Lekker Anoniem Webcammen!
Donkere Modus
Door: Keith
Datum: 04-04-2026 | Cijfer: 9.8 | Gelezen: 576
Lengte: Zeer Lang | Leestijd: 62 minuten | Lezers Online: 7
Vervolg op: Mini - 400
Zaterdagochtend. We waren allebei nog stijfjes van het dansen en de sport van Mariëtte. Maar er moesten toch wat dingen in huis gebeuren, én ik zou vanmiddag nog wat oefenen met Brecht, dus na het ontbijt belde ik haar en maakten we de afspraak dat ik om twee uur in de kerk zou zijn. Daarna gingen we aan de slag. Ik deed de laatste poetsbeurt van de ramen, voordat de winter toe zou slaan. Gelukkig hadden de vogels de ramen de laatste maand redelijk met rust gelaten. De lichtkoepels in de hal waren wél behoorlijk smerig; de laatste keer dat ik die had schoongemaakt was… Ik wist het al niet eens meer. Toen de verbouwing compleet was? Zou goed kunnen. Enfin, ik zette de ladder op het balkon en klom met een emmer sop naar boven. En even later waren de bovenlichten weer doorzichtig. Even op het dak rondkijken…
De bovenlichten van de familie Kamer waren ook groen uitgeslagen, zag ik. “Jolien!” Ze kwam wantrouwend naar buiten. “Geen emmer water over mijn hoofd, Kees, want dan slaap je een maand op een tuinstoel in de berging!” Ze keek waarschuwend. “Nee schat. Maar kun jij even naar de familie Kamer lopen en vragen of het uitkomt dat Kees de glazenwasser bij het ook de bovenlichten even schoonmaakt? Ik ben nou toch hierboven…” Ze stak een duim op. Even later kwam Annet Kamer tevoorschijn op hun terras.
“Morgen Kees… Wil jij die dingen schoonmaken? Da’s aardig! Fred is een beetje benauwd voor dit soort klimpartijen…” Ik haalde mijn schouders op. “Ik sta nu toch al hier, Annet. Kleine moeite.” “Dank je wel! Over een kwartiertje heb ik dan de koffie klaar. Mét warme appeltaart. Onze zaterdagse ondeugendheid.” “Nou, als jullie warme appeltaart op zaterdagochtend al ‘ondeugend’ noemen… Hoe zijn jullie dan aan kinderen gekomen?” Vanaf ons eigen terras klonk een scherp ‘Kees Jonkman! Gedraag je!” En Annet schoot in de lach. “Ik hoor het al, Kees. Je leek zo’n stoere vent in je uniform, maar als het erop aankomt…” “Ik hou ‘m wel onder de plak, Annet!” “Doe je goed, Joline!”
“Zeg mevrouw Kamer… wil je die bovenlichten nog schoon hebben of hoe zit het? Als jij met mijn echtgenote gaat samenspannen, gaan Fred en ik samen wel ergens een paar borrels drinken in een bruin café.” Ze wees. “Aan het werk, buurman. En ik wil van benedenaf géén vlekje meer zien!” Ik mopperde wat onduidelijks en ging aan het werk. Hun bovenlichten waren écht groen uitgeslagen. Halverwege moest ik een nieuwe emmer sop en een nieuw sponsje pakken; het ouwe sponsje was één en al groene aanslag en rijp voor de vuilnisbak. Als laatste nog een emmer schoon water er overheen… Zo, dat zag er weer piekfijn uit. Ik keek even rond. Geen troep op het dak. Beschadigingen? Ik liep de dakrand even langs, twee meter afstand houdend langs de kant waar geen terras was. Daar één misstap maken en je flikkert tien verdiepingen omlaag… Geen zin in vandaag.
Van bovenaf keek ik naar de halfronde ramen bij de buren. Ook die konden nog wel een beurt gebruiken… Nu, van bovenaf was dat makkelijk. Ik vroeg Joline om de zachte bezem en een emmer sop en even later stond ik te boenen. Ik kwam tot halverwege, verder reikte de bezem niet. Maar Fred kon met de hogedrukspuit en een bezem de rest wel doen. Even later klom ik weer omlaag. Ladder opbergen, bezem, emmer en sponsje opruimen en m’n handen wassen…

Even later belden we aan bij de buren. Annet deed open. “Dit scheelt heel veel licht, Kees”, was het eerste wat ze zei. “De rekening is gepeperd, mevrouw. Jonkmans ramenlapservice is niet gratis!” Ze lachte. “Er zit geen peper in mijn appeltaart, hoor. Maar ik heb wél een extra groot stuk voor jullie gesneden.” Dat kon je wel stellen: ongeveer dubbel zo groot als voor henzelf. “Heb je Fred nu op appeltaartrantsoen gezet, Annet? Arme kerel…” Fred schudde zijn hoofd. “Dat valt best mee hoor. Als ik te kort kom, bakt ze wel nieuwe.” Een litermaat met slagroom stond op tafel. “Echte slagroom, jongelui. Bedien je zelf.” Joline deed een beetje slagroom op haar schoteltje, ik gooide een schep over de appeltaart heen. “Kéés! Gulzigaard!” Joline keek verwijtend,
Annet lachte. “Het mag hoor Kees. Jij hebt staan blauwbekken op het dak.” “Zo. Nu hoor je eens van een ander met wat voor bikkel je getrouwd bent, mevrouw Jonkman.” Joline snoof minachtend, maar knipoogde. Ik keek Fred aan. “Fred, als jij klusjes hebt die je in feite niet of niet meer aandurft… Geef een gil en ik help je. Want ik begrijp best dat je sommige dingen liever niet meer doet. Of mag doen van je echtgenote.” Annet knikte. “Die bovenlichten was er één van, Kees. Ik wil niet dat Fred nog op een ladder staat of het dak op gaat. Das was einmal.” “Nou, dan stel ik voor dat ruitenservice Jonkman, wanneer de directeur-eigenaar zijn eigen ramen lapt, hij die van jullie meteen meeneemt. En alleen als jullie thuis zijn.” Annet stak een duim op en Fred zei: “Dat zou fijn zijn, Kees.”
We genoten van de appeltaart. “Zelf gebakken, Annet?” Die knikte. “Eén van mijn hobby’s, Joline. Reden waarom onze kleinkinderen best wel vaak langskomen. Zelfs onze oudste kleinzoon, een lange lummel van 20.” Ik knikte. “Ik vind het een legitieme reden, Annet. Ik snap die knul wel…” Joline keek me minachtend aan. “Vreetzak. Als dat de enige reden is waarom onze kleinkinderen straks langskomen, gaan er een paar goeie gesprekken volgen!”

Even later namen we afscheid. Bij de deur vroeg Annet nog naar de toestand met de VVE. “Ik zit nu in het bestuur, Annet. Kon op de vergadering zelf er niet bij zijn, maar volgens ingewijden waren er slechts 2 onthoudingen. De rest was voor. Dus: ik ben ervan.” “Mooi. Samen met Thea ten minste iemand die van wanten weet. Zijn we blij mee, Jolien, dat mag je best weten.” Eenmaal weer onder eigen dak keek Joline in de hal naar boven. “Dat scheelt best wel licht, nu die bovenlichten niet meer groen zijn, Kees.” Ik knikte. “Ja. Je hebt ’t niet door omdat het zo geleidelijk gaat, maar het is hier nu een stuk lichter. Bij Fred en Annet zal het nog meer hebben uitgemaakt. Die dingen van hun waren écht ondoorzichtig van de aanslag.” Joline humde. “En prima dat jij die dingen bij hen gaat schoonhouden. Fred loopt niet meer zo lekker, dat viel me een paar weken terug al op. Die moet echt niet meer op een ladder gaan staan of het dak op.” Ik knikte.
