Door: Jurgen 69
Datum: 28-08-2025 | Cijfer: 9 | Gelezen: 1518
Lengte: Lang | Leestijd: 27 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Naakt, Neuken, Vreemdgaan,
Lengte: Lang | Leestijd: 27 minuten | Lezers Online: 3
Trefwoord(en): Naakt, Neuken, Vreemdgaan,
Vervolg op: Lieve En Mark - Mark Wordt Uitgedaagd
De ochtend na de stormachtige avond met Mark is rustig. Een gouden zonnewarmte baadt de tuin, en ik lig op een van de ligstoelen met een boek te genieten van de zon. Ik probeer te lezen, maar de woorden dansen voor mijn ogen. Mijn gedachten zijn elders, bij de herinnering aan Marks handen, zijn stem, de ruwe, onverwachte passie die hij in zich heeft losgemaakt. Een diepe, voldane vermoeidheid zit in mijn spieren, een aangename herinnering aan elke stoot.
Plotseling klinkt er een stem, vlak achter de haag die onze tuin van die van de buren scheidt.
"En heb je goed kunnen slapen gisteren?"
Ik schrik op, mijn hart maakt een sprong. Lucas, onze buurman, staat leunend op een hark aan de andere kant van de groene muur. Zijn blik is niet onvriendelijk, maar er zit een vleugje van iets anders in, een soort nieuwsgierige amusement. Hij kijkt niet naar mijn gezicht.
Ik voel een vlaag van warmte naar mijn waken schieten. Ik ben alleen in mijn tuin, in bikini, maar ik voel me plotseling naakt. Heeft hij...? Kan hij...?
"Hallo, Lucas," zeg ik, hopend dat mijn stem stabiel klinkt. Ik blijf liggen, alsof nonchalant blijven de situatie kan normaliseren. "Ja, het was een... rustige avond."
Hij grinnikt zacht, een geluid dat me doet verstijven. "Rustig? Bij jullie?" Hij schudt zijn hoofd, een trage glimlach speelt rond zijn lippen. "Lieve, ik had gisteravond mijn slaapkamerraam openstaan. Geluiden dragen ver op een stille avond."
De wereld blijft even stilstaan. Het bloed bonst in mijn oren. Hij heeft het gehoord. Hij heeft Marks grommen gehoord, mijn kreetjes. Misschien heeft hij zelfs even gekeken. De gedachte is tegelijkertijd verschrikkelijk en ongelooflijk opwindend.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Mijn mond is kurkdroog.
Hij leunt wat verder over de haag, zijn stem wordt stiller, intiemer. "Ik moet zeggen... het klinkt niet alsof je er erg veel bezwaar tegen hebt. Integendeel."
Ik ga wat rechter zitten, trek mijn knieën een beetje op in een halfzittende positie, een instinctieve poging me te bedekken. Mijn blik ontmoet de zijne. Er is geen oordeel in zijn ogen, alleen maar een pure, mannelijke interesse die me van top tot teen doet tintelen.
"Lucas, ik..." begin ik, maar de woorden sterven in mijn keel.
Hij heft een hand op. "Geen zorgen. Je geheim is veilig bij mij." Zijn ogen glijden nog een keer, heel duidelijk, over mijn lichaam, van mijn benen naar mijn opgetrokken knieën. "Het was... verfrissend om te horen. Jullie zijn altijd zo stil."
Hij pakt zijn hark weer op, alsof hij zojuist alleen maar over het weer heeft gepraat. "Geniet van de zon, Lieve." Met een laatste, veelbetekenende blik draait hij zich om en loopt hij terug naar zijn rozenperk.
Ik blijf achter, trillend op mijn ligstoel. De warmte van de zon voelt nu anders, niet langer alleen maar ontspannend, maar alsof die mijn huid brandmerkt. Iemand weet het. Iemand heeft ons gehoord, en misschien wel gezien. En diezelfde iemand kijkt nu naar me, met een kennis in zijn blik die een geheim verbond tussen ons schept.
De schaamte vecht een bittere strijd uit met een opvlammende, verboden opwinding. Als Mark 's avonds thuiskomt, zoen ik hem alsof mijn leven ervan afhangt. Terwijl hij me vasthoudt, kijk ik over zijn schouder naar het verlichte raam van de buren. Ik weet niet of Lucas daar staat. Maar de mogelijkheid alleen al, het gevoel van blootgesteld zijn, van een gedeeld geheim, doet een nieuwe, donkere vonk in mij ontbranden. De tuin is niet langer alleen onze tuin. Het is een podium geweest, maar voor een groter publiek dan verwacht. En het publiek heeft geapplaudisseerd.
De dagen na het voorval met Lucas voelen alsof er een lading elektriciteit in de lucht hangt. Elke keer als ik in de tuin ben, voel ik mijn blik onwillekeurig naar zijn huis dwalen. Is hij daar? Kijkt hij? Het is een constante, prikkelende aanwezigheid.
Mark is weer zijn oude, lieve zelf, alsof de dierlijke man van die avond diep weggestopt is. De herinnering eraan vervaagt, en een vleugje van de oude frustratie begint weer te knagen. Totdat, een paar dagen later, de bel gaat.
Ik doe open. Lucas staat er, een schroevendraaier in zijn hand. Hij heeft een oud, casual T-shirt aan dat strak om zijn torso zit, en zijn armen zijn bruin van de zon.
"Lieve, hey," zegt hij, met een grijns die iets te ontspannen is. "Sorry om lastig te vallen. Mijn grasmaaier is kapot, een losse kabel denk ik. Mark heeft altijd van dat degelijk gereedschap. Zou ik even een tang van hem kunnen lenen?"
Zijn uitleg is logisch. Marks gereedschapskist is legendarisch in de buurt.
"Natuurlijk," zeg ik, mijn stem iets te hoog. "Kom binnen, hij staat in de garage."
Hij volgt me door het huis. Ik ben me pijnlijk bewust van mijn eenvoudige zomerjurkje en mijn blote voeten. Ik voel zijn blik in mijn rug branden, niet onbeschoft, maar... attent. Waarnemend.
In de garage wijs ik naar de grote, rode gereedschapskist. "Het moet ergens daar in zitten."
Hij knielt ernaast en begint te zoeken, zijn bewegingen zelfverzekerd. Ik blijf in de deuropening staan, niet wetend of ik moet blijven of gaan.
"Hoe is het met Mark?" vraagt hij, zonder op te kijken. "Alles goed?"
"Ja, goed," antwoord ik, te snel. "Hij is op kantoor."
"Ah." Die ene lettergreep klinkt vol betekenis. Hij draait zich half naar me toe, leunend op zijn hielen. Zijn ogen twinkelen. "Hij werkt hard. Jij bent dan veel alleen, zeker nu de jongens niet thuis zijn."
Het is geen vraag. Het is een vaststelling. Een heel accurate vaststelling.
"Valt wel mee," mompel ik.
Hij vindt de tang, houdt hem omhoog. "Perfect." Maar hij staat niet meteen op. In plaats daarvan blijft hij me aankijken, zijn blik is nu openhartiger, uitdagender. "Ik vind het trouwens knap, die andere avond."
