Houd jij ook van een beetje kinky?
Donkere Modus
Door: Lyda S
Datum: 23-02-2026 | Cijfer: 8.2 | Gelezen: 135
Lengte: Lang | Leestijd: 26 minuten | Lezers Online: 1
Trefwoord(en): Bdsm, Dominantie, Lesbo, Submission, Zweep,
De Geest Van De Zweep (Slot)
We stappen de vertrouwde woonkamer uit. Sally kijkt me aan met die blik die altijd belooft dat er iets bijzonders gaat gebeuren.

“Zin in een rondleiding op de eeuwenoude zolder boven? Die heb je nog niet gezien,” fluistert ze zacht.

Mijn nieuwsgierigheid prikkelt. Diepe tintelingen trekken door mijn lijf; mijn adem versnelt.

Sally loopt voor me uit. Ik volg behoedzaam. De houten treden kraken licht onder onze voeten. Hoe hoger we komen, hoe stiller het wordt, alsof de lucht verdicht is met iets ouds en geheimzinnigs. Een geur van hout en stof mengt zich met een belofte van mysterie.

Boven stokt mijn adem. De zolder ademt een andere tijd. Het voelt als een tempel, een plek waar geheimen in de lucht zweven en stilte betekenis krijgt. Een zachte warmte vult mijn borst terwijl ik elk detail opneem.

Sally draait zich om.

“Voor de eerste keer wil ik dat je je kleedt in iets traditioneel… alleen deze lendendoek – een ikat. Meer niet.”

Ik wikkel de ikat om mijn middel. Haar handen glijden licht over de stof, ritmisch, alsof ze een ritueel voltooit. Kalmte en opwinding mengen zich in mijn borst.

De zolder omhult me met wierookgeur, oosters en licht, oud en vertrouwd. Oude balken dragen het plafond alsof ze eeuwen alles aanschouwd hebben. De geur van hout, wierook en Sally’s leer mengt zich tot een zintuiglijk tapijt.

In het midden staat een lage tafel, nauwelijks vijftig centimeter hoog. Onder een doek trekt iets mijn aandacht. Twee fauteuils flankeren de tafel; rechts staat een zwarte Chinese kast, geheimzinnig gesloten. Verderop staan twee Indonesische beelden, vrouw en man, met een klein altaar ertussen. Op de plank liggen een schelp, lavasteen, veer, steen en een schaaltje water.

Sally buigt zich erover.

“De schelp symboliseert de geest van de zee, de lavasteen het vuur, de veer de luchtgeesten en de steen… moeder aarde.”

Haar ogen zijn ernstig maar warm.

“Mijn moeders familie komt van Seram, waar het traditionele geloof nog leeft. De Mauweng bewaakt onze tradities en balans met de geesten, de natuur, de mensen. Hij voelt wat wij niet altijd begrijpen. Tekens, dromen… hij weet wat ze betekenen. Ik wilde dit met je delen, zodat je een glimp krijgt van mijn roots, van het hart van Seram.”

Sally leidt me naar de tafel. Ik kniel, mijn knieën raken zacht de oude planken. Ze trekt de doek plechtig omhoog.

Een korte, gevlochten zweep verschijnt, ongeveer zeventig centimeter, donker en strak. Het leer glanst subtiel. Sally brengt hem naar haar voorhoofd en mompelt een paar zachte woorden in de Molukse taal.

“Deze zweep is twintig jaar oud, gemaakt door de Mauweng. Ieder voorwerp heeft zijn geest. Tijdens het vlechten verbindt de Mauweng de juiste geest. Door deze zweep kun je pijn lijden, maar ook genot ervaren. Kus de zweep. Toon respect… en misschien krijg je er een vriend bij.”

Ik reik uit. Mijn vingers glijden over het gevlochten leer. Koel, stevig, en toch levend. Een tinteling verspreidt zich door mijn binnenste; nieuwsgierigheid en respect vermengen zich tot een warme gloed.

