Door: Leen
Datum: 21-02-2026 | Cijfer: 9 | Gelezen: 491
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 6
Trefwoord(en): Creampie, Dwang, Inbreker, Neuken, Verkracht,
Lengte: Lang | Leestijd: 19 minuten | Lezers Online: 6
Trefwoord(en): Creampie, Dwang, Inbreker, Neuken, Verkracht,
Het is 03:17 uur wanneer Britt wakker schrikt. Haar ogen vliegen open en staren wijd de duisternis in, terwijl haar lichaam in een kramp schiet. De stilte in de slaapkamer voelt plotseling zwaar en geladen. Buiten ranselt de regen in vlagen tegen het glas, een vertrouwd, ruisend geluid dat haar normaal gesproken in slaap wiegt. Nu maskeert het de geluiden binnen. Iets subtiels heeft haar uit haar diepe slaap gerukt. Een verandering in de luchtdruk in huis. Een trilling die door de muren trok. Een verschuiving in de atmosfeer die haar reptielenbrein eerder oppikte dan haar bewustzijn.
Ze ligt doodstil, haar handen verkrampt in het laken. Ze slikt moeizaam, bang dat het geluid in haar keel als een donderslag zal klinken in de stille kamer. Haar hart bonst pijnlijk traag en hard tegen haar ribben, elke slag dreunt dof in haar oren als een naderende voetstap. Het is de wind, probeert ze zichzelf wijs te maken. Het huis werkt door de kou. Ze spitst haar oren, filtert het geluid van de regen weg en zoekt naar een bevestiging van haar veiligheid. Seconden tikken voorbij. Tien. Twintig. Dan hoort ze het. Vlakbij. Een zacht, slepend geluid op het tapijt van de overloop. En direct daarna: Kraak. Het onmiskenbare, droge kraken van de houten vloerplank halverwege de gang. Die ene plank die kraakt als je er met je volle gewicht op staat. Het geluid van een mens.
Iemand is in huis. En die iemand staat nu voor haar slaapkamerdeur. De paniek slaat toe als een ijskoude golf die haar longen bevriest en haar bloed doet stollen. Een misselijkmakende golf van adrenaline spoelt door haar aderen. Haar blik schiet naar het nachtkastje, waar haar telefoon ligt. Het scherm is zwart. Het ligt nog geen halve meter bij haar vandaan, maar de afstand lijkt onoverbrugbaar. Elke beweging zal haar verraden. Het bed zal kraken. Het ritselen van het dekbed zal haar aanwezigheid bevestigen. Ze is verlamd door de oerangst van een prooi dat weet dat het roofdier nabij is. Ze houdt haar adem in tot haar longen branden.
Ze ziet de kier onder de deur. Het is donker op de gang, maar ze ziet een schaduw die verschuift, een onderbreking in de minieme lichtinval van het straatlantaarnlicht door het raam op de overloop. De schaduw stopt. Hij staat stil. Hij luistert. Net zoals zij luistert. Een ondraaglijke stilte volgt. Twee mensen, gescheiden door een dunne houten deur, voelen elkaars aanwezigheid. Hij weet dat ze wakker is. Hij hoort haar hartslag.
Dan, tergend langzaam, ziet ze de klink bewegen. Het zilverkleurige metaal wordt met uiterste voorzichtigheid naar beneden gedrukt. Millimeter voor millimeter. Een gecontroleerde, bijna liefdevolle beweging. Britt wil gillen. Ze wil "Ga weg!" schreeuwen, of "Ik heb de politie gebeld!", maar haar stembanden zijn veranderd in steen. Ze kan alleen maar staren naar die klink die haar lot bezegelt. De klink bereikt zijn laagste punt. Er klinkt een zachte klik van het mechanisme. De deur wijkt. De scharnieren, die ze al weken wilde oliën, piepen zachtjes, een langgerekt, klagend geluid dat door merg en been gaat. De kier wordt breder. De duisternis van de gang vloeit de slaapkamer in.
In de deuropening staat een silhouet. Hij is groot. Zijn brede schouders vullen de opening bijna volledig en blokkeren het weinige licht van de gang. Hij is van top tot teen in het donker gekleed, contouren vervagen in de schaduw, waardoor hij lijkt op een monster uit een nachtmerrie. Hij draagt een bivakmuts. Britt opent haar mond. Ze wil de stilte aan diggelen slaan. Haar mond vormt de klank, haar middenrif trekt samen, maar het geluid blijft steken. Er komt niets uit dan een ijl, verstikt piepen. De angst heeft haar stembanden volledig op slot gedraaid.