Mijn adem stokt. "Waar... waar heb je het over?"
"Hoe je hem zo ver kreeg." Hij staat langzaam op, borstelt het stof van zijn broek. "Soms hebben mannen een duwtje nodig. Een herinnering aan wat ze hebben." Hij neemt een stap dichterbij, niet bedreigend, maar de garage voelt opeens veel kleiner. "Jij gaf hem die herinnering. Dat was... indrukwekkend om te zien."
Hij gebruikt het woord 'zien'. Het staat tussen ons in, gloeiend en onontkoombaar.
"Hij is mijn man," zeg ik, maar het klinkt zwak, een automatisch antwoord.
"Dat weet ik," zegt hij zacht. "En ik bemoei me niet. Maar het is zonde om zo'n... passie... te laten verstoffen tot de volgende keer dat je hem uitdaagt." Hij buigt zich iets voorover, zijn stem een intiem gefluister. "Soms heeft een vrouw ook gewoon een compliment nodig van iemand anders. Iemand die ziet wat ze doet. En hoe ze eruitziet."
Zijn ogen glijden, heel even maar heel bewust, over de halslijn van mijn jurkje naar de ronding van mijn heupen. Het is vluchtig, maar het verbrandt me als een gloeiend ijzer.
Hij loopt naar de deur, stopt even naast me. "Bedankt voor de tang, Lieve." Zijn arm streelt bijna de mijne. "Laat je niet te veel verstoffen in die grote tuin alleen. Het leven is te kort."
En dan is hij weg. Ik blijf achter in de stille garage, leunend tegen de deurpost, mijn knieën trillen. Mijn hart bonst niet van angst, maar van iets anders. Iets gevaarlijks. Hij heeft niets expliciet voorgesteld. Geen aanraking, geen smerige opmerkingen. Alleen maar erkenning. Begrip. En een uitnodiging, verpakt in bezorgdheid, om meer van dat vuur in mezelf te voeden.
Het is het meest verleidelijke wat iemand me ooit heeft aangeboden. En ik weet, diep van binnen, dat dit nog maar het begin is. Lucas is de tweede jager die zijn prooi heeft geroken, en hij is veel, veel geduldiger en sluwer dan ik had gedacht.
Een paar dagen later, terwijl Mark weer op kantoor is, sta ik voor de spiegel. Niet in mijn slaapkamer, maar in de woonkamer, waar het grote venster uitkijkt op de voortuin, verderop, op Lucas’ huis. Ik draag een eenvoudige, zomers jurkje die ik aan de voorkant dichtknoop. Met trillende vingers maak ik de bovenste knoopjes los. Mijn ademhaling is snel, oppervlakkig. Dit is waanzin. Puur, opwindende waanzin.
Ik pak de telefoon. Ik typ een berichtje naar Lucas. Geen woorden. Alleen een vraagteken.
Het antwoord komt binnen seconden.
Lucas: Ik kijk al de hele ochtend. Je knoopjes zijn veel te stevig vast.
Een golf van duizelingwekkende macht spoelt over me heen. Hij kijkt. Op dit moment. Ik laat mijn vingers over de losse knoopjes glijden, maak er nog eentje open, net genoeg om een glimp van mijn decolleté te tonen. Ik kijk op naar het raam, recht in de richting van zijn huis, alsof ik een onzichtbaar publiek toespreek.
Mijn telefoon trilt weer.
Lucas: Dat is gemeen. Nu kan ik aan niets anders meer denken.
Ik grinnik, een wild, opgewonden geluid dat in de stille hal echoot. Dit is een spel. Een gevaarlijk, verslavend spel. Guy is een afspraak, een plan. Lucas is spontaan, onvoorspelbaar, en het vindt plaats in mijn eigen huis, onder de neus van de wereld – en van Mark.
De volgende zet is van hem. Die avond, terwijl Mark en ik afhaalchinees zitten te eten, flitst mijn telefoon.
Lucas: Het hek aan de zijkant van de tuin piept vreselijk. Een beetje olie zou wonderen doen. Morgenochtend, als Mark weg is?
Mijn vork glijdt bijna uit mijn hand. Mark kijkt op. “Alles goed, schat? Je ziet er bleek.”
“Ja, ja,” zeg ik, mijn wangen in brand. “Gewoon... warm.”
De volgende ochtend staat hij daar, precies om negen uur, met een olieblikje in zijn hand. Hij heeft een werkbroek aan met weer zo een oud casual T-shirt waarin hij een bad-boy lijkt. Zijn bovenlijf is gehard, niet zoals dat van een kantoorman, maar van iemand die met zijn handen werkt.
“Redder in nood,” zegt hij, met diezelfde grijns.
Hij loopt naar het hek, en ik volg hem, mijn keel dichtgeknepen. Hij begint te werken, zijn spieren spannen onder de zon. Het is een vertoning. Puur en simpel. En het is voor mij.
“Je weet dat dit niet alleen om het hek gaat, hè?” zegt hij zacht, zonder zich om te draaien.
“Waarom dan wel?” fluister ik, mijn armen over elkaar geslagen.
Hij zet het olieblikje neer en draait zich dan langzaam naar me toe. Zijn ogen zijn donker, serieus. “Omdat ik die avond niet alleen heb gehoord wat er gebeurde, Lieve. Ik heb het gezien. Het licht viel perfect. Ik zag jouw lichaam. Je gezicht. En ik heb sindsdien aan niets anders kunnen denken.”
Er is geen ontsnappen meer aan. De woorden hangen tussen ons, bloot en rauw.
Hij neemt een stap naar voren, en ik doe geen stap terug. Zijn vingers, bedekt met een dun laagje olie, streelen heel even, bijna per ongeluk, mijn onderarm. De aanraking is vlammend heet.
“Mark is vanavond laat thuis, jij bent dus alleen” zegt hij, zijn stem een hees gefluister. “Ik ook. Mijn vrouw is bij haar zus.”
Het is een uitnodiging. Een duidelijk, onomwonden voorstel.
Mijn hart hamert tegen mijn borstkas. Guy geeft me avontuur, maar het is ver weg, afgeschermd. Lucas biedt me het avontuur in mijn eigen achtertuin aan. Het risico is duizend keer groter. De opwinding ook.
Ik aarzel. Ik denk aan Mark. Aan de liefde die er nog steeds is, ergens onder de routine.
Maar dan kijk ik naar Lucas, naar de belofte van pure, onmiddellijke begeerte in zijn ogen. Dezelfde begeerte die ik zo wanhopig zoek.
Ik slik. Mijn keel is kurkdroog.
“Het hek piept nog steeds,” zeg ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar.
Een trage, triomfantelijke glimlach verspreidt zich over zijn gezicht. Hij begrijpt het.
“Niet voor lang meer,” mompelt hij. Hij pakt zijn olieblikje op. “Tot vanavond, Lieve. Laat het hek maar op een kier staan.”