Ik til het uiteinde op. Meteen voel ik een trilling die traag door mijn arm stroomt. Het leer lijkt mijn intenties te volgen. Sally buigt dichterbij.

“Voel het goed… laat het tot je komen. Word één met hem… en hij zal je leiden.”

Ik sluit mijn ogen en voel elke vlecht onder mijn vingertoppen. Het leer wordt een verlengstuk van mezelf, een vriend die mijn energie opvangt en zacht teruggeeft.

Sally strekt haar hand uit. Mijn vingers sluiten zich om de hare terwijl ze de zweep ondersteunt.

“Kus de zweep. Eer de traditie.”

Mijn lippen raken het leer. Eerst een lichte rilling, dan dieper, als een warme stroom die door mijn hele lichaam glijdt. Geest en lichaam smelten samen. Het leer ademt mee met mijn adem – één met de Mauweng die hem gevlochten heeft, één met Seram die in hem ademt, één met haar die hem leidt.

Langzaam trek ik me terug, maar de sensatie blijft hangen: een zachte gloed op mijn lippen, een trilling diep in mijn borst. De zweep voelt nog levend, alsof hij een stukje van mij heeft meegenomen.

Sally legt hem plechtig terug op de tafel, haar bewegingen traag en eerbiedig. Dan kijkt ze me aan, haar ogen donker en vol belofte.

“Deze ruimte verbergt nog een geheim, Konijn,” fluistert ze, haar stem nog zwaar van het ritueel. “Kijk goed rond.”

Mijn blik glijdt omhoog, volgt haar wijsvinger naar de smeedijzeren katrol die aan een balk hangt. Een dik touw slingert over het wiel en verdwijnt achter een zwaar gordijn. De geur van oud metaal en warm hout prikkelt ineens mijn zintuigen; scherp en nieuw na de zachte wierook.

Met een zachte ruk trekt ze het gordijn opzij. Daarachter komt een lier met ratel tevoorschijn, stevig in de wand verankerd, glanzend in het schemerlicht. Ze loopt naar de Chinese kast en draait het slot open. De deuren zwaaien geruisloos uiteen en onthullen een zorgvuldig geordend scala van attributen: leren riemen, zachte touwen, glanzend metaal, verborgen laatjes die nog meer beloven.

Voor nu kiest ze vier leren boeien, elk gevoerd met zacht bont. Zonder een woord wijst ze naar de plek recht onder de katrol. Ik loop ernaartoe, mijn hart bonst luider, een golf van verwachting trekt langs mijn ruggengraat omhoog.

Ik bied mijn polsen aan. Haar handen omvatten de boeien behoedzaam; de vacht streelt mijn huid terwijl ze de sluitingen vastklikt. De klik van het slot klinkt als een intieme belofte. Sally zakt door haar knieën en bevestigt de andere twee bij mijn enkels. Mijn benen spreiden zich langzaam, stevig verankerd in de vloer; een tinteling van spanning trekt door mijn hele lijf.

Sally richt zich op. Haar vingers sluiten zich om het touw van de katrol. Een rilling trekt langs mijn rug. Loom trekt ze eraan. Het touw zweeft als een stille uitnodiging, een belofte van controle én overgave.

Mijn armen worden langzaam hoger geleid. Elke vezel, elke spier, elke pees in mijn lijf staat strak. Een zachte zucht ontsnapt me terwijl de spanning door mijn hele lichaam golft.

Loom glijden haar handen over mijn rug, langs mijn zij, over mijn dijen. Elke aanraking is licht als een veer, onderzoekend en vol belofte. Het touw en de boeien worden een verlengstuk van haar aanwezigheid, een directe verbinding die alles tussen ons voelbaar maakt.

Met een kleine ruk laat ze mijn armen bewegen in een subtiel ritme dat door mijn hele lichaam echoot. Mijn adem versnelt; een trilling van verwachting trekt van borst tot tenen. Geen pijn — alleen een scherp bewustzijn van elk contactpunt, elke aanraking, de zachte druk van de boeien.

