Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Door: Keith
Datum: 23-04-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 537
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 52 minuten | Lezers Online: 15
Vervolg op: Mini - 403
De dinsdag verliep in relatieve rust. Tenminste: bij DT. Alle Piraten werkten in ‘hun ziekenhuis, Marion was bezig bij de politie en Fred zat op zijn eigen plekje in het Backoffice. “Geen zin om bij jou te zitten, Kees. Hier heb ik ten minste alles bij de hand en is het gezelschap ook wat prettiger.” Toen hij dat zei, keek ik hem lang en somber aan. “En jij beweert met droge ogen dat wij samen getrouwd zijn? Nou, daar geef ik ook geen cent meer voor. Lomperd.” Hij deed weer zijn imitatie van een stoomloc, gaf me een dreun op de schouder en nokte af richting Backoffice.
Even twijfelde ik. Zou ik op Marion d’r plekje in het Backoffice gaan zitten? Nee, niet handig. Ik moest nog aardig werken aan tekeningen voor dat lasbedrijf van ‘Tante Truus’. Als ik bij Fred in de buurt zou zitten, zou ik behoorlijk afgeleid worden. Dan liever in de rust van m’n eigen hok doorbuffelen. Maar gelukkig werd ik niet aan m’n lot overgelaten; om tien uur kwam Irene binnen.

“Kees… Koffie? En drink je dat dan bij mij op? Wel zo gezellig; tijdens de koffiepauze is iedereen naar de kantine en zit ik hier alleen. En als ik jou niet uit je werk haal zit je tóch weer op je beeldscherm te turen en te tekenen en is de koffie koud.” Ik sloeg het werk op en liep achter haar aan richting koffiehoek. “Jij bent goed bezig, Ireen. Dank je wel dat je je over een eenzame sloeber ontfermt.” Ze keek ondeugend om. “Liever ik dan Joline, Kees. Anders komt er van werken natuurlijk niks en gaat de deur van je bureau dicht. Nou, dan weet ik het wel!” Ik mopperde iets over ‘mensenkennis’ en ze lachte me uit. En na de koffie ging ik weer verder, tot twaalf uur, toen Irene weer haar hoofd om de deur stak om de middagwandeling aan te kondigen.

Na de middagwandeling nog even lekker samen koffiedrinken in de ‘kantine’, die ondertussen op een echte kantine begon te lijken. Er stonden een paar grote vazen met planten, aan de muren hingen foto’s van de diverse projecten én van de diverse teams. En Theo had een week na de ingebruikneming nogal duidelijk gemaakt dat hij géén ‘eigen teamtafels’ wilde en geen ‘eigen plekjes’.
“Jullie gaan gewoon door elkaar zitten. Niet klitten. Ik wil graag directeur zijn van één bedrijf. Niet van een stel samen geroeste teams die zelfs tijdens de lunch elkaar bij de handjes willen houden. En ja, dat geldt ook voor getrouwde lieden en lui die daar plannen voor aan het maken zijn, denk er aan!” Vandaag plofte ik bij een paar lui van Klaas z’n team neer. “Heren… is het geoorloofd dat een eenzame sloeber bij jullie aan tafel mag schuiven? Want als ik naast Joline ga zitten gaat iemand er iets van vinden, denk ik…” Grinnikend werd er plaats voor me gemaakt en even later was ik nogal diepgaand in gesprek over één van hun projecten: een overhaul van een suikerfabriek in Dinteloord.
“We krijgen in Februari twee weken de tijd, Kees. En dan moet de fabriek weer draaien.” Ja, dat gaf wel wat tijdsdruk… En in die twee weken moest de fabriek ook schoongemaakt worden, voordat er ook maar één schroevendraaier van de installateur aan het werk kon gaan. Kortom: het team van Klaas moest aardig aan de bak. En ik kon ze niet helpen; de Piraten hadden ook werk zat in de ziekenhuizen. Enfin, Klaas was nu zelf ook veel meer uitvoerend bezig, dat scheelde. En de sfeer in hun team was sinds anderhalf jaar gigantisch verbeterd. Die rooiden het wel en dat zei ik hen ook.
“Jaja Kees… ‘jullie rooien het wel’? Hoor ik dat nou goed? Denk jij dat wij met tractoren het land op gaan om zelf die bieten te rooien?” Klaas keek nogal bedenkelijk. “Nou ja, het is weer eens wat anders dan op maandag en woensdag buiten in de zeikregen te rennen, Klaas. In zo’n bietenrooier zit je lekker warm en droog, Radio 3 op de achtergrond en de techniek doet de rest, zolang jij maar lekker recht blijft sturen…” Er werd wat gemopperd om me heen, dus ik veerde op. “Ik ga maar weer eens aan het werk, geloof ik. Een paar collega’s willen rare dingen met me doen als ik jullie koppen zo bekijk…”

En weer aan het werk. Tot kwart voor vijf, toen hoorde ik snelle hondenpoten in de gang en Mocca z’n bruine snoet kwam om de hoek. “Jaja Mocca, ik kom al, knul. Even de zaak hier opruimen…” Vanuit de receptie riep Irene. “Mocca! Kom maarrr…” Een kwispel en de hond was verdwenen. “Wat heb jij wat ik niet heb, Ireen?” Ze giebelde. “Lesje anatomie nodig, Kees? Ga maar bij je echtgenote te rade. Maar buiten dat: ik heb ook brokjes.” Ik sloot mijn bureau af en keek. “Ja, ik zie het. Meneer is nu bijzonder fanatiek het ‘ideale hulphondje’ aan het uithangen… Corrupt beest.” Mocca zat voor Irene: oren in de stand ‘maximale aandacht’, koppie scheef en terwijl ik keek kwam er ook nog een poot omhoog. “Enorme slijmbal.” Mocca trok zich niks van mijn commentaar aan, maar bleef Irene aankijken. Nou ja, hij keek naar de hand waar waarschijnlijk brokjes in zaten. Toch maar eens testen hoe loyaal de hond was… “Mocca! Zoek Joline!” Even een aarzeling, toen draaide de hond zich om en sprintte de receptie uit, op zoek naar Joline.
Irene keek teleurgesteld. “Spelbreker. Jaloers, Kees?” Ik schudde mijn hoofd. “Nee hoor. Maar wel even een test in hoeverre Mocca loyaal is. En hij is geslaagd.” Ze keek sip. “Nee Irene, dit is niet om jou te pesten, maar Mocca moet wél weten bij wie hij hoort en niet met iedereen, die maar brokjes op zak heeft, meegaan. Joline en ik zijn zijn roedel. Net zo goed als hij over ruim een jaar bij zijn cliënt moet blijven.” Ze knikte. “Het is een hele brave hond, Kees. En ik zou er van balen als hij weg is.”