We gingen verder met het huishouden en even later ging ik, samen met Mocca, boodschappen doen. Rugzak mee om de handel in te vervoeren. In de supermarkt: dezelfde knul die door zijn grootmoeder aan het werk gezet was, was bezig met vakken vullen. “Goeiemorgen! Lekker bezig!” Hij keek op. “Goedemorgen meneer. Ja, dit gaat nu beter dan een paar weken terug. En het is leuk werken hier.” “Goed om te horen! En wat doe je als je niét aan het vakken vullen bent?” “Dan zit ik op school. 4-HAVO. En dat gaat nu ook beter, nu mijn oma me achter de vodden zit…” Hij grinnikte wat scheef. “Volgens mij heb jij een prima oma…” Ik las zijn naam op een kaartje op zijn borst. “… Brent.” “Ze is wel streng, meneer…”Ik stak mijn hand uit. Kees. Kees Jonkman. En strenge oma’s maken goeie kleinkinderen. Maar… en als ik er niks mee te maken heb, moet je het gewoon zeggen, maar: woon jij bij je oma?” Hij knikte. “Ja. Mijn moeder is alleenstaand, kon niet meer voor me zorgen. Mijn vader… Geen flauw idee wie het is. ‘Eén van de vele vriendjes van je moeder’, heeft oma zich ooit eens laten ontvallen. Sinds twee jaar woon ik nu bij haar en na een jaar ruzie kunnen we nu goed met elkaar opschieten.” “Een jaar ruzie? Zóó… Dan heeft jouw oma wel uithoudingsvermogen. Maar ik geloof dat ik dat al zag tijdens onze eerste ontmoeting. Een dame met haar op haar tanden.”
Hij lachte. “Zeker weten! Ik heb wat klappen van haar gehad, die eerste tijd… Gelukkig nu niet meer. Schat van een vrouw.” Ik knikte. “Mooi om te horen, Brent.” Hij keek naar Mocca, die rustig was gaan liggen tijdens ons praatje. “Mag ik uw hond even aaien?” Ik knikte. “Roep hem maar. Hij heet Mocca.” Brent trok een gezicht. “Ik heb nét de koffie aangevuld, dus… Mocca!” De hond stond op, rekte zich uit en liep naar Brent toe. Hé, een nieuw mens… Leuk! “Prachtige hond, meneer Jonkman. Maar op dit tuigje staat: ‘niet afleiden’… Hoe zit dat?” “Het is een hulphond in opleiding. Samen met mijn vrouw voeden wij Mocca op tot een ‘sociale’ hond. Hij mag, als hij bij ons weg is, nergens meer van opkijken. Over een aantal weken gaat hij de echte opleiding voor hulphond in en als alles goed gaat is hij over een jaar een volleerde hulphond en loopt hij naast iemand in een rolstoel. Of is hij de buddy van iemand met PTSS of is hij therapiehond voor kinderen met gedragsproblemen zoals autisme.” Hij gaf Mocca nog een aai. “En nu moet ik als de bliksem weer verder, want er staat nóg een rolkar op me te wachten… Fijn weekend, meneer.” “Goed weekend Brent. En de groeten aan je oma.”

Hij ging weer verder met pakken suiker opstapelen en Mocca en ik liepen ook verder. Gelukkig dat het goed ging met die knul… Ik had zijn oma slechts één keer gezien en haar tekeer horen gaan tegen hem; dat was inderdaad geen dame om tegen je te hebben! Eentje van de oude stempel: jij doet wat ik zeg, anders gaat het pijn doen! Prima… Ik denk dat, mocht Joline moeder worden, zij op dezelfde manier om zou gaan met een eventueel rebellerende puber… Ik grinnikte. En anders Tony of Chantal wel. Bijna een reden om nú al medelijden te krijgen met onze kinderen. Even later stond ik bij de kassa, achter een forse rij. Geen probleem, ik had de tijd. De wat oudere mevrouw die nu bij de kassa stond had blijkbaar een probleem met haar betaalpas: het schoot niet op. “Mocca: zit.”
Achter me stonden twee jongelui van een jaar of zestien in de rij zachtjes te mopperen op die dame. “
Verdomme… Als je niet met je betaalpas om kunt gaan, neem dan contant geld mee. Die oudjes zijn ook allemaal seniel tegenwoordig…”
Het meisje, met twee blikjes energydrank in haar hand, keek haar vriendje aan. “Als ze ons nou voor hadden laten gaan, waren we al lang buiten geweest, verdomme.”
Het vriendje keek snel om zich heen. “We gaan er gewoon voorbij. Niet onze schuld dat we zo lang moeten wachten. Húp, er voorbij!”
Ik deed één stap en blokkeerde hen fysiek. “Zou ik niet doen. Ik weet niet hoe hard jullie kunnen lopen zónder energydrank, maar ik loop meer dan drieduizend meter op een Coopertest. Waarschijnlijk haal ik jullie in, grijp je in je nekvel en lever je over aan de bedrijfsleider.”
Ik zei het niet hard, maar wel duidelijk en keek de knul recht aan. Die schrok, maar omdat ik op hem lette zag ik het tasje van het meisje niet aankomen.
Ze raakte me in mijn gezicht. “Klootzak. Bemoei je met je eigen zaken.”
Páts! De klap op haar oor kwam harder aan dan haar tasje; ze wankelde, kon zich nog nét vastgrijpen aan de stang die de twee rijen tussen de kassa’s verdeelde.
Ze greep naar haar oor. “Auw, klootzak!”
“Wil je er nog eentje? Geen probleem hoor. Die kun je op je andere oor krijgen, dan ben je weer in evenwicht. Maar iemand die pogingen doet om te stelen, mij slaat en mij vervolgens voor ‘klootzak’ uitmaakt, krijgt daar spijt van. Maar dat heb je nu wel door, geloof ik?”
Ik zag de kassière iets in de microfoon van haar headset zeggen en even daarna stond de bedrijfsleider ‘toevallig’ bij onze kassa. En naast me hoorde ik een lage grom. Mocca vond er duidelijk ook wat van: met de nekharen recht overeind stond de hond naast me, de lippen opgetrokken. Hé, daar kon ik gebruik van maken…
“Netjes in de rij blijven, netjes betalen en verder geen gedoe. Mijn hond weet nu ook hoe de vlag erbij staat; die wordt nogal onhebbelijk als lui lelijk tegen zijn baas doen.” Of het Mocca z’n tanden waren of mijn klap wist ik niet maar het stel schuifelde even later achter mij langs de kassa, rekende netjes twee blikjes en een zak chips af en verdween nogal snel.
De kassière keek me aan. “Dank u wel meneer. Die twee zijn redelijk bekend hier.” Ik grinnikte. “Ik nu zeker ook?” “Dat was u al. En uw blonde vrouw ook. Ik ben een goeie vriendin van Zelda.” Ik stak een duim op. “Dan zal ik ook maar netjes betalen, anders krijg ik maandag van Zelda op m’n donder… Geen trek in!”