Sally buigt zich dichterbij, haar lippen bijna tegen mijn oor. Haar warme adem streelt mijn huid.

“Voel je hoe alles één wordt? Jij, de ruimte, de zweep, het ritueel… en ik.”

Ze beweegt langs mijn benen, streelt licht over mijn dijen en de boeien. Mijn spieren ontspannen en spannen tegelijk; een golf van overgave en controle vult me. Het ritme van het touw, mijn wijd gespreide benen, haar vederlichte strelingen… alles smelt samen.

Elke beweging, elke aanraking laat me volledig overgegeven voelen: versmolten met, verbonden met haar, één met mezelf. Het is een dans van vertrouwen, spanning en intimiteit die alles omvat: adem, hartslag, lichaam… alles resoneert mee met haar aanwezigheid en het oude ritueel dat zij me toont.

Sally laat de zweep even rusten op de tafel, haar ogen glijden traag over mijn lichaam. Ze stapt dichterbij, tot haar warmte tegen mijn rug drukt. Haar vingers haken zachtjes onder de rand van de ikat, daar waar de stof losjes om mijn heupen hangt, nog half nat van zweet en opwinding.

“Eerst dit,” fluistert ze. “Ik wil je helemaal zien. Geen enkele laag meer tussen ons en hem.”

Ze trekt langzaam, heel langzaam. De stof glijdt over mijn heupen, schaaft licht langs de al gevoelige huid van mijn billen waar de eerste slagen al hun sporen hebben nagelaten. De ikat valt als een zachte golf naar beneden, blijft even haken op mijn dijen voordat hij helemaal op de planken zakt. Ik voel de koele lucht van de zolder ineens overal: over mijn borsten, mijn buik, mijn kut die al open en glanzend blootligt.

Nu sta ik echt naakt.

Helemaal.

Armen strak omhooggetrokken door het touw, schouders bonzend van de rek, polsen vast in de bontgevoerde boeien die nu al in mijn huid bijten. Mijn rug is hol getrokken, borsten vooruitgeduwd, tepels strak en pijnlijk gespannen. Mijn benen wijd gespreid, enkels verankerd aan de vloer, tenen amper de planken rakend – ik hang half op mijn tenen, kuiten en dijen trillend, alles aangespannen om niet door te zakken. Mijn kut hangt open en bloot tussen mijn dijen, lippen dik gezwollen, clit al rood en opgezet, een traag straaltje vocht dat langs de binnenkant van mijn dijen sijpelt.

Sally loopt een rondje om me heen, langzaam, haar blik hongerig. Ze ziet alles: de eerste lichte rode vlekken op mijn billen, de strakke lijnen van mijn buik die al licht trillen, de tepels die recht vooruit steken als smeekbedes.

Ze blijft achter me staan.

Haar hand glijdt over mijn rug, duwt hard tegen mijn onderrug zodat mijn kont nog verder naar achteren komt, mijn rug nog holler trekt, mijn kut nog verder opengaat.

Dan pakt ze de zweep weer op. Het leer kraakt als ze het strak trekt in haar vuist.

“Nu echt,” zegt ze zacht, bijna teder. “Nu proef je hoe diep hij kan gaan.”

De eerste slag komt keihard, plat over mijn billen. Het leer snijdt als een scheermes, splijt de huid bijna, een rauwe, verscheurende schok die door mijn hele bekken jaagt. Mijn billen staan meteen in lichterlaaie, een diepe, kloppende hel die mijn spieren laat samentrekken. Ik gil het uit, mijn stem breekt scherp.

Ze wacht niet. Tweede slag. Derde. Vierde. Vijfde.