Ik knikte. “Begrijp ik. En Jolien en ik zullen hem dan ook vreselijk missen. Maar bedenk wel wat hij, als het goed is, gaat doen: iemand een stuk kwaliteit van leven terug geven. Joline en ik genieten ook van die bruine schurk, juist omdat het een hele slimme en brave hond is. En het zal stil worden in Veldhoven als hij de opleiding in gaat. Maar het is niet ‘onze’ hond, Irene.” Ze knikte. “Wat ben jij af en toe vreselijk rationeel, Kees…” Ik hing even over haar desk.
“Ja. Kees en Joline zijn soms vreselijk rationeel. Maar denk jij nou écht dat wij niet staan te janken als we Mocca voor het laatst uitlaten, voordat hij richting Herpen gaat? Weet jij wie Peter van Uhm is?” Ze knikte. “Een generaal toch?” “Generaal-buiten-dienst. Oftewel met pensioen. Hij is ambassadeur van Hulphond Nederland. Heeft ondertussen al een stuk of wat keren als gastgezin opgetreden. En dat moment, wanneer de hond naar Herpen gaat, noemt hij zijn ‘Fishermansfriend-momentje’. Zo’n moment wanneer de tranen opkomen, maar voor de buitenwereld mag je dat niet laten zien. A lá die reclame: ‘Sterk spul hé, die Fishermansfriend…’ Irene knikte. “Ik snap het. En ik ga ook maar eens afsluiten. Fijne avond, Kees.” “Jij ook Ireen.”

In de gang kwam ik Joline en Mocca tegen en samen stapten we in de auto. En na een klein hapje eten renden we richting cooperbaan: loopgroep, vanavond onder leiding van Joline en Mocca. Sprinten dus. En tegen onze verwachting in was Tess ook aanwezig. En in een andere outfit dan vorige week: niet meer gloednieuw en hagelwit, maar een trainingspak wat er al wat uurtjes op had zitten, zo te zien. En Zelda! Ik deed net of mijn neus bloedde richting Tess en gaf na het inleidend praatje de leiding over aan Jolien. Die stelde eerst Zelda voor en hield het daarna kort.
“Vanavond gaan we er hard tegenaan lui. Niet dat suffe gedoe van Kees, maar sprinten.”
En dat deden we dan ook: na een korte warming up steeds sprints van 200 of 300 meter, alle kanten uit. Behoorlijk inspannend voor mij; Zelda had er weinig moeite mee. Wellicht hielp het dat Mocca steeds met haar meeliep. En de sprint lag Tess duidelijk beter dan de duurloop of de cross-country. En dat zei Joline haar dan ook, toen we uit stonden hijgen. En ze knikte bevestigend en excuseerde zich voor haar gedrag van de week ervoor.
“Ik was gewoon pisnijdig, Joline. Had ik dag ervoor een nieuwe sport-outfit gekocht, was die na één avond al bedorven.” En met een nogal donkere blik naar mij: “Door die ‘geintjes’ van je echtgenoot!” “Ik maak nooit ‘geintjes’, Tess. Ik train jullie. Niet alleen op conditie, maar ook op mentaliteit.”
En Joline vulde aan: “Een training van ons net als het echte leven, Tess. Soms valt het allemaal wel mee en kun je na een training zeggen ‘Hé, dit ging lekker!’, maar soms halen we wat onverwachte dingen uit de hoge hoed en moet je even op je tanden bijten. En dan haal je een nat pak, loop je door de bramen of de distels of denk je klaar te zijn en dan lopen Joline of Kees, net wie de training leidt, even vrolijk nóg een rondje.” Ze wees op Zelda: “Of iemand wordt gewoon onbarmhartig een sloot in geflikkerd; Zelda hier weet daar alles van. Toch, Zelda?”
Die lachte. “Nou en of! Ik werk bij hetzelfde bedrijf als Kees en Joline. ’s Maandags en woensdag rennen we in de middagpauze altijd. Met een stuk of twintig mensen, onder leiding van Kees of z’n maatje Fred. En daar gebeuren ook wel eens gekke dingen en komt de hele meute zeiknat terug. En of dat in de winter is, terwijl het buiten nét niet vriest of in de zomer bij 30 graden… dat boeit hen niet zo erg, geloof ik.” Tess humde. “Ik ga er rekening mee houden. En m’n nieuwe outfit gebruik ik voortaan wel in de sportschool, totdat die ook wat versleten is. Tot volgende week!” Ze liep in een rustig looppasje naar haar auto, een gloednieuwe Tesla. Ik keek Joline aan. “Kom, mooie dame. Wij gaan ook eens richting huis, want ons bruine monster wil ook eten. Zelda, scheur je los van Mocca; morgen zie je hem weer.”

We renden naar huis. Douchen, afdrogen, aankleden en eten! Daarna koffie en om half negen appte ik Brecht, Wendy, Hendrik en Derk om oefendata af te spreken voor de bruiloft van Greet en Anita. En na een telefoontje naar Richard kreeg ik de orde van dienst toegestuurd. En die stuurde ik weer door naar de anderen met de opbeurende tekst: ‘Daar kunnen jullie alvast mee uit de voeten!’ Wendy appte terug: ‘Voeten? Da’s meer Brecht en Hendrik hun afdeling’. Ik kon het niet laten en appte: ‘En die van mij, als jij vals gaat zingen!’ Een emoticon van een schoppende laars er achter. Zo, ook weer geregeld… Daarna nog een halfuurtje blazen en toen vond ik het wel weer genoeg. Joline had Mocca al uitgelaten, die lag al in zijn mand te ronken. Om tien uur sloot ik af en gingen we de slaapkamer in.
En eenmaal in bed kroop ik tegen Joline aan. “Hé mooie vrouw van me… Ik heb wat stijve spieren. Kun jij die eens lekker masseren?” “Ik voel inderdaad iets stijfs, maar dat is geen spier, Kees. Dat zou jij toch moeten weten!” Ik haalde mijn schouders op. “Zoals ik al vaker heb gezegd: de menselijke voortplanting stond in het curriculum van het laatste jaar Biologie. En toen was ik al ruim een jaar afgehaakt en gevlucht naar de exacte vakken. Al dat theoretisch geleuter… Ik was toen al een man van de harde praktijk!”
