Klik hier voor meer...
Donkere Modus
Datum: 19-02-2026 | Cijfer: 9.5 | Gelezen: 146
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 44 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Beffen, Buitensex, Fantasy, Kwartet, Mysterie, Neuken, Pijpen, Verleiden, Zwemmen,
Vlees En Bloed
Na ons vertrek uit Eikhaven reisden we met de half-elf Aren het Koningswoud in, op zoek naar de elfen die ons naar de tweede Ovulia-tempel kunnen leiden. Onderweg deelde Aren zijn pijnlijke verleden met ons. Hij groeide op als enige jongen in een stam van elfenvrouwen, waar hij leerde dat hij zijn verlangens moest onderdrukken. Die nacht, bij het kampvuur, hielpen we hem om die schaamte los te laten. Eerst met woorden, en daarna met onze lichamen. De volgende ochtend vertrokken we dieper het woud in.

De bomen hier, diep in het Koningswoud, zijn niet zoals de bomen in de bossen waar we meestal door reizen. Hier groeien oeroude woudreuzen, met stammen zo dik dat je er met tien man omheen zou kunnen staan. De wortels kronkelen als slangen over de grond, bedekt met dikke lagen mos. Het bladerdak boven ons is zo dicht dat het zonlicht er slechts in smalle bundels doorheen prikt.

Na een steile klim staan we op een richel met uitzicht over een vallei vol varens. "Aren, wacht even," zeg ik. Ik hijg en steun met mijn handen op mijn knieën. "Die rots daar. Die in de vorm van een knielende vrouw. Daar zijn we een uur geleden ook langs gekomen."

Aren kijkt achterom. Zijn zilveren paardenstaart zwaait mee als hij zijn hoofd schudt. "Nee."

"Jawel. Ik weet het zeker. En die berken daar, met die witte stammen. Die heb ik ook al gezien."

"Wat jullie zien, is niet wat er is," zegt Aren geduldig. Hij loopt alweer door, geruisloos, schijnbaar zonder te kijken waar hij zijn voeten neerzet. "Dit is waarvoor ik jullie waarschuwde. Het woud verdedigt zichzelf. Elk mens dat hier binnenkomt, loopt in cirkels en keert uiteindelijk terug naar waar hij begon."

"Maar jij ziet er doorheen?" vraagt Aliya. In haar stem zit ook argwaan.

"Ik heb geleerd de patronen te zien. De rots die je aanwees, boog de vorige keer naar links. Nu buigt hij naar rechts. We komen vooruit."

Ik kijk naar de knielende rots. Rechts, ja. Maar ik kan me bij alle goden niet herinneren hoe hij de vorige keer stond.

"We moeten je maar op je woord geloven," zegt Aliya.

"Dat moet je inderdaad," zegt Aren, zonder een spoor van ironie in zijn stem.

We lopen verder. De desoriëntatie knaagt aan me. Maar elke keer dat ik het aan Aren vraag, schudt hij zijn hoofd en wijst hij op een detail dat net anders is. De rots heeft nu een barst die er eerder niet was. De stammen staan verder uit elkaar. De omgevallen boom heeft een tak minder.

Mijn verstand vertelt me dat we in kringetjes lopen, dat Aren ons om de tuin leidt, dat we vanavond weer op dezelfde open plek zullen staan als gisterenavond. Maar ik heb besloten hem te vertrouwen, en ik hou me aan die beslissing vast.

"Hoe lang nog?" vraag ik na wat aanvoelt als de zoveelste cirkel.

"Niet lang meer." Aren kijkt omhoog naar het bladerdak, alsof hij de positie van de zon probeert te peilen door het dichte groen heen. "We naderen de grens."

"Hoe weet je dat?"

"De lucht," zegt hij simpelweg. Ik adem diep in, maar ik merk geen verschil. Het ruikt gewoon naar bos, zoals het de hele dag al ruikt.

"Oh ja!" zegt Aliya. "Het ruikt hier vochtiger, of zoeter ofzo." Ik kijk opzij. Ze lijkt serieus, blijkbaar merkt zij het wel.

"Dat is de grens," zegt Aren. "Het echte woud begint hier. Alles wat jullie tot nu toe hebben gezien, was slechts de buitenrand."

We dalen af in een ravijn waar de bodem is bedekt met een dik tapijt van mos dat onze voetstappen dempt. Het enige geluid is het zachte ruisen van water.

Dan staan we bij de beek.

Het is een smal stroompje, niet meer dan een armlengte breed. Het water is kristalhelder en stroomt over een bedding van bruine rotsen. Aan de overkant staan de bomen dichter op elkaar, vergroeid tot een bijna ondoordringbare muur van levend hout.

Aren stopt. Hij staat roerloos aan de oever en kijkt naar de overkant, zijn blik ver voorbij de rij bomen. Zijn hand ligt op zijn dolk, hoewel er niets te zien is.

"Dit is het," zegt hij.

"Wat is het?" vraag ik. Ik kijk om me heen, maar er is hier niets bijzonders. Het is een beek. Een smalle beek in een bos vol smalle beken.

"De grens," zegt Aren. "Van het elfenrijk."

Aliya hurkt bij het water en laat haar vingers door het koele stroompje glijden. "Ik voel niets bijzonders," zegt ze. "Geen magische grens of barrière."

"Die is er ook niet," zegt Aren. "Niet op die manier. De beek is gewoon een beek. Maar wat erachter ligt…" Hij zwijgt even. "Vanaf hier kun je niet meer verdwalen. Het bos zelf zal jullie leiden."

"Leiden? Naar de elfen, bedoel je?"

"Inderdaad." Aren draait zich naar ons om. Zijn gezicht is een mengeling van emoties die ik moeilijk kan lezen. Opluchting, misschien. En angst. En iets wat lijkt op heimwee. "Dit is ook het punt waar wij afscheid nemen. Ik kan niet verder."