De man blijft een seconde staan. Hij ziet haar. Hij ziet haar ogen, die witte cirkels van pure terreur in het donker. Hij ziet haar mond die open en dicht gaat zonder geluid. Dan komt hij in beweging. Hij beweegt met een angstaanjagende snelheid op haar af. Eén grote, geruisloze stap brengt hem halverwege de kamer. De vloerplanken kraken nauwelijks onder zijn gewicht. Britt probeert achteruit te krabbelen, haar hielen graven in het matras, haar rug drukt tegen het koude hoofdbord, maar de muur blokkeert haar vluchtroute. Ze zit als een rat in de val. Een tweede stap. Hij torent nu boven het voeteneind uit, een donkere muur die de ruimte opslokt. Ze ziet de glinstering van zijn ogen door de gaten van het masker. Ze zijn op haar gericht. Een derde stap. Hij staat naast het bed. Hij duikt. Het is een gecontroleerde aanval. Zijn volle gewicht stort zich op haar. Het matras veert diep in en Britt wordt met brute kracht teruggedrukt in de kussens. De lucht wordt in één keer uit haar longen geperst.
Een immense hand, gehuld in nat, koud leer, klemt zich onmiddellijk over haar mond en neus. De grip is genadeloos hard; ze voelt de duim in haar wang drukken, de vingers graven in haar kaaklijn. Het leer smaakt zout en naar metaal. "Sst," fluistert hij. Zijn stem klinkt als een laag, rauw raspen vlak bij haar oor, vervormd door de stof van het masker. "Geen geluid."
Britt spartelt tegen, een reflex van pure overleving. Ze trapt met haar benen onder het zware donzen dekbed, haar nagels klauwen in zijn pols, proberen die hand weg te trekken. Maar hij is te sterk en te zwaar. Hij is een blok beton. Hij leunt met zijn volle gewicht op haar, zijn brede borstkas drukt haar plat, zijn heupen pinnen de hare vast op het matras. Ze ligt muurvast. Ze ruikt hem nu heel dichtbij: natte regenjas, koud leer en daaronder de geur van een man – een vleugje muskus en zeep. Hij ruikt gecontroleerd. Koud. "Als je gilt," fluistert hij kalm, bijna sussend, terwijl hij de druk op haar mond iets opvoert, "dan snoer ik je de mond. Definitief. Begrepen?"
Zijn ogen, zichtbaar door de gaten van het masker, staren haar aan van centimeters afstand. Ze zijn donker en intens. Dit is iemand met een plan. Britt staart terug, tranen van pure doodsangst lopen uit haar ooghoeken en verdwijnen in het leer van zijn handschoen. Ze knikt, een kleine, trillende beweging van haar hoofd. Langzaam, tergend langzaam, haalt hij zijn hand van haar mond. Britt hapt naar adem, snakt naar zuurstof, haar borstkas gaat wild op en neer tegen de zijne. Ze houdt haar mond stijf dicht, doodsbang dat de hand terugkomt. Zijn hand blijft waar hij is. Hij laat de leren handschoen langs haar keel glijden, over haar sleutelbeen, naar de halslijn van haar satijnen nachthemd. De aanraking is koud en vreemd, een schril contrast met haar verhitte huid.
"Alsjeblieft," fluistert Britt, haar stem gebroken en nauwelijks hoorbaar. "Doe me niks. Alsjeblieft." De man zwijgt. Hij kijkt alleen maar. Zijn hand rust zwaar op haar borstbeen, voelt haar hart als een razende tekeergaan. "Ik heb geld," probeert ze wanhopig. Ze struikelt over haar woorden. "Beneden. Op de keukentafel ligt mijn portemonnee. Er zit zeker honderd euro in. En mijn creditcards... je mag de pincodes hebben. Ik schrijf ze voor je op." Ze ratelt maar door, hopend dat een aanbod hem zal doen verdwijnen. "Mijn laptop ligt in de woonkamer. Hij is gloednieuw. Neem hem mee. Neem de auto, de sleutels liggen op het dressoir. Neem alles, ik zweer dat ik niks zal zeggen. Ga gewoon weg." De man laat een zacht, snuivend geluid horen. Het klinkt als minachting. "Honderd euro," herhaalt hij langzaam. Zijn stem is laag, vervormd door de bivakmuts. "En een tweedehands laptop." Hij schudt zijn hoofd, een kleine beweging in het donker. "Denk je echt dat ik door dit hondenweer naar buiten ben gekomen, dat ik het risico neem om ingerekend te worden, voor een paar tientjes en een auto die ze morgen toch traceren?"
Britt valt stil. De koude angst in haar maag trekt zich samen tot een misselijkmakende knoop. Ze ziet het in zijn ogen. Hij negeert de kamer. Hij negeert de mogelijke waardevolle spullen. Hij kijkt naar haar. Zijn blik glijdt van haar betraande ogen naar haar mond, en zakt dan lager, naar haar hals, naar de ronding van haar borsten die zwaar en snel bewegen onder het dunne satijn. "Ik heb geen geld nodig, Britt," zegt hij zacht.