Ze draaide haar hoofd om. “Bluffer. Hard zul je zeker wel geweest zijn als je naar die leuke jonge meiden keek, dat geloof ik best. Maar de praktijk? Volgens mij zei jij tijdens onze eerste gezamenlijke maaltijd iets over ‘maagd 2.0, mannelijke versie’, toch? ‘Vrouwen zijn eng. Komen van Venus en kopen geen schoenen’ en meer van dergelijke macho onzin. En nu wil je mij laten geloven dat jij… Haha, laat me niet lachen. En over dat ‘harde’ van jou: Nogmaals, dat is geen spier, maar dat zijn zwellichamen. Die vullen zich met bloed als jouw door testosteron vergiftigde brein weer eens een paar leuke benen onder een kort rokje ziet. Een spier kan niet zolang gespannen blijven.”
Even wachtte ze en toen volgde plagend: “Nou ja… ‘zo lang’ duurt het bij de meeste kerels niet, dus waarom er voor die ingewikkelde constructie met zwellichamen is gekozen is me nog steeds een raadsel…”

Ik kneep zachtjes in haar nek. “Meisje Jonkman-ooit-Boogers… Soms ben jij een hele gemene bitch. Als ik je tekort doe, kun je dat gewoon zeggen hoor. Want ook dát stond in de kleine lettertjes van onze huwelijksbelofte.” “Sorry Kees. Angelique, onze expert kleine lettertjes, was in gebruik bij Fred en Wilma. Kon ik op dat moment even niet raadplegen.” Ik bromde: “Volgens mij hadden die de zelfde belofte als wij, schat.” Joline draaide zich nu om en sloeg haar armen om me heen. “Ja. En dat is goed. Daarom zijn we samen met hen getrouwd.” Ze kuste me. Lang en intiem. Toen ze losliet keek ik in twee ondeugende ogen. “Als het een spier was geweest, Kees… Was die nu verrekt.”
Ik trok haar dicht tegen me aan. “Gekke troela… Met je mooie ogen. Ik hou van je.” In mijn oor hoorde ik zachtjes: “Dat wéét ik. En daar ben ik heel blij mee. En ik hou van jou, mooie kletsmajoor. Maar ik wil nu graag slapen, schatje. Dat loopje van Joline Jonkman hakte er behoorlijk in, vanavond.” Ik bromde. “Nou en of. Al dat doelloze gesprint… Dán weer naar links, dán weer naar rechts… En uiteindelijk kom je nergens. Het lijkt politiek Den Haag wel.” Ze tilde haar hoofd op en ik kon haar ogen bijna voélen. “Kees Jonkman! Als jij mij gaat vergelijken met politiek Den Haag, ga je nogal onplezierige tijden beleven, denk daar goed aan!
“Sorry, schat. Ik zal je niet in één adem met Thierry Baudet of Jimmy Dijk noemen, schat.” Ze zuchtte. “Je hebt geluk dat ik lekker lig en te beroerd ben om je nu een klap voor je techneutenkop te geven, anders… Etter.” Ik gniffelde. “Mag ik nu wel een zoentje? Anders kan ik niet slapen en moet de zuster me een slaapmiddeltje geven. En dat duurt veel langer dan…” Ik werd afgebekt. “Klep dicht jij. Daar komt toch alleen maar onzin uit. Baudet en mij in één adem noemen… Hoe haal je het in je kop, Kees Jonkman?” Twee seconden later voelde ik twee warme lippen op de mijne. Met een ondeugend tongetje er tussen. Toen ze losliet hoorde ik zachtjes: “En tóch hou ik van je.” Ik streelde haar haren. “En ik van jou, mooie vrouw. Nu lekker slapen?” “Uhuh… Truste, Kees.” “Welterusten, Jolien.”
Ze draaide zich om. En na een minuutje hoorde ik giebelend: “Baudet zou het waarschijnlijk niet zo erg gevonden hebben om samen met mij op het strand te liggen voor een fotoreportage…” “Ik denk dat meneer Baudet dan vrij onzacht in aanraking zou komen met een paar gevechtslaarzen van ene Cornelis Jonkman, reserve-majoor bij de Infanterie”, gromde ik. “Of met een ringsleutel, type lomp en onbehouwen, van Rob Boogers. Of de gevechtslaarzen van een zekere Ton Boogers, eerste luitenant der Infanterie. Of de poezelige handjes van Fred van Laar, ook al zo’n Infanterietype…” Joline giechelde. “Oh, wat een heerlijk gevoel! Al die ridders die om me heen staan…”
“Snap ik. Zeker als je je aan het uitkleden bent, schat. Dan zou ik ook wel om je heen willen staan. En je uitgebreid bekijken…” Een zucht volgde. “Smeerlap. Slapen jij, met je vunzige gedachten!” “Hé schat, JIJ kwam op het idee om samen met Baudet op het strand te liggen hoor. Ik niet.” “Ja hoor Kees. Je hebt gelijk, schatje. Maar nu slapen. Waak jij in mijn dromen over mijn maagdelijkheid?” “Het zijn jouw dromen, schatje. Je regelt je eigen maagdelijkheid maar. Ik heb m’n handen vol aan de mijne.” Daarna stopte de onzin; even later hoorde ik dat Joline in slaap was gevallen. Heerlijk als je dat binnen dertig seconden kon…

’s Woensdags moesten we apart rijden; ik ging naar Nijmegen. “Dan kun je mooi de boodschappen doen, Kees!” had Joline me geplaagd. In Nijmegen was er geen tijd voor koffie; Rogier greep me meteen bij m’n lurven om de noodstroomvoorziening van de SEH te bekijken. Hij was er duidelijk trots op. Logisch; het grootste deel van het ontwerp kwam uit zijn koker. “Ze hebben het vorige week getest, Kees. En na een glitch van nog geen kwart seconde had men gewoon stroom. Alle computers bleven het doen, er is geen enkel systeem offline gegaan.” We spraken nog even met het hoofd van de SEH, een vrouwelijke arts van een jaar of veertig. Die was er zeer over te spreken. “Prima ontwerp van DT, heren. Ik wist niet dat het ook zó kon. Die lui uit Amsterdam hebben gewoon tegen ons staan liegen.” “Het grootste aandeel van de verbeteringen kwam uit zijn koker, dokter.” Ik wees op Rogier. “Ik heb ‘m alleen maar achter z’n vodden gezeten. Maar ja, dat is mijn werk als teamleider…” Rogier keek me donker aan, maar zei niets.
Ik vervolgde: “Maar goed, de heren uit Amsterdam die het betreft: de hoofdschuldigen zitten nog steeds ‘achter de deur’, zoals men dat in politiekringen aanduidt. En de monteurs zijn weliswaar weer vrijgelaten na hun voorarrest, maar dat is in afwachting van hun rechtszaak. Alle betrokkenen gaan een redelijk zware pijp roken, Duyvestein en echtgenote het langst.” Ze knikte. “Goed om te horen. Als die lui hier op de SEH zouden belanden… Een aantal van mijn verpleegkundigen zouden zomaar een infuus kunnen vullen met een verkeerde vloeistof. En ik zou de eed van Hippocrates ook spontaan vergeten zijn.”