Ik wist dat dit moment zou komen. Hij heeft het meerdere keren tegen ons gezegd. Toch voelt het abrupt. Verkeerd. We laten hem achter terwijl hij mee zou moeten.

"Weet je het zeker?" vraag ik. "Je moeder is daar. Cyverdelle. Wil je het niet proberen? Of je haar kan ontmoeten?"

Hij kijkt me strak aan. "De wet is de wet, Thomas. Bij mijn vertrek maakte de Elf-Moeder het heel duidelijk: als ik terugkeer, wordt dat mijn dood. Geen ruimte voor interpretatie."

"Maar dat was dertig jaar geleden," zegt Aliya. "Misschien zijn de regels veranderd. Misschien—"

"De regels veranderen niet." Arens stem is zacht maar beslist. "Voor elfen is dertig jaar slechts een oogwenk." Hij zwijgt even, en staart in de verte. "En daarnaast… ik heb veel om over na te denken. Jullie hebben iets in mij wakker gemaakt wat ik jarenlang had weggestopt. Ik weet nog niet precies wat ik ermee moet. Maar hier zal ik het antwoord op die vraag niet vinden. Ik heb afstand nodig."

Aliya knikt. “Oké. We zullen je missen, Aren.” Ze stapt naar voren en slaat haar armen om hem heen. Aren beantwoordt de omhelzing, dit keer zonder aarzeling. Zijn lange armen sluiten zich om haar rug. Het raakt me. Twee dagen geleden had Aren een hoge muur opgetrokken tussen aanraking en gevoel, maar nu klemt hij zich aan Aliya vast alsof hij bang is om te vallen als hij haar loslaat.

"Dank je wel," fluistert hij. "Voor alles."

Aliya drukt een kus op zijn wang. "Wij moeten jou bedanken. Zonder jou stonden we hier niet."

Aren maakt zich van haar los en steekt zijn hand naar mij uit. Ik schud hem, maar trek hem dan naar me toe en klop hem stevig op zijn rug. Hij grinnikt - een zeldzaam geluid uit zijn mond.

"Wat er ook gebeurt aan de andere kant," zegt hij, en zijn stem krijgt weer die serieuze toon, "vertrouw op je instinct. En op elkaar. De elfen zullen jullie testen. Ze zullen proberen jullie uit elkaar te spelen, jullie te verwarren. Laat dat niet toe."

"Dat zullen we onthouden," zeg ik.

"En Thomas?" Aren kijkt me aan met die diepgroene ogen. "Zeg mijn moeder dat ik aan haar denk. Dat ik van haar houd."

"Dat beloof ik."

Hij knikt. Dan doet hij een stap achteruit, terug het bos in. Hij steekt zijn hand op in een kort gebaar. Hij draait zich om, en zijn grijze mantel gaat al snel op in de schaduwen tussen de bomen. Binnen een paar tellen is hij verdwenen, alsof het woud hem heeft opgeslokt.

Aliya en ik staan samen aan de oever. Het stroompje kabbelt vredig over de rotsen.

"Klaar voor?" vraag ik.

Ze pakt mijn hand. "Zeker weten."

We stappen over de beek.

-

Aren had gelijk: het woud leidt ons. Ik had het moeten weten en toch verbaast het me. Takken buigen opzij als we naderen, wortels vlakken zich af, bladeren buigen opzij. In plaats van cirkels voelt het nu alsof we aan een onzichtbaar draadje vooruit worden getrokken.

Na een halfuur wijkt de dichte bomenrij uiteen. Er achter ligt een brede, open vallei, met in het midden een meer.

Het is het mooiste meer dat ik ooit heb gezien.

Het water is zo helder dat je de bodem kunt zien: witte en groene stenen, begroeid met wuivende waterplanten. Het wateroppervlak is spiegelglad. Waterlelies drijven in groepjes langs de oever, hun witte bloemen drinken het zonlicht op.

"Thomas," fluistert Aliya. Ze knijpt in mijn hand en knikt naar het water.

Ik volg haar blik. Twee vrouwen. In het water, bij de oever. Naakt. Ik houd mijn adem in. Is dit het? Hebben we de elfen gevonden?

Ik kijk opzij. Aliya’s ogen twinkelen. “Kom!” Ze stapt naar voren en trekt me mee.

Als we dichterbij komen, wordt duidelijk dat het inderdaad elfen zijn. Waar Aren een half-elf was, zijn deze vrouwen onmiskenbaar het echte werk. Hun huid heeft een zachte, gouden gloed die van binnenuit lijkt te komen. Hun oren lopen in elegante, langgerekte punten uit.

De ene staat tot haar dijen in het water en is bezig haar haren te wassen. Ze is lang en slank, met smalle schouders en kleine, hoge borsten. Haar zilverblonde haar valt in natte slierten tot haar middel. Haar gezicht is hoekig en fijn, met hoge jukbeenderen en amandelvormige ogen. Ze beweegt langzaam en weloverwogen, alsof het baden onderdeel is van een sierlijke dans.

De andere is voller gebouwd, met zachte rondingen die warmte uitstralen. Haar honing-gouden haar valt in zware golven over haar schouders en omlijst haar gezicht. Haar borsten zijn groot en vol, met grote, roze tepels die boven het wateroppervlak uitkomen. Ze leunt ontspannen achterover in een ondiep deel, en glijdt met haar handen over het water alsof ze het streelt.

De vrouw met het gouden haar merkt ons het eerst op. Haar gezicht licht op in een uitnodigende glimlach.

"Kijk nou," zegt ze. Haar stem is helder en warm, met een zangerig accent dat me doet denken aan Aren. "Bezoekers!"

De zilverblonde elf laat haar armen zakken. Ze kijkt ons kalm aan met haar ijsblauwe ogen. Zonder vijandigheid, maar ook zonder warmte.

"Mensen," zegt ze.

Ik voel Aliya's hand in de mijne verstrakken. Arens waarschuwingen klinken door mijn hoofd: ‘Ze zullen jullie testen. Ze zullen proberen jullie uit elkaar te spelen.’