Hij draait zich om en loopt weg, zonder nog een blik achterom. Ik blijf alleen achter, leunend tegen het traliewerk, mijn lichaam trillend van angst, van schuld, en van een overweldigend, onstuitbaar verlangen. De jacht is bijna voorbij. De prooi is ingesloten en kan geen kant meer op. Vluchen kan niet meer… enkel vechten of het lot ondergaan.
De avond komt sneller dan verwacht. Mark heeft zijn sporttas al ingepakt, zijn voetbalschoenen bungelen nonchalant over zijn schouder.
"Oké schat, ik ben weg," zegt hij, terwijl hij me een vluchtige kus op mijn wang geeft. Zijn geest is al bij de training, bij zijn vrienden, bij het veld. "Tot over een uurtje of twee."
"Veel plezier," mompel ik, mijn stem iets te strak. Ik blijf in de deuropening staan tot zijn auto de straat uit is verdwenen. Dan draai ik me om, leunend tegen de deurpost, en adem diep uit. Mijn hart is een razende trommel tegen mijn ribbenkast.
Dit is waanzin. Pure, brandgevaarlijke waanzin.
Maar mijn lichaam luistert niet naar mijn verstand. Mijn bloed pulseert al van de opwinding, een diepe, kloppende verwachting die zich tussen mijn benen nestelt. Ik loop naar de keuken, drink een glas water met trillende handen. Elke zenuw staat strak gespannen, afgestemd op het minste geluid buiten.
Dan, met een vastberadenheid die uit dezelfde diepte komt als het verlangen, loop ik de tuin in. De schemering kleurt de lucht inktblauw en paars. Ik loop naar het zijkant-hek, mijn blote voeten op het koele gras. Met een zachte, piepende beweging – een geluid dat nu een geheime code voelt – duw ik het hek open, net een kier. Precies genoeg voor een man om doorheen te glippen.
Het wachten begint. Elke seconde lijkt een eeuwigheid. Het geritsel van een blad doet me opschrikken, het geroep van een vogel in de verte klinkt als een alarmsirene. Ik voel me blootgesteld, kwetsbaar, een prooi dat zich vrijwillig op een open plek heeft genesteld. En ergens, diep van binnen, vind ik dat onuitsprekelijk opwindend.
Dan hoor ik het.
Een zacht, bijna onhoorbaar geluid van iemand die soepel door het gras glijdt. Geen voetstappen, maar een geruis. Mijn adem stokt. Ik durf me niet om te draaien. Ik sta daar, midden in de tuin, mijn rug naar het geluid toe, en voel hoe elke haar op mijn armen rechtop gaat staan.
Een hand, groot en warm, sluit zich vanuit het niets over mijn mond. Niet hard, maar stevig, doeltreffend. Een andere arm sluit zich als een ijzeren band om mijn middel en trekt me achteruit, tegen een hard, onverbiddelijk lichaam aan.
"Stil maar," fluistert een diepe stem in mijn oor. Het is Lucas. Zijn adem is warm tegen mijn hals. "De jager is gearriveerd."
Een schok van pure, rauwe angst en opwinding schiet door me heen. Ik ben volledig overgeleverd. Zijn kracht is overweldigend, zijn controle absoluut. Hij heeft me gevangen. Precies zoals ik, ergens diep in mijn donkerste fantasieën, had gehoopt.
Hij laat zijn hand van mijn mond glijden, maar zijn arm blijft om mijn middel, mij strak tegen zich aan drukkend. Ik kan de hele lengte van zijn harde lichaam tegen mijn rug voelen. Zijn lippen vinden de gevoelige plek net onder mijn oor.
"Je stond daar zo te wachten," mompelt hij, zijn stem een ruwe streling. "Alsof je wist wat je kwam halen. Alsof je verlangde naar dit."
Zijn hand glijdt van mijn middel naar mijn buik, zijn vingers spreiden zich uit en trekken me nog dichter tegen zich aan. Dan glijdt diezelfde hand naar beneden, over de stof van mijn dunne zomerjurkje, en zonder enige aarzeling tussen mijn benen. Hij drukt zijn handpalm stevig tegen me aan, een claim afdwingend door de katoenen stof heen. Een diepe zucht ontsnapt me, een geluid van pure overgave.
Met zijn hand gaat hij onder mijn jurkje. Zijn vingers duwen ongenadig het kruisje van mijn slipje opzij. Mijn vochtige spleetje vertelt aan zijn vingers de waarheid.
"Zo mooi," gromt hij in mijn oor. "Zo klaar voor me. Al na een paar seconden."
Hij draait me ruw in zijn armen om, zodat ik zijn gezicht kan zien. Zijn ogen gloeien in de schemering, vol donker plezier. Zonder een woord te zeggen buigt hij zich voorover, slaat zijn armen onder mijn billen en tilt me moeiteloos op. Ik klem mijn benen instinctief om zijn middel, mijn handen vliegen naar zijn schouders voor houvast.
Hij draagt me naar de grote, houten picknicktafel aan de rand van het terras. Hij zet me erop, het koele hout tegen mijn dijen. Hij staat tussen mijn gespreide benen, zijn handen op de tafel aan weerszijden van mijn heupen, en hij kijkt me aan, zijn blik dierlijk en intens.
"Jij wilde uitgedaagd worden," zegt hij, zijn stem laag en vol belofte. "Jij wilde begeerd worden. Nou, dit is wat begeerte eruitziet."
Hij buigt zich voorover en vangt mijn mond in een wilde, overheersende kus. Het is niets zoals de kussen van Mark. Dit is geen genegenheid; dit is een claim. Zijn tong dringt mijn mond binnen, hij proeft naar buitenlucht en naar een vreemde, opwindende mannelijkheid. Ik kus hem terug, mijn handen graven in zijn haar, ik geef me volledig over aan de overname.
Zijn handen zijn overal. Hij rukt aan de knoopjes van mijn jurkje, tot het openvalt en hij mijn borsten kan zien, hijgend in de koele avondlucht.
Zijn mond verlaat de mijne en daalt af, zijn tong en tanden vinden een gevoelige tepel en hij zuigt er hard aan, tot ik een kreun van gemengde pijn en genot uitstoot. Hij wisselt naar de andere, zijn behandeling even meedogenloos en opwindend.
Dan laat hij zich op zijn knieën zakken voor de tafel. Hij duwt mijn benen verder uit elkaar, zijn handen op mijn dijen, en hij kijkt naar me. Echt kijkt. In het falende licht kan ik zijn donkere, gretige blik zien terwijl hij mij, volledig blootgesteld, in me opneemt.
"Perfect," bromt hij, en het klinkt als een gebed. Uit zijn achterzak haalt hij een schaar en voor ik iets kan zeggen knipt hij het slipje van mijn lijf.