Elke keer harder, op precies dezelfde plekken. Mijn billen voelen aan als opengescheurd vlees, strak opgezwollen, de zenuwen blootgelegd en gillend. De pijn bouwt op tot een constante, dreunende druk die mijn ruggengraat verlamt, mijn tanden op elkaar doet klemmen. Even wordt alles dof – een kort moment van verdoving, alsof mijn lichaam zichzelf probeert af te sluiten – en dan slaat de volgende toe en barst de pijn weer open, feller dan daarvoor, als een brandend spoor dat zich vastbijt.

Sally verandert van hoek.

Ze haalt laag uit, van achteren tussen mijn benen door.

De punt van de zweep landt sadistisch precies op mijn clit.

Niet plat, niet liefkozend – de scherpe, gevlochten punt raakt als een zweep met een naald, recht op de top van mijn gezwollen knop. De pijn is catastrofaal: een witgloeiende priem die door mijn hele bekken boort, alsof iemand een hete spijker recht door de zenuw hamert. Mijn clit ontbrandt in een golf van folterende hitte, zwelt op tot het punt van barsten, elke zenuw een openliggende draad die vonkt en siddert. Mijn hele onderlijf trekt samen in een krampachtige spasme, vocht spettert eruit in een boog, mijn benen schudden ongecontroleerd. Ik schreeuw het uit – een rauwe, dierlijke kreet die door de zolder galmt – maar na de derde, vierde tik verandert het geluid: mijn stem breekt, wordt schor, en dan zakt het weg tot een hijgend, stemloos trillen. Alleen nog maar hortende adem, schokkende schouders, tranen die stil over mijn wangen rollen terwijl de pijn me van binnenuit verscheurt.

Ze laat de punt niet los.

Ze likt ermee – sadistisch langzaam – over mijn schaamlippen, langs de rand van mijn clit, dan weer een felle tik precies op de top. Elke lik is een nieuwe marteling: een snijdende, brandende sensatie die voelt alsof ze met een gloeiend mes over het meest gevoelige plekje krast, dan een moment van doffe stilte, gevolgd door een inslaande golf die mijn baarmoeder laat samentrekken in misselijkmakende krampen. Mijn clit is nu een rauwe, paarse, opgezwollen wond, elke aanraking een foltering die mijn brein blank trekt. Ik hang slap in de touwen, alleen nog maar trillend vlees, mijn heupen deinend in een reflex die ik niet meer kan stoppen.

“Voel je hoe hij je opeet?” fluistert ze, stem schor van lust. “Hoe hij je breekt?”

Dan slaat ze om mijn middel heen.

Het leer komt met een keiharde slag tegen mijn buik, net boven mijn schaambeen. De impact is als een vuistslag van binnenuit, trekt door tot in mijn kut, laat mijn hele onderlijf samentrekken in een nieuwe golf van diepe, interne pijn. Rode striemen bloeien op, dik en paars, mijn buik trilt na als een aangeslagen snaar.

Hoger. Hoger. Het leer klimt.

Raakt de onderkant van mijn borsten met een felle lijn die door mijn ribben snijdt.

Dan vol op mijn borsten.

Recht over beide tepels tegelijk, hard en plat.

De pijn is verpletterend: mijn tepels voelen alsof ze worden afgerukt, een rauwe, verscheurende schok die door mijn borstkas jaagt, mijn longen leegzuigt. Ik gooi mijn hoofd achterover, maar er komt geen gil meer – alleen een laag, gesmoord kreunen, mijn lichaam schokkend in stille spasmen terwijl tranen en zweet over mijn gezicht stromen.

Ik hang daar, naakt, rood gestreept, trillend, druipend, uitgeput. Mijn borstkas rijst en daalt in hortende, onregelmatige happen lucht – te kort, te oppervlakkig, alsof mijn longen vergeten zijn hoe ze moeten werken. Mijn tenen glijden weg over de gladde planken, vingers klauwen nutteloos in de lucht, polsen rauw in de boeien. Mijn hele lichaam is één open, pulserende zenuw: elk plekje waar het leer me geraakt heeft, zindert nog na, een web van vuur dat zich uitstrekt van billen tot tepels, van clit tot baarmoeder. Er is geen deel van me dat niet brandt, niet siddert, niet smeekt om een einde dat ik tegelijkertijd vrees en verlang.