Voorzichtig, waarschuw ik Aliya via de ring. We weten niet wat dit is.

Ik weet het, stuurt ze terug. Laat mij het woord doen.

"Goedemiddag," zegt Aliya, met een lichte buiging. "We zijn blij jullie te ontmoeten. Wij zijn reizigers. Mijn naam is Aliya, en dit is Thomas."

De goudharige elf waadt langzaam door het water naar de oever. Ze draagt haar naaktheid met een trots die tegelijk koninkrijk, maar ook vanzelfsprekend is. Van dichtbij is ze nog mooier dan op afstand. Haar huid lijkt van binnenuit licht te geven, alsof ze de zon heeft ingeslikt. Ze heeft warme, amberkleurige ogen met gouden vlekjes die oplichten als ze haar hoofd draait. Waterdruppels rollen als parels over de ronding van haar volle borsten.

"Ik ben Nyssara," zegt ze. "En dat koele schepsel daar is Ëadris." Ze knikt naar de zilverblonde, die nog in het water staat en geen aanstalten maakt om dichterbij te komen.

"Ëadris," herhaal ik de naam. "En Nyssara."

"En Thomas en Aliya," zegt Nyssara. Ze staat nu op de oever en doet eenzelfde lichte buiging als Aliya deed. Ze lijkt zich totaal op haar gemak te voelen, naakt tegenover twee geklede vreemdelingen. "Jullie hebben ver gereisd. Het woud heeft jullie laten passeren, dat gebeurt niet vaak."

"We hadden een uitstekende gids," zeg ik.

Nyssara glimlacht, maar vraagt niet door. "Alsjeblieft, ga zitten! Jullie moeten moe zijn. Het water is heerlijk, als jullie willen afkoelen."

Ik aarzel. Aliya ook. Arens waarschuwing echo’t in mijn hoofd: illusies. Twee vriendelijke, naakte elfenvrouwen die ons uitnodigen in hun meer? Dit is zeker te mooi om waar te zijn.

"We zijn dankbaar voor het aanbod," antwoordt Aliya. "Maar vergeef ons dat we wat voorzichtig zijn."

Nyssara kantelt haar hoofd, haar gouden lokken schuiven opzij. "Voorzichtig? Waarvoor?"

"We weten dat dingen in dit woud niet altijd zijn wat ze lijken."

Ëadris komt nu uit het water. Ze loopt met langzame, sierlijke passen naar de oever. "Slim," zegt ze. Haar stem is lager dan die van Nyssara, maar net zo melodieus. "De meeste mensen die hier verdwalen, twijfelen niet aan wat ze zien. Zij volgen gewoon de lichtjes."

"We zijn niet de meeste mensen," zegt Aliya.

Ëadris bekijkt haar met een flauwe glimlach. "Dat merk ik."

Ik sluit mijn ogen half en concentreer me op het amulet. Ik heb een theorie die ik wil testen. Nu, terwijl ze dichtbij ons staan. Ik reik mentaal naar ze uit en zoek hun aanwezigheid met de magie van het medaillon. Als deze vrouwen een illusie zijn, een truc van het woud, dan zou ik niets moeten voelen met de magie. Maar als ze echt zijn…

Eerst vind ik Aliya, haar aanwezigheid vertrouwd en warm als altijd. Dan zoek ik verder.

Nyssara voel ik bijna onmiddellijk daarna. Haar geest is open, zacht, als de gloed van de zon in de namiddag. Ik voel haar oprechte nieuwsgierigheid. En daaronder een diepe, zwoele opwinding die ze niet probeert te verbergen. Ze vindt ons interessant. Ze vindt ons aantrekkelijk.

Ëadris is lastiger. Haar geest is minder toegankelijk. Maar ze is er wel. Haar aanwezigheid voelt als glad, koud marmer. Haar emoties zijn gedempter dan die van Nyssara, maar niet afwezig. Ze is waakzaam, onderzoekend. En ook bij haar voel ik een vonk van iets warmers, dieper verborgen onder haar zelfbeheersing.

Ze zijn echt, stuur ik naar Aliya. Ik kan ze vinden met het amulet. Beide. Nyssara is open, nieuwsgierig en opgewonden. Ëadris is geslotener, maar ook echt.

Goed, stuurt Aliya terug. Ik voel haar opluchting. Dan kunnen we iets meer ontspannen. Maar laten we alert blijven.

"Jullie zijn geen illusie," zeg ik hardop. Ik wil dat ze weten dat we het hebben gecontroleerd. "Ik kan het voelen."

Nyssara trekt geamuseerd een wenkbrauw op. "Je kan het voelen? Hoe dat zo?"

Dat wil ik liever niet uitleggen. "Het is een lang verhaal," zeg ik.

"We hebben tijd," zegt Ëadris, en ze gaat op het gras zitten. Ze leunt achterover op haar handen, haar lange benen gestrekt, haar zilverblonde haren als een gordijn over haar schouders. "We waren hier toch al aan het wachten."

"Wachten?" vraagt Aliya. "Op wie?"

Nyssara lacht, een warm en muzikaal geluid. "Op jullie, natuurlijk."

Ik kijk Aliya aan. Ze verwachtten ons?

Dat maakt me niet geruster, antwoordt ze.

"Hoe wisten jullie dat we zouden komen?" vraag ik.

Nyssara haalt haar schouders op, een verrassend menselijk gebaar. "Jullie wekken de nieuwsgierigheid van het woud," zegt ze. "Toen jullie de beek overstaken, voelden we dat. Het woude leidde jullie hierheen, en het leidde ons ook." Ze kijkt naar Ëadris met een subtiele glimlach. “Hoewel het precies uitkwam.”

"Uitkwam?" herhaalt Aliya.

"We kwamen hier om te baden," zegt Nyssara, alsof dat alles verklaart. "Dat doen we vaker. Het water in dit meer is heilig en reinigend. Goed voor lichaam en geest." Ze laat haar blik over ons glijden, van onze gezichten naar beneden en weer terug. "En eerlijk gezegd hoopten we dat er vandaag… iemand langs zou komen."