Dan buigt hij zijn hoofd en zijn tong vindt me. Het is geen tedere, verkennende aanraking. Dit is een aanval. Hij eet me, drinkt me, zijn tong is plat en hard en meedogenloos in zijn streling. Hij houdt mijn heupen stevig vast, zijn greep bijna pijnlijk, terwijl hij zijn gezicht tegen me aan drukt. Ik schreeuw het uit, een geluid dat wordt gesmoord door de nacht, mijn handen grijpen in zijn haar en trekken eraan, niet om hem weg te trekken, maar om hem dichterbij te houden, om me dieper over te geven aan deze vernietigende mond.
Hij laat me niet eens bijna klaarkomen. Net wanneer de orgasme als een dreigende tsunami in me oprijst, stopt hij abrupt. Hij staat op, zijn gezicht glanzend, en hij trekt zijn eigen broek en ondergoed in één beweging naar beneden. Zijn erectie is groot en donker in de schemering.
Hij grijpt mijn heupen en trekt me naar de rand van de tafel. Er is geen tederheid, geen vraag. Alleen maar pure, onverbloemde intentie.
"Kijk me aan," beveelt hij, zijn stem ruw van verlangen.
Ik open mijn ogen, gevangen in zijn blik.
Dan dringt hij in me. Het is één lange, diepe, verpletterende stoot die de lucht uit mijn longen perst. Een kreet van verbijstering en volkomen vervulling ontsnapt me. Hij vult me volledig, strekt me, vult een leegte die ik niet eens wist dat ik had.
Hij begint te bewegen, zijn stoten zijn diep, krachtig en onverbiddelijk. Het hout van de tafel schuurt tegen mijn billen, zijn lichaam slaat tegen de binnenkant van mijn dijen. Hij zegt niets meer, alleen gromt hij, diepe, dierlijke geluiden die perfect passen bij het ritme van zijn lichaam tegen het mijne.
Ik ben volledig overweldigd, overspoeld door sensatie. De koude lucht op mijn huid, de harde tafel onder me, de onbekende, overweldigende man die me neemt alsof het zijn recht is. Er is geen ruimte voor gedachten, alleen voor gevoel. Ik ben een instrument voor zijn plezier, en in die totale overgave vind ik een bevrijding die ik nog nooit heb gekend.
Hij bukt zich, zijn lichaam bedekt het mijne, zijn mond vindt de mijne weer in een harde, bezittelijke kus die mijn kreunen smoort. Zijn tempo versnelt, zijn stoten worden wilder, wanordelijker. Ik voel de spanning in zijn lichaam oplopen, voel hoe zijn greep op mijn heupen verzwaardt.
Dan, met een laatste, diepe grom die tegen mijn lippen trilt, stort hij zich in me. Ik voel de schokken van zijn orgasme, de hete pulsatie diep in mijn binnenste. Het is dat gevoel, die primitieve daad van bezit, die me over de rand duwt. Mijn eigen orgasme breekt over me heen, een stille, verpletterende vloedgolf die me verlamt en me tegelijkertijd doet ontploffen van sensatie.
Hij blijft even op me leunen, zijn gewicht drukt me tegen de tafel, zijn ademhaling is zwaar in mijn oor. De wereld komt langzaam terug. Het geritsel van de bladeren, de geur van nat gras en zijn zweet, het kille hout onder mijn blote rug.
Langzaam trekt hij zich terug en trekt zijn kleren aan. Hij kijkt me aan, zijn ogen zijn nu kalmer, maar nog steeds intens. Hij streelt met zijn duim over mijn gezwollen onderlip.
"De prooi is genomen," fluistert hij. Hij buigt zich voorover en geeft me een laatste, bijna teder kusje. Zonder nog een woord draait hij zich om en sluipt hij terug door het gras, verdwijnt door het kierende hek en laat me achter.
Ik blijf op de picknicktafel liggen, uitgeput, trillend, mijn jurkje wijd open. Mijn lichaam is een kaart van zijn claim. Mijn geest is een warboel van schuld, schaamte, en een zoete, verterende voldoening die dieper gaat dan alles wat ik ooit heb gevoeld. De jacht is voorbij. En de prooi is voor altijd veranderd.
De jager is weg. De nacht slokt hem op, en alleen het geluid van het zachtjes piepende hek verraadt zijn doorgang. Ik blijf achter op de harde houten tafel, mijn lichaam een bonzend, trillend bewijs van wat er net is gebeurd. De kou begint door te dringen, kippenvel op mijn blote huid, maar binnenin gloei ik nog na.
Met bevende handen trek ik mijn jurkje dicht, de stof voelt ruw aan tegen mijn oversensitieve huid. Ik schuif van de tafel, mijn benen voelen als pudding en ik moet me even vasthouden aan de rand. De tuin lijkt anders, doordrenkt van een nieuw, gevaarlijk geheim. Elke schaduw lijkt te fluisteren.
Dan hoor ik het zachtjes. Het hek piept opnieuw.
Mijn hart springt in mijn keel. Is hij terug? Kan hij niet wegblijven?
Hij verschijnt weer in de opening, niet meer de wilde jager, maar eerder een donkere silhouet tegen de nacht. Hij loopt niet naar me toe, blijft op afstand, zijn handen in zijn zakken.
"Je was... verbluffend," zegt hij, zijn stem is lager nu, ruw van emotie.
Ik slik, probeer mijn eigen stem te vinden. Die klinkt zwak en gebroken. "Lucas..." Ik moet het zeggen. Nu. Voor mijn moed me volledig in de steek laat. "Het was... het was ongelooflijk. Ik heb genoten. Meer dan je je kunt voorstellen."
Ik zie zijn glimlach in het duister, een vleugje triomf.
"Maar," voeg ik eraan toe, en dat ene woord snijdt door de spanning. Zijn glimlach vervaagt. "Maar dit kan niet weer gebeuren. Het was... het was perfect. Maar het moet eenmalig zijn. Spijtig genoeg."
De stilte die valt is dikker dan de nachtlucht. Hij beweegt niet. Ik kan zijn blik bijna voelen, scherp en analyserend.
"Eenmalig?" herhaalt hij zachtjes. Alsof hij het woord test. "Waarom?"
"Omdat het te gevaarlijk is," fluister ik, mijn handen wringen zich in mijn jurkje. "Mark... de buurt... alles. Het was een moment van waanzin. Een prachtige, opwindende waanzin. Maar het is voorbij."
Hij blijft nog een moment staan, een statige, peinzende schim. Dan haalt hij zijn schouders op, een kleine, berustende beweging.
"Oké," zegt hij, verrassend eenvoudig. Er is geen boosheid, geen protest. Alleen een kalme acceptatie die bijna nog gevaarlijker aanvoelt.
"Eenmalig. Dan was het een perfect moment."
Hij draait zich om om te vertrekken, maar stopt nog een laatste keer.
"Maar onthoud wel, Lieve," zegt hij, zijn profiel scherp afgetekend tegen het licht van een verre straatlantaarn. "Sommige dingen, eenmaal geproefd, zijn niet meer te vergeten. Het hek staat op een kier. Altijd."
En met die laatste, veelbetekenende woorden, sluipt hij weg voor de tweede en laatste keer. Ik zak op de grond, mijn rug tegen de koude houten tafel, en trek mijn knieën op naar mijn kin. De geur van hem hangt nog om me heen, vermengd met die van de aarde en mijn eigen verraad.