Sally stapt voor me.

Haar ogen zijn donker, onvoorspelbaar, vol een honger die me tegelijkertijd klein en oneindig groot maakt. Ze brengt de zweep omhoog – het leer glanst vettig van mijn eigen vocht, zweet, tranen, slijm – en ruikt scherp naar rauwe seks, metaal en zout verdriet. Ze houdt hem vlak voor mijn lippen, maar ze wacht. Ze laat de stilte vallen als een deken over ons heen. Mijn hijgende adem kalmeert langzaam tot een diep, beverig ritme; de nevel in mijn hoofd trekt een fractie op, genoeg om haar gezicht scherp te zien, genoeg om te beseffen dat het nog niet voorbij is.

Ik slik droog, keel rauw van het schreeuwen dat allang is overgegaan in stil, schokkend hijgen. Mijn stem komt eruit als een fluistering, gebroken en klein.

Ze kantelt haar hoofd licht, een zweem van een glimlach die niet warm is.

“Meer Lyda?”

“Meesteres… alstublieft… genade…”

Ze komt dichterbij, tot haar lippen bijna mijn oor raken. Haar stem is fluweel over staal.

“Niet overtuigend. Dat kan beter. Smeek. Echt.”

Mijn onderlip trilt. Ik voel hoe mijn hele lichaam siddert, hoe mijn kut nog altijd pijnlijk klopt van de nasleep, hoe elke spier schreeuwt om rust en tegelijkertijd smeekt om haar aanraking. Ik sluit mijn ogen even, verzamel wat er nog over is van mijn stem.

“Lieve Meesteres… alstublieft… stop… Uw sletje is hier nog niet aan gewend… het doet zo verschrikkelijk veel pijn… ik kan niet meer… alstublieft, genade… ik smeek U…”

De woorden vallen eruit als glasscherven, rauw en eerlijk. Mijn stem breekt halverwege, verandert in een snik die ik niet kan tegenhouden.

Sally’s hand glijdt even over mijn wang, veegt een traan weg met haar duim – een teder gebaar dat harder aankomt dan welke slag ook.

“Goed zo,” fluistert ze. “Dat is beter.”

Dan, zacht, bijna lief:

“Lik hem schoon. Proef hoe hij je gebroken heeft. Toon hem dat je nog steeds van hem bent, zelfs nu je in stukken ligt.”

Mijn tong glijdt uit, trilt hevig, onwillig en toch gretig. Ik lik het warme, natte leer – proef mezelf: zout zweet, de bittere smaak van tranen, de muskus van mijn eigen opwinding vermengd met de oude geur van het gevlochten leer. Ze duwt hem langzaam dieper mijn mond in, laat me eraan zuigen, terwijl haar andere hand tussen mijn benen glijdt. Twee vingers rammen hard naar binnen, haar duim drukt wreed, cirkelend over mijn gemartelde clit. Elke druk is een nieuwe golf van foltering – een stekende nasleep die mijn bekken laat samentrekken – maar nu vermengd met die intieme, vernederende aanbidding: ik zuig aan de zweep die me net nog verscheurde, tranen druppelen over mijn kin, mijn lichaam siddert in kleine schokjes, en toch duw ik mijn heupen naar haar hand, niet in staat om te stoppen.

“Je bent van hem,” fluistert ze, haar lippen tegen mijn slaap. “En van mij. Helemaal gebroken. Helemaal perfect.”

Ze trekt de zweep langzaam terug uit mijn mond, een dun draadje speeksel blijft hangen tussen mijn lippen en het leer. Dan stapt ze weer achter me. En ze begint opnieuw.

Billen – een felle, snijdende lijn die de oude striemen opensplijt.

Clit – de punt likt één keer traag, dan een harde tik die mijn zicht even zwart maakt.