"Iemand?"

Nyssara bijt op haar onderlip. Ze wisselt een blik met Ëadris, die kort en bijna onzichtbaar knikt.

"Ik zal eerlijk zijn," zegt Nyssara. Ze gaat voor ons staan, haar handen losjes in haar zij, haar naakte lichaam nog glanzend van het water. "In onze stam zijn geen mannen. Alleen vrouwen. Dat is altijd zo geweest. Maar wij zijn…" Ze zoekt naar het juiste woord. "…vruchtbaar, op dit moment. En als elfen vruchtbaar zijn, is de drang om een partner te vinden heel sterk."

"Heel sterk is zacht gesproken," zegt Ëadris droog. "Ze ligt de hele ochtend al te zuchten van verlangen."

"En jij staarde naar de hemel alsof je hoopte dat er een man uit de lucht zou komen vallen," zegt Nyssara zacht. Ze kijkt weer naar ons. “Ëadris verbergt het alleen beter.”

Ëadris perst haar lippen op elkaar, maar ontkent het niet.

"Dus jullie zijn hier om…," zeg ik.

"Om een mooie man tegen te komen, ja,” zegt Nyssara onomwonden. “En nu staan er twee prachtige mensen voor ons." Haar amberkleurige ogen met hun gouden vlekjes glijden weer over mij. "Noem het geluk. Noem het het woud dat voor ons zorgt."

Ik voel mijn wangen warm worden. Het is niet de eerste keer dat een mooie vrouw openlijk haar interesse toont, maar de directheid van Nyssara is ontwapenend. Alsof neuken net zo vanzelfsprekend is als ademhalen.

Dit klinkt heel erg als een list, stuurt Aliya.

Of het is de waarheid, antwoord ik. Als er alleen vrouwen in de stam zijn… Ze moeten toch op een manier kinderen krijgen. Misschien is dit wel normaal voor ze?

Dat kan, maar… het is wel erg toevallig, vind je niet? Hij zei ook dat ze ons zouden wantrouwen. Niet dat ze ons naakt en met open armen zouden verwelkomen.

Ja, goed punt. Maar ze zijn hier wel echt. Dat voel ik met het amulet. En dat vertelt me ook dat ze nieuwsgierig zijn, en opgewonden. Precies wat ze zeggen.

Aliya bijt op haar lip. Oké. Ik vertrouw het amulet. Maar laten we het rustig aan doen.

"Jullie eerlijkheid is… verfrissend," zegt Aliya hardop, met een glimlach die zowel warm als behoedzaam is. "We zijn gevleid. Maar we zijn hier met een doel.”

“Oh? En wat is dat?” vraagt Ëadris.

“We zoeken de Elf-Moeder. We zouden graag met haar spreken.”

De twee elfen wisselen een blik.

“Interessant,” antwoordt Ëadris. “Als jullie over de Elf-Moeder hebben gehoord, dan weten jullie vast ook dat zij niet zomaar bezoekers van buiten het woud ontvangt.” Ze kijkt Aliya onderzoekend aan.

“Dat hebben we gehoord. Maar we zijn op een bijzondere missie, waarvoor we haar hulp willen vragen. We geloven dat het iets is waar zij ook belang bij heeft.”

“Jullie moeten ons meer vertellen,” zegt Nyssara. “Over jullie reis, jullie missie, alles. Maar niet hier.” Ze gebaart naar het meer. “Kom eerst het water in. Het is heilig water, het zal jullie goed doen na de reis. Daarna kunnen we praten.”

Aliya en ik kijken elkaar aan. Via de ring delen we een snelle afweging. Geen woorden, alleen gevoel. De elfen zijn echt, we hebben inderdaad ver gereisd, misschien is eerst even zwemmen geen slecht idee. Ik voel Aliya's resterende aarzeling, maar ook haar groeiende nieuwsgierigheid. En - ik probeer het niet te laten doorklinken, maar ze voelt het toch - ik raak behoorlijk opgewonden bij het idee van naaktzwemmen met deze twee bloedmooie elfen.

Ik voel het, hoor, stuurt Aliya droog. Je pik is al halfstijf.

Kun je me dat kwalijk nemen? Ze staan poedelnaakt voor ons.

Nee, dat kan ik je niet kwalijk nemen. Nyssara is ongelooflijk. En zelfs Ëadris… die koele blik van haar doet dingen met me.

Oké, stuur ik met een mentale grijns. Dan kleden we ons uit. Ik eerst.

Ik trek mijn tuniek over mijn hoofd en trap mijn broek uit. Aliya is al uitgekleed voor ik me om kan draaien. Als we naakt tegenover de twee elfen staan, maakt Nyssara een zacht, goedkeurend geluidje. "Mooi," zegt ze, en haar ogen haken vast bij mijn kruis. "Heel mooi."

We waden het meer in. Het water is, tot mijn verrassing, aangenaam warm. Het reikt tot mijn middel en ik voel een milde tinteling die mijn vermoeidheid verzacht.

Nyssara is onmiddellijk bij me. Ze lijkt geen enkele moeite te doen om door het water te bewegen, maar toch is ze opmerkelijk vlug. Net als Aren toen we hem achtervolgden door Eikhaven. Haar amberkleurige ogen kijken me warm aan. "Je bent vermoeid. Jullie hebben rust nodig," zegt ze, en legt haar zachte, warme handen op mijn schouders.

Ze zet amper druk, maar toch voel ik de spanning uit mijn spieren vloeien onder haar aanraking. Het doet me denken aan Aren, hij had diezelfde intuïtieve kennis van het lichaam. "Is dit een elfending?" vraag ik. "Die handen?"

"We voelen waar de spanning zit," zegt ze. "Het lichaam spreekt zijn eigen taal." Haar vingers glijden van mijn schouders naar mijn borstspieren. "En jouw lichaam zegt interessante dingen."

“Zoals?”