Rogier keek haar aan. “Niet doen, dokter. Dan verlaagt u zich tot hun niveau, da’s het enige wat ik er over zeg.” Ik zag haar nadenken. “Wellicht heeft u gelijk, meneer van der Vlist, maar… ik ben ook maar een mens. Iemand die moedwillig leven van onze patiënten in gevaar brengt kan niet op mijn sympathie rekenen.” Rogier knikte. “En ook niet op de mijne, dokter, wees daarvan overtuigd. Maar volgens mij doen de meeste mensen in Nederland niét aan ‘oog om oog, tand om tand’. Dat stadium is het gros van onze bevolking voorbij. Daar hebben we het OM voor en Justitie. Eigen rechter spelen… Kees hier weet veel beter dan ik wat daarvan komt.” Twee scherpe ogen werden op mij gericht. “Leg eens uit, meneer Jonkman?”

Ik dacht kort na. “Kent u Johan van Onzenoord?” Ze knikte. “Natuurlijk. Briljant chirurg. Als wij patiënten hier zover opgelapt hebben dat ze naar de OK kunnen is het goed om te weten dat Johan dienst heeft. Maar hij was tot voor kort een enorm botte…” Ik onderbrak haar. “…klootzak, wilde u zeggen, maar dat is niet zo netjes voor een SEH-arts, toch?” Ze schoot in de lach. “Ik zocht naar een passend equivalent, maar u was me voor. Maar wat heeft… wacht even. U noemde hem ‘Johan’. Dat zijn er niet zoveel. Vertel!”
“Johan en ik hebben een gezamenlijk verleden. Hij was traumachirurg in het Role 4 hospitaal in Tarin Kowt, Afghanistan. Ik was simpel sergeant der Infanterie, op dezelfde basis, in dezelfde tijd. We hebben elkaar daar nooit ontmoet, maar hij heeft mijn groepscommandant het leven gered. Een sergeant die een halve Taliban-handgranaat in stukjes moest absorberen. We kwamen een aantal weken terug achter ons gedeelde verleden. En dat schept een band, dokter.”
Rogier humde nogal spottend. “Een band, zegt meneer Jonkman. Sjongejonge… Een dusdanige band dat Johan in het personeelsrestaurant van dit best wel fraaie ziekenhuis nogal militair werd uitgevloekt door die op het eerste gezicht zo aardige vent hier naast me. Goh, wat een band…” Hij grijnsde.
De arts wees. “Hebben jullie al koffie gehad? Nu kan het, het is even rustig. En dat verhaal over die vloekpartij wil ik wel horen…” We liepen naar een koffieautomaat, daarna naar een kantoortje. De deur ging dicht. “Vertel, meneer Jonkman.” “Op één voorwaarde, dokter. Dat verhaal blijft hier. Tussen deze muren en niet verder.”
Ze knikte en ik vertelde beknopt waarom ik Johan op z’n nummer had gezet. Na drie minuten knikte ze. “Oeps… Ik wist dat hij sinds een paar weken was bijgedraaid, maar de oorzaak van zijn ellende wist ik niet. Ik meed hem liever, want hij had altijd wat te zeiken… pardon: mopperen over de wijze waarop wij op de SEH de patiënten hadden gestabiliseerd. Dát is sinds een paar weken gestopt en daar ben ik blij mee.” “Ga maar eens op een rustig momentje met ‘m praten, dokter. Dat lijkt me een prima gelegenheid om elkaar recht in de ogen te kijken en voortaan op goeie voet verder te gaan. Is voor de patiënten ook beter, als twee artsen het eens zijn over de plaats waar het infuus geplaatst moet worden.”
Ik grinnikte en ze lachte gelukkig mee. “En heb jij geen last van…” Ik onderbrak haar weer. “Nee dokter. Natuurlijk heb ik m’n herinneringen, flashbacks, soms schrik ik me kapot van iets en als ik ‘Amazing Grace’ op doedelzak hoor of het geluid van een C130 Hercules transportvliegtuig moet ik een paar keer hard slikken; dat heeft correlatie met de dood van een goeie vriend van me in Afghanistan. Maar gelukkig heb ik een pracht van een echtgenote en een hele goeie vriendengroep die me dan weer op het paard zetten. Onder andere ene van der Vlist, de vent hier naast me, waarvoor dank, Rogier.”
Die keek twijfelend. “Jou op het paard zetten? Echt niet. Zelfs Lot en Mar doen dat niet. Kunnen we die paarden op de manege niet aandoen…” Ik zuchtte. “Zoals Fred nu zou zeggen: ‘lulhannes’…” De arts schudde haar hoofd. “Nou, tot zover een samenhangend antwoord. Nu weet ik nog niks.” Ik keek haar aan.
“Dokter, in het kort: mijn twee missies, in Bosnië en in Afghanistan zijn voor mij één grote leerschool geweest. Ik ging naar Bosnië als 19-jarig eigenwijs snotaapje met m’n VWO-diploma; ik was chauffeur van een pantservoertuig. In mijn groep hanteerde de maten een spreekwoord. ‘Sergeant Loermans weet alles; soldaat één Jonkman weet alles beter.’ Ik kwam terug toen ik 20 was, maar in gedachten was ik 10 jaar wijzer geworden.
Een jaar later, in Afghanistan: idem. En nee, ik heb geen PTSD, dat is me maandag nog duidelijk gemaakt door een psychologe van het Veteranen Instituut. En die dame heeft een doctoraal in de psychologie, dus die zal het wel weten. Ja, ik heb herinneringen, goeie en hele slechte en er gaat geen dag voorbij of Bosnië of Afghanistan is even in m’n gedachten, maar over het algemeen is dat positief. En dat is alles wat ik er over kwijt wil.” Ze knikte. “Dank je wel. En ja, ik ga eens praten met dokter van Onzenoord. Wat dingen rechtzetten en zo.” Ik stak een duim op. Ze gaf ons een hand. “Ik moet weer aan de slag. Even een rondje lopen en bij m’n patiënten kijken. Dank voor jullie werk én dit kletspraatje!” Ze verdween.