Hij heeft gelijk. Het is perfect geweest. En het is voor altijd een deel van me. Een eenmalige, brandende herinnering die nooit meer zal weggaan, een geheim dat altijd tussen ons zal staan, net als dat hek, altijd op een kier. De prooi is genomen, en is voor altijd veranderd. En de jager weet dat hij altijd welkom is, ook al zou de prooi het nooit meer hardop toegeven.
Plotseling klinkt er een stem, vlak achter de haag die onze tuin van die van de buren scheidt.
"En heb je goed kunnen slapen gisteren?"
Ik schrik op, mijn hart maakt een sprong. Lucas, onze buurman, staat leunend op een hark aan de andere kant van de groene muur. Zijn blik is niet onvriendelijk, maar er zit een vleugje van iets anders in, een soort nieuwsgierige amusement. Hij kijkt niet naar mijn gezicht.
Ik voel een vlaag van warmte naar mijn waken schieten. Ik ben alleen in mijn tuin, in bikini, maar ik voel me plotseling naakt. Heeft hij...? Kan hij...?
"Hallo, Lucas," zeg ik, hopend dat mijn stem stabiel klinkt. Ik blijf liggen, alsof nonchalant blijven de situatie kan normaliseren. "Ja, het was een... rustige avond."
Hij grinnikt zacht, een geluid dat me doet verstijven. "Rustig? Bij jullie?" Hij schudt zijn hoofd, een trage glimlach speelt rond zijn lippen. "Lieve, ik had gisteravond mijn slaapkamerraam openstaan. Geluiden dragen ver op een stille avond."
De wereld blijft even stilstaan. Het bloed bonst in mijn oren. Hij heeft het gehoord. Hij heeft Marks grommen gehoord, mijn kreetjes. Misschien heeft hij zelfs even gekeken. De gedachte is tegelijkertijd verschrikkelijk en ongelooflijk opwindend.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Mijn mond is kurkdroog.
Hij leunt wat verder over de haag, zijn stem wordt stiller, intiemer. "Ik moet zeggen... het klinkt niet alsof je er erg veel bezwaar tegen hebt. Integendeel."
Ik ga wat rechter zitten, trek mijn knieën een beetje op in een halfzittende positie, een instinctieve poging me te bedekken. Mijn blik ontmoet de zijne. Er is geen oordeel in zijn ogen, alleen maar een pure, mannelijke interesse die me van top tot teen doet tintelen.
"Lucas, ik..." begin ik, maar de woorden sterven in mijn keel.
Hij heft een hand op. "Geen zorgen. Je geheim is veilig bij mij." Zijn ogen glijden nog een keer, heel duidelijk, over mijn lichaam, van mijn benen naar mijn opgetrokken knieën. "Het was... verfrissend om te horen. Jullie zijn altijd zo stil."
Hij pakt zijn hark weer op, alsof hij zojuist alleen maar over het weer heeft gepraat. "Geniet van de zon, Lieve." Met een laatste, veelbetekenende blik draait hij zich om en loopt hij terug naar zijn rozenperk.
Ik blijf achter, trillend op mijn ligstoel. De warmte van de zon voelt nu anders, niet langer alleen maar ontspannend, maar alsof die mijn huid brandmerkt. Iemand weet het. Iemand heeft ons gehoord, en misschien wel gezien. En diezelfde iemand kijkt nu naar me, met een kennis in zijn blik die een geheim verbond tussen ons schept.
De schaamte vecht een bittere strijd uit met een opvlammende, verboden opwinding. Als Mark 's avonds thuiskomt, zoen ik hem alsof mijn leven ervan afhangt. Terwijl hij me vasthoudt, kijk ik over zijn schouder naar het verlichte raam van de buren. Ik weet niet of Lucas daar staat. Maar de mogelijkheid alleen al, het gevoel van blootgesteld zijn, van een gedeeld geheim, doet een nieuwe, donkere vonk in mij ontbranden. De tuin is niet langer alleen onze tuin. Het is een podium geweest, maar voor een groter publiek dan verwacht. En het publiek heeft geapplaudisseerd.
De dagen na het voorval met Lucas voelen alsof er een lading elektriciteit in de lucht hangt. Elke keer als ik in de tuin ben, voel ik mijn blik onwillekeurig naar zijn huis dwalen. Is hij daar? Kijkt hij? Het is een constante, prikkelende aanwezigheid.
Mark is weer zijn oude, lieve zelf, alsof de dierlijke man van die avond diep weggestopt is. De herinnering eraan vervaagt, en een vleugje van de oude frustratie begint weer te knagen. Totdat, een paar dagen later, de bel gaat.
Ik doe open. Lucas staat er, een schroevendraaier in zijn hand. Hij heeft een oud, casual T-shirt aan dat strak om zijn torso zit, en zijn armen zijn bruin van de zon.
"Lieve, hey," zegt hij, met een grijns die iets te ontspannen is. "Sorry om lastig te vallen. Mijn grasmaaier is kapot, een losse kabel denk ik. Mark heeft altijd van dat degelijk gereedschap. Zou ik even een tang van hem kunnen lenen?"
Zijn uitleg is logisch. Marks gereedschapskist is legendarisch in de buurt.
"Natuurlijk," zeg ik, mijn stem iets te hoog. "Kom binnen, hij staat in de garage."
Hij volgt me door het huis. Ik ben me pijnlijk bewust van mijn eenvoudige zomerjurkje en mijn blote voeten. Ik voel zijn blik in mijn rug branden, niet onbeschoft, maar... attent. Waarnemend.
In de garage wijs ik naar de grote, rode gereedschapskist. "Het moet ergens daar in zitten."
Hij knielt ernaast en begint te zoeken, zijn bewegingen zelfverzekerd. Ik blijf in de deuropening staan, niet wetend of ik moet blijven of gaan.
"Hoe is het met Mark?" vraagt hij, zonder op te kijken. "Alles goed?"
"Ja, goed," antwoord ik, te snel. "Hij is op kantoor."
"Ah." Die ene lettergreep klinkt vol betekenis. Hij draait zich half naar me toe, leunend op zijn hielen. Zijn ogen twinkelen. "Hij werkt hard. Jij bent dan veel alleen, zeker nu de jongens niet thuis zijn."
Het is geen vraag. Het is een vaststelling. Een heel accurate vaststelling.
"Valt wel mee," mompel ik.
Hij vindt de tang, houdt hem omhoog. "Perfect." Maar hij staat niet meteen op. In plaats daarvan blijft hij me aankijken, zijn blik is nu openhartiger, uitdagender. "Ik vind het trouwens knap, die andere avond."
Mijn adem stokt. "Waar... waar heb je het over?"
"Hoe je hem zo ver kreeg." Hij staat langzaam op, borstelt het stof van zijn broek. "Soms hebben mannen een duwtje nodig. Een herinnering aan wat ze hebben." Hij neemt een stap dichterbij, niet bedreigend, maar de garage voelt opeens veel kleiner. "Jij gaf hem die herinnering. Dat was... indrukwekkend om te zien."