“Zoals dat je graag aangeraakt wil worden.” Ze strijkt zacht over mijn tepels. “Maar dat je jezelf inhoudt. Waarom?”

“Omdat ik niet weet of dit echt is,” zeg ik eerlijk.

Nyssara lacht, een hartelijke, warme lach. “Je hebt ons toch getest?”

“Dat is zo. Maar onze gids waarschuwde ons-”

“Wij zijn echt, Thomas. Zo echt als het water om je heen.” Ze drukt zich tegen me aan. Haar grote borsten drukken zacht tegen mijn borstkas. Haar buik raakt de mijne. Ik voel mijn pik zwellen en tegen haar kruis wrijven. Haar gezicht is dichtbij me. Ze lijkt jong, maar heeft ook een bijna moederlijke warmte over zich. Ik weet even niet wat ik moet zeggen.

Iets verderop in het meer is Ëadris naar Aliya gezwommen. Ze staan tegenover elkaar, het water tot hun borst. Ëadris’ lange, zilverblonde haren drijven op het wateroppervlak als slierten van licht.

“Jij bestudeert oude kennis,” zegt Ëadris tegen Aliya. “Ik zie het aan je handen. Inktvingers. Je leest veel.”

“Ik ben onderzoekster,” bevestigt Aliya. “Ik doe onderzoek naar oude magie en religies.”

“Oude magie,” herhaalt Ëadris geïntrigeerd. Ze brengt haar gezicht dichterbij. “Vertel me meer.”

Terwijl Aliya voorzichtig begint te vertellen over het boek en de cult, laat Ëadris haar hand onder water glijden. Aliya stopt met praten als de elfenvingers haar spleetje vinden.

“Ga door,” zegt Ëadris kalm. “Ik luister.”

Thomas, stuurt Aliya. Ze raakt me aan.

Ik weet het. Nyssara mij ook. Vind je het oké?

Ja… ze is zacht. En voorzichtig. Maar ook heel direct. Een korte pauze. Ze luistert naar mijn verhaal over de cult en ondertussen streelt ze me alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Bij elfen is dat misschien ook normaal.

Nyssara heeft ondertussen haar handen laten zakken naar mijn middel. Onder water strelen haar vingers mijn buik, steeds lager. “Mag ik?” vraagt ze, haar amberkleurige ogen strak op de mijne. Ik hoef niet te vragen wat ze bedoelt.

“Ja,” zeg ik. Mijn lichaam schreeuwt om haar aanraking nu. Geen kans dat ik nog iets anders zou zeggen.

Haar hand sluit zich om mijn halfstijve pik en ik slaak een zucht. Haar vingers zijn slank en sterk, en ze beweegt met een soepele zekerheid. Ze voelt me groeien in haar hand en er verschijnt een tevreden uitdrukking op haar gezicht.

“Groot,” zegt ze bewonderend. “En warm. Is dat door mij?”

“Je bent prachtig, Nyssara,” antwoord ik. Mijn stem klinkt schorser dan ik bedoelde.

Verderop in het meer is Ëadris' hand volledig tussen Aliya's benen verdwenen. Aliya leunt achterover, haar ogen halfgesloten, terwijl de zilverblonde elf haar vingers laat werken. Ëadris' gezicht verraadt geen enkele emotie, maar via het amulet voel ik dat ze intens geniet van Aliya's reacties. Ze vindt het opwindend hoeveel effect haar aanraking op Aliya heeft.

"Je partner geniet," zegt Nyssara in mijn oor. Ze heeft haar hoofd tegen mijn schouder gelegd en kijkt met mij naar Aliya en Ëadris. "Ëadris is heel goed met haar vingers. Ze speelt harp, weet je."

Ik kreun. Nyssara’s hand is meedogenloos, ze varieert haar snelheid precies genoeg om me steeds meer te laten willen. "Jij ook," breng ik uit.

"Dank je." Ze kust mijn wang. "Maar kom. Ik wil meer dan mijn handen gebruiken."

Ze trekt me mee naar de oever en ik volg gedwee. Op een plek waar het water ondiep is en de bodem bedekt met fijn, wit zand duwt ze me op mijn rug. Mijn pik steekt stijf en glanzend boven het wateroppervlak uit. Ze likt haar lippen terwijl ze tussen mijn benen knielt.

Nyssara buigt voorover en neemt mijn eikel in haar mond.

"Oh, fuck," kreun ik. Haar mond is heet en haar tong is bedwelmend. Ze draait langzaam rondjes om mijn eikel en raakt plekjes die gevoeliger lijken dan anders. Ze beweegt langzaam, maar met een intensiteit die me doet duizelen. Ik leg mijn hand op haar achterhoofd en verstrengel mijn vingers in haar natte, gouden lokken. Ik duw haar hoofd zachtjes lager, en ze neemt me gretig dieper in haar keel.

Bij Aliya en Ëadris is de situatie ook geëscaleerd. Ëadris heeft Aliya naar de oever geleid, waar ze op het gras is gaan liggen. De zilverblonde elf knielt tussen haar benen en beft haar met lange, trage halen van haar tong. Aliya's handen grijpen in het gras. Haar rug kromt. Via de ring voel ik haar genot als een warme golf door mijn onderbuik trekken.

Oh, Thomas… haar tong… het is alsof ze precies weet—

Oh, lieverd, hier ook. Nyssara is… Ze zijn ongelooflijk.

Het genot bouwt zich op, laag na laag. Nyssara’s mond op mijn pik, Aliya's genot via de ring, het warme water dat rond mijn benen klotst. Ik voel mijn orgasme naderen als een verre donderslag. Mijn ademhaling versnelt en ik hijg van genot terwijl Nyssara zachtjes aan mijn pik zuigt.

Maar dan stopt ze abrupt. Ze laat mijn pik uit haar mond glippen en kijkt op met een warme, speelse glimlach. "Nog niet," zegt ze. "Ik wil je bewaren."