Buik – een zweepslag die door mijn hele romp trekt, diep naar binnen, alsof hij mijn organen verschuift.

Tepels – plat en genadeloos, een schok die mijn borsten laat deinen en mijn longen leegzuigt.

Geen gegil meer. Alleen nog stille tranen die over mijn gezicht stromen, een laag, hijgend kreunen dat uit mijn keel lekt, trillende overgave die door mijn hele lijf trekt. Mijn hart bonst in hetzelfde ritme als de zweep: één, twee, drie, vier – elke slag een echo van mijn eigen pols. Alsof de zweep niet langer een voorwerp is, maar een levende hartslag die door mij heen klopt, één met de Mauweng die hem gevlochten heeft, één met Seram die in hem ademt, één met haar die hem leidt.

Tot er niets meer over is dan vuur, zoute tranen, absolute overgave en het besef dat ik precies ben waar ik hoor te zijn.

Sally komt voor me staan.

Haar handen glijden eerst zacht over mijn zij, dan omvatten ze mijn middel, en ze drukt haar warme lichaam volledig tegen het mijne. Haar borstkas rijst en daalt tegen de mijne, haar hartslag een stevige, geruststellende echo die door mijn trillende lijf heen dringt. Ze omarmt me – niet voorzichtig, maar stevig, alsof ze me bij elkaar houdt nu alles los lijkt te vallen. Haar armen sluiten zich om mijn rug, haar vingers spreiden zich wijd over de striemen die ze zelf heeft getrokken, maar nu zonder druk, alleen warmte, alleen aanwezigheid.

“Excuus, Lyda,” fluistert ze, haar stem laag en gebroken, alsof de woorden uit een diepe put komen. “Mijn lief Konijntje… ik had je dit niet mogen aandoen. Vergeef me.”

Ze buigt zich voorover en kust de tranen van mijn wangen – traag, eerbiedig, lippen die blijven hangen op elke natte plek, alsof ze de zoute tranen wil opdrinken, het verdriet wil wegnemen. Haar adem beeft licht tegen mijn huid.

“Ik heb de neiging… alles wat ik liefheb… pijn te doen,” zegt ze, en haar stem kraakt even. “Ik deed het uit liefde. Geloof me alsjeblieft. Het was nooit om je te breken. Het was om je te laten voelen hoe diep ik van je hou.”

Met betraande ogen kijk ik haar aan. Mijn zicht is nog wazig, maar haar gezicht is scherp: de lijnen van spijt, de donkere poelen van haar ogen die nu niet meer hongerig zijn, maar vol tederheid, vol berouw en toch ook vol trots.

“Het geeft niet, Sally,” fluister ik terug, mijn stem schor en klein. “Het was goed zo. Alleen de eerste tien zweepslagen… die deden pijn. Ze troffen me diep in mijn ziel, sneden door alles heen. Maar toen… toen voelde ik iets magisch in me opkomen. Een kracht die de pijn oppakte en hem omkeerde. De zweep gaf me dat genot tot aan de laatste slag. Hij… hij beschermde me. Hij omarmde me.”

Sally’s ogen worden groot, dan zacht. Ze legt haar voorhoofd tegen het mijne, onze neuzen raken elkaar bijna.

“Roh dari cambuk” – ofwel Geest van de Zweep – mompelt ze in het Moluks, de woorden warm en zwaar van betekenis. “De geest van de zweep. Je hebt kennisgemaakt met hem, Konijn. Hij heeft je herkend. Hij heeft je beschermd en omarmd als een ware vriend. Dat is niet iedereen gegeven.”

Ze blijft even zo staan, voorhoofd tegen voorhoofd, adem vermengd met adem. Dan kijkt ze omhoog naar de katrol, naar het touw dat mijn armen nog altijd hoog houdt. Zonder een woord loopt ze naar de hoek van de zolder, naar de lier. Haar bewegingen zijn traag, zorgvuldig. Ze draait aan de ratel – klik, klik, klik – en het touw zakt centimeter voor centimeter. Mijn armen komen omlaag, zwaar en tintelend, spieren die schreeuwen van de plotselinge verandering.