Even later stond ik buiten en liep ik richting huis. Ik maakte een omweg en keek goed om me heen om te kijken of ik niet gevolgd werd. Geen zin in gedoe thuis; dat hadden we al genoeg gehad. Twee keer dook ik plotseling een paadje tussen twee huizenblokken in en bleef daar een tijdje wachten. Niets. Mooi. Het stelletje had blijkbaar geen trek om Kees te achtervolgen. Toen ik thuiskwam was Joline nog bezig: ze sopte de keuken. “Hé mooie vrouw…” “Hallo, lekkere vent…” Een zoen, toen voelde ik haar scannende blik over mijn gezicht. “Zeg het maar, Kees…”
Ik grinnikte. “Ik heb jouw geheime wapen even gebruikt, schat…” Kort legde ik uit wat er gebeurd was en Joline knikte. “Prima. En je hebt dat meisje een mep verkocht?” Ik knikte. “Als zo’n pubertje me met haar tasje slaat en voor ‘klootzak’ uitmaakt, wordt die aardige Kees Jonkman plotseling wat minder fijn in de omgang, zeg maar. En Mocca vond er ook wat van: die trok zijn lippen op en begon te grommen tegen het stel. Nu weet ik nog steeds niet of het Mocca z’n tanden waren of de oorvijg van Kees die hen deden besluiten om braaf te betalen…”
Joline knielde bij de hond. “Braaf, Mocca. Goed dat je Kees beschermd, hoor.” Kwispeldekwispel… Drie brokjes verdwenen in zijn bek. “Oh, en we kunnen niks meer gappen uit die supermarkt, schat. De kassière zei dat ze goeie vriendin was Zelda is.” Joline keek sip. “Hé da’s nou jammer… de kaviaar is al zo duur tegenwoordig.” Ik schoot in de lach. “Lekker mens…” Ze keek ondeugend. “Er zal wel weinig in dat tasje gezeten hebben… Je gezicht is nog heel.” Ik knikte. “Klopt. Ze was haar strijkijzer blijkbaar vergeten. Of zet wist niet hoe zo’n ding er uit zag, dat kan natuurlijk ook.”
Ik pakte de boodschappen uit. “Ik mis iets, Kees. De vorige keer toen we wat hommeles bij die supermarkt oplosten, kregen we taart…” Ik knikte. “Dat klopt. Ik zal er maandag even naar vragen, schat.” Een nogal sceptische blik volgde. “Dat durf jij niet. Daar ben je veel te bescheiden voor, Kees Jonkman.” Ze zag de beginnende lach in mijn ogen waarschuwde: “[i]En nu geen smerige opmerkingen over ‘een taart die je al thuis hebt’, Kees, anders word ik bijzonder onprettig in de omgang![/i[” Ik lachte haar uit. “Ik hoef het al niet meer te zeggen, schat. Je wist exact wat ik bedoelde. Scheelt mij weer een rood oor…” Ze mopperde nog wat onduidelijks en ging toen verder met het poetsen van de keuken.
“En doe jij vandaag ook nog wat, Kees?” Ik protesteerde. “Ja, hallo… Ik heb op twee daken staan blauwbekken, zélfs zonder Fred naast me, ik heb de Veldhovense jeugd naar rechts gericht, boodschappen gedaan en de hele vracht voor het weekend naar boven gezeuld en opgeruimd… En nu vraagt mevrouw, die de hele tijd lekker warm binnen bezig is geweest, of ik ook nog wat gedaan heb?” Joline liet haar spons vallen, draaide zich om en knuffelde me. “Sorry. Dat van die daken was ik even vergeten. Maar die boodschappen heb je niet ‘naar boven gezeuld’, dat heeft de lift voor je gedaan, Kees.” “Hmmm… Daar heb jij weer gelijk in, Jolientje.” Ze keek wantrouwend. “Als jij over ‘Jolientje’ begint… Moet ik me al gaan omkleden?”
Ik schudde mijn hoofd. “Nee schat. Even eten, daarna pak ik de bugel en ga Brecht plagen.” “Oh ja, dat moest ook nog. Nou, tafel dekken dan, meneer Jonkman!” Tijdens het eten kletsten we wat over plannen voor zondag. “Zal ik Lot en Mar eens bellen? Rijden we na de kerk met hen mee naar Arkel.” Ik knikte en stak, met mijn mond vol, een duim op. Even later pakte ik de bugel en reed naar de kerk. Brecht was er al; de deur was niet op slot en ik hoorde het orgel. Ze repeteerde een van de liederen. Een couplet, daarna volgde een zachte fantasie op de melodie. Ik stond in de deuropening te genieten van haar spel. Verdikkeme, als je dát kunt… En zonder conservatorium… Als zij zo doorging zou muzikaal Nederland nog heel veel van Brecht Solinge gaan horen…
“Kees?” Haar gezicht kwam om het rugwerk heen. “Ik hoorde de deur opengaan, Kees.” Ik klom naar boven. “Voor een organiste heb jij best wel goeie oren, Brecht. Veel organisten hebben tinnitus, omdat ze chronisch teveel registers uittrekken.” Ze lachte. “Daar ben ik meerdere keren voor gewaarschuwd, Kees. En áls ik een keertje helemaal los wil gaan, doe ik oordoppen in. Deze dingen.” Ze pakte een doosje uit haar tasje. “Otoplastieken voor musici. Stervensduur, maar beter dat dan de KNO-arts.” “Gelijk heb je. Hoewel een aantal musici die dingen verafschuwen, ‘omdat ze dan de finesses van de muziek niet meer kunnen horen’. Bij de fanfare waar Greet bij speelt, zit een aantal van die lui.” Ze trok een gezicht. “Stom. Maar ja, het zijn militairen, dus daar kun je het wel van verwachten.” Ze keek nu plagend. “Ik zal tijdens een lekker moppie toeteren die bugel eens jouw kant uit draaien, dame. En nu aan ’t werk!”
“Zeker… majóór!” “Trut… Jij luistert te veel naar Greet.” Gedurende een uurtje oefenden we lekker. Ik genoot ervan om samen met Brecht te spelen; zij legde nét wat andere accenten op de muziek dan Greet. Oké, ze was ook minder kritisch; omdat Greet zelf ook bugel speelde kon die veel beter elk foutje van mij horen; Brecht kon dat minder. Maar ik maakte me geen illusies: over een paar jaar kon zij dat waarschijnlijk net zo goed als Greet…
“Wat spelen we na de dienst, Kees? Heb jij suggesties?” Ik dacht na. De aankondiging van de engel aan Maria dat ze zwanger zou worden, was de tekst waarover gepreekt zou worden. Ik pakte het Anglicaanse liedboek, wat Greet in de muziekkast had liggen. “Moment, Brecht…” Al bladerend kwam ik er achter dat de tekstschrijvers een nogal morbide voorkeur hadden: veel ‘kruis’ en ‘lijden’. Maar ja, dat had Johannes de Heer, een bekende Nederlandse dichter en componist van gezangen ook gehad…
Na een paar minuten bladeren vond ik een pareltje: ‘Rejoice the Lord is King’ van Charles Wesley. Hij schreef het in 1744: een loflied. “Kijk Brecht… Is dit iets?” Ze scande de muziek. “Ken ik niet, maar zo te zien…” Ze zette de muziek voor zich en speelde het lied enkelhandig. Eén vinger, heel simpel. Toen trok ze een paar registers uit en speelde vanaf de muziek: vier vingers en pedaal. Zonder aarzelen en feilloos. Wéér stond ik te kijken en met m’n oren te klapperen. “Weet je zeker dat je dit lied niet kende, dame? Volgens mij zit je grondig te jokken.” Ze schudde haar hoofd. “In een kerk? Ik zou niet durven… Kun jij meespelen? En het refrein aanzwellend naar ‘forte’. Dan speel ik een voorspel, dan het couplet plus refrein, daarna fantaseer ik wel wat, dan nog een keer couplet en refrein en tegen die tijd is de gemeente wel de kerk uit en zit men aan de koffie…”
“Ja, en als wij de hal in komen lopen is die óf koud óf op, Brecht. Als jij gaat fantaseren… Ik ken je langer dan vandaag!” Ze lachte, drukte bepaalde registers weg en trok anderen juist uit. “Nou, daar gaan we. Voorspel en ik knik wel als jij mee mag doen.” “Zeker mevrouw…” Haar voorspel was interessant: ze begon heel bescheiden op het bovenste klavier. Geen pedaal, alleen de melodie met een simpele begeleiding. Het refrein iets steviger. Een fantasie volgde, waarbij de thema’s van de eerste twee regels en het refrein elkaar aflosten. Terwijl ze dat afrondde, keek ze me aan en ik zette de bugel aan mijn mond. Een knik en ik speelde de melodie, terwijl zij met slechts één hand en het pedaal rustig de begeleiding verzorgde. Met de andere hand gaf ze de maat aan. Terwijl ze zo bezig was, zag ik haar ogen over de registers gaan en trok ze nog twee registers van het hoofdwerk erbij: een prestant 8’ en de mixtuur.
