al in bed.
“Zo mevrouw… Al aan het voorbereiden op uw huwelijkse plichten? Goed hoor…” Een nogal slaperig antwoord kwam terug. “Als jij nou eens rap je tandjes poetst, mag je naast me komen slapen. Let wel: slapen. Genoeg emotie gehad vandaag. En dan nog een snelle wip? Ben jij gek…” Gniffelend liep ik de badkamer in. Ik was ook wel behoorlijk ‘op’. Vijf minuten later lag ik ook in bed.
“Jolien…” “Hmmm?” “Je hebt meer dan uitstekend geschoten vandaag, meid. Ik ben apetrots op je.”
Ze rolde naar me toe. “Dank je wel, lieve drillsergeant. Daar kan ik weer even mee vooruit.”
Een lieve knuffel volgde en daarna klonk: “Welterusten schatje. Lekker slapen.” “Jij ook, schoonheid…”
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...