Het horen van haar naam uit die anonieme mond is de genadeklap. De wereld om haar heen vertraagt. Hij weet wie ze is. In een flits schieten er gezichten door haar hoofd, een koortsachtige parade van verdachten. Is het die man van de sportschool die altijd net iets te lang naar haar squat kijkt? Is het die klant van vorige week die vroeg hoe laat ze klaar was met werken? Of is het toch de buurman, die stille man die ze soms achter zijn gordijnen ziet bewegen als ze thuiskomt? Ze probeert wanhopig zijn stem te plaatsen, die lage, rauwe klank te koppelen aan een herinnering, maar de bivakmuts en het gefluister maken hem onherkenbaar. Het kan iedereen zijn. Een bekende die haar al die tijd al wilde hebben, of een vreemde die haar wekenlang heeft gestalkt vanuit de schaduwen. De onzekerheid is nog angstaanjagender dan de waarheid. Hij is hier specifiek voor haar. "Wat... wat wil je dan?" stamelt ze, hoewel ze het antwoord diep van binnen al weet. Ze wil het alleen niet horen. Ze wil dat hij liegt.
Zijn hand verlaat haar borstbeen en glijdt langzaam omhoog naar haar keel. Hij omsluit haar hals, niet om haar te wurgen, maar om haar vast te houden. Zijn duim strijkt over haar slagader, voelt de razende hartslag. "Ik stond al een uur in je tuin," zegt hij, en zijn stem wordt lager, dwingender. "In de regen. Te kijken naar je slaapkamerraam. Wachtend tot het licht uitging. Wachtend tot jij in bed lag." Hij buigt zich dichterbij. Ze voelt zijn adem door de wol van het masker. "Ik ben hier voor iets anders," zegt hij. "Ik ben hier om te nemen wat ik echt wil."
Het besef is verlammend. Britts ogen worden groot van schrik. "Nee," hijgt ze. "Nee, alsjeblieft niet." Hij negeert haar verzet. Zijn hand verlaat haar keel en grijpt de halslijn van haar satijnen nachthemd vast. Met een brute, krachtige ruk trekt hij zijn arm terug. Rrrts. Het geluid van scheurende stof is fel en scherp in de stille kamer. Het dunne satijn begeeft het onder zijn kracht en scheurt open van haar hals tot aan haar navel. De koude lucht slaat op haar blote huid. Britt ligt plotseling met haar bovenlichaam volledig ontbloot, haar borsten deinen hulpeloos in de open lucht, haar tepels verharden onmiddellijk door de kou en de schok. "Kijk eens aan," zegt hij, terwijl hij zijn blik hongerig over haar naakte huid laat gaan. "Dat is beter."
Hij laat zijn handen - nog steeds met die leren handschoenen aan - over haar blote borsten glijden. Het leer is koud en ruw op haar zachte, warme huid. Hij kneedt haar borsten, bezitterig en hardhandig. Britt sluit haar ogen, een stille bede dat dit een nachtmerrie is, maar de sensatie van het koude leer op haar tepels is gruwelijk echt. Met zijn andere hand duwt hij haar knieën met dwingende kracht uit elkaar. Hij positioneert zich tussen haar benen, zijn zware spijkerbroek ruw tegen de zachte huid van haar dijen.
Zijn hand verlaat haar borsten en vindt haar kruis. Hij drukt zijn vingers tegen de stof van haar slipje. Hij is ruw. Hij duwt, hij voelt, hij claimt. "Je bent nat," stelt hij vast. Er klinkt een donkere tevredenheid in zijn stem. "Doodsbang en kletsnat." De schaamte brandt op haar wangen, heter dan de angst. "Nee," hijgt ze, een zwakke, zinloze ontkenning. "Lieg niet tegen me," zegt hij streng. Hij wrijft over de vochtige plek, hard en ritmisch. "Je lichaam weet al wat er gaat gebeuren, Britt. Nog voordat je geest het heeft geaccepteerd." De woorden snijden door haar heen. Hij heeft gelijk. De angst voor de inbraak, voor de pijn, mengt zich op een ziekelijke, verwarrende manier met de sensatie van totale overgave aan deze indringer. De keuze is haar ontnomen, en haar lichaam reageert op die machteloosheid.