Ze speelde op het rugwerk, dus die hoorde je nog niet. Nee, dat zou zo dadelijk gaan gebeuren als ze van klavier wisselde… En dan moest Kees aardig wat lucht door z’n bugel persen wilde je die nog horen… Een tussenspel volgde op het eerste couplet, nog steeds op het rugwerk. En daar trok Brecht gedurende het spelen ook een paar registers bij, zodat het volume al toenam, in aanloop op het volgende couplet.
Een knik, ze wisselde van klavier en het lied dreunde de kerk in. Nu met de melodie op het pedaal, de subbas 16’. De begeleiding speels op het hoofdwerk. En ik kon met de subbas 16’ meedoen… Ik hoorde de bugel nauwelijks! Toen we klaar waren zei ik dat dan ook. “Kun je iets minder gas geven, Brecht? Ik hoorde mezelf nauwelijks; als je beneden in de kerk had gestaan, had je inderdaad oordoppen moeten dragen. Een loflied? Oké, maar volgens mij is de Heer niet doof.” Ze keek teleurgesteld. “Het is ook altijd wat hier… Wil je eens lekker los gaan op een mooie melodie, krijg je weer commentaar. Piepert…” “Ja, en je krijgt nóg een keer commentaar, mevrouw Solinge!” De stem van Greet. Die stond bij de deur, haar jas nog aan. “Ik fietste hierlangs, terug van de supermarkt. En ik hoorde jullie tekeergaan. Buiten! Dus ik ben maar even gestopt om mijn leerlingen tot de orde te roepen. Weet jullie nog wat mijn adagium is, jongelui?”
Ze keek dreigend. “Wij ondersteunen, lieve opperwachtmeester”, zei ik grijnzend. “Precies… Majóór! Zingen we dit lied morgen, Brecht?” Die schudde haar hoofd. “Nee Greet. Kees wilde dit spelen terwijl de gemeente de kerk verliet.” “Dan zullen ze dat ik de looppas doen als jullie zó spelen!” Haar stem verzachtte. “Iets minder volume, Brecht. En ja, ik weet dat je het leuk vind, maar…” Ze grijnsde. “Het is niet de bedoeling dat de polikliniek KNO van het plaatselijke ziekenhuis plotseling bestormd wordt door onze gemeenteleden. Tot morgen!”

Ze verdween en wij keken elkaar aan. “Nou… we zijn betrapt, Kees.” Ik knikte. “Ja. En kregen vervolgens nog even les van mevrouw Zwart. Hoelang? Twee minuten, denk ik?” “Ja, zoiets…” “Mooi. Dan krijgt ze morgen van ons twee keer twee euro als honorarium. Wat dacht je daarvan?” Brecht giebelde. “Dan zal er wel weer een preek volgen, maar dat heb ik er wel voor over, Kees.” “Prima, dan doen we dat. Na de dienst, tijdens de kouwe koffie. En nu ga ik richting huis, Brecht. Even een rustige avond, na een best hevige week.” Ze knikte. “Oké, dan zie ik je morgen, Kees. 09:30 hier?” “Is goed. Fijne avond nog, Brecht.” Zij deed de kerk op slot en stapte op haar fiets. En ik in de auto.
Zo. Lekker blazen, morgen. Mooie liederen, in de aanloop naar kerst… Gelukkig was ik een stuk minder nerveus dan vorig jaar, voor die kerstavonddienst. Dát was het keerpunt geweest; toen had ik voor het eerst sinds Afghanistan weer ‘publiek’ gespeeld. En mocht ik regelmatig de diensten hier begeleiden. Heerlijk… Opgewekt kwam ik thuis en dat zag Joline meteen. “Hééé… een knappe majoor met een blij gezicht! Die wil ik zoenen!” En dat deed ze dan ook: lekker tegen me aanleunend op de bank. “Je ziet er mooi uit, Kees. Rust in je ogen. Heel wat anders dan gisteren.” “Ik heb ook heerlijk met Brecht gespeeld, schat. Balsem voor de ziel.” Haar ogen gingen in de stand ‘plagen’. “Oh? Met Brecht gespeeld? En welke spelletjes hebben zullie dan gedaan, mooie vent? En doe dat niet pijn op zo’n harde orgelbank? Of lag Brecht onder? Het arme kind…” Ik trok een smerig gezicht. “Wat denk jij slecht, mevrouw Jonkman. Alsof Brecht en ik… Nou ja, laat maar.
Bovendien: halverwege kwam Greet ook nog binnenvallen om commentaar te leveren; ik wil er niet aan denken dat onze strenge opperwachtmeester ons zouden betrappen op spelletjes die je alleen maar als getrouwd paar legaal mag doen.” “Boejuh”, was het laconieke antwoord. “Greet en Anita zijn ook nog niet getrouwd en doen die spelletjes ook. Nou ja, met een paar kleine verschillen dan, maar de essentie is hetzelfde.” Ik schudde mijn hoofd. “Toch maar niet doen. En als mijn normaal zo lieve echtgenote er achter komt… Geen trek in een serieuze confrontatie met de Blonde Feeks van Gorinchem!”
Een brommetje klonk. “Nee, dan heb je meteen 18 mensen er gratis bij, die je haarfijn uitleggen dat je een enorme hufter en stommeling bent om je lieve echtgenote te bedonderen, Kees. Ga je niet willen!” Ik knuffelde haar. “Die 18 mensen zullen me een biet zijn. Ik wil jou niet, never, nooit kwijt, schatje.” “Goed zo. Hou dat gevoel vooral vast, Kees.” “Ik hou liever jou vast, Jolien… Véél fijner dan ‘een gevoel’.” Ik voelde haar gniffelen. “Kom Kees, even lekker zitten en ontspannen. Jij hebt geblazen, ik gestudeerd. Vanaf nu even rust in de tent. Een boek lezen, iets drinken erbij, mooie muziek… Oké?” “Klinkt als een goed plan, schoonheid. Doen.”
En tot half zes zaten we tegen elkaar geleund op de bank, Joline met een historische roman, ik met het boek ‘Respect!’ van voormalig Landmacht-officier Johan Bergsma op schoot. En met Mocca aan mijn voeten. Het boek? Een indrukwekkende ode aan mensen die door hun werk binnen Defensie geestelijk of lichamelijk zijn beschadigd. En tijdens het lezen bedacht ik: ‘Wat zeur ik in feite? Ik heb een schat van een vrouw, prachtig werk wat niet als ‘werk’ voelt, een hele grote groep mensen om me heen die zonder meer in de auto springen als Joline of ik om hulp zou vragen, ik kan me als militair nog steeds nuttig maken, ik ben geen ledematen kwijt, ik heb een paar prachtige hobby’s… En toch zit ik soms te sippen of schrik ik van bepaalde dingen… Vergeleken met een paar lui uit het boek heb ik een prima leventje. Sommigen moesten jááren knokken tégen Defensie en het ABP om voor een fatsoenlijk invaliditeitspensioen in aanmerking te komen… Verdomme: knokken tegen dezelfde organisatie die jou naar het missiegebied stuurde! Hoe gek kun je het krijgen? Eén uitspraak in het boek opent mij de ogen: een collega die zegt: ‘Je bent niet zielig als je om hulp vraagt.’ Met die zin in grote letters voor me zat ik een tijd voor me uit te kijken.