“Nou, je hebt er weer een vriendin bij, Kees…” “Jij toch ook? Jij hebt het systeem hier grotendeels ontworpen, vriend. En volgens mij heb ik dat nogal luid en duidelijk onder haar aandacht gebracht.” Hij knikte. “Zullen we nog even kijken op de operatie-afdeling?” Ik keek twijfelend. “Waarschijnlijk mogen we weer niet naar binnen, Rogier. Want dat gaat zuster Babet over de jank als wij met onze plotterinkt-klauwen haar smetteloze afdeling bezoedelen…” Ik bel wel even naar de verpleegsterspost, Kees. Kunnen we daar nóg een bak koffie scoren en vertellen hoe goed we zijn. Er lopen een paar héle knappe verpleegkundigen rond op de OK…” Ik keek sceptisch. “Ja, en volgens jouw eigen teksten zie je daar, door die vormeloze uniformen, he-le-maal niks van. Laat staan die operatiekapjes en haarnetjes. Bovendien acht ik jou in staat om ons bezoekje daar in geuren en kleuren aan Jolien te vertellen en wie moet dan weer in de berging slapen? Jawel, Kees Jonkman. Geen trek in.”
“Piet Lut… Mee jij.” Rogier trok me mee. “Zeker meneer van der Vlist… Had u nog koffie willen hebben, meneer van der Vlist? Monteur Kees zal het wel even voor u halen, meneer van der Vlist…” Hij keek me tijdens het lopen aan. “Zit je dat nog steeds dwars, Kees?” “Nee hoor. Ik had toen alleen wat moeite om niet in lachen uit te barsten… ‘Monteur Kees’ heeft wel wat haar op z’n ziel, hoor.” De Operatie-afdeling kwamen we niet binnen. De deur was dicht en bleef dicht. “Sorry Kees. Geen Babet vandaag.” “Nou, dan ga ik richting Veldhoven, makker. En boodschappen doen, anders gaan er twee ballistisch: Joline omdat we blikvoer moeten eten en Mocca omdat is geen lekkere kauwstaafjes heb gekocht. Bij de een doet je kop pijn, de ander geeft je een venijnige knauw in je billen.”
Een minachtend ‘Há!’ was zijn reactie, daarna liep ik naar buiten. In de auto zette ik mijn telefoon weer aan. In een ziekenhuis ging die altijd uit. Drie gemiste oproepen. Eén anoniem nummer. Eerst de anderen maar terugbellen: Denise en Frits. Denise had wat vragen over een component in de warmte-installatie van het lasbedrijf, Frits vroeg wanneer ik in ‘zijn’ ziekenhuis zou komen kijken. En nu dat andere nummer…
“Hallo Kees, met Michel spreek je.”
Michel, Michel… O wacht: de commandant van het Cimicbataljon uit Apeldoorn.
“Goede… middag Michel.” Het was nét twaalf uur geweest.
“Kees, ik heb een vraag. Heb jij tussen Kerst en oud & nieuw iets te doen? Gaan jullie op wintersport?”
“Ehh… Nee. Ik was van plan om even uit te hijgen na een nogal hectisch verlopen half jaar. Gewoon stom op de bank hangen en alle afleveringen van GTST van het afgelopen jaar bekijken met een biertje in de hand en een baal chips naast me.”
Hij schoot in de lach. “Ik zie het je doen… Kees, een paar weken terug heb jij een halve dag geschoten. En de HSI van die dag, Jolanda, was nogal onder de indruk…”
“Knappe dames zijn al vrij snel van mij onder de indruk, Michel.”
“Van je schietresultaten, majoor!”
Ik grinnikte. “Ohhh… zeg dát dan. Nu ben ik weer een illusie armer.”
Hij zuchtte. “Ik ga maar eens een goed gesprek aan met je vrouw. Maar goed: jouw schietresultaten waren nogal goed, dus. Geen enkel schot gemist en ook nog even je bud gematst. Op een afstand waar wij te weinig op schieten. En dat met een Red Dot… Toen ik dat hoorde was ik óók nogal onder de indruk, ondanks dat ik zelf een redelijk goed schutter ben. Voel jij er wat voor om in het kerstverlof mee te doen aan de selectiewedstrijd voor het schietteam van het bataljon? Eén dag wapen- en schietleer opvijzelen, één dag schieten. We hebben teams voor de Glock, de Colt en de Mag. Helaas voor jou niet de Accuracy.”
“Hé, da’s nou jammer… Maar dat moet ik eerst thuis overleggen, Michel. Wanneer zouden die dagen zijn?”
“Donderdag 27 en vrijdag 28 december. In de Harskamp, we overnachten daar ook.”
Ik keek snel in m’n agenda: die dagen waren nog leeg.
“Ik zou het bijzonder leuk vinden, Michel, maar nogmaals: ik moet dit eerst thuis bespreken. En op het werk; voor hetzelfde geld breekt ergens op ‘mijn’ projecten de pleuris uit en moet ik hals over kop naar een boorplatform op de Noordzee, als ik bereikbare dienst heb. En er is een andere voorwaarde, Michel.”
Even was het stil, toen zei hij behoedzaam: “En die is?”
“Ik wil garantie dat ik Adema daar niét tegenkom.”
“Die kans nul, Kees. Meneer Adema heeft vier dagen na dat incident op de schietbaan zijn hele uitrusting moeten inleveren, inclusief Smartcard. Hij is geen militair meer; meneer is met een enorme zwieper over het hek gesmeten.”
“Mooi, dat wilde ik even weten, Michel. Ik ga thuis overleggen; wanneer kan ik je terugbellen?”
“Tot vanavond tien uur, Kees. Daarna lig ik gestrekt.”
“Prima, ik ook. En heb jij nog behoefte aan schutters op de Mag? Ik ken er toevallig eentje, en die is best goed met dat lompe ding.”
Michel lachte. “Ja, daar heeft hij wel de massa voor. Maar als hij kan, zie ik Fred er graag bij.” “Ik zal het voorleggen aan meneer van Laar. Je hoort vanavond van me!”
“Mooi, Kees. Ik hoop dat jullie kunnen. See you!”

Het eerste wat bij me opkwam was een eventuele reactie van Harold op de schietvereniging. ‘Jaja… Niet aan onze wedstrijden mee willen doen, maar ondertussen wél lekker met groot kaliber schieten bij Defensie? Fijne vent ben jij, Kees...
Ik belde Joline meteen maar.
“Hé schatje… Mis je me nu al?” Ze klonk plagend.
“Ja, als een malle. Waar is Mocca?”
“Die ligt op zijn vaste plekje onder mijn bureau. Hoezo?”
“Nou, dan zou ik wel met hem willen ruilen, schat…”
“Dat gaat mooi niet gebeuren, ben jij gek. Een beetje onder mijn bureau liggen maffen.”
“Nou, maffen niet bepaald schoonheid.”
“Hou eens op Kees. Waarvoor bel je?”