Hij maakt zijn riem los. Het gerinkel van de metalen gesp is het enige geluid in de kamer, naast de regen die onophoudelijk tegen het raam slaat. Het klinkt als een vonnis. Hij trekt haar slipje opzij. Ruw. De stof scheurt een beetje bij de naad. "Kijk me aan," beveelt hij. Britt opent haar ogen. In het donker ziet ze alleen zijn contouren en die glinsterende, roofdierachtige ogen achter het masker. Ze zoekt naar menselijkheid, naar genade, maar vindt alleen lust. Hij dringt bij haar binnen. Zonder voorspel, zonder tederheid. Hij gebruikt alleen haar eigen vocht en zijn brute kracht. Hij vult haar volledig, rekt haar genadeloos op. Britt hapt naar adem, haar rug trekt hol van de schok. Ze wil gillen van de pijn en de invasie, maar ze durft niet. Ze bijt op haar lip tot ze bloed proeft. Het doet pijn, een scherpe, brandende pijn, maar daaronder zit een siddering die grenst aan extase. Hij neemt haar met een vanzelfsprekendheid die haar eigen wil volledig uitschakelt. De keuze is voor haar gemaakt.
Hij begint te bewegen. Langzame, diepe stoten die haar diep in het matras duwen. Hij pakt haar polsen vast en pint ze met één hand boven haar hoofd vast op het kussen. Zijn andere hand omvat haar keel, net hard genoeg om haar te laten voelen wie de baas is, net zacht genoeg om haar te laten ademen. "Je bent van mij vannacht," grist hij in haar oor. "Niemand hoort je. Niemand redt je. Je bent alleen met mij." De woorden werken als een drug. Britt stopt met denken. De ratio schakelt uit. Ze wordt puur lichaam, puur gevoel. Ze begint mee te bewegen, duwt haar heupen instinctief tegen de zijne, kreunt zachtjes op het ritme van zijn stoten. De angst smelt tot een brandstof voor een allesverslindende lust om genomen te worden, gebruikt te worden door deze schim.
Hij voelt haar verandering. Hij versnelt. Het leer van zijn handschoen wrijft tegen haar hals, zijn lichaam klapt hard tegen het hare. Het is dierlijk, rauw en zonder enige vorm van romantiek. Britt voelt de spanning in haar onderbuik opbouwen tot een onhoudbaar punt. De situatie – de inbraak, het gevaar, de totale dominantie – duwt haar over de rand. Ze balanceert op het koord tussen paniek en orgasme. "Alstublieft," smeekt ze, en ze weet zelf niet eens of ze smeekt dat hij stopt of dat hij harder doorgaat. Hij begrijpt het. Hij stoot harder, dieper, raakt haar kern. Ze komt klaar met een gesmoorde, rauwe kreet. Haar lichaam schokt en verkrampt onder hem, golven van genot spoelen de laatste restjes verzet weg.
Hij vangt haar orgasme op, rijdt erop mee, en stoot zichzelf met een paar laatste, genadeloze, diepe halen in haar tot ook hij grommend klaarkomt. Hij stort zich in haar, zwaar en hijgend, haar volledig claimend. Op het moment dat ze de warme schokken van zijn zaad diep in haar binnenste voelt, schiet er een nieuwe, ijskoude flits van paniek door haar benevelde brein. "Nee," jammert ze zachtjes, tranen bengelen over haar wangen. "Ik neem de pil niet." De man blijft liggen. Hij reageert direct. In plaats van te schrikken, voelt ze zijn borstkas schokken in een kort, sardonisch lachje. "Oeps," fluistert hij in haar oor, terwijl hij de laatste restjes zaad in haar achterlaat. "Te laat."
Hij blijft nog even liggen, zijn gewicht drukt op haar borstkas. Britt hijgt, haar hart probeert uit haar ribbenkast te breken, het zweet koelt langzaam af op haar huid. De realiteit begint weer binnen te sijpelen. De inbreker. De daad. De schaamte. En nu, die nieuwe, stille angst die in haar buik groeit. Dan trekt hij zich terug. De leegte die hij achterlaat in haar lichaam voelt koud en pijnlijk aan. Hij staat op naast het bed. Hij ritst zijn broek dicht en trekt zijn leren handschoenen strak, alsof hij zich klaarmaakt om weer naar buiten te gaan, de regen in.
Britt ligt verlamd in de rommel van haar beddengoed, haar nachthemd omhooggeschoven en opengescheurd, haar benen gespreid. Ze kijkt naar hem, bang voor wat er nu komt. Zal hij haar vermoorden? Bedreigen? Hij loopt naar de deur. Daar stopt hij. Hij draait zich om en kijkt over zijn schouder. "De achterdeur was open," zegt hij met diezelfde lage, onherkenbare stem. "Volgende keer beter op slot doen, Britt. Tenzij je wilt dat ik terugkom." Dan is hij weg. Ze hoort zijn voetstappen op de trap, zacht en beheerst, totaal niet gehaast. Het geluid van de achterdeur die zachtjes in het slot klikt. Britt blijft alleen achter in het donker. De regen klettert nog steeds tegen het raam, alsof er niets gebeurd is. Ze weet dat ze de politie moet bellen. Ze weet dat ze bang moet zijn, dat ze moet huilen. Maar terwijl ze haar hand langzaam naar beneden laat glijden, naar de plek waar ze nog steeds vochtig en gevoelig is van zijn geweld, voelt ze alleen maar een naschok van pure elektriciteit. En de angstaanjagende, verwarrende gedachte dat ze de deur morgen misschien weer vergeet.