En op een gegeven moment hoor ik naast me: “Wat daar staat klopt, Kees.” Ik keek opzij, naar Joline. Twee blauwe ogen kijken me ernstig aan. “Jolien, vergeleken met de lui in dit boek stellen mijn gedachtenspinsels niks voor…” Ze knikt. “Misschien. Maar ze hebben wel invloed op je, Kees. En ik wil er niet aan denken wat er kan gebeuren op een moment waarop jij een herbeleving hebt en iemand staat jou op hetzelfde moment te treiteren. Die persoon gaat dan vrij lang het ziekenhuis in. Dus: maandag bel jij het V.I. Zonder uitstel. Beloofd?” Ik knikte. “Ja. Beloofd.” Ik trok haar naar me toe en gaf haar een zoen. “Dank je wel, lieve schat. Dat jij me in de gaten houdt.” “Dat stond in de kleine lettertjes van onze trouwbelofte, schat.”
Ik zag plaaglichtjes in haar ogen. “Of had je die weer eens overgeslagen?” Ik bromde: “Ik zal Angelique er eens naar laten kijken.” Joline giebelde. “Doe maar niet. Die verzint binnen een paar seconden nog wat andere dingen waar je je aan moet houden.” Ik legde het boek terug in de kast. “Ik ga maar eens wat te eten klaarmaken. ten slotte is het niet zo netjes om morgen met een lege maag te blazen en zo de gemeente te trakteren op het gerommel in Kees z’n buik. Het gerommel van Mocca is al meer dan genoeg…” Twee uur later was het eten op en de afwas gedaan. Joline pakte haar boek weer en ik ging de buksen maar eens onder handen nemen. Dat had ik al een tijdje niet gedaan en het werd er weer tijd voor. En het was lekker om gewoon met m'n handen bezig te zijn aan een mooi mechanisch ding.
Een plastic kleed op tafel en eerst de Hatsans demonteren en controleren. Dat was snel gedaan; die waren vrij simpel. De Dreamlines waren ingewikkelder en fragieler. Dat duurde langer. Maar na twee uur zaten ze weer in elkaar. Het mechanisme liep uiterst soepel, vergeleken met de Hatsans.
“Jolien…” “Hmmm?” “Wat dacht je ervan om de Hatsans te verkopen? We schieten er nooit meer mee sinds we die Dreamlines hebben.”
Ze keek op, twijfelend. “De Hatsans zijn beter voor de verdediging, Kees. Lekker compact. De Dreamlines zijn daar in feite te lang en te onhandig voor.” Mijn kaak viel bijna op de grond.
Wát?” Joline knikte, serieus. “Ik meen het, Kees. Ik wil een stevige, compacte buks voor het geval hier weer eens ongewenst bezoek komt. Een buks waarmee ik kan lezen en schrijven, waarmee ik desnoods iemand een enorme optater mee kan geven. Die Dreamlines zijn daar te kwetsbaar voor. En laten we eerlijk zijn: hier thuis is de maximale afstand een meter of twaalf; dan boeit het niet zo of je iemand exact in het midden van z’n voorhoofd raakt of twee millimeter naast het midden; pijn doet het toch wel.”
Ze keek gemeen.
“Daar heb je gelijk in. In die pijn bedoel ik dus. Het enige wat ik dan permanent op de Hatsans wil hebben is de laser. Geen kijker: de laser onder de loop. Een zo klein mogelijke parallax en minder kwetsbaar. De voorsteunen zitten onder de Dreamlines en dat is prima.” Ze knikte. “Goed plan. En dat gaan we maandagavond regelen, Kees. En ik stel voor dat je geen rek maakt voor de Dreamlines; die staan in hun tas prima mooi te zijn in de kast. De Hatsans staan in het rek voor het grijpen.”
Ik keek haar vragend aan. “Jolien? Heb jij voorgevoelens of zo? Denk je écht dat Duyvestein of zijn vriendjes hier naar toe komen?” Ze keek nadenkend. “Ik acht de kans vrij klein, Kees, maar… het is een mogelijkheid. De man háát jou. Door jou is zijn hele verrotte imperium in elkaar gedonderd, inclusief zijn bedrijf aan de Zuidas. In de top tien van vijanden staat hij waarschijnlijk vrij eenzaam aan de top. Daarmee vergeleken zijn pa de Rooy en de familie Bongers én motormuis slechts ‘bloody amateurs’. Nou, Holtinge, de Rooy en Bongers zitten de komende jaren prima opgeborgen, maar vandaag of morgen komt Duyvestein vrij uit voorarrest en dan moeten we grondig oppassen, Kees.”
Verdorie, daar had ik zelf nog niet eens over nagedacht…
“Ik bel maandag wel even met rechercheur Anne. Die weet vast wel of meneer D. te A. nog in voorarrest zit en hoe lang dat nog gaat duren.” Joline knikte. “Goed plan. En nu meneer: die buksen opbergen, handjes wassen, Mocca uitlaten, je bugel klaarleggen inclusief de muziek voor morgen en je dan melden bij de blonde Feeks van Gorinchem.” De buksen verdwenen: de Dreamlines in hun koffers, de Hantsans half-geladen in hun rek. Ik waste mijn handen, pakte het tasje met brokjes-voor-onderweg. Mocca wist al hoe laat het was; die zat al kwispelend, met de riem en zijn tuigje in zijn bek, klaar.
“Goed zo, Mocca. Knappe hond!” Tuigje om, riem om… “Tot zo!”

We pakten de lift omlaag; traplopen was voor een hond prima, maar dan wel omhoog. Naar beneden was niet zo goed voor een jonge hond. Tegennatuurlijk. Bovendien… achttien trappen omlaag: nee. Beneden rende ik rustig naar het uitlaatveld. Meneer draaide zijn drie rondjes, ging plassen en weer drie rondjes: poepen. Opruimen… Ik kwam er achter dat de poepzakjes zo langzamerhand wat klein begonnen te worden voor de forse keutels die Mocca nu draaide. Toch maar eens langs de Welkoop gaan voor grotere zakjes. De dispenser voor die zakjes bij het uitlaatveld was geregeld leeg, zeker in het weekend. Even doorlopen naar het losloopveld: daar kon Mocca even lekker dollen. Deze week ook eens bellen met onze gastgezinbegeleidster Adria. Die had al een tijdje niks van zich laten horen en dat vond ik best wel lang.
Ik noteerde het meteen op mijn telefoon, samen met een notitie om Anna te bellen. Terwijl Mocca aan het dollen was, stond ik tegen het hek te peinzen. Tja… Duyvestein… Joline was zeer beslist geweest in haar uitlatingen. Anderhalf jaar geleden had ze waarschijnlijk bijzonder bang gekeken als haar was voorgesteld om twee krachtige luchtbuksen klaar te zetten tegen inbrekers. Nu praatte ze er over alsof het routine was… In gedachten liep ik terug naar huis. Naar boven met de trap, even Mocca een beetje moe maken voor de nacht. Eenmaal boven stond ik een beetje te hijgen, terwijl Mocca me aankeek met een bek van: “Nou Kees… Was het dat of gaan we nog een keertje?” Ik aaide hem. “Goeie hond, Mocca!”
Toen we binnen kwamen sprintte hij naar Joline. “Jaja, ik ben er ook, mooie hond…” Een aai, gevolgd door een handje brokjes, daarna kroop de hond in de mand. “Zullen wij ook maar eens in bed duiken, Kees? Jij moet morgen weer fit zijn om mooi te blazen.” Ik humde instemmend. Tien minuten later, lekker tegen elkaar aan liggend, hoorde ik zachtjes: “Wat dacht je ervan, Kees? Morgenavond weer eens ondeugende schaakspelletjes spelen met Jolientje? Want nu ben je niet in de stemming, dat voel ik.”
Ze giechelde. “Ik voel ten minste niks, ondanks dit best wel transparante nachtponnetje. Een jaar geleden zou je me meteen besprongen hebben.” Ik knikte. “Klopt, schat. Maar ik zit nog een beetje met die sessie van Mariëtte in m’n kop. En Duyvestein. Niet bevorderlijk voor mijn seksuele driften, zeg maar.” Ze duwde zich tegen me aan. “Morgenavond heb jij iets anders aan je kop, meneer. Je eigen echtgenote. De natste droom van een buurjongen in Malden, klasgenoten van een zeker gymnasium in Nijmegen en studiegenoten op de Hogeschool Utrecht.” Even was het stil en toen giebelde ze: “En Frits natuurlijk…” Ik proestte het uit. “Ja, Frits. Die vooral, schat.”