Ik zak door mijn knieën, maar Sally is er al. Ze vangt me op in haar armen, sterk en warm, en trekt me tegen zich aan. Mijn hoofd valt tegen haar schouder, mijn lichaam ploft slap tegen haar borst. Ze wiegt me zacht, heen en weer, haar handen strelen over mijn rug – niet over de striemen, maar eromheen, alsof ze de pijn wil omcirkelen zonder hem aan te raken.

“Kom,” fluistert ze in mijn haar. “We gaan slapen, mijn lief Konijn.”

Sally buigt zich over me heen, kust mijn voorhoofd lang en innig, haar lippen blijven rusten tot de warmte diep doordringt, tot in mijn botten, tot in de plekken waar de pijn nog nasiddert als een verre echo. Dan glijden haar armen onder mijn rug en knieën. Ze tilt me op – moeiteloos, alsof ik niets weeg, alsof mijn lichaam nu alleen nog maar bestaat uit haar kracht en haar zorg. Mijn hoofd valt tegen haar schouder, mijn armen hangen slap langs haar zij, en ik voel haar hartslag tegen mijn borst: sterk, regelmatig, een anker in de nasleep.

Ze draagt me de zolder af, de krakende houten treden naar beneden, voorzichtig, stap voor stap, alsof elke tree een belofte is dat ze me nooit meer zal laten vallen. Beneden in de gang blijft ze even staan, haar adem warm tegen mijn haar, voordat ze de deur naar onze slaapkamer openduwt – een verdieping lager, naast de woonkamer, een kamer die altijd al voelde als een cocon: zachte muren in gedempt oker, een groot bed met zware gordijnen die het licht temperen, de geur van lavendel en haar huid die in de lakens hangt.

Ze legt me neer op het bed, het matras zakt zacht onder mijn gewicht. Met zorgelijke handen trekt ze de deken over me heen – niet zomaar een deken, maar die ene dikke, wollen deken met de ikat-motieven die ze ooit van Seram meebracht, warm en zwaar als een omhelzing. Dan glijdt ze naast me, haar lichaam nestelt zich tegen het mijne. Haar armen sluiten zich weer om me heen, trekken me dicht tegen haar borst, haar benen verstrengelen met de mijne tot er geen ruimte meer is tussen ons. Haar lippen vinden mijn slaap, blijven daar rusten, een stille kus die doorgaat terwijl haar vingers traag cirkels draaien over mijn rug – niet over de striemen, maar langs de randen, alsof ze de kaart van mijn pijn uit haar hoofd leert om hem nooit meer te hoeven volgen.

“Je bent veilig,” mompelt ze nog eens, haar stem een fluistering die door mijn haar glijdt. “Je bent geliefd. Je bent van mij, en ik ben van jou. Slaap nu. Ik blijf hier. Altijd.”

Haar hartslag kalmeert de mijne, golf na golf, tot het bonzen van eerder verandert in een zachte, gelijkmatige deining. De pijn zakt weg naar de achtergrond, niet verdwenen, maar getemperd, omhuld door haar warmte, door de geur van haar huid en de stilte van de kamer. En ergens diep vanbinnen voel ik het nog: de echo van de zweep, niet als foltering, maar als een stille belofte – een vriend die me heeft leren kennen, en me heeft laten blijven.

Ik sluit mijn ogen.

Haar adem tegen mijn nek.

Haar hartslag tegen mijn rug.

En terwijl de slaap langzaam over ons heen valt, waakt de Mauweng in stilte over ons beiden, zijn aanwezigheid een zachte, onzichtbare deken die de balans bewaart tussen pijn en liefde, tussen breuk en heelheid.

Einde,...
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Houd jij ook van een beetje kinky?
Houd jij ook van een beetje kinky?