Hij gebruikt het woord 'zien'. Het staat tussen ons in, gloeiend en onontkoombaar.
"Hij is mijn man," zeg ik, maar het klinkt zwak, een automatisch antwoord.
"Dat weet ik," zegt hij zacht. "En ik bemoei me niet. Maar het is zonde om zo'n... passie... te laten verstoffen tot de volgende keer dat je hem uitdaagt." Hij buigt zich iets voorover, zijn stem een intiem gefluister. "Soms heeft een vrouw ook gewoon een compliment nodig van iemand anders. Iemand die ziet wat ze doet. En hoe ze eruitziet."
Zijn ogen glijden, heel even maar heel bewust, over de halslijn van mijn jurkje naar de ronding van mijn heupen. Het is vluchtig, maar het verbrandt me als een gloeiend ijzer.
Hij loopt naar de deur, stopt even naast me. "Bedankt voor de tang, Lieve." Zijn arm streelt bijna de mijne. "Laat je niet te veel verstoffen in die grote tuin alleen. Het leven is te kort."
En dan is hij weg. Ik blijf achter in de stille garage, leunend tegen de deurpost, mijn knieën trillen. Mijn hart bonst niet van angst, maar van iets anders. Iets gevaarlijks. Hij heeft niets expliciet voorgesteld. Geen aanraking, geen smerige opmerkingen. Alleen maar erkenning. Begrip. En een uitnodiging, verpakt in bezorgdheid, om meer van dat vuur in mezelf te voeden.
Het is het meest verleidelijke wat iemand me ooit heeft aangeboden. En ik weet, diep van binnen, dat dit nog maar het begin is. Lucas is de tweede jager die zijn prooi heeft geroken, en hij is veel, veel geduldiger en sluwer dan ik had gedacht.
Een paar dagen later, terwijl Mark weer op kantoor is, sta ik voor de spiegel. Niet in mijn slaapkamer, maar in de woonkamer, waar het grote venster uitkijkt op de voortuin, verderop, op Lucas’ huis. Ik draag een eenvoudige, zomers jurkje die ik aan de voorkant dichtknoop. Met trillende vingers maak ik de bovenste knoopjes los. Mijn ademhaling is snel, oppervlakkig. Dit is waanzin. Puur, opwindende waanzin.
Ik pak de telefoon. Ik typ een berichtje naar Lucas. Geen woorden. Alleen een vraagteken.
Het antwoord komt binnen seconden.
Lucas: Ik kijk al de hele ochtend. Je knoopjes zijn veel te stevig vast.
Een golf van duizelingwekkende macht spoelt over me heen. Hij kijkt. Op dit moment. Ik laat mijn vingers over de losse knoopjes glijden, maak er nog eentje open, net genoeg om een glimp van mijn decolleté te tonen. Ik kijk op naar het raam, recht in de richting van zijn huis, alsof ik een onzichtbaar publiek toespreek.
Mijn telefoon trilt weer.
Lucas: Dat is gemeen. Nu kan ik aan niets anders meer denken.
Ik grinnik, een wild, opgewonden geluid dat in de stille hal echoot. Dit is een spel. Een gevaarlijk, verslavend spel. Guy is een afspraak, een plan. Lucas is spontaan, onvoorspelbaar, en het vindt plaats in mijn eigen huis, onder de neus van de wereld – en van Mark.
De volgende zet is van hem. Die avond, terwijl Mark en ik afhaalchinees zitten te eten, flitst mijn telefoon.
Lucas: Het hek aan de zijkant van de tuin piept vreselijk. Een beetje olie zou wonderen doen. Morgenochtend, als Mark weg is?
Mijn vork glijdt bijna uit mijn hand. Mark kijkt op. “Alles goed, schat? Je ziet er bleek.”
“Ja, ja,” zeg ik, mijn wangen in brand. “Gewoon... warm.”
De volgende ochtend staat hij daar, precies om negen uur, met een olieblikje in zijn hand. Hij heeft een werkbroek aan met weer zo een oud casual T-shirt waarin hij een bad-boy lijkt. Zijn bovenlijf is gehard, niet zoals dat van een kantoorman, maar van iemand die met zijn handen werkt.
“Redder in nood,” zegt hij, met diezelfde grijns.
Hij loopt naar het hek, en ik volg hem, mijn keel dichtgeknepen. Hij begint te werken, zijn spieren spannen onder de zon. Het is een vertoning. Puur en simpel. En het is voor mij.
“Je weet dat dit niet alleen om het hek gaat, hè?” zegt hij zacht, zonder zich om te draaien.
“Waarom dan wel?” fluister ik, mijn armen over elkaar geslagen.
Hij zet het olieblikje neer en draait zich dan langzaam naar me toe. Zijn ogen zijn donker, serieus. “Omdat ik die avond niet alleen heb gehoord wat er gebeurde, Lieve. Ik heb het gezien. Het licht viel perfect. Ik zag jouw lichaam. Je gezicht. En ik heb sindsdien aan niets anders kunnen denken.”
Er is geen ontsnappen meer aan. De woorden hangen tussen ons, bloot en rauw.
Hij neemt een stap naar voren, en ik doe geen stap terug. Zijn vingers, bedekt met een dun laagje olie, streelen heel even, bijna per ongeluk, mijn onderarm. De aanraking is vlammend heet.
“Mark is vanavond laat thuis, jij bent dus alleen” zegt hij, zijn stem een hees gefluister. “Ik ook. Mijn vrouw is bij haar zus.”
Het is een uitnodiging. Een duidelijk, onomwonden voorstel.
Mijn hart hamert tegen mijn borstkas. Guy geeft me avontuur, maar het is ver weg, afgeschermd. Lucas biedt me het avontuur in mijn eigen achtertuin aan. Het risico is duizend keer groter. De opwinding ook.
Ik aarzel. Ik denk aan Mark. Aan de liefde die er nog steeds is, ergens onder de routine.
Maar dan kijk ik naar Lucas, naar de belofte van pure, onmiddellijke begeerte in zijn ogen. Dezelfde begeerte die ik zo wanhopig zoek.
Ik slik. Mijn keel is kurkdroog.
“Het hek piept nog steeds,” zeg ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar.
Een trage, triomfantelijke glimlach verspreidt zich over zijn gezicht. Hij begrijpt het.
“Niet voor lang meer,” mompelt hij. Hij pakt zijn olieblikje op. “Tot vanavond, Lieve. Laat het hek maar op een kier staan.”
Hij draait zich om en loopt weg, zonder nog een blik achterom. Ik blijf alleen achter, leunend tegen het traliewerk, mijn lichaam trillend van angst, van schuld, en van een overweldigend, onstuitbaar verlangen. De jacht is bijna voorbij. De prooi is ingesloten en kan geen kant meer op. Vluchen kan niet meer… enkel vechten of het lot ondergaan.
De avond komt sneller dan verwacht. Mark heeft zijn sporttas al ingepakt, zijn voetbalschoenen bungelen nonchalant over zijn schouder.