Ik knuffelde haar. “Je bent een heerlijke vrouw, Joline Jonkman – Boogers. Ook de natste droom van Kees Jonkman, hoor. Tenminste: toen we elkaar nog groetten met de bekende woorden ‘U ook een prettige avond, meneer’. Ik heb toen wel eens…” Haar stem werd scherp. “Ja? Beken het eens, Kees Jonkman! Met je uiterst correcte gedrag van die tijd! Biecht eens op!” Haar stem klonk nu dreigend. “Heb jij jezelf verwend in die tijd? Met mij op je netvlies?” “Nou, op m’n netvlies niet, mooie vrouw. Dan had ik het in de hal van ons gebouw moeten doen en waarschijnlijk hadden meerdere mensen daar een mening over gehad… Maar ’s avonds in dit bedje, met jou in mijn gedachten… Zeker weten!”
Ze kroop nog dichter tegen me aan en trok mijn hoofd naar zich toe. “En ik maar denken dat jij zo’n nette vent was…” “Stille wateren hebben diepe gronden, schat. Juist die rustige types, daar moet je voor oppassen.” Ze snoof. “Ik zal het onthouden. En nu: lekker slapen. En als je niet meteen kunt slapen: ga maar eens fantaseren welke leuke spelletjes je morgenavond met Jolientje wil gaan doen. Dan vraag ik dat morgenochtend wel aan je, dan kan ik het lieve meisje een beetje voorbereiden. Oké?” Ik kuste haar. “Lijkt me een fijn plan, schoonheid. Het arme kind zal niet weten wat haar overkomt als ik win met schaken.”
Ik kreeg een duw. “Je bent nog steeds een arrogante kwast, Kees Jonkman. Met je ‘als ik win met schaken’. Zorg maar dat je jezelf kan concentreren morgenavond. Ik zal Jolientje instructies geven over haar kleding. ‘Dressed to thrill’.” Ze kuste me weer. “Lekker slapen, lieve lover.” “Welterusten schat.”
Ik draaide me om en ze kwam tegen mijn rug liggen. “Lekker zo…” Ik voelde een warm handje over mijn billen. “Lekker kontje… Daar kan ik wel wat mee, denk ik…” Ze giebelde… Vijf minuten later startte de motorkettingzaag van Kees…

Tenminste: dat was het eerste wat ik zondagochtend hoorde. “Je was binnen een paar minuten in slaap gevallen Kees. En nogal luidruchtig! Ik heb je maar een por gegeven, toen werd het wat rustiger en kon ik ook slapen.” “Sorry schat. Zal ik als boetedoening dan een kopje thee maken?” “Dat zou wel lekker zijn. Kan ik nog even onder de dekens genieten.”
“Ehh… dame: handjes boven de dekens houden hé?” “Ik kan niks garanderen, Kees. Als jij zo meteen door de slaapkamer paradeert…” Ik zuchtte en gleed uit bed. Even daarna ontving mevrouw Jonkman haar thee op bed. En om het gezellig te houden, ging ik maar naast haar zitten. “Heb je er zin in, Kees? Lekker blazen?” Ik knikte. “Ja. Met Brecht is het anders dan met Greet; de militaire grappen ontbreken. Hoewel ook zij langzaam maar zeker de kreet ‘Majóór!’ aan het hanteren is…” Joline schoot in de lach. “Maar ze is een geweldige organiste, Jolien…”
Ik dacht even na. “Nee, dat zeg ik verkeerd. Ze is een geweldige musicus. Het meeste doet ze in haar hoofd. En uiteindelijk culmineert dat op de toetsen: ze hoort een melodie, gaat daar in haar hoofd mee aan de slag en even later komt daar een prachtige fantasie uit. En die speelt ze zónder muziek, haar hoofd naar de pijpen boven zich kijkend en haar handen doen het werk, aangestuurd door… Ik weet niet welk deel van de hersenen het creatieve deel is, maar dat is bij haar schitterend ontwikkeld. Ik hoop één ding: dat dát deel niet op het conservatorium door een minder begaafde docent in een bepaald sjabloon geperst wordt. Dat zou eeuwig zonde zijn. En dan bedoel ik ook letterlijk: dat zo’n docent ‘zonde’ begaat. De zonde om een creatief meestertalent in een hokje te duwen.”
Joline knikte langzaam, met haar beker aan haar mond. “Ja. Dat zou inderdaad een grote zonde zijn. Ik heb weinig verstand van orgelmuziek, ik begin het nu een beetje te waarderen, zeker…” Ze glimlachte ondeugend “als er een bugel meespeelt, maar als Brecht en ook Greet speelt, is het meestal mooi om naar te luisteren. De stukken voor en na de dienst en tijdens de collecte: soms erg mooi, soms voor mij totaal onbegrijpelijk, maar bij beide dames: hoe zij de gemeentezang begeleiden is prachtig. En dat geldt voor die bugel ook wel een beetje.” Ze knipoogde. “Het adagium ‘Wij ondersteunen!’ is er gedurende het afgelopen jaar bij mij ingerámd, Jolien. Lees de tekst van een lied en anticipeer daar op. En toeter niet op de automatische piloot de melodie bij elk vers hetzelfde. Dan sla je een lied hartstikke dood.”
Ik dronk mijn laatste slok thee. “En nu, mooie jonkvrouw, ga ik u verlaten teneinde mijn nachtelijk zweet een beetje van me af te spoelen, zodat Brecht zich niet afvraagt wat wij vannacht allemaal hebben uitgespookt. Of misschien denkt ze dan wel dat ik onder een brug heb geslepen…” “Ach, zolang dat een brug over de Binnendieze in Den Bosch is vind het ik dat niet zo’n probleem. Daar gebeuren af en toe wel leuke dingen, Kees. Zoals een eerste zoen er zo…” “Ja, da’s ook weer waar.” Ik kuste haar. “Heb je daar ooit spijt van gehad?”
Twee blauwe ogen keken me recht aan. “Geen seconde, Kees. Zelfs niet als je rotopmerkingen over mijn borsten maakte. Je weet wel, die ene avond toen Mar en Lot…” Ik hier een hand op. “Ik weet welke avond je bedoeld en ik schaam me daar nog steeds voor.” Ze giebelde. “Niet nodig. Je hebt genoeg geboet die avond. Jezelf 11 kilometer lang kapot rennen en onderweg ergens nog op je flikker krijgen van ene van Laar.” Ik bromde: “Ja, hou maar op, ik weet het nog als de dag van gisteren. Fred was woédend. En weet je waarom?” Ze schudde haar hoofd. “Vertel!”
“Omdat ik jou verdriet had gedaan, schat. Had beledigd. En als iemand dat bij jou doet, ontsteekt ene majoor van Laar in 110 kilo ongenuanceerde woede. En het maakt hem geen fluit uit of ik het ben die jou verdriet doet of beledigd of Holtinge, of Duyvestein… Dat doe je niet. Punt. Jij staat bij hem op een bijzonder hoog voetstuk, schat.” Ze knikte langzaam. “Dan hoop ik dat ik Fred nooit teleurstel, Kees.” “Gewoon jezelf blijven, Joline.” Ik gaf haar een korte zoen. “En nu ga ik douchen!”