Ze kruipt over me heen, haar natte lichaam glijdt over het mijne. Ze kust me. Haar mond smaakt naar het heilige meerwater en zoete perziken. Haar tong is zacht en traag, alsof ze alle tijd van de wereld heeft. Ik beantwoord haar zoen gretig en duw mijn heupen omhoog, om mijn pik tegen haar spleetje te wrijven.

"Nyssara," roept Ëadris naar ons. "Komen jullie hier?"

Nyssara pakt mijn hand en ik laat me door haar naar de oever leiden. Daar laat ze mij los en richt zich op Aliya. Nyssara pakt Aliya’s gezicht in haar handen en kust haar vol op de mond. Aliya is verrast, maar beantwoordt de kus. Nyssara’s handen glijden van haar gezicht naar haar borsten, kneden ze, rollen haar tepels tussen haar vingers.

Ëadris trekt me naar haar toe, en ik kom naast haar zitten in het gras. Ze bekijkt me met haar koele, ijsblauwe ogen. Dan strekt ze haar hand uit en strijkt ze een natte lok haar uit mijn gezicht. Het gebaar is verrassend liefdevol voor iemand die zo afstandelijk overkomt. “Jij hebt iets bijzonders,” zegt ze zacht. “Ik begrijp nu waarom het woud jullie heeft toegelaten.”

“Ëadris…”

“Stil.” Ze legt haar vinger op mijn lippen. Dan glijdt haar hand omlaag en sluit zich om mijn pik. Haar aanraking is anders dan die van Nyssara: lichter, zachter, meer plagend. Ze trekt me langzaam af terwijl ze me strak aankijkt, en ik zweer dat ik een hele kleine glimlach op haar lippen zie.

Het is een surreëel tafereel. Twee beeldschone elfenvrouwen die ons verwennen aan de oever van een heilig meer, omringd door oeroud bos. Ëadris’ vingertoppen glijden langzaam over mijn schacht terwijl Nyssara’s mond over Aliya’s borsten dwaalt. Het zonlicht valt in groene bundels door het bladerdak en werpt patronen van schaduw op onze naakte lichamen.

Ëadris’ aanraking is zalig, maar ik wil meer. Ze heeft blijkbaar de hele dag zitten hopen op een man om te neuken? Dan kan ze die krijgen. Ik wil haar. Ik grijp haar hand vast en kijk haar recht aan. “Kom hier,” zeg ik. In een snelle beweging draai ik haar om, leg haar op haar rug in het gras en positioneer me tussen haar benen. Ze laat zich gewillig omdraaien, maar dan legt ze haar hand op mijn borst en schudt haar hoofd.

“Nee,” zegt ze. “Nog even geduld. Mijn zuster wil je eerst voelen.”

Nyssara draait zich naar ons om. “Ja,” zucht ze. “Alsjeblieft, Thomas.” Ze gaat op haar rug liggen, naast Ëadris, en spreidt haar benen wijd, haar ogen groot en hongerig. “Kom hier. Kom in me. Ik wil je zo graag.”

Dat is geen enkel probleem. Om eerlijk te zijn trekt de warme gloed van de goudblonde elf me toch al iets meer. Ik verplaats naar Nyssara en strijk mijn vingers langs haar kutlipjes. Ze is nat, en niet nat van het water van het meer, maar de kleverige natheid van haar opwinding.

“Je wil echt graag,” zeg ik. Ik lik mijn vinger af om haar sappen te proeven. Ze smaakt net zo zoet als haar zoen.

"Ja," hijgt ze. "Alsjeblieft. Laat me niet langer wachten. Neem me."

Ëadris draait zich op haar zij en vleit zich tegen het lichaam van Nyssara aan. Aan haar andere zijde doet Aliya hetzelfde.

Doe het, Thomas, stuurt ze. Neem haar.

Ik plaats mijn eikel voor Nyssara’s spleetje en strijk hem een paar keer tussen haar lippen op en neer. Nyssara slaakt heerlijke kreuntjes. Dan duw ik naar voren en glijd naar binnen. Ze is ongelooflijk strak en heet, en ze slaakt een hoge kreet die door de bomen echoot. Ik begin langzaam te bewegen, genietend van de weerstand. Haar kutje sluit perfect rond mijn gevoelige pik. Nyssara slaat haar benen om mijn rug en trekt me dieper.

"Harder," smeekt ze. "Alsjeblieft."

Ik geef haar wat ze vraagt. Ik neuk haar diep, mijn knieën in het zachte gras. Elke stoot laat de waterdruppels op haar zachte lijf trillen en ontlokt haar een kreun die steeds hoger en wanhopiger klinkt. Haar nagels krassen over mijn rug.

Ëadris’ slanke hand glijdt over Nyssara’s buik omlaag en begint haar klitje te stimuleren terwijl ik in haar beweeg. "Hij neemt je, zuster," zegt Ëadris zacht. "Hij is zo diep in jou."

Nyssara kreunt alleen als antwoord. Ëadris kijkt naar mij op met die ijsblauwe ogen, nu groter en donkerder dan ik ze eerder zag. "Wees niet voorzichtig," zegt ze. "Ze breekt niet."

Ik verhoog mijn tempo in Nyssara terwijl Ëadris haar klitje blijft bewerken. Keer op keer drijf ik mijn pik diep in haar kutje. Aliya laat haar tong over één van Nyssara’s grote, roze tepels gaan. Nyssara kreunt het uit van genot. Ze grijpt mijn billen vast en trekt me bij elke stoot dieper naar binnen.

Als Aliya van likken overgaat naar zuigen, houdt Nyssara het niet meer. Ze laat mijn billen los en werpt haar armen boven haar hoofd. Ze kreunt luid terwijl ze haar rug kromt en haar heupen omhoog duwt. “Ja,” zucht ze. “Ja… Ga door…”

Ëadris pakt Nyssara’s kin met haar vrije hand en fluistert in haar oor. “Hij vult je, zuster. Voel hem. Laat je gaan.”