Kort vertelde ik van het telefoongesprek met Michel. “Ik kijk even in de agenda, Kees… Volgens mij staan die dagen nog helemaal blanco.” Ze zweeg even. “En als jij daar lol in hebt… Gewoon doen, schat. Doet jou evenveel plezier als een tijdje blazen.”
Ze dempte haar stem. “Dan haal ik Mar en Lot eens naar Veldhoven. Véél te lang geleden.”
Ik grinnikte. “Goed plan. Nu de volgende vraag: Is Fred in de buurt?”
“Moment, Kees…” En met een bekakt stemgeluid riep ze: “Wil mijn enige mannelijke medewerker zijn poten van zijn bureau af halen en als de bliksem hier komen?
Op de achtergrond klonk een lachbui van de dames. En toen de stem van Fred.
“Wat heb je nú weer van me nodig, mevrouw? Ja, ik begrijp dat je het moeilijk hebt als Kees er niet is, maar na vijf uren al…”
Er klonk een vinnig ‘Lulhannes!’ daarna hoorde ik: “Hier komt die lomperd, Kees.”
“Hé makker… ben jij een beetje aardig voor die mevrouw waar je samen mee getrouwd bent?”
“Moet ze ook aardig tegen mij doen… Ik lag nét lekker met m'n poten op het bureau te dommelen terwijl de techniek het werk deed. Maar daar bel jij natuurlijk niet voor; jij hebt weer eens hulp nodig?”
“Ja, bijna…”
Kort vertelde over het telefoontje uit Apeldoorn. Ik hoefde niet eens de vraag te stellen;
“Natuurlijk doe ik mee, Kees. Lekker weer eens met de Mag schieten! Veel te lang geleden…”
“Ja. En met een beetje pech voor jou staat er een vrouwelijke sergeant eerste klas achter je die je óók een trap onder je kont geeft als je met de veiligheidspal ligt te kloten…”
Er klonk een lachje. “Misschien is dát juist een reden temeer, Kees…”
“Laat ik het niet merken. Maarre, even zonder dollen: overleg dit even met Wilma of jij kunt en laat me dat dan weten. Liefst voor vanavond, dan kan ik Michel nog terug bellen, oké?”
“Ik bel Wilma meteen even. Binnen een kwartier hoor je het, maat.”
“Mooi zo. Geef die telefoon dan nu maar terug aan je bruid met de witte schoentjes; daar wil ik ook nog wat lieve woordjes mee wisselen.”
“Hou je er dan rekening mee dat Gonnie in dezelfde ruimte aan het werk is?”
“Boejuh… Gonnie heeft twee kinderen, dus die weet wel van de hoed en de rand.”
De stem van Joline klonk. “Idioten. Kunnen jullie nou nooit eens normaal gesprek voeren?”
Op de achtergrond hoorde ik Gonnie zeggen: “Nee Jolien. Het zijn kerels. Eén en al macho gedoe, maar als het erop aan komt beslist de vrouw. Zoals het hoort.”
“Zo Kees, nou hoor je het eens van een ander. Tot vanavond!”
Ze had de verbinding verbroken. Nou ja, het deel ‘lolletjes’ van de bedrijfsfilosofie van DT was weer voldoende aan bod gekomen. Ik startte de auto en reed het parkeerterrein af. Zo, nu naar Veldhoven, nog even boodschappen doen en thuis nog een paar uurtjes werken… Na een half uur ging mijn telefoon.
Ik drukte op ‘opnemen’ en de stem van Fred klonk door de speakers.
“Hé Kees. Wilma geeft toestemming. Die moet die dagen werken, voor Oud en Nieuw hebben ze het bij haar firma nogal druk, dus van gezamenlijke uitjes komt dan niet zoveel. Bel Michel maar dat hij een Magschutter erbij heeft.”
“Mooi, zal hij blij mee zijn. Ik zal Jolanda ook waarschuwen.”
”Jolanda?” “Die vrouwelijke sergeant eerste klas. De HSI van die schietmiddag een paar weken terug.”
“Oh, met die bruine krullen? Ja, dan kan die haar gevechtslaarzen gaan poetsen. Want als ik voor m’n reet geschopt moet worden, wil ik wel dat die kisten er spic en span uitzien. Geen risico op bloedvergiftiging en zo…”
Op de achtergrond hoorde ik Ingrid zeggen: “Dus ik kan m’n gang gaan vandaag? Gisteren nét deze schoentjes gepoetst…”
Ik grinnikte. “Ik hang maar eens op. Geen zin om de boxen van deze auto door te laten branden door jouw kreten van pijn. Doei, Fred…”

En wég was de verbinding. Ik drukte op ‘recent’ op de middenconsole en had even later Michel weer aan de telefoon. Die kon ik blij maken met het bericht dat de majoors Jonkman en van Laar mee zouden doen met de selectiewedstrijden van 1Cimic. Hij verbond me door met sergeant der eerste klasse Jolanda, die belast was met de organisatie. En die temperde het enthousiasme een beetje.
“Het zijn selectiewedstrijden, majoor. En de concurrentie bij 1 CIMIC is redelijk groot. Niet alleen van de beroeps, maar ook uit de reservistenpoule. Met name voor pistoolschieten, daar heb ik momenteel 31 schutters.”
“Het pistool is niet mijn favoriete wapen, Jolanda. Als de boze vijand zó dichtbij komt, is er iets grondig fout. Je mag mij inschrijven voor de Colt. Liever had ik de Accuracy gehad, maar die hebben jullie helaas niet, da’s een beetje jammer.”
Het was even stil, toen zij ze: “Misschien kan ik wat regelen, majoor. Ik heb wat vriendjes bij de instructiegroep Lichte Wapens van de Infanterie Schietschool. Geen garantie, maar ik kan het altijd proberen. Verwacht echter niet dat u honderd patronen krijgt; die dingen zijn nogal prijzig.”
“Ik weet ‘t, Jolanda. Maar als je dát voor elkaar kan boksen…”
“Ik ga m’n best doen. Volgens mij worden die patronen niet verspild. Maar u had ook nog een Magschutter in de aanbieding, hoorde ik van de overste?” “Ja. Da’s majoor van Laar. Die reïncarnatie van Sylvester Stallone die ik op 500 meter even moest helpen om zijn doelen om te leggen.”
Ze grinnikte. “Oh ja, die… Kan hij een beetje met de Mag overweg?”
“Hij was in Afghanistan mijn Magschutter en later mijn plaatsvervangend groepscommandant. Wat hij niet weet van de Mag is de moeite van het weten niet waard. Eén van de weinige lui die de Mag bijzonder trefzeker kan bedienen. Vanuit de heup. Dat heeft de Taliban zo’n 15 man gekost. Binnen een paar seconden.”