- - -
Meer kortverhalen lezen? Check mijn prodielpagina voor meer. Vergeet je ook niet in te schrijven voor de nieuwsbrief.
Ze ligt doodstil, haar handen verkrampt in het laken. Ze slikt moeizaam, bang dat het geluid in haar keel als een donderslag zal klinken in de stille kamer. Haar hart bonst pijnlijk traag en hard tegen haar ribben, elke slag dreunt dof in haar oren als een naderende voetstap. Het is de wind, probeert ze zichzelf wijs te maken. Het huis werkt door de kou. Ze spitst haar oren, filtert het geluid van de regen weg en zoekt naar een bevestiging van haar veiligheid. Seconden tikken voorbij. Tien. Twintig. Dan hoort ze het. Vlakbij. Een zacht, slepend geluid op het tapijt van de overloop. En direct daarna: Kraak. Het onmiskenbare, droge kraken van de houten vloerplank halverwege de gang. Die ene plank die kraakt als je er met je volle gewicht op staat. Het geluid van een mens.
Iemand is in huis. En die iemand staat nu voor haar slaapkamerdeur. De paniek slaat toe als een ijskoude golf die haar longen bevriest en haar bloed doet stollen. Een misselijkmakende golf van adrenaline spoelt door haar aderen. Haar blik schiet naar het nachtkastje, waar haar telefoon ligt. Het scherm is zwart. Het ligt nog geen halve meter bij haar vandaan, maar de afstand lijkt onoverbrugbaar. Elke beweging zal haar verraden. Het bed zal kraken. Het ritselen van het dekbed zal haar aanwezigheid bevestigen. Ze is verlamd door de oerangst van een prooi dat weet dat het roofdier nabij is. Ze houdt haar adem in tot haar longen branden.
Ze ziet de kier onder de deur. Het is donker op de gang, maar ze ziet een schaduw die verschuift, een onderbreking in de minieme lichtinval van het straatlantaarnlicht door het raam op de overloop. De schaduw stopt. Hij staat stil. Hij luistert. Net zoals zij luistert. Een ondraaglijke stilte volgt. Twee mensen, gescheiden door een dunne houten deur, voelen elkaars aanwezigheid. Hij weet dat ze wakker is. Hij hoort haar hartslag.
Dan, tergend langzaam, ziet ze de klink bewegen. Het zilverkleurige metaal wordt met uiterste voorzichtigheid naar beneden gedrukt. Millimeter voor millimeter. Een gecontroleerde, bijna liefdevolle beweging. Britt wil gillen. Ze wil "Ga weg!" schreeuwen, of "Ik heb de politie gebeld!", maar haar stembanden zijn veranderd in steen. Ze kan alleen maar staren naar die klink die haar lot bezegelt. De klink bereikt zijn laagste punt. Er klinkt een zachte klik van het mechanisme. De deur wijkt. De scharnieren, die ze al weken wilde oliën, piepen zachtjes, een langgerekt, klagend geluid dat door merg en been gaat. De kier wordt breder. De duisternis van de gang vloeit de slaapkamer in.
In de deuropening staat een silhouet. Hij is groot. Zijn brede schouders vullen de opening bijna volledig en blokkeren het weinige licht van de gang. Hij is van top tot teen in het donker gekleed, contouren vervagen in de schaduw, waardoor hij lijkt op een monster uit een nachtmerrie. Hij draagt een bivakmuts. Britt opent haar mond. Ze wil de stilte aan diggelen slaan. Haar mond vormt de klank, haar middenrif trekt samen, maar het geluid blijft steken. Er komt niets uit dan een ijl, verstikt piepen. De angst heeft haar stembanden volledig op slot gedraaid.
De man blijft een seconde staan. Hij ziet haar. Hij ziet haar ogen, die witte cirkels van pure terreur in het donker. Hij ziet haar mond die open en dicht gaat zonder geluid. Dan komt hij in beweging. Hij beweegt met een angstaanjagende snelheid op haar af. Eén grote, geruisloze stap brengt hem halverwege de kamer. De vloerplanken kraken nauwelijks onder zijn gewicht. Britt probeert achteruit te krabbelen, haar hielen graven in het matras, haar rug drukt tegen het koude hoofdbord, maar de muur blokkeert haar vluchtroute. Ze zit als een rat in de val. Een tweede stap. Hij torent nu boven het voeteneind uit, een donkere muur die de ruimte opslokt. Ze ziet de glinstering van zijn ogen door de gaten van het masker. Ze zijn op haar gericht. Een derde stap. Hij staat naast het bed. Hij duikt. Het is een gecontroleerde aanval. Zijn volle gewicht stort zich op haar. Het matras veert diep in en Britt wordt met brute kracht teruggedrukt in de kussens. De lucht wordt in één keer uit haar longen geperst.