Nyssara klauwt haar handen in het gras en slaakt een felle kreet. Haar kutje trekt zich samen rond mijn pik. Aliya blijft aan haar tepel zuigen terwijl Nyssara kreunend klaarkomt. Ik blijf langzaam in haar stoten terwijl haar orgasme voortduurt en voortduurt. Als het eindelijk wat afzwakt, stop ik met bewegen om haar even te laten bijkomen. Nyssara hijgt en ontspant haar spieren.

“Nu is het mijn beurt,” zegt Ëadris zwoel. “Ik wil hem in me.”

Ëadris duwt tegen mijn borst. Ik rol opzij en laat me achterover vallen in het gras. Ze kruipt over me heen en plaatst haar heupen boven mijn glimmende pik. Ze zakt heel langzaam een klein beetje omlaag, zodat alleen mijn eikel tussen haar lipjes verdwijnt. Ik sluit mijn ogen en zucht. Ze is nauw en zacht rond mijn gevoelige eikel.

“Oh… Ëadris…” kreun ik.

Ze plaatst haar handen op mijn borst en kijkt me recht aan. “Oh, Thomas… Ik ga je heerlijk laten genieten.”

Ëadris beweegt heel langzaam op en neer, zodat alleen het puntje van mijn pik bij haar naar binnen glijdt. Dan ineens, zonder waarschuwing, laat ze zich volledig zakken. Ik hap naar adem van de plotse intensiteit. Maar voordat ik kan wennen aan het gevoel, tilt ze haar heupen weer op en gaat ze verder met het berijden van alleen het puntje.

Nyssara draait zich naar ons om en legt haar kin op mijn borst, haar voorhoofd tegen mijn wang. “Ze weet wat ze doet, Thomas. Ze heeft eeuwen kunnen oefenen.”

Het komt even bij me binnen. Eeuwen - is ze zo oud? Ze ziet er geen dag ouder uit dan dertig. Misschien is honderd jaar helemaal niet oud voor een elf? Hoe oud worden elfen?

Ëadris duwt haar heupen opnieuw helemaal omlaag en verdrijft de vraag uit mijn hoofd. Weer hap ik naar adem van de intensiteit. Dit keer neemt ze me twee keer diep voordat ze terug gaat naar het plagende ritme.

“Fuck Ëadris! Ja! Ga door!”

Ëadris glimlacht. “Goed zo. Jouw genot voedt het mijne.”

Aliya's handen strelen door mijn haar. Via de ring voel ik hoe opwindend ze het vindt om te zien hoe ik bereden wordt door een elf.

Nyssara gaat overeind zitten. “Ik wil dat je me proeft,” zegt ze. Ze duwt Ëadris iets achterover en knielt aan weerszijden van mijn hoofd. Aliya's handen verdwijnen uit mijn haar. Ik kijk nu recht omhoog in Nyssara’s druipende kutje, dat ze langzaam laat zakken tot ik helemaal niks meer kan zien. Ik strek mijn tong uit en zoek haar klitje. Langzaam begin ik haar te likken, met lange halen, terwijl Ëadris me nu met continue diepe halen aan het neuken is. Haar smaak is bedwelmend. Het lijkt op geen enkele menselijke vrouw die ik ooit heb gebeft. Ze is zoet, erg zoet. Ze smaakt naar honing en perziken en stroop.

“Zo gretig,” hoor ik Ëadris zeggen, met een plagende ondertoon in haar zangerige stem.

“Je onderschat dit, zuster,” antwoordt Nyssara van boven mij. Ze zucht diep. “Hij is goed.”

“Geniet ervan,” zegt Ëadris. “Maar ik zal hier nog veel langer van genieten.”

Ëadris verhoogt haar tempo. Haar heupen slaan nu hard omlaag. Mijn pik verdwijnt diep in haar bij elke beweging. Haar spieren trekken samen rond mijn lul en proberen me leeg te trekken. Het is bijna te veel. Mijn hele zicht wordt ontnomen door de brede heupen van Nyssara, de zoete smaak van haar kutsappen vullen mijn mond, en Ëadris neukt me op een driftig tempo.

Thomas?

Aliya's nuchtere stem klinkt in mijn hoofd.

Thomas, ze zijn alleen bezig met jou.

Ik stop met beffen en open mijn ogen, maar ik zie bijna niks. Alleen een klein beetje van de blauwe lucht langs Nyssara’s heupen.

Waar ben je? stuur ik.

Naast je. Niet ver. Maar ze hebben geen oog meer voor mij. Ik ben niet jaloers, maar is het niet gek?

Nyssara drukt haar heupen omlaag, zoekend naar mijn tong. “Ga door, Thomas…” smeekt haar melodieuze stem.

Ja. Dat is raar, stuur ik.

Ik vind het ook raar. Ze begonnen met ons allebei. Ëadris was ongelooflijk. Maar zodra het neuken begon—

Ineens voel ik dat Ëadris van mijn heupen af beweegt. Mijn pik glijdt uit haar warme kutje en steekt trillend omhoog in de lucht.

“Sorry,” hoor ik haar stem. “De honger overvalt ons soms.”

Nyssara tilt één been op en klimt ook van me af. Ik kan weer zien. Ëadris is naar Aliya bewogen, die inderdaad niet ver van me af zit. Ze heeft op haar billen in het gras met haar armen om haar knieën geslagen. Ëadris pakt haar hand vast. “Het is de bedoeling dat jullie beide genieten. We waren te veel met onszelf bezig. Kom, Aliya, ga naast Thomas liggen.”

Dat is vreemd - de elfen leken te reageren op gedachten die we niet hardop hadden uitgesproken. Ze kunnen toch niet horen wat wij telepathisch met elkaar delen? Maar Nyssara’s blik staat nog steeds geil, niet schuldbewust, alsof er niks aan de hand is. En zij konden Aliya natuurlijk wel zien. Misschien zagen ze gewoon op hetzelfde moment dat Aliya er een beetje verloren bij zat.