Een paar minuten daarna was ik lekker opgefrist. Scheren, aankleden… Een nette broek, witte coltrui en een colbertje. De kleding die ik meestal aan had als ik in het openbaar speelde. Geen knellende boord om m’n nek. In de St. Jan had ik destijds m’n DT aangehad; met een overhemd wat gelukkig wat ruimer zat. En toch had ik er wat last van gehad… Na het ontbijt lieten we Mocca nog even uit en reden daarna naar de kerk. Brecht kwam tegelijkertijd aan gefietst. “Hé… Goeie morgen Brecht!” Joline begroette haar vrolijk. “Wat hoorde ik? Hebben jullie gisteren nog even op je zielement gehad van Greet?” Ze trok een gezicht.
“We gingen even lekker muzikaal los, Kees en ik. Greet fietste toevallig langs en stormde in heilige woede de kerk in om te verkondigen dat onze rol ‘begeleiden’ was…”Joline schoot in de lach. “Ah, dat refreintje… Ja, dat kennen we wel.” Brecht giebelde. “Heb jij die twee euro in je zak, Kees?” Ik keek in mijn portemonnee. “Jazeker. Daar gaan we onze briljante opperwachtmeester over mee plagen, na de dienst.” Joline trok een wenkbrauw op en Brecht legde uit dat Greet ons zeker een minuut les had gegeven.
“Nou ja, daar moet ze wel haar honorarium voor krijgen. ten slotte is het al armoe troef in dat huishouden: een verpleegkundige die chronisch te weinig salaris ontvangt, een opperwachtmeester die moet bijbeunen door als organiste dienst te doen en een stel moeilijke leerlingen heeft…” Joline knikte droog. “Ja, die moeilijke leerlingen, daar heb ik wel beeld bij.” Brecht duwde me voor zich uit. “Kom, andere ‘moeilijke leerling’. Ik wil dat lied van Wesley nog even doornemen. Daar kreeg in gisteren een paar leuke ideetjes voor.”
Ze trok haar jas en ik keek even verwonderd. Voor het eerst had ze een rokje aan. En een mooie witte wollen trui die haar figuurtje prima omsloot. Joline betrapte me en knipoogde. O shit, die had me door…We liepen naar boven, ik voorop en Brecht pakte een A-4tje met handgeschreven muziek en zette dat op mijn muziekstandaard.
“Ik heb gisteren een bovenstem in elkaar gezet, Kees. Ik weet dat jij dat mooi vind, dus wat dacht je ervan om die tijdens het laatste couplet te spelen?” Ik keek haar stomverwonderd aan.
“Jij hebt wát?”
“Bovenstem. Net als bij die Engelse jongenskoren. Nu ben jij weliswaar geen sopraan meer, maar…” Ze giebelde. “… met een welgerichte schop is dat zó voor elkaar. Maar goed, dat wil ik Joline niet aandoen, dus je speelt het maar op je bugel. En dat gaan we nú doen: ik speel een couplet, dan een tussenspel en daarna spelen we het laatste couplet, jij die bovenstem. Je red je maar.”
Ze zette het orgel aan en speelde een kort stukje muziek, waarbij ze bijna alle toetsen beroerde. “Vanwaar dit moppie, Brecht?” Ze keek opzij. “Op die manier weet ik dat de toetsen en het pedaal geen gebreken vertonen en doen wat ze moeten doen. Eén van de opdrachten van Greet om daar een enigszins acceptabel stukje muziek voor te schrijven. Maar zo te horen is alles in orde. En nu: Wesley!” Ze trok registers uit, zette de muziek voor zich en begon een couplet te spelen. Met een redelijk ‘conservatieve’ begeleiding; de alt, tenor en basstemmen waren redelijk voorspelbaar.
Toen een tussenspel, wat eindigde in een lang aangehouden akkoord. Een knik en het couplet klonk weer. Met de bugel er bovenuit! Inderdaad net zo’n tegenstem als je in de St. Pauls Cathedral hoorde. Heerlijk om te spelen, ik kon me lekker laten gaan.
En na het laatste akkoord keken we elkaar aan. “Ik hoef niet te vragen hoe je dit vond, Kees…” Ze lachte. “Nee, dat is waarschijnlijk met een bulldozer van m’n gezicht te scheppen… En jij hebt dit gisteravond ‘even’ geschreven, mevrouw Solinge?” Ze knikte. “Niet moeilijk als de melodie mooi is.” Ik schudde mijn hoofd. “Joline en ik hebben het vanochtend, terwijl we met een bakje thee op bed zaten, even over jou gehad. Over jouw improvisatievermogen. En wat ik nu zeg méén ik, Brecht: als iemand op het conservatorium het lef heeft om jouw muzikale gaven in één of ander stramien te willen persen: zeg het me en ik kom die persoon even iets over zijn of haar familie vertellen. Wat jij hebt is méér dan uniek, meid. Laat niemand dat van je afnemen.”
“Mag ik het daar voor de volle honderd procent mee eens zijn, Kees?”
We schrokken van die stem uit de kerkzaal: in het midden stond Richard, de dominee. “Ik hoorde jullie spelen en ben even komen luisteren… Wanneer spelen jullie dit?” “Als de gemeente de kerk verlaat, Richard. Een soort extra ‘Lofzang van Maria’.” Hij knikte. “Mooi. Ik denk dat ik dan even wacht met de gemeente een handje te geven.”

Hij verdween en Brecht keek me aan. “Nou, die hebben we alvast binnen, Kees.” “Ja. En terecht. En nu even die andere liederen doornemen, schoonheid.” Ze fronste. “Schoonheid? Volgens mij loopt er beneden een hele knappe blonde vrouw rond waar jij mee getrouwd bent. En dan zeg jij zomaar ‘schoonheid’ tegen een andere vrouw? Ga je schamen!”
“Nee hoor. Joline zag me kijken toen jij je jas uitdeed en knipoogde naar me. En die knipoog houdt in: ‘Buiten honger krijgen, binnen eten, Kees.’ Wat je nu aan hebt staat je prima, Brecht, maar sowieso ben je knappe jongedame.” Ze sputterde: “Ja, vast. Helaas vond de knul waar ik verliefd op was, een andere jongedame interessanter.” Ik boog me even naar haar toe en zei zachtjes:
“En die knul is dus een enorme stommeling. Want je bent niet alles een knappe meid, maar je hebt ook een talent wat bijzonder zeldzaam is. En ik hoop voor jou dat er iemand ergens op deze aarde rondloopt die dat op waarde kan schatten en die samen met jou in zee wil gaan, Brecht. En verder zeg ik maar niks over.”
Ze keek even nadenkend en ik wees naar de speeltafel. “En nu aan ’t werk. Die andere liederen even doornemen!” Ze lachte even. “Zeker majoor. Tot uw orders majoor. Pakt u uw toeter er dan even bij, majoor?” Ik gromde. “Toeter… Hoe haal je het in je hoofd…” We repeteerden de liederen die ik ook mocht begeleiden vlot. Het waren er niet zoveel. Daarna blies ik de bugel even schoon en keek de kerk in.
Er zaten al een paar mensen zachtjes te praten. En Brecht keek op haar horloge, pakte een muziekboek van Bach en sloeg dat open bij Preludium and Fuga in G majeur. BWV 541. Poeh… Dat was een behoorlijk ‘pittig’ stuk om te spelen. Met name het preludium… En dat stuk zou dit ‘meisje’ gaan spelen? Om acht minuten voor tien keek ze voor het laatst de registers na, en toen klonk het orgel. Het geroezemoes in de kerk verstomde; een paar mensen keken achterom. Brecht kon dat niet zien; die zat verstopt achter het rugwerk.
Toen de fuga begon, schalde de Bazuin 16’ van het pedaal door de kerk. Dat vond Brecht blijkbaar iets te veel van het goede; na de eerste paar maten op het pedaal drukte ze dit register weg en verving het door de Octaaf 8’. Dat scheelde aanmerkelijk in het trillen van de ruiten… En halverwege het Preludium kwam de kerkenraad al binnen! Hé? Ik keek op m’n horloge: vijf voor tien. En ze bleven naast de deur staan, liepen niet naar voren, maar luisterden naar het orgel.