Even was het stil, toen klonk een voorzichtig “Oei…” “Ja, dat vond die Talib-commandant toen waarschijnlijk ook. Maar goed: Fred van Laar was aangenaam verrast toen ik ‘m vertelde dat z’n 7,62mm-liefje weer eens mocht vasthouden, dus die mag je ook noteren.”
“Ben ik blij mee, majoor. Ik heb tot nu toe nog maar drie Magschutters. Met majoor van Laar erbij dus vier. Maar ik zou er graag vijf hebben, dan heb ik wat meer keus.”
“Nou ja, als de nood aan man komt… Ik kan ook wel aardig met de Mag overweg… Kán dat, zowel op de Mag als op de Colt?”
Ze aarzelde. “Ik zet u op de reservelijst voor de Mag. Ik zie u liever met de Colt bezig, ik weet ongeveer wat u daarmee kunt.” “Goed Jolanda. Ik hoor het wel. Als je me voor de Mag niet nodig hebt: prima. En zo ja: ook prima. Weet je wat de wedstrijden inhouden?”
“Nou, we gaan trainen en selecteren voor de OOCL-schietwedstrijd. Maar de overste heeft besloten dat we van die dagen ook een CIMIC-schietwedstrijd houden. En die wedstrijd houdt simpelweg in: de eerste dag lessen wapen- en schietleer én een theorie- en praktische toets. De tweede dag: Inschieten, daarna precisieschieten op alle wapens; voor het pistool op 25 meter, voor de Colt en de Mag op 200 meter. De doelen zijn dan cirkelschijven; buitenste ring één punt, binnenste ring tien punten. Daarna een paar oefeningen zoals die ook in de schiettabel staan, tot 300 meter voor de Colt en tot 600 meter voor de Mag. De beste schutters op elke wapen gaan door naar de OOCL-schietwedstrijd, ergens in Maart.”
“Nou, dat wordt in ieder geval in December een ouderwets feestje, Jolanda.”
Haar stem werd scherp. “Geen feestje ’s avonds, majoor. Tenminste… Je schiet niet zo goed met een kater.”
“Hé, waar zie je ons voor aan? Die tijd ligt al een aantal jaren achter ons hoor. Fred en ik zijn hoofdofficier. Die zuipen zich écht niet klem.”
Ze lachte zachtjes. “Ik ken er ondertussen een aantal die zich weinig aan hun rang gelegen laten liggen, majoor. En die ’s morgens met barstende koppijn bij mij in de les zaten en na een half uurtje bijzonder veel spijt hadden van hun alcoholconsumptie de avond ervoor.”
“Even serieus Jolanda: zo zitten Fred en ik niét in elkaar. Wij drinken niet als we weten dat we binnen tien uur in de auto moeten stappen; en al helemaal niet als we weten dat we een dag later op een schietbaan staan. Ja, soms zijn we zo gek als een deur, maar nooit ten koste van veiligheid.”
“Dat ‘zo gek als een deur’, daar had ik vaag iets van meegekregen, majoor. Hoe dan ook: ik zie jullie de dag na 2e kerstdag in de Harskamp!”
“We hebben er zin in, Jolanda. Tot dan!”

Ik hing op. Zo, die was ook vrolijk. Straks even een mailtje aan Fred dichten met de dingen die ik nu had gehoord. Dan kon hij z’n wapen- en schietvoorschriften nog even doornemen, de schurk… Eenmaal in Veldhoven deed ik snel boodschappen: melk, koffie, suiker, groenten, vlees, koekjes. Wacht even: de diepvriespatat was ook op. En daarbij hoorden natuurlijk kroketten. Dessert? Maakte ik zelf wel: griesmeelpudding. Vandaag zou het Chili con carne worden, morgen aardappels met groente zonder vlees. En als toetje die zelfgemaakte pudding. De boodschappen werden vakkundig onder de kassa doorgebliebt en even later liep ik met twee volle dozen het appartement binnen.
Meteen die spullen opruimen… Daarna nog een bak koffie. Hoe laat is het? Kwart over één. Nou, dan heb je nog een hele produktieve middag voor je, Kees Jonkman. Aan ’t werk…
Kwart over vijf hoorde ik de voordeur en daarna snelle hondepoten. De kamerdeur ging open en Mocca kwam naar binnen rennen. Ik negeerde de hond en liep naar de hal, waar Joline nét haar jas ophing. “Hoi schoonheid….” Ik zoende haar. Lang. Toen we elkaar loslieten keek ze me een beetje verwonderd aan.
”Wat is er, Kees?” “Gewoon… ik ben blij dat je er weer bent, Jolien. Het was best stil hier zonder jou. Deed me denken aan mijn eerste weken bij DT: leuk om te werken, maar bijzonder eenzaam als ik thuis was.” Langzaam trok een lachje over haar gezicht. “Daar weet ik wel een oplossing voor, hoor ventje. In zo’n geval mag je m’n lingerielades wel even opentrekken. Of de wasmand met de ‘fijne wasjes…’ Die had je toen nog niet!” Ik knuffelde haar. “Je bent lief, dat ik dat zomaar mag. Wil je koffie?”
Ze schudde van nee. “Geef maar een glas fris. Genoeg koffie geroken vandaag. Rob kwam een halfuurtje op mijn bureau voor wat economische ondersteuning, nou dan weet je het wel…” Ik grinnikte. “Het percentage cafeïne in de lucht ging weer skyhigh? Ja, dat zal wel…” Na een halfuurtje ging ik koken; Joline had haar laptop met haar dissertatie al weer op schoot. En na het eten ging ze daarmee verder. “Mar en Lot zijn vrijwel klaar met hun dissertatie, Kees. Ik loop achter. En we willen, als het kan, op dezelfde dag onze dissertaties verdedigen. Dus dan ook op dezelfde dag inleveren bij professor van Weenen. In de kerstvakantie wil ik het afhebben. Dan kunnen we het na Oud en Nieuw inleveren en met een beetje mazzel zijn we ergens in februari of maart klaar!”
Ik keek haar aan. “En dat is dan wel héél snel, Jolien. In iets meer dan een jaar tijd van Bachelor naar Master… Niet veel lui die jullie dat nadoen!” Ze dacht na. “Verhip… nu je het zegt… Nou ja, die Minors die ik gedaan heb, behandelden wel een groot deel van de stof van de Masterstudie, dat scheelde heel veel. En de zussen hadden die Minors niet gevolgd, maar die meiden zijn niet voor niets met hele hoge cijfers uit hun Bachelor tevoorschijn gekomen… Die hebben ook niet liggen suffen.”