Een immense hand, gehuld in nat, koud leer, klemt zich onmiddellijk over haar mond en neus. De grip is genadeloos hard; ze voelt de duim in haar wang drukken, de vingers graven in haar kaaklijn. Het leer smaakt zout en naar metaal. "Sst," fluistert hij. Zijn stem klinkt als een laag, rauw raspen vlak bij haar oor, vervormd door de stof van het masker. "Geen geluid."
Britt spartelt tegen, een reflex van pure overleving. Ze trapt met haar benen onder het zware donzen dekbed, haar nagels klauwen in zijn pols, proberen die hand weg te trekken. Maar hij is te sterk en te zwaar. Hij is een blok beton. Hij leunt met zijn volle gewicht op haar, zijn brede borstkas drukt haar plat, zijn heupen pinnen de hare vast op het matras. Ze ligt muurvast. Ze ruikt hem nu heel dichtbij: natte regenjas, koud leer en daaronder de geur van een man – een vleugje muskus en zeep. Hij ruikt gecontroleerd. Koud. "Als je gilt," fluistert hij kalm, bijna sussend, terwijl hij de druk op haar mond iets opvoert, "dan snoer ik je de mond. Definitief. Begrepen?"
Zijn ogen, zichtbaar door de gaten van het masker, staren haar aan van centimeters afstand. Ze zijn donker en intens. Dit is iemand met een plan. Britt staart terug, tranen van pure doodsangst lopen uit haar ooghoeken en verdwijnen in het leer van zijn handschoen. Ze knikt, een kleine, trillende beweging van haar hoofd. Langzaam, tergend langzaam, haalt hij zijn hand van haar mond. Britt hapt naar adem, snakt naar zuurstof, haar borstkas gaat wild op en neer tegen de zijne. Ze houdt haar mond stijf dicht, doodsbang dat de hand terugkomt. Zijn hand blijft waar hij is. Hij laat de leren handschoen langs haar keel glijden, over haar sleutelbeen, naar de halslijn van haar satijnen nachthemd. De aanraking is koud en vreemd, een schril contrast met haar verhitte huid.
"Alsjeblieft," fluistert Britt, haar stem gebroken en nauwelijks hoorbaar. "Doe me niks. Alsjeblieft." De man zwijgt. Hij kijkt alleen maar. Zijn hand rust zwaar op haar borstbeen, voelt haar hart als een razende tekeergaan. "Ik heb geld," probeert ze wanhopig. Ze struikelt over haar woorden. "Beneden. Op de keukentafel ligt mijn portemonnee. Er zit zeker honderd euro in. En mijn creditcards... je mag de pincodes hebben. Ik schrijf ze voor je op." Ze ratelt maar door, hopend dat een aanbod hem zal doen verdwijnen. "Mijn laptop ligt in de woonkamer. Hij is gloednieuw. Neem hem mee. Neem de auto, de sleutels liggen op het dressoir. Neem alles, ik zweer dat ik niks zal zeggen. Ga gewoon weg." De man laat een zacht, snuivend geluid horen. Het klinkt als minachting. "Honderd euro," herhaalt hij langzaam. Zijn stem is laag, vervormd door de bivakmuts. "En een tweedehands laptop." Hij schudt zijn hoofd, een kleine beweging in het donker. "Denk je echt dat ik door dit hondenweer naar buiten ben gekomen, dat ik het risico neem om ingerekend te worden, voor een paar tientjes en een auto die ze morgen toch traceren?"
Britt valt stil. De koude angst in haar maag trekt zich samen tot een misselijkmakende knoop. Ze ziet het in zijn ogen. Hij negeert de kamer. Hij negeert de mogelijke waardevolle spullen. Hij kijkt naar haar. Zijn blik glijdt van haar betraande ogen naar haar mond, en zakt dan lager, naar haar hals, naar de ronding van haar borsten die zwaar en snel bewegen onder het dunne satijn. "Ik heb geen geld nodig, Britt," zegt hij zacht.
Het horen van haar naam uit die anonieme mond is de genadeklap. De wereld om haar heen vertraagt. Hij weet wie ze is. In een flits schieten er gezichten door haar hoofd, een koortsachtige parade van verdachten. Is het die man van de sportschool die altijd net iets te lang naar haar squat kijkt? Is het die klant van vorige week die vroeg hoe laat ze klaar was met werken? Of is het toch de buurman, die stille man die ze soms achter zijn gordijnen ziet bewegen als ze thuiskomt? Ze probeert wanhopig zijn stem te plaatsen, die lage, rauwe klank te koppelen aan een herinnering, maar de bivakmuts en het gefluister maken hem onherkenbaar. Het kan iedereen zijn. Een bekende die haar al die tijd al wilde hebben, of een vreemde die haar wekenlang heeft gestalkt vanuit de schaduwen. De onzekerheid is nog angstaanjagender dan de waarheid. Hij is hier specifiek voor haar. "Wat... wat wil je dan?" stamelt ze, hoewel ze het antwoord diep van binnen al weet. Ze wil het alleen niet horen. Ze wil dat hij liegt.