"Oké schat, ik ben weg," zegt hij, terwijl hij me een vluchtige kus op mijn wang geeft. Zijn geest is al bij de training, bij zijn vrienden, bij het veld. "Tot over een uurtje of twee."
"Veel plezier," mompel ik, mijn stem iets te strak. Ik blijf in de deuropening staan tot zijn auto de straat uit is verdwenen. Dan draai ik me om, leunend tegen de deurpost, en adem diep uit. Mijn hart is een razende trommel tegen mijn ribbenkast.
Dit is waanzin. Pure, brandgevaarlijke waanzin.
Maar mijn lichaam luistert niet naar mijn verstand. Mijn bloed pulseert al van de opwinding, een diepe, kloppende verwachting die zich tussen mijn benen nestelt. Ik loop naar de keuken, drink een glas water met trillende handen. Elke zenuw staat strak gespannen, afgestemd op het minste geluid buiten.
Dan, met een vastberadenheid die uit dezelfde diepte komt als het verlangen, loop ik de tuin in. De schemering kleurt de lucht inktblauw en paars. Ik loop naar het zijkant-hek, mijn blote voeten op het koele gras. Met een zachte, piepende beweging – een geluid dat nu een geheime code voelt – duw ik het hek open, net een kier. Precies genoeg voor een man om doorheen te glippen.
Het wachten begint. Elke seconde lijkt een eeuwigheid. Het geritsel van een blad doet me opschrikken, het geroep van een vogel in de verte klinkt als een alarmsirene. Ik voel me blootgesteld, kwetsbaar, een prooi dat zich vrijwillig op een open plek heeft genesteld. En ergens, diep van binnen, vind ik dat onuitsprekelijk opwindend.
Dan hoor ik het.
Een zacht, bijna onhoorbaar geluid van iemand die soepel door het gras glijdt. Geen voetstappen, maar een geruis. Mijn adem stokt. Ik durf me niet om te draaien. Ik sta daar, midden in de tuin, mijn rug naar het geluid toe, en voel hoe elke haar op mijn armen rechtop gaat staan.
Een hand, groot en warm, sluit zich vanuit het niets over mijn mond. Niet hard, maar stevig, doeltreffend. Een andere arm sluit zich als een ijzeren band om mijn middel en trekt me achteruit, tegen een hard, onverbiddelijk lichaam aan.
"Stil maar," fluistert een diepe stem in mijn oor. Het is Lucas. Zijn adem is warm tegen mijn hals. "De jager is gearriveerd."
Een schok van pure, rauwe angst en opwinding schiet door me heen. Ik ben volledig overgeleverd. Zijn kracht is overweldigend, zijn controle absoluut. Hij heeft me gevangen. Precies zoals ik, ergens diep in mijn donkerste fantasieën, had gehoopt.
Hij laat zijn hand van mijn mond glijden, maar zijn arm blijft om mijn middel, mij strak tegen zich aan drukkend. Ik kan de hele lengte van zijn harde lichaam tegen mijn rug voelen. Zijn lippen vinden de gevoelige plek net onder mijn oor.
"Je stond daar zo te wachten," mompelt hij, zijn stem een ruwe streling. "Alsof je wist wat je kwam halen. Alsof je verlangde naar dit."
Zijn hand glijdt van mijn middel naar mijn buik, zijn vingers spreiden zich uit en trekken me nog dichter tegen zich aan. Dan glijdt diezelfde hand naar beneden, over de stof van mijn dunne zomerjurkje, en zonder enige aarzeling tussen mijn benen. Hij drukt zijn handpalm stevig tegen me aan, een claim afdwingend door de katoenen stof heen. Een diepe zucht ontsnapt me, een geluid van pure overgave.
Met zijn hand gaat hij onder mijn jurkje. Zijn vingers duwen ongenadig het kruisje van mijn slipje opzij. Mijn vochtige spleetje vertelt aan zijn vingers de waarheid.
"Zo mooi," gromt hij in mijn oor. "Zo klaar voor me. Al na een paar seconden."
Hij draait me ruw in zijn armen om, zodat ik zijn gezicht kan zien. Zijn ogen gloeien in de schemering, vol donker plezier. Zonder een woord te zeggen buigt hij zich voorover, slaat zijn armen onder mijn billen en tilt me moeiteloos op. Ik klem mijn benen instinctief om zijn middel, mijn handen vliegen naar zijn schouders voor houvast.
Hij draagt me naar de grote, houten picknicktafel aan de rand van het terras. Hij zet me erop, het koele hout tegen mijn dijen. Hij staat tussen mijn gespreide benen, zijn handen op de tafel aan weerszijden van mijn heupen, en hij kijkt me aan, zijn blik dierlijk en intens.
"Jij wilde uitgedaagd worden," zegt hij, zijn stem laag en vol belofte. "Jij wilde begeerd worden. Nou, dit is wat begeerte eruitziet."
Hij buigt zich voorover en vangt mijn mond in een wilde, overheersende kus. Het is niets zoals de kussen van Mark. Dit is geen genegenheid; dit is een claim. Zijn tong dringt mijn mond binnen, hij proeft naar buitenlucht en naar een vreemde, opwindende mannelijkheid. Ik kus hem terug, mijn handen graven in zijn haar, ik geef me volledig over aan de overname.
Zijn handen zijn overal. Hij rukt aan de knoopjes van mijn jurkje, tot het openvalt en hij mijn borsten kan zien, hijgend in de koele avondlucht.
Zijn mond verlaat de mijne en daalt af, zijn tong en tanden vinden een gevoelige tepel en hij zuigt er hard aan, tot ik een kreun van gemengde pijn en genot uitstoot. Hij wisselt naar de andere, zijn behandeling even meedogenloos en opwindend.
Dan laat hij zich op zijn knieën zakken voor de tafel. Hij duwt mijn benen verder uit elkaar, zijn handen op mijn dijen, en hij kijkt naar me. Echt kijkt. In het falende licht kan ik zijn donkere, gretige blik zien terwijl hij mij, volledig blootgesteld, in me opneemt.
"Perfect," bromt hij, en het klinkt als een gebed. Uit zijn achterzak haalt hij een schaar en voor ik iets kan zeggen knipt hij het slipje van mijn lijf.
Dan buigt hij zijn hoofd en zijn tong vindt me. Het is geen tedere, verkennende aanraking. Dit is een aanval. Hij eet me, drinkt me, zijn tong is plat en hard en meedogenloos in zijn streling. Hij houdt mijn heupen stevig vast, zijn greep bijna pijnlijk, terwijl hij zijn gezicht tegen me aan drukt. Ik schreeuw het uit, een geluid dat wordt gesmoord door de nacht, mijn handen grijpen in zijn haar en trekken eraan, niet om hem weg te trekken, maar om hem dichterbij te houden, om me dieper over te geven aan deze vernietigende mond.
Hij laat me niet eens bijna klaarkomen. Net wanneer de orgasme als een dreigende tsunami in me oprijst, stopt hij abrupt. Hij staat op, zijn gezicht glanzend, en hij trekt zijn eigen broek en ondergoed in één beweging naar beneden. Zijn erectie is groot en donker in de schemering.