Ik trok haar even tegen me aan. “Jij bent een enorm slimme dame, heeft iemand dat al eens tegen je gezegd?” Ze giebelde. “Ja. M’n moeder, nadat jij voor de eerste keer in Malden kwam. Weet je nog? Ze zei: “Dit is een echt mens. Wees zuinig op ‘m, want zo zijn er niet zo veel.’ En dat advies heb ik maar opgevolgd, Kees. Als de brave dochter die ik nu eenmaal ben.”
“Daar ging het niet om, tutje. Ik had het over je studietempo.” Ze maakte een badinerend geluidje. “Dat deed ik met twee vingers in m’n neus, Kees. Zo moeilijk zijn die cijfertjes niet. Kijk, Fred heeft het héél makkelijk: in zijn vak is iets een nul of een één. En als het niet klopt, verander je een cijfer en dan klopt het wél. In de economie is de keuze aan cijfertjes iets groter, namelijk van nul tot negen, maar het principe is hetzelfde: net zo lang cijfertjes wisselen tot het sommetje wél klopt. Dat is de essentie van economie. Helaas zijn er altijd lieden die sjoemelen met de cijfertjes, dat is dan weer jammer…”
Ik schudde mijn hoofd. “Je haalt jezelf nu wel heel ver omlaag, schat. Jouw studierichting is één van de moeilijksten die er is. Daarbij vergeleken is een technische studie simpel: je moet je houden aan natuurwetten. Als je die braaf opvolgt, een zekere mate van redundancy inbouwt én op de veiligheid let, kan er weinig misgaan. Anderen hebben, ver voor jouw tijd, zaken al lang uitgerekend. Bij jouw studierichting moet je, meer dan ooit, rekening houden met ‘human factors’. Omdat de mens van nature nu eenmaal hebberig is.”
Ze knikte. “Dat klopt grotendeels, Kees, ware het niet dat de pioniers op jouw vakgebied soms ook taboe’s moesten doorbreken. Stephenson, de man die de eerste stoomlocomotief bouwde, had te maken met heel veel vooroordelen: bij een snelheid van meer dan 40 km per uur zouden mensen geen adem meer kunnen halen, het geluid en getril van de locomotief zou de melkproductie van de koeien minimaliseren, de kippen zouden geen eieren meer leggen, enzovoorts, enzovoorts. Toch zette hij door. De gebroeders Wright: idem. Toch bouwden zij het eerste succesvolle vliegtuig. Elke keer staat er iemand op die een grens doorbreekt. En bij onze studie is dat ook zo, maar vallen er in de pioniersfase waarschijnlijk minder doden…
En nu ga ik weer verder, anders moet ik in de kerstvakantie veel te veel doen. En Lot, Mar en ik hadden het plan om in ieder geval gedurende twee dagen ons even niet met cijfertjes bezig te houden, maar met minimaal één ‘High Tea’ in een lunchroom in Eindhoven, gevolgd door wat activiteiten ’s avonds waar de inhoud van mijn lingerielades een vrij grote rol in speelt. En waarschijnlijk die van hen ook wel.” Ze knipoogde ondeugend en ik zuchtte.
“En wie liggen er dan op een kouwe schietbaan in het natte zand? Jawel, Kees Jonkman en Fred van Laar. En een behoorlijk aantal andere sukkels in groen uniform. Slecht voor m’n schietprestaties als ik dan aan jullie denk, schat. Jij, Lot en Mar hier lekker rollebollend op ons mooie en comfortabele bed…” Ze kneep haar ogen samen. “Heb je zelf voor gekozen, majoor. En die andere majoor ook. Die was na jouw telefoontje nogal opgetogen. Ik hoorde hem aan de andere dames vertellen wat de mitrailleur Mag was; volgens mij loog hij de helft bij elkaar… Rond half negen lust ik wel een kopje koffie, Kees. Tot die tijd: niet storen graag.”
Ze meende het, dus ik ruimde het aanrecht leeg, waste de pannen af en zette de rest van de afwas in de machine. Daarna kreeg Mocca zijn voer: 130 gram brokken, verdeeld over zijn ‘snuffelmat’. Maar meneer had een manier ontdekt die het makkelijker maakte om zijn brokken te vinden: zodra het commando ‘Smullen maar!’ had geklonken, gaf hij een harde ruk aan de mat, zodat een deel van de brokjes over de vloer vloog. Dan had hij de helft binnen zonder te moeten zoeken. De slimmerd… Toen de mat ook helemaal leeg was, liet ik ‘m uit.

Plassen, poepen, en een tijdje dollen op het losloopveld. Om negen uur deed ik de deur weer open, een hijgende hond naast me. En die liep on één streep naar zijn waterbak, slobberde de helft er uit, liep naar de mand en plofte er in. “Nounou… Je hebt Mocca flink afgebeuld, Kees.” “Heeft hij helemaal zelf gedaan, Joline. Ik heb wat rondgeslenterd, verder niks.” “Nou, slenter dan maar eens naar de keuken en maak maar eens een beker melk warm voor deze ijverige studente. Als ik die op heb, ga ik naar mijn lekkere bedje. Misschien dat ik nog een leuke vent kan strikken om erbij te komen…”
“Dat gaat je vast wel lukken, knappe vrouw. De eerste vrijwilliger heeft zich op twee juni dit jaar al gemeld.” Ze bromde. “Niks ervan. Die meldde zich al in juli vorig jaar, toen ik ‘m zijn eerste zoentje gaf. Onder een bruggetje, in een bootje op de Binnendieze. En schiet op met die melk!” “Zeker Freule…”
Een half uurtje later lagen we lekker tegen elkaar aan in bed. “Kees… Wanneer ga jij beginnen met schrijven?” Oeps… Ik dacht lang na. “Daar moet ik inderdaad tijd voor vrijmaken, Jolien. En dat inplannen wordt moeilijk.” Ze knikte. “Ja. Je moet schrijven als je het ergens moeilijk mee hebt. En dat ga je dan ook doen, schatje. Ik hou je wel in de gaten. Het schrift ligt al klaar, bovenste plank van de boekenkast in de kamer.” Ze giebelde even. “En ik heb de bladzijden al genummerd voor je.”
Ik kietelde haar. “Je blijft een heks, Joline Jonkman…” “Ja. Een hele mooie heks, die jou betoverd heeft en eigenaar is van jouw bezemsteel. En daar op gepaste tijden op wil vliegen. Maar nu niet; we gaan nu lekker slapen, Kees. Al dat gestudeer… Daar wordt een mens moe van.”
Een kwartiertje later was het enige geluid in huize Jonkman-Boogers af en toe een ‘bonk’ als Mocca zich omdraaide in zijn mand.
En misschien wat snurkgeluiden in de slaapkamer…
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Durf jij met oma te flirten?