Aliya komt naast me liggen. Mijn eerste zorg is dat zij oké is. Dat ze zich niet buitengesloten voelt. Ik draai me naar haar toe, leg mijn hand op haar wang en kijk in haar ogen.

"Hé," zeg ik.

"Hé," fluistert ze terug.

Ik pak haar hand vast en vlecht mijn vingers door de hare.

Ben je oké? vraag ik.

Ja, zeker. Ik meen het, ik ben niet jaloers. Ik vond het gewoon gek. Hoe ze alleen op jou gericht waren.

Dat wil ik ook niet, antwoord ik. We zijn een team. Altijd.

Nyssara heeft zich tussen mijn benen genesteld en kust de binnenkant van mijn dij, werkt langzaam omhoog. Mijn pik is iets slapper geworden door mijn bezorgdheid om Aliya, maar wordt al snel weer stijf als ik haar wang tegen mijn ballen voel strijken en ze daarna kusjes plant op mijn schacht.

Ëadris is ondertussen met Aliya bezig. Ze streelt haar benen, buik, en haar spleetje. Aliya slaakt een diepe zucht.

Dit is beter, stuurt ze me.

Tegelijkertijd - ik voel het via de ringen - neemt Nyssara mijn eikel tussen haar lippen en laat Ëadris haar tong over Aliya’s spleetje gaan. De dubbele sensatie is zalig. Maar ik ben alleen bezig met Aliya. We liggen hand in hand en kijken elkaar aan, onze gezichten tegen elkaar gedrukt.

Van zo dichtbij kan ik elk detail van Aliya's gezicht zien. De sproetjes op haar neus, de donkere kringen onder haar ogen van de korte nacht, de manier waarop haar lippen van elkaar wijken bij elke beweging van Ëadris’ tong.

Ze is prachtig.

Ik kus haar. Onze lippen vinden elkaar terwijl de twee beeldschone elfen ons verwennen. Aliya kreunt in mijn mond. Via de ring voel ik wat Ëadris met haar doet, de natte warmte van haar tong, de precisie waarmee ze cirkelt rond haar klitje. En Aliya voelt wat Nyssara met mij doet, de zachte vingers die me strak en ritmisch aftrekken, haar warme mond die over mijn eikel glijdt.

We hoeven niets te doen. Alleen elkaar vasthouden.

"Ik ben bij je. Ik hou van je," fluister ik tegen haar lippen.

"Ik hou ook van jou," fluistert ze terug.

Het genot bouwt zich op, van twee kanten tegelijk. Mijn eigen opwinding en die van Aliya, gestapeld via de ring, versterkt door de twee elfen. Het is als een tij dat opkomt, onvermijdelijk, overweldigend.

Ik knijp in haar hand. Ze knijpt terug. Hard.

"Ik ga komen," hijgt ze.

"Ik ook."

We kijken in elkaars ogen op het moment dat ons gezamenlijke orgasme doorbreekt. Aliya's ogen worden wijd, haar mond opent zich, haar rug kromt. Via de ring slaat haar orgasme als een schokgolf door mij heen en laat mijn eigen climax ontploffen. Ik kreun luid terwijl mijn zaad over Nyssara's hand en mijn buik spuit, golf na golf, synchroon met de genotsgolven die ik voel in Aliya's onderbuik. Ze schokt naast me, haar hand klemt om de mijne, ze maakt een geluid dat ergens tussen een lach en een snik in zit.

Het duurt lang. Langer dan normaal. De golven van genot ebben langzaam weg, mijn hartslag klinkt als een trom in mijn oren.

We liggen stil. Hand in hand. Het meer kabbelt. Een vogel zingt ergens in de verte - het eerste vogelgeluid dat ik in dit woud hoor.

Ik draai mijn hoofd om naar Nyssara.

Ze is weg.

Ik schiet omhoog. Het gras om ons heen is leeg. Het meer is leeg. Nyssara en Ëadris, hun gouden en zilveren haren, hun lach, hun aanraking, hun tong… opgelost in het niets. Alsof ze er nooit zijn geweest.

Hoe kan dit? Ze waren er echt! Ik voelde ze met het amulet! Het amulet kan me niet bedrogen hebben. Toch?

"Wat—" begint Aliya. Ze grijpt mijn arm.

De lucht trilt, als het draaien van een sleutel in een slot.

Ineens zijn we niet meer alleen.

Tien, misschien twaalf elfenvrouwen. Uit het niets verschenen, alsof ze zich losmaken uit de schaduwen van de bomen. Hun gezichten zijn beschilderd met donkere, geometrische patronen. Oorlogsverf. Ze dragen krijgersoutfits van leer en bladeren die hun vitale delen bedekken maar tegelijk hun lenige, gespierde lichamen grotendeels ontbloot laten.

Ik kijk recht in hun speerpunten.

"Beweeg niet!" snauwt de voorste krijger. Ze is groot, zeker langer dan ik, met halflang donker haar en een litteken dat van haar linkeroor naar haar kaak loopt. Haar speer is centimeters van mijn borst.

Ik verstijf. We zijn naakt, nat, en weerloos. Onze kleding en onze tassen liggenbij de oever, buiten bereik.

"Jullie bevinden je op verboden terrein," zegt de krijger. Haar stem is vlak als ijs. "Jullie dragen verboden magie. Sta op. Handen waar ik ze kan zien."

"We komen in vre—" begin ik.

"STIL." De punt van haar speer prikt in mijn borstbeen. "Jullie komen mee. De Elf-Moeder zal over jullie oordelen."

Vier krijgers stappen naar voren en trekken ons ruw overeind. Anderen rapen onze kleding en tassen op. Ze vormen een formatie om ons heen en duwen ons het bos in. Ik kijk Aliya verdwaasd aan. Wat is dit? Wat nu?

-

Op het moment schrijf ik ongeveer één hoofdstuk per week. Als je het volgende hoofdstuk niet wil missen, kun je je abonneren op mijn profielpagina: Meneer de Heer.
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Klik hier voor meer...
Klik hier voor meer...