Hij grijpt mijn heupen en trekt me naar de rand van de tafel. Er is geen tederheid, geen vraag. Alleen maar pure, onverbloemde intentie.
"Kijk me aan," beveelt hij, zijn stem ruw van verlangen.
Ik open mijn ogen, gevangen in zijn blik.
Dan dringt hij in me. Het is één lange, diepe, verpletterende stoot die de lucht uit mijn longen perst. Een kreet van verbijstering en volkomen vervulling ontsnapt me. Hij vult me volledig, strekt me, vult een leegte die ik niet eens wist dat ik had.
Hij begint te bewegen, zijn stoten zijn diep, krachtig en onverbiddelijk. Het hout van de tafel schuurt tegen mijn billen, zijn lichaam slaat tegen de binnenkant van mijn dijen. Hij zegt niets meer, alleen gromt hij, diepe, dierlijke geluiden die perfect passen bij het ritme van zijn lichaam tegen het mijne.
Ik ben volledig overweldigd, overspoeld door sensatie. De koude lucht op mijn huid, de harde tafel onder me, de onbekende, overweldigende man die me neemt alsof het zijn recht is. Er is geen ruimte voor gedachten, alleen voor gevoel. Ik ben een instrument voor zijn plezier, en in die totale overgave vind ik een bevrijding die ik nog nooit heb gekend.
Hij bukt zich, zijn lichaam bedekt het mijne, zijn mond vindt de mijne weer in een harde, bezittelijke kus die mijn kreunen smoort. Zijn tempo versnelt, zijn stoten worden wilder, wanordelijker. Ik voel de spanning in zijn lichaam oplopen, voel hoe zijn greep op mijn heupen verzwaardt.
Dan, met een laatste, diepe grom die tegen mijn lippen trilt, stort hij zich in me. Ik voel de schokken van zijn orgasme, de hete pulsatie diep in mijn binnenste. Het is dat gevoel, die primitieve daad van bezit, die me over de rand duwt. Mijn eigen orgasme breekt over me heen, een stille, verpletterende vloedgolf die me verlamt en me tegelijkertijd doet ontploffen van sensatie.
Hij blijft even op me leunen, zijn gewicht drukt me tegen de tafel, zijn ademhaling is zwaar in mijn oor. De wereld komt langzaam terug. Het geritsel van de bladeren, de geur van nat gras en zijn zweet, het kille hout onder mijn blote rug.
Langzaam trekt hij zich terug en trekt zijn kleren aan. Hij kijkt me aan, zijn ogen zijn nu kalmer, maar nog steeds intens. Hij streelt met zijn duim over mijn gezwollen onderlip.
"De prooi is genomen," fluistert hij. Hij buigt zich voorover en geeft me een laatste, bijna teder kusje. Zonder nog een woord draait hij zich om en sluipt hij terug door het gras, verdwijnt door het kierende hek en laat me achter.
Ik blijf op de picknicktafel liggen, uitgeput, trillend, mijn jurkje wijd open. Mijn lichaam is een kaart van zijn claim. Mijn geest is een warboel van schuld, schaamte, en een zoete, verterende voldoening die dieper gaat dan alles wat ik ooit heb gevoeld. De jacht is voorbij. En de prooi is voor altijd veranderd.
De jager is weg. De nacht slokt hem op, en alleen het geluid van het zachtjes piepende hek verraadt zijn doorgang. Ik blijf achter op de harde houten tafel, mijn lichaam een bonzend, trillend bewijs van wat er net is gebeurd. De kou begint door te dringen, kippenvel op mijn blote huid, maar binnenin gloei ik nog na.
Met bevende handen trek ik mijn jurkje dicht, de stof voelt ruw aan tegen mijn oversensitieve huid. Ik schuif van de tafel, mijn benen voelen als pudding en ik moet me even vasthouden aan de rand. De tuin lijkt anders, doordrenkt van een nieuw, gevaarlijk geheim. Elke schaduw lijkt te fluisteren.
Dan hoor ik het zachtjes. Het hek piept opnieuw.
Mijn hart springt in mijn keel. Is hij terug? Kan hij niet wegblijven?
Hij verschijnt weer in de opening, niet meer de wilde jager, maar eerder een donkere silhouet tegen de nacht. Hij loopt niet naar me toe, blijft op afstand, zijn handen in zijn zakken.
"Je was... verbluffend," zegt hij, zijn stem is lager nu, ruw van emotie.
Ik slik, probeer mijn eigen stem te vinden. Die klinkt zwak en gebroken. "Lucas..." Ik moet het zeggen. Nu. Voor mijn moed me volledig in de steek laat. "Het was... het was ongelooflijk. Ik heb genoten. Meer dan je je kunt voorstellen."
Ik zie zijn glimlach in het duister, een vleugje triomf.
"Maar," voeg ik eraan toe, en dat ene woord snijdt door de spanning. Zijn glimlach vervaagt. "Maar dit kan niet weer gebeuren. Het was... het was perfect. Maar het moet eenmalig zijn. Spijtig genoeg."
De stilte die valt is dikker dan de nachtlucht. Hij beweegt niet. Ik kan zijn blik bijna voelen, scherp en analyserend.
"Eenmalig?" herhaalt hij zachtjes. Alsof hij het woord test. "Waarom?"
"Omdat het te gevaarlijk is," fluister ik, mijn handen wringen zich in mijn jurkje. "Mark... de buurt... alles. Het was een moment van waanzin. Een prachtige, opwindende waanzin. Maar het is voorbij."
Hij blijft nog een moment staan, een statige, peinzende schim. Dan haalt hij zijn schouders op, een kleine, berustende beweging.
"Oké," zegt hij, verrassend eenvoudig. Er is geen boosheid, geen protest. Alleen een kalme acceptatie die bijna nog gevaarlijker aanvoelt.
"Eenmalig. Dan was het een perfect moment."
Hij draait zich om om te vertrekken, maar stopt nog een laatste keer.
"Maar onthoud wel, Lieve," zegt hij, zijn profiel scherp afgetekend tegen het licht van een verre straatlantaarn. "Sommige dingen, eenmaal geproefd, zijn niet meer te vergeten. Het hek staat op een kier. Altijd."
En met die laatste, veelbetekenende woorden, sluipt hij weg voor de tweede en laatste keer. Ik zak op de grond, mijn rug tegen de koude houten tafel, en trek mijn knieën op naar mijn kin. De geur van hem hangt nog om me heen, vermengd met die van de aarde en mijn eigen verraad.
Hij heeft gelijk. Het is perfect geweest. En het is voor altijd een deel van me. Een eenmalige, brandende herinnering die nooit meer zal weggaan, een geheim dat altijd tussen ons zal staan, net als dat hek, altijd op een kier. De prooi is genomen, en is voor altijd veranderd. En de jager weet dat hij altijd welkom is, ook al zou de prooi het nooit meer hardop toegeven.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10