Zijn hand verlaat haar borstbeen en glijdt langzaam omhoog naar haar keel. Hij omsluit haar hals, niet om haar te wurgen, maar om haar vast te houden. Zijn duim strijkt over haar slagader, voelt de razende hartslag. "Ik stond al een uur in je tuin," zegt hij, en zijn stem wordt lager, dwingender. "In de regen. Te kijken naar je slaapkamerraam. Wachtend tot het licht uitging. Wachtend tot jij in bed lag." Hij buigt zich dichterbij. Ze voelt zijn adem door de wol van het masker. "Ik ben hier voor iets anders," zegt hij. "Ik ben hier om te nemen wat ik echt wil."
Het besef is verlammend. Britts ogen worden groot van schrik. "Nee," hijgt ze. "Nee, alsjeblieft niet." Hij negeert haar verzet. Zijn hand verlaat haar keel en grijpt de halslijn van haar satijnen nachthemd vast. Met een brute, krachtige ruk trekt hij zijn arm terug. Rrrts. Het geluid van scheurende stof is fel en scherp in de stille kamer. Het dunne satijn begeeft het onder zijn kracht en scheurt open van haar hals tot aan haar navel. De koude lucht slaat op haar blote huid. Britt ligt plotseling met haar bovenlichaam volledig ontbloot, haar borsten deinen hulpeloos in de open lucht, haar tepels verharden onmiddellijk door de kou en de schok. "Kijk eens aan," zegt hij, terwijl hij zijn blik hongerig over haar naakte huid laat gaan. "Dat is beter."
Hij laat zijn handen - nog steeds met die leren handschoenen aan - over haar blote borsten glijden. Het leer is koud en ruw op haar zachte, warme huid. Hij kneedt haar borsten, bezitterig en hardhandig. Britt sluit haar ogen, een stille bede dat dit een nachtmerrie is, maar de sensatie van het koude leer op haar tepels is gruwelijk echt. Met zijn andere hand duwt hij haar knieën met dwingende kracht uit elkaar. Hij positioneert zich tussen haar benen, zijn zware spijkerbroek ruw tegen de zachte huid van haar dijen.
Zijn hand verlaat haar borsten en vindt haar kruis. Hij drukt zijn vingers tegen de stof van haar slipje. Hij is ruw. Hij duwt, hij voelt, hij claimt. "Je bent nat," stelt hij vast. Er klinkt een donkere tevredenheid in zijn stem. "Doodsbang en kletsnat." De schaamte brandt op haar wangen, heter dan de angst. "Nee," hijgt ze, een zwakke, zinloze ontkenning. "Lieg niet tegen me," zegt hij streng. Hij wrijft over de vochtige plek, hard en ritmisch. "Je lichaam weet al wat er gaat gebeuren, Britt. Nog voordat je geest het heeft geaccepteerd." De woorden snijden door haar heen. Hij heeft gelijk. De angst voor de inbraak, voor de pijn, mengt zich op een ziekelijke, verwarrende manier met de sensatie van totale overgave aan deze indringer. De keuze is haar ontnomen, en haar lichaam reageert op die machteloosheid.
Hij maakt zijn riem los. Het gerinkel van de metalen gesp is het enige geluid in de kamer, naast de regen die onophoudelijk tegen het raam slaat. Het klinkt als een vonnis. Hij trekt haar slipje opzij. Ruw. De stof scheurt een beetje bij de naad. "Kijk me aan," beveelt hij. Britt opent haar ogen. In het donker ziet ze alleen zijn contouren en die glinsterende, roofdierachtige ogen achter het masker. Ze zoekt naar menselijkheid, naar genade, maar vindt alleen lust. Hij dringt bij haar binnen. Zonder voorspel, zonder tederheid. Hij gebruikt alleen haar eigen vocht en zijn brute kracht. Hij vult haar volledig, rekt haar genadeloos op. Britt hapt naar adem, haar rug trekt hol van de schok. Ze wil gillen van de pijn en de invasie, maar ze durft niet. Ze bijt op haar lip tot ze bloed proeft. Het doet pijn, een scherpe, brandende pijn, maar daaronder zit een siddering die grenst aan extase. Hij neemt haar met een vanzelfsprekendheid die haar eigen wil volledig uitschakelt. De keuze is voor haar gemaakt.