Pas toen Brecht vertraagde, tijdens de laatst vier maten van de fuga, liepen ze naar voren en ging de ouderling van dienst achter de liturgische tafel staan: Jackie Moes. “Goedemorgen gemeente…” Een gemompeld ‘Goedemorgen Jackie’ klonk als antwoord uit de kerk.
“Wij zijn op aanwijzing van Richard wat eerder naar binnen gegaan en hebben staan luisteren naar Bach. Dank je wel, Brecht!” Die kreeg een kleur en ik lachte haar uit. De gebruikelijke mededelingen volgden, waarna Jackie het intochtslied aankondigde. Ze gaf Richard een hand en Brecht zette het voorspel in. Nu beduidend zachter. En even later zong de gemeente Psalm 19, vers 1 en 3. Ja, een psalm, dus gedicht vér voor Maria geboren was, maar ze zou het zomaar gezongen kunnen hebben na de aankondiging dat ze zwanger was. Het 3e vers speelde Brecht alleen op het pedaal met de Mixtuur 8’ als ondersteuning; Alleen een noot op het begin van een maat, bijna als metronoom. Ik moest de gemeente maar begeleiden. En dat lukte prima.

De dienst verliep verder zoals gebruikelijk: een afwisseling van zingen, bidden, lezingen uit de Bijbel en uiteindelijk de preek. Richard ging voor mij wel érg de diepte in; meer dan de helft van zijn preek kon ik niet plaatsen. Sorry Richard… Hij gaf Brecht weinig tijd om zich voor te bereiden; zijn slotwoorden waren: “Tenslotte, gemeente: Als wij een seintje krijgen van ‘Boven’: zijn wij dan ook bereid om te doen wat moet gebeuren? Denk daar deze week eens over na… Amen.” Brecht zat nét toen het ‘amen’ klonk, maar ze had alles wel klaar staan.
Voor zich het ‘Orgelbuchlein’ een muziekboek van Johann Sabastian Bach, met korte bewerkingen van koralen, geschreven in zijn in Weimar. Elk stuk op één bladzijde. Brecht begon met BWV 599: ‘ Nun komm der Heiden Heiland’, een licht, vrolijk en dynamisch werk. Daarna trok ze bliksemsnel een paar pedaal registers uit en vervolgde met BWV 606: ‘ Vom Himmel hoch, da komm ich her’. De lage tonen van het pedaal dreunden door de kerk. Beide stukken vielen in de categorie ‘kort, maar hevig’. Inwendig moest ik lachen: Greet zou wel eens commentaar kunnen hebben. Niet zozeer op de muziekkeuze; die was prima en sloot naadloos aan op het thema van de preek. Wél op de registratie. Brecht gebruikte het volume van het orgel meer dan Greet.
Na de orgelmuziek volgde het dankgebed en de voorbeden, daarna de collecte. En tijdens de collecte fantaseerde Brecht op het slotlied; niet naar haar handen of voeten kijkend, maar omhoog, naar de orgelpijpen, haar ogen soms dicht. Ze speelde eerst heel zachtjes en trok gedurende de fantasie een paar registers meer uit, totdat ze in een slotakkoord eindigde. Daarna één seconden stilte, een knikje naar mij en samen begeleidden we de gemeente. Eén couplet. De zegen volgde waarna ik de muziek van Wesley op mijn muziekstandaard zette. Brecht telde af en we zetten in.
En Richard ging inderdaad even zitten. Enige verwarring bij de kerkgangers, maar een aantal gingen ook weer zitten en luisterden. Joline, Mar, Lot, Rogier en Gerben draaiden zich om en gingen op de rugleuningen van de bank voor hen zitten, gezicht naar het orgel. Na het eerste couplet klonk er een korte fantasie van Brecht, daarna gaf ze mij een teken en speelde zij de ‘normale’ melodie en ik de bovenstem. En dat ging prima!
Die bovenstem had ze prachtig gecomponeerd en gelukkig voor mij niet al te moeilijk gemaakt. Na het slotakkoord was het even stil in de kerk, daarna begon het geroezemoes. Geen applaus. Prima, dat paste ook niet. Brecht drukte alle registers dicht en zette het orgel uit. “Dank je wel, Brecht. Dit was heerlijk, om zó met jou te spelen.” Ze glimlachte. “Dank je wel. Ik heb ook genoten, Kees. Volgens mij voelen we elkaar muzikaal prima aan.” “Zelfde strenge leermeester, Brecht. Daar zal het wel aan liggen…”

We grinnikten, pakten onze spullen en liepen de trap af. Charlotte liep op ons af. “Brecht… Kees: wat hebben jullie mooi gespeeld. Dank je wel!” Joline loste haar af; met een zoen voor mij en een knuffel voor Brecht. “Ik ben het helemaal met Lot eens… Prachtig! En die tweede stem voor Kees na de dienst… Waar heb je die vandaan, Brecht?” “Gisteravond kreeg ik inspiratie, Joline. Van half negen tot elf heb ik het geschreven.” Joline sperde haar ogen open. “Wááát? Heb jij… Wauw… Zet dat eens héél gauw op papier!” Ik wees op mijn bugelkoffer. “Dat staat het al, schat. En ik heb het origineel. Kan ik over 75 jaar verkopen als ‘een originele Solinge’. Een leuke aanvulling op mijn pensioen, als we samen in dat bejaardentehuis zitten.” Brecht proestte het uit. “Over 75 jaar, Kees? Dan ben jij… 110 of zo?” “Hoho mevrouw. 105 slechts. En nog altijd fris en fruitig.” Joline keek me aan. “Spot daar maar niet mee, Kees.” Ik knikte. Ze doelde op Bram Petersen, die Bosnië-veteraan die zo vroeg overleden was. We liepen naar de tafels waar koffie geschonken werd. Brecht dronk thee en dat vond ik nu ook wel lekker. Greet kwam ook even langs, met achter haar Anita. “Nou, jullie hebben je er aardig doorheen geslagen, mevrouw en meneer.” Brecht en ik keken elkaar aan. “Da’s wel een leuk compliment van onze normaal zo strenge docente, Brecht.” Greet omhelsde Brecht, ik kreeg een knuffel van Anita. “Mooi gespeeld, Kees. Dank je wel.” Ik wees naar Greet. “We moesten wel, Anita. Kritisch publiek en zo…Oh Brecht, wij moeten nog wat regelen!" "Moment, Kees..." Ze deed een greep in haar tasje en ik in m'n achterzak. "Geachte strenge docente: hier uw honorarium voor het minuutje les wat wij gisteren van u mochten ontvangen." We drukten haar de twee maal twee euro in de hand. "Stelletje dwazen...
Ze keek opzij, naar Anita. "Gisteren, na het boodschappen doen fietste ik hierlangs en hoorde ik hen bezig. Buiten! De ruiten klapten er nog nét niet uit... Nou, toen ben ik maar even naar binnen gegaan en heb de jongelui even verteld wat ik ervan vond, schat." Ze liep naar de bus bij de deur die bedoeld was voor een bijdrage aan het onderhoud van kerk en stopte de vier euro daar in.
Anita lachte. “Als jullie op 31 December zo spelen als vandaag…”
“Daar gaan we ons best voor doen, meid. Wees daarvan overtuigd.”
Ik zag Richard en Jackie Moes even later met Brecht praten, een grote glimlach op hun gezicht.
Oké, prima. En na een minuut of tien trok Joline aan mijn mouw.
“Kom, mooie toeteraar. We rijden achter Lot aan richting Arkel. Even uitblazen. Heb jij wel nodig.”
Joline stapte achter het stuur en voor we Eindhoven uit waren lag ik al te slapen…
Geef dit verhaal een cijfer:  
5   6   7   8   9   10  
Durf jij met oma te flirten?
Klik hier voor meer...