Hij begint te bewegen. Langzame, diepe stoten die haar diep in het matras duwen. Hij pakt haar polsen vast en pint ze met één hand boven haar hoofd vast op het kussen. Zijn andere hand omvat haar keel, net hard genoeg om haar te laten voelen wie de baas is, net zacht genoeg om haar te laten ademen. "Je bent van mij vannacht," grist hij in haar oor. "Niemand hoort je. Niemand redt je. Je bent alleen met mij." De woorden werken als een drug. Britt stopt met denken. De ratio schakelt uit. Ze wordt puur lichaam, puur gevoel. Ze begint mee te bewegen, duwt haar heupen instinctief tegen de zijne, kreunt zachtjes op het ritme van zijn stoten. De angst smelt tot een brandstof voor een allesverslindende lust om genomen te worden, gebruikt te worden door deze schim.
Hij voelt haar verandering. Hij versnelt. Het leer van zijn handschoen wrijft tegen haar hals, zijn lichaam klapt hard tegen het hare. Het is dierlijk, rauw en zonder enige vorm van romantiek. Britt voelt de spanning in haar onderbuik opbouwen tot een onhoudbaar punt. De situatie – de inbraak, het gevaar, de totale dominantie – duwt haar over de rand. Ze balanceert op het koord tussen paniek en orgasme. "Alstublieft," smeekt ze, en ze weet zelf niet eens of ze smeekt dat hij stopt of dat hij harder doorgaat. Hij begrijpt het. Hij stoot harder, dieper, raakt haar kern. Ze komt klaar met een gesmoorde, rauwe kreet. Haar lichaam schokt en verkrampt onder hem, golven van genot spoelen de laatste restjes verzet weg.
Hij vangt haar orgasme op, rijdt erop mee, en stoot zichzelf met een paar laatste, genadeloze, diepe halen in haar tot ook hij grommend klaarkomt. Hij stort zich in haar, zwaar en hijgend, haar volledig claimend. Op het moment dat ze de warme schokken van zijn zaad diep in haar binnenste voelt, schiet er een nieuwe, ijskoude flits van paniek door haar benevelde brein. "Nee," jammert ze zachtjes, tranen bengelen over haar wangen. "Ik neem de pil niet." De man blijft liggen. Hij reageert direct. In plaats van te schrikken, voelt ze zijn borstkas schokken in een kort, sardonisch lachje. "Oeps," fluistert hij in haar oor, terwijl hij de laatste restjes zaad in haar achterlaat. "Te laat."
Hij blijft nog even liggen, zijn gewicht drukt op haar borstkas. Britt hijgt, haar hart probeert uit haar ribbenkast te breken, het zweet koelt langzaam af op haar huid. De realiteit begint weer binnen te sijpelen. De inbreker. De daad. De schaamte. En nu, die nieuwe, stille angst die in haar buik groeit. Dan trekt hij zich terug. De leegte die hij achterlaat in haar lichaam voelt koud en pijnlijk aan. Hij staat op naast het bed. Hij ritst zijn broek dicht en trekt zijn leren handschoenen strak, alsof hij zich klaarmaakt om weer naar buiten te gaan, de regen in.
Britt ligt verlamd in de rommel van haar beddengoed, haar nachthemd omhooggeschoven en opengescheurd, haar benen gespreid. Ze kijkt naar hem, bang voor wat er nu komt. Zal hij haar vermoorden? Bedreigen? Hij loopt naar de deur. Daar stopt hij. Hij draait zich om en kijkt over zijn schouder. "De achterdeur was open," zegt hij met diezelfde lage, onherkenbare stem. "Volgende keer beter op slot doen, Britt. Tenzij je wilt dat ik terugkom." Dan is hij weg. Ze hoort zijn voetstappen op de trap, zacht en beheerst, totaal niet gehaast. Het geluid van de achterdeur die zachtjes in het slot klikt. Britt blijft alleen achter in het donker. De regen klettert nog steeds tegen het raam, alsof er niets gebeurd is. Ze weet dat ze de politie moet bellen. Ze weet dat ze bang moet zijn, dat ze moet huilen. Maar terwijl ze haar hand langzaam naar beneden laat glijden, naar de plek waar ze nog steeds vochtig en gevoelig is van zijn geweld, voelt ze alleen maar een naschok van pure elektriciteit. En de angstaanjagende, verwarrende gedachte dat ze de deur morgen misschien weer vergeet.
- - -
Meer kortverhalen lezen? Check mijn prodielpagina voor meer. Vergeet je ook niet in te schrijven voor de nieuwsbrief.
Geef dit verhaal een cijfer:
5
6
7
8
9
10

Ontdek meer over mij op mijn profiel pagina, bekijk mijn verhalen, laat een berichtje achter of schrijf je in om een mail te ontvangen bij nieuwe